Naar de inhoud

Rollegem blogt ...

Categorie: gesneuvelden

gesneuvelde



33ste dag: dinsdag, 11de juni.

 

 

Het is nog niet laat in de voormiddag of daar hebben we het al. De schoolbestuurder is vanmorgen of gisteravond binnengekomen en heeft er zijn woning overhoop gevonden en ontdekt dat er voor honderden en zelfs duizenden franken werd gestolen aan gouden en zilveren uurwerken, ringen, enz. Hij eist dan ook een streng onderzoek en voorbeeldige straffen.

De ene dader zal weldra de andere uitbrengen en onder de 5 à 6 ondervraagden zijn er een paar die zeker heel eenvoudig getuige waren van het misdrijf, hun verleden is er borg voor. We hebben bijvoorbeeld allen innig medelijden met Smet, de grootste en wellicht de braafste soldaat van ons peloton. De kapitein ziet het voor hen alles behalve rooskleurig in. Hij vreest, gezien de oorlogsomstandigheden, dat ze er het leven zouden kunnen bij inschieten.

        Moet de Fransenoverheid de zaak in handen nemen, zegt hij, dan kunnen wij er niets meer aan doen. De beklaagden zitten er dus heel bedremmeld bij. Toch wil geen van hen de gestolen zaken te voorschijn halen, wellicht vrezend dat hij dan, als hoofdschuldige zou boeten voor allemaal.

Niets hebben de zorgvuldige opzoekingen in de ransels en blauwe zakken teweeggebracht. Bij gebrek aan cachot worden de booswichten maar in een klas opgesloten, met een schildwacht vóór de deur.

             Vanavond zaten de officieren in de eetzaal van de leraars, wij waren al terug van de kazerne waar we lekker geavondmaald hadden, toen opeens een hele formatie vliegtuigen, vlak boven ons aan het mitrailleren gingen, naar elkaar, of naar een doel op de grond, dat weten we niet. De officieren, vertelden later de ordonnansen die hen bedienden, sprongen over de tafels om het eerst in de kelder te zijn. Wij zelf in plaats van de schuilplaatsen vlak naast ons te gebruiken, staan er op te zien, zoals we deden in Brugge, vier weken geleden. Tot de gevaarlijke vogels, de ene in zuidelijke richting, de andere in noordelijke richting verdwijnen. We laken eenparig de handelswijze van onze oversten die, zonder aan hun onderhorigen te denken, maar gauw hals over kop hun eigen vel redden. Was er gevaar, dan moesten ze ons de schuilplaats in drijven, was er geen, dan hoefden ze niet hals over kop in de kelder vluchten.

            Als alles voorbij is horen we de officieren in hun eetzaal druk beraadslagen, waarschijnlijk over wat er nu te doen valt, gezien het front schijnt te willen de hoofdstad bereiken. Om aan de verdedigingswerken van Parijs te helpen arbeiden, zullen we wel te laat zijn! Ja, daar komt onze kapitein ons mededelen dat we vannacht van hier vertrekken. Hij leest ons een hele reeks mededelingen die waarschijnlijk van onzen aftocht, al lang werden gereedgehouden.

Elk mag maar zo en zoveel linnengoed en de aller- nodigste zaken meenemen want we gaan te voet tot “Etampes” waar we de trein ons zal opnemen! En we hebben maar drie nachten om daar te komen, overdag valt er niet te reizen uit vrees voor de vijandelijke vliegtuigen.

              De kapitein heeft niet eens de tijd om alles af te lezen, want daar zijn alweer de vijandelijke jagers, hij springt van de hoop grond waarop hij stond en waaronder de schuilplaats ligt en verdwijnt weer als de bliksem, recht naar de deur van de eetzaal terwijl ook de andere officieren de kelder binnenbuitelen. Die zal wel veel veiliger zijn dan de lichte schuilgangen op de koer die enkel van takken en aarde gemaakt zijn.

             Wij van onze kant gaan dus zonder verder bevelen af te wachten onze ransels “marsgereed maken”, met wat hartzeer sommige zaken achterlatende, want ditmaal voelen we heel goed dat we onze blauwe zakken nooit meer zullen weerzien, spijts de belofte dat ze per auto achterna zullen worden gestuurd! We zitten daarna onder de overdekte galerij te wachten tot het helemaal donker geworden is en stappen dan de wijd open poort uit, nauwe en pikdonkere, verlaten straatjes in, het onbekende tegemoet.

