gedicht: Van een hond, een kat, en nogal wat
De poedel en de kater, de poedel en de kat,
die lagen bij de kachel die rode wangen had.
De kater lag te spinnen, die spon een poezelied,
van dikke vette muizen en een kanariepiet.
De poedel lag te dromen, hij knorde nu en dan,
van afgekloven beentjes, daar hield ie zoveel van.
Toen kwam er een stoute bengel, een kleine spring-in-'t veld,
Die trok aan 't poezestaartje, toen had je het geweld.
De kater stond te blazen, en krabte naar de hond,
die met zijn ruige poten, stoof blaffend in het rond.
De tafel en de stoelen, de matjes, het karpet,
geen ding bleef staan of liggen waar 't eens was neergezet.
Dat was me een spektakel, zo erg was 't nooit geweest,
de kleine staartetrekker, die schreewde nog het meest.
S. Franke











