Dagboek
27
We konden n,iet meer weg we gingen opzoek naar slaaping ’t ging niet gemakkelijk dog mijn oude moeder kreeg een bed en ik en mijn jongens kregen een bondel stroo van een boer en we mogten in een arm huisje in de grond de grond slapen als het klaar kwam me gingen weder bij ons wagens en we reden verder we waren maar juist eenige minuten op weg een smal kalseide de kalseide om naar Aalst te rijden , de troepen kwamen van Aalst een gans regement met al hun wapens er komt een overheid bij ons wagens allen in de gragt reiden om die soldaten te laten passeren ik zegde ewel me kunnen hier staan tot avond , ze zijn rare mensen van duitsen mogten we tog voort rijden. Opeens komt er een soldat te peerde bij mij, hij zegde bekent gij mij niet ik ben Reintjes van Outrijve ik werkte bij u in de fabriek als ik naar de oorlog mogt kent gij mij niet, ik zegde ’t is met die helm of toup op u hoofd? Ik zegde zijn er geen soldaten bij die ik ken ja zegt hij een Vandenbulcke, ik zegde ’t is zeker Henrie een kozijn van mijn man ’t is een van de klas van 14 ik zal hem niet kennen hij zal zooveel veranderd zijn ja zegt die soldat hij zegt die soldat stel het goed, ik zegde tegen mijn kennissen goed kijk goed kijken er zijn soldaten op het land er zijn er agter ons en er zijn er op de kalseide goed kijken