 

 

Reageer op dit bericht

gesneuvelde



          

33ste dag: dinsdag, 11de juni.  Deel II

 

 

We komen langs de Seine kaai bij “Port Marly”, wat ik op een verlichte wegwijzer lezen kan. We moeten zo dikwijls links en rechts inslaan dat we telkens  de hemelkoepel met de bekendste sterrenbeeld moeten raadplegen om te weten of we zuid, dan wel noordwaarts aan het stappen zijn in de stillen donkeren nacht.

              We hebben nogal wat last met de heuvels in de Seine bocht. Bergop stappen is niet zo erg, gesteund wat harder op de stok, want die heeft het merendeel van ons bewaard, maar bergaf is het een lastig werk de ransel wil vooruit, ook het lichaam komt telkens met al zijn gewicht op de arme voeten neer die niet goed weten of ze op dan wel tussen en van de grote rode “pavés”(straatsteen) van het noorden zullen terecht komen.

We worden op den duur zo moe dat niemand nog op zijn plaats gebleven is, de kolom rekt en rekt. Gelukkig komen we na een tijd op asfaltweg, bij elke uurhalte, die echter soms wel anderhalf uur op zich laat wachten, vallen de mannen midden de baan neer waar ze na een paar minuten in slaap vallen!

Er zijn er die een flinke por in de ribben van doen hebben, anders blijven ze liggen wanneer de halte over is. Ik was het al spoedig beu, voor mijn kepie te zorgen, en voor we een uur gegaan hadden vloog hij de lucht in dat hij drie of vier rijen achter ons tussen de mannen neerviel. Borrey had hem te stekken en zette hem lachend op. Hij heeft er heel wat succes mee gehad, dien nacht.

 

Reageer op dit bericht

gesneuvelde



34ste dag: woensdag, 12de juni.

 

 

Een van onze luitenanten, ik vermoed dat hij van een peloton ver achteraan tot hier is doorgedrongen, werd door een heilige gramschap aangegrepen toen hij zag hoe lam en lui ze bij ons de zaken opnemen. Hij dreigt zelfs de slapers met de stok zodat sommige van de kwaadste het met hem lelijk aan de stok krijgen. Ten laatste vinden er enkelen een middel om in een café binnen te geraken en zitten er nu op een echte “mensenstoel”hun razende dorst te laven, op gevaar af dat ze heel de colonne zullen zien voorbijgaan.

          Als de dag aanbreekt ben ik ook wel een half uur ten achter bij het hoofd van de colonne, maar daar komen de vluchtelingen al uit het noorden en ik spring op de treeplank van een zwaarbeladen auto waarmee ik triomfantelijk tot helemaal vooraan rijd. Het is tijd dat we stoppen zoniet is Körtleven, eer het een half uur later is, heel zijn batterij kwijt, want alleman ziet nu uit naar een vervoermiddel.

          Doch gezien het gevaar dat van uit de lucht dreigt, over dag, houden we dan ook stil nabij het stadje “Plaisir”! (In Plaisir maar verre van plezier!) We mogen slapen onder de bomen van een boomgaard doch in het natte gras vind ik het weinig interessant en ik heb weldra een mollig nest in een stal op den overkant van de baan waar ik Körtleven en alle rustverstoorders uit het vaarwater blijft. Franse soldaten zijn in het huis gelegerd, heel waarschijnlijk op eigen initiatief en broederlijk delen ze wat ze nog veel broederlijke uit de kelder hebben gerobberd! Ik ga daarna even zien wat er in onze “keuken” te profiteren is en zo heb ik bijna half mijn goesting! Want de hoger die men voelt na zo een nachtelijke wandeltocht is iets merkwaardigs!

De vluchtelingen die voorbij komen hebben vers brood mee van wel een meter lang, doch enkel de gelukkigste. Ze kochten het, zeggen ze mij, in Plaisirs, na uren wachten. Daar zal ik dan maar ook eens mijn kans wagen. Het is een hele wandeling, doch zonder uitrusting is dat nu niet zo erg. Bij de bakkerij, die potdicht is, staan al wel vijftig mensen en nog altijd komen er bij. Aan de Franse soldaten op den overkant van het dorpsplein, worden uit een legercamionette broden genoeg uitgedeeld, maar daar is voor de Belgen niets te krijgen; 28ste mei! Eindelijk gaat de bakkerijdeur open, de veldwachter laat nog een tiental personen binnen en .. weer toe. Langs achter komen ze buiten met elk een pond lekker vers witbrood! Ten langen laatste sta ik ook voor de toonbank als er juist een nieuwe voorraad, nog dampend, van uit de bakkerij wordt binnengebracht.

          In het terugkeren, ontmoet ik bendekens piotten die thans ook de bakkerij hebben “ geroken”. Ze gaan op hun beurt afwachten. Hun succes ginder in Plaisir groeit met het uur het pleintje staat nu vol!

