gedicht: Jantje op stelten

Jantje op stelten't Had zo gesneeuwd. De sneeuw lag dik.
Ze lag zo hoog, zo hoog als ik.
En 'k liep erin, en 'k zonk erin,
'k zonk erin tot boven de kin.
Maar 'k wilde toch naar schole gaan.
En 'k trok mijn vaders laarzen aan.
En 'k stapte dapper door de snee.
Net of ik anders nooit iets dee.
En de sneeuw, sa maatjes, dat was een jool
De sneeuw bleef hangen aan hiel en zool.
En 'k groeide, 'k groeide bij iedere stap
Werd ik groter dan onze zoldertrap
'k Pakte een kraai op een hoge tak
Ik keek in de goten, en over elk dak.
Ik groeide misschien een meter of tien
Dat hadden de mensen nog nooit gezien.
Ik zag mijn maatjes als mieren beneen
En 'k riep hun toe:"Wat zijt gij toch kleen"
En toen ik voor de schooldeur stond
Daar kon ik waarachtig niet meer op de grond.
Maar de meester haalde een lange leer.
Zo daalde ik terug op de aarde neer.


