          De verdere dag wordt één luieriken onder de bomen en langs de wegrand waar aldoor de colonnes vluchtelingen uit de streek rond Parijs te voet, per fiets, met karren, wagens, auto’s en moto’s voorbij sukkelen. Tegen avond, als de baan zowat verlaten geraakt, moeten wijzelf dan weer opstappen. We zijn gloeiend kwaad omdat ze ons niet overdag laten verder gaan, dan hadden we minstens nog onze nachtrust.

         In het begin is het macadam maar na een paar kilometer komen we op lelijke grote plaveien die van het gaan een ongemakkelijk werk maken. Vooral in Neauphe-le- Chateau is er een sterke afzink en met onze zware verpakking is het bij iedere stap als een duw in de nek die ons wel 10 kilo zwaarder maakt. We zijn het allemaal beu en plannen worden gesmeed om er uit te trekken, de rest van de nacht ergens in het stro te slapen en dan overdag verder in Etampes te geraken dat nog zo ver af is! Onze eerste poging mislukt natuurlijk. Ik spreek af met Raets, een kerel uit de Limburgse bossen die niet van een kleintje vervaard is. We springen dus samen over de gracht, zogezegd om te wateren en staan achter een muur met het inzicht de colonne te laten voorbij stappen. Doch een kapitein ziet ons en jaagt ons weer voorop. Vijf minuten later is er weer een kans. Een Franse legercamion rijdt ons voorbij, we zien nog juist op tijd dat ze achterop zo een mooie treeplank is, hup! Er op en we zijn weer weg!

Nu zijn we helemaal vóór de hele colonne, maar onze chauffeur zwenkt plots naar rechts, we vrezen dat hij weer het noorden inrijdt en we springen er af.

 


        De weg is nu weer beter, we hebben tijd gehad om tien minuten extra rust te nemen en bij volgende uurhalte halen we weer een poging uit; ditmaal is Lhoneux mijnploegmaat. Met lege drinkbussen in de hand gaan we door als alleman neerligt of zit. Helemaal vooraan zitten echter mannen van de état-major (generale staf): Körtleven, een paar officieren, onze adjudant. Körtleven vraagt: “ waar gaat u geen, om drinken mijn Majoor” “Weeral drinken? Wacht nog maar een beetje!” Met hangende oren terug op ons plaats!

        Dan maar grote middelen gebruiken! We springen Bij de eerste struiken die we bemerken weer eens over de gracht. Sluipen tot achter het lover, zogezegd weer om iets wat niet uitstelbaar is te verrichten en zitten er nu gehurkt af te wachten tot allen voorbij zijn. Ditmaal zetten we geen stap verder, we wachten hier desnoods een uur, als het moet. Doch na zo ongeveer 15 minuten, ja zo lang is de colonne geworden, sterven de laatste voetstappen in de verte weg! We slaken beiden een zucht: verlost, vrij!

        Het is nu zaak, niet ver meer lopen, anders dient het tot niets, van de karavaan af te zijn. Rechts van de weg, op een paar honderd meter, staat een hangaar ver van alle huizen, waar we veilig zullen slapen.

        Doch hoe nader we komen, hoe meer we bedenken dat de zaak niet zonder gevaar is. Daar kunnen mannen liggen die ons op het lijf vallen, uit schrik. Dan maar onze wapens getrokken: Ik mijn stok uit L’Isle-Jourdain en Lhoneux een flinke Lierenaar van een halve voet lang. Er zijn zo een heel groepje mannen, dat er zulk een zitten hebben in een lederen, schede, ik had er soms gezien in Mechelen. Zo sluipen we nader en nader tot we opeens een geritsel horen, ginder boven in het stro. We houden stil, gereed om toe te slaan en te steken op al wat te voorschijn mocht komen. Het geritsel houdt echter aan en is heel waarschijnlijk van een kat of een hen afkomstig. We leggen ons dan maar in het stro neer en slapen weldra als marmotten.


 

Reageer op dit bericht

gesneuvelde



35ste dag: donderdag, 13de juni

 

Honger komt ons wekken. We houden er echter aan, ons eerst te wassen en vinden weldra het nodige, want hier hebben troepen gelegen. Er ligt van alles, zodat we besluiten dat ze haastig vertrokken zijn: valiezen die niet ledig zijn, scheergerief, brood, schoenen, linnen zelfs vesten en soldatenmantels, een drinkbus van zeker twee liter inhoud, die onmiddellijk de onze vervangt, enz., enz. Al wat dienst kan doen wordt opgeëist! Onze versleten spullen gaan de hoop vervoegen! Een ding is niet veel te vinden en dat is drinken, zodat we zo snel mogelijk opkramen en op zoek gaan naar de pomp. Bij een oud boertje mogen we putten zoveel we willen, er is een soort kettingpomp die het water van uit een buis bij middel van gummi ronde schijven naar boven brengt. Het boertje zit bij zijn radio te luisteren en doet zijn beklag over dat het nu al zijn derde oorlog moet beleven.

          Van daar trekken we verfrist en versterkt, op le Tremblay- sur- Mauldre  toe als Lhoneux opeens een goede kennis ontmoet, een piot die eveneens zijn eenheid heeft laten gaan waar ze wilden. Ik stap op het gemakje verder, Lhoneux: “zal mij wel weer achterhalen” zegt hij. Doch ik wacht en wacht en hij blijft weg…

            Onder een appelaar zitten vijf van onze mannen. Het is een plezierig weerzien. Daar zijn de onafscheidbare: Keulemans en Caron, verder Van Hoyweghen, Slegers en Janssens. Ze schijnen er al een tijdje te hebben gelegen, ik zie een heel ontbijt uitgestald op een deken. Ja, ze hebben daar geslapen, doch heel laat in de nacht. Ze hadden eerst ferm gedronken na de colonne te hebben verlaten.

           Nu worden allerlei plannen besproken. Er zouden al heel veel mannen op eigen houtje over Franse wegen dwalen. Het beste plan is volgens sommigen een hoeve bezetten, daar deze nu toch allemaal verlaten zijn. Ze voort uitbaten en de troepen er laten voorbij komen. Waarom niet?

 

 

          Doch het is nu de tijd niet om plannen te maken maar wel om ze uit te voeren. Ransels op en weg, naar St. Remy l’ Honorè. In de verte zien we reusachtige rookzuilen, zwart en onbeweeglijk. Iemand weet ons te vertellen dat het de voorraden brood zijn die de Franse overheid in brand steekt.

Jammer dat we er niet elk een paar kilo van in onzen broodzak steken hebben! Om ons te troosten staan echter de lekkerste aardbeien Ver in de hovingen wagen we ons toch niet, er kunnen altijd honden op de loer liggen! Als we niet ver meer van de grote baan N10 naar Versailles gekomen zijn, komt uit het noordoosten een vliegtuig op tamelijk geringe hoogte. Een vrouw vraagt mij of dat wel een Franse machine is. “ Ik geloof het niet,” madam! Ik heb het nog maar gezegd of we horen hem mitrailleren. Het moet op de grote baan zijn dat hij het gemunt heeft, waar een ononderbroken stroom van vluchtende burgers en troepen het zuidwest in sukkelt.

        De grote baan verlaten we bijna onmiddellijk nadat we er op gekomen zijn. Bij Les Essarts- le Roi staan pylonen van de Parijse radiozender en als we er nauwelijks 500 meter voorbij zijn, horen we met een geweldige ontploffing de instellingen dynamiseren. Het is wel een teken dat de zaken er bedenkelijk beginnen uit te zien voor het Parijse.

 

Reageer op dit bericht

gesneuvelde




Vervolg van de 35 ste dag

  In het dorpje zelf zit een herberg stampvol Belgische soldaten. Een sergeant die we voor een grappenmaker kenden en die er altijd de moed hielp inhouden, zit er helemaal gedemoraliseerd. Slechte voeten! “Ik ga niet verder” zegt hij, “ik laat mij krijgsgevangen maken”.

         Een eindje verder ligt ons eetmaal zo maar voor het rapen langs de weg: een heel paard! Het vertoont echter geen wonde en we betrouwen het spel niet verder. Ik snijd met mijn scherp mes en met veel moeite een mooi vierkant venstertje in de achterdij en de lap vlees geven wij aan onze hond, die ons sinds enkele uren volgt. Hij wil er echter niet van en zo betrouwen wij het spel ook niet.

         Het dunkt ons dat we veel tijd verliezen zo zonder “reisplan” voortdrijvend op goed geluk af. Ik trek dan maar mijnstoute schoenen aan en vraag in een “Mairie” of ik niet een kaart van de Seine-et- Oise kan meekrijgen, die op de kalenders van de P.T.T. afgedrukt staan. Heel vriendelijk zijn ze daar en ik mag seffens dat kaartje meenemen. Nu gaat het heel wat beter om de kortste weg te vinden naar Etampes, als we daar nog wel ooit zullen geraken, vóór de vijand ons te stekken heeft.

                                       

          In het bos staan veel wilde “aardbeziekens” doch om onzen groeiende honger te stillen is dat toch wat klein. We hebben daar op dit tiental kilometer, van St. Benoit tot bij Clairefontaine eens goed gevoeld wat het is , te moeten verder sukkelen zonder eten met een immer prangende leegte in de maag. En dan zien we nog mannen met het geweer aan de riem. “ Gooi die weg! Wat kunt gij daar nu mee uitrichten,”

Doch ze willen er niet van weten en doen heel krijgshaftig zo voort! Wat zijn er toch “ bleus” in de wereld!

          Eindelijk is een Franse onderofficier ons genadig en ziende dat onze smeking om eten dubbel en wel gerechtvaardigd is, zendt hij ons naar een veldkeuken, enkele minuten voorbij Clairefontaine. We zien niet goed wat we krijgen, zo een haast hebben we om het in het ruim te stouwen! Doch het smaakte, en daar het toch maar overschot is van het avondmaal van de compagnie mogen we eten tot alles op is. Een mens kan toch tegen veel vóór hij er bij valt, zowel in het honger lijden als in het eten.

          Dan wandelen we met veel meer moed verder in de richting van St. Arnoult. We zijn in volle “ Franse bezetting “;;; overal soldaten camions, kanonnen. Vliegtuigen komen over, wij trekken het ons niet veel aan, er zijn tamelijk veel wolken, waarom zouden we niet doorstappen? Doch de Fransen hebben het zo niet op en ze verdwijnen in het bos als muizen in hun holleken!

           Dorst, vrienden lief. Daar is echter een lokkende put met een emmer aan de ketting. Wat we daar geplast en gezopen hebben met zes man ware genoeg om een hele kudde te leven. Ik vergreet er zelf mijn helm mee te nemen die ik aan het hekken gehangen heb.

          Nu komt de vaak, het is ten andere al goed aan het donkeren. We geraken in een schuurtje tussen Franse troepen die ons heel vriendelijk ontvangen. Ze hebben ook al enkele dagen “ gejoold” en dat maakt een mens medevoelend voor het leed van een ander.

          Er valt van weerszijden heel wat te vertellen doch alleman is te moe en er komt maar weinig van. Daar de maag ons ditmaal gerust laat komt de slaap heel gemakkelijk.

                                     

Reageer op dit bericht

gesneuvelde



36ste dag: Vrijdag,14de juni.

 

 

’s Morgens, als we ons gewassen hebben en de resten brood en wat er al meer eetbaars te vinden is, hebben “in zekerheid” gebracht, is ons eerste werk, een terdege onze slaapzaal af te zoeken naar al wat ons kan van dienst zijn. De dertig of veertig mannen die hier gelegerd waren, zijn vannacht, zonder ons te wekken, verder getrokken. Keulemans vindt weer het eigenaardigste en het vreemdste.

Een roden armband met hakenkruis, gestempeld: “ Saarbrücken” Hij durft hem echter niet bij zich houden en zo steek ik hem dan maar op zak. We zijn nu toch stilaan aan het veranderen van uniform, ons gasmasker was ons ook al te zwaar, ik ben zonder helm, Janssens heeft al een Franse rugzak in plaats van zijn ongerieflijke en onesthetische “Mills” enz. We zijn nog niet vergeten dat we gisteren hoger leden en daarom zoeken we nog even alles af, doch er is weinig eetbaars te vinden. Dan maar, op goed geluk af de baan naar Dourdan genomen. We zijn nog niet ver of daar treffen we een buitenkansje. Een compagnie Franse infanterie, die haar stukgeschoten camions moet in de steek laten. Brood sardienen en wijn worden uitgedeeld en eerst en vooral aan wie maar enigszins met het leger iets te maken heeft. Met elk een paar broden van twee pond en een paar dozen sardienen zijn we nu toch voor een paar dagen tegen honger verzekerd. Een eindje verder ligt een half pak “zandchocolade” in het natbedauwde gras, dat we heel broederlijk delen. Vroeger zou niemand het zelfs hebben willen proeven!

         Doch nog veel beters wacht ons: een hele reeks, wel acht of tien grote autobussen rijden op Dourdan toe, enkele burgers zitten er al in en als we teken doen naar een van de voerders laat hij ons heel vriendelijk meerijden! Nu zijn we er uit; eten, drinken en gratis vervoer.

          De grote banen worden stelselmatig gemeden zodat we enkel weten dat we zuidoostelijke richting rijden. Dat we Etampes voorbij zijn verontrust ons niet in het minst. Negen kansen op de tien dat daar al evenmin als in St. Germain een trein zal staan te wachten op ons en dan rijden we toch nog liever per auto naar de “Midi” dan er te voet heen te “tjolen”!

          Keulemans, die is weeral de man van de situaties; heeft hij niet, in een soort bergplaats onder zijn bank allerlei lekkers gevonden, tot confituur toe? Waarschijnlijk van vluchtelingen die met deze wagen hebben meegereisd, al kan het ook wel de eigendom van de voerder zijn! Doch zonder blozen wordt alles in “veiligheid” gebracht in heer “Keulemans” broodzak.

 

Reageer op dit bericht

gesneuvelde



                                  

  Heel de colonne stop stopt rond Pithivier en al de burgers moeten er uit. Wij mogen verder mee en zijn er een beetje fier om! We rijden nu langs smalle veldwegen een bos binnen dat tamelijk groot moet zijn.

Eindelijk worden al de wagens langs de zoom van een dicht perceel struiken opzij gezet en een officier komt ons mededelen dat er niet verder gereden wordt.

             Het ziet er voor ons nu juist niet zo rooskleurig uit: midden in een bos, de zon al heel laag bij de horizon, zonder iets om enigszins de nachtelijke koelte van ons lijf te houden ten zij de deken die we dinsdagavond meenamen. Doch we hebben niet te kiezen en moeten er door. Gelukkig zien we, op een 500 meter van de weg een soort hut in een open dennenbos en wat het ook zij verder zoeken we niet.



                                     

            Het is een kolenbranders hut. Het is er onmogelijk vuil! Een bed als er daar stond heb ik in mijn leven nog niet gezien. Het rook er zoals het er wel moest ruiken, met zo een huisraad.

Lang kan het niet verlaten zijn, vinden wij, want er ligt een dagblad van verleden zondag. Wat er ook gebeurt, hier binnen slapen we niet. Nog liever sterven van de koude, dan door longvergiftiging! Buiten liggen onder een afdak, tientallen zakken waarin de houtskolen worden vervoerd. De oven staat op 20 meter; een kegelvormige hut, met aarde dichtgemaakt en waar we binnen kunnen langs een opening van nog geen vierkanten meter groot. We spreiden er onze zakken uit, daarboven wat heidekruid, weer zakken en jagen de talloze muggen buiten door sigaretten rook en veel gezwaai met onze handdoeken. Dan nog een paar zakken als voorhangsel in de deuropening en ons lager voor vannacht is weeral eens veertig. Janssens wil er niet van weten en verkiest buiten te slapen, in zijn deken gewikkeld, ten prooi aan al de muggen van het bos!

           Het is hier zo stil en zo vredig dat we bijna niet kunnen geloven dat enkele minuten verder hele colonnes langs de wegen dwalen en dat enkele tientallen kilometers noordwaarts de tanks en de kanonnen aan het razen zijn.

 

Reageer op dit bericht

gesneuvelde



           

37ste dag: zaterdag, 15de juni

 

 

’s Morgens gebruiken we al wat ons maar dienen kan, we hebben regenwater in overvloed, een driepikkel waaronder we vuur kunnen maken, doch dat zal ons alles van niet veel nut zijn, we blijven hier niet.

De ene stelt voor, terug naar het noorden te gaan om achter het front in de bezette streek te geraken, een ander zou hier willen blijven, maar de bevoorrading zou wel te wensen overlaten, zodat we dus maar weer op de baan van Pithiviers aanstappen.

           Daar wacht ons een verrassing: een hele sectie Franse artillerie heeft er evenals wij de nacht overgebracht, beschut door het dichte gebladerte en nu zijn zij juist aan hun morgenmaal als wij bij hen komen. Ze delen broederlijk van hun lekkere macaroni en vleesconserven mee en ook het wijnvat mogen we hartelijk aanspreken. Er zitten mannen op de loop van de kanonnen, zo overbevolkt is hun groep. En toch wordt er nog middel gevonden om ons gezessen te logeren. Die kerels maken grappen onderweg als waren ze op een uitstapje. Waarom er ook verdriet in gemaakt? Als we de Loire naderen gereken we stilaan in zo dichten stroom van vluchtelingen, dat er omzeggens geen doorkomen aan is. We horen mensen die er over klagen dat ze in 24 uur niet meer dan 20kilometer zijn vooruitgekomen. En toch moet onze colonne nog voorrang hebben. Onbarmhartig worden fietsers en mottorijders, boerenkarren en zwaarbeladen toeristenwagens opzij gedreven en zodoende geraken we toch tot in de nabijheid van de stroom.

                                                   

         Doch nu begint het er uit te zien dat we niet meer verder komen zullen. De menigte voertuigen wordt zo dicht dat er noch rechts noch links meer kunnen worden uitgeweken. Eindelijk kwamen we te voet veel sneller verder. We nemen dan ook afscheid van onze gastvrije kanonniers en stromen met de menigte over de lange brug.

       Janssens en nog een paar andere stellen voor nu we de brede, maar ondiepe stroom over zijn, even een deugd doende bad te nemen in de Loire, maar ik ben er niet voor, ook de voorzichtige Slegers raadt het hun af, die brug kan immers elk ogenblik het doelwit van de vijandelijke vliegtuigen worden en dat zou ons kunnen een “’ warm” bad bezorgen!

         We wensen ook de stroom van de vluchtende niet te volgen die zuidwaarts doorrolt, doch we nemen een zijweg die naar het westen afleidt. Van het lange  zitten  op de camions zijn we echter het stappen ontwend en vòòr  we 10 minuten voorbij “Jargeau” gevorderd zijn, beslissen we er de rest van de dag en ook den aanstaanden nacht ter plaatse over te brengen.

         Wat een geluk dat we ons voorgenomen bad hebben opgegeven! Uit het zuiden komen onverwachts drie bommenwerpers, ze dalen en dalen en duidelijk zien we uit elk van hen vier bommen loskomen die, met een boogje eerst, daarna al sneller en sneller recht op de zo pas verlaten brug neerkomen. Drie à vier seconden later komen de zware lagen, een van de bommen is in het water terecht gekomen en we zien in de ondergaande zon de sierlijke, reusachtigste waterpluim opspatten die we ooit zagen. We bezien elkaar eens en Keulemans zegt:” He onze badkuip!”

 

                                           

Reageer op dit bericht

gesneuvelde

 

Een kleine hofstede rechts van de baan zal nu ons “Kwartier generaal” worden er is enkel de huisvrouw, denken we, doch de bewoners zijn weg sinds gisteren en zij die ons ontvangt is een Parijse die er genoeg van heeft, op de wegen te sukkelen en die nu leeft van wat neerhof en tuin haar bieden. Wij zijn gauw tevreden, wij willen haar niet tot last zijn en vergenoegen ons met een soort schuurtje uit gegolfde platen waar wat stro ligt.

We hebben bij de kanonniers onze eetketeltjes mogen vullen met de resten uit de schotels, maar ik heb geen vork. Ik vind er geen bij onze gastvrouw, daar alles werd meegenomen… of geplunderd en ik moet er op een op een villaatje, een eind verder, om een schooien gaan. Het is een kloeke en niet eens uit gewoon metaal! “Terugbrengen moet ik ze niet”, zegt mij het brave vrouwtje.

         Weer zijn er vliegtuigen en ze mitrailleren als ze bijna boven ons zijn, ik weet niet naar wat of wie. Enkele vluchtelingen zijn op de baan en maken misbaar als waren ze al getroffen. We geven hun de raad telkens achter een boom te gaan staan op de tegenovergestelde kant van waar “ze “ schieten maar de schrik ontneemt hun alle koelbloedigheid en redeneringvermogen.

           Brood is bij ons heel schaars om niet te zeggen op, en spijts onze goeden wil kunnen we de mensen niet helpen. Sommigen kunnen van vermoeidheid en honger waarlijk niet verder meer.


                                    

            Ik ga op zoek naar wijn. In een hoeve zijn de Franse soldaten in de wijnkelder geraakt en vullen hun grote drinkbussen. Er is echter veel “Piquette”(zuur voor wijn) in al die vaten en ik zoek en proef tot ik de beste soort gevonden heb. We manœuvreren , met kraan en kurken van het ene vat naar het andere, want er is maar één kraan, al de andere vaten zijn nog toe met een kurk.

Ik vul een heel wasbekken en kom er mee bij onze mannen. Ik ben nog niet dikwijls zo welgekomen geweest. Ik moet zelfs nog eens terug met Janssens die eens aan de “ bron” wil drinken. Ook vluchtelingen, vrouwen met kleine kinderen, zijn blij een teug te mogen drinken.

          We zullen dus maar allen in het schuurtje slapen, de wind is west en van die kant zijn we afgesloten. Altijd komen sukkelaars voorbij op zoek naar een onderdak.

          We zijn nog niet in slaap of daar horen we de bommen op”Orléans” dat onze platen rammelen tegen de kepers.


Reageer op dit bericht

gesneuvelde



                                              

38ste dag: zondag, 16de juni.

 

Het is de mens eigen, zelfs in de moeilijkste omstandigheden dat hij op lotverbetering uit is!

Deze zondagmorgen gebruiken we om te verhuizen. Onze schuur staat voor alle winden open en daar zo veel mensen hun huizen verlaten vinden we algauw wat we zoeken. Een schuur, met stro in overvloed en waarvan we ‘s avonds de poort kunnen sluiten. De bewoners zijn juist bezig alles te verzamelen wat ze willen meedragen en de rest is voor ons.

         Keulemans, zodra onze “ huisbazen” weg zijn, geraakt door het venster in de keuken en daar vinden we enkele van de sterkst Franse “Cordials” (hartversterkende)die er op een hoeve te vinden zijn! Ene van de flessen is zelfs halfvol met een reusachtige peer! Die moet aan de boom gehangen hebben terwijl de peer groeide. Ze wordt het succes van de dag!

         Er valt niet enkel te drinken doch ook te eten. Ik zit een half uur  lang witte bonen uit te lezen, dan zien we uit naar een kookgelegenheid; het wasfornuis zal het doen! Maar hoe aan vlees geraken? Daar lopen kuikentjes van amper zes weken oud met de zorgzame kloek middenin. Doch zal iemand dat over zijn hart krijgen? “Och wat, “ zegt Keulemans, ons leven gaat voor dat van alle kloekhennen van Frankrijk!

“Als gij ze durft vangen “ zegt hij; “durf ik de rest doen.” Ik heb ze gauw vast en twee minuten later heet ze” la cause alliée” gediend! Dat wordt dan de soep om er uw vingers van af te likken. De groenten komen uit den hof, waar ik ook, in de aardbeienbed, voor het nagerecht “ ijver “!

          De pomp, dat is nog eens iets bezienswaardigs! Een ketting zonder einde met om de zestig à zeventig cm een ronde gummischijf die telkens een paar liter water mee naar boven haalt. Ge hoeft maar te draaien en de zegen Gods vloeit in volle gulpen in de emmer. De bonen te weken gezet voor morgen en dan is alles ongeveer klaar. Nu krijgen we volk bij en onze soep heeft succes. Een gulle Fransman biedt ons “ du singe” (vlees in blik) aan in ruil voor een paar tassen warme soep. Daarmee bedoelt hij dozen vlees die we zorgvuldig in onze ranselstoppen.

        Maar hemeltje lief, wat is me dat voor een gedonder. Alles schudt en beeft, de vrouwen gillen en vliegen hun venten om den hals terwijl wij vruchteloos de gemoederen pogen te bedaren.

        Als dat vliegtuiggeronk een half uur later weer nadert springen we gauw tot op de baan en zien ze gevieren hun bommetjes lossen, terwijl ze een sierlijk tuimelingetje maken naar de “Loirebrug toe.

         Dat nieuwsgierig zijn berokkent ons vanwege de Franse soldaten die in “Onzen kelder” zitten een uitbrander van belang. De sergeant laat me zelfs zijn revolver zien en dreigt hem te zullen gebruiken als we niet binnen blijven!

Alsof die venten daar boven “ hun” brug zouden in plan laten voor een paar onooglijke Belgische piotten!

          Het publiek in ons schuurtje heeft echter nog veel meer honger dan schrik, maar ongelukkiglijk hebben wij, buiten onze soep al niet veel aan te bieden. Doch honger en dorst worden weldra weer vergeten als er, bijna vlak boven onze hoofden, een Duitse bommenwerper in gevecht verwikkeld geraakt met een Franse jager.

Deze wordt ongelukkigerwijze getroffen en we zien, voor het eerst, een mooie witte valscherm, waaronder zulk een Lilliputtertje bengelt, sierlijk omlaag zweven.

           Hongerige, afgematte Franse soldaten stappen voorbij. Keulemans schenkt druppels bij hele flessen. Ook wijn uit de kelder, waaruit ondertussen de “ Bezetters” vertrokken zijn, drinken ze dankbaar uit. Ze willen zelfs betalen, maar daar heeft zelfs Keulemans het hart niet toe. Of de jongens blij zijn, even een versterking te genieten! Hoger hebben ze al zoveel als dorst.

Er is echter zo weinig. Bij tientallen zagen we er die gretig een ajuin en een vroege wortel aan het knabbelen waren. Een adjudant bedankte ons om de kleine dienst aan zijn mannen bewezen en met tranen in de ogen vertelt hij ons dat ze gevochten hebben als leeuwen. “ Mais, que voulez-vous” zegt hij (maar wat wil je) “ on a étè trahi!” En of!.. Zijn mannen waren dan in alle geval beter dan die we hier in onze kelder hadden. Die waren eens achter op de koer gekomen en vluchten hals over kop in hun “sous-sol”(ondergrond, souterrain) toen er een vrachtauto aankwam: ze dachten dat het een “Messerschmied”(messenmaker) of een “Heinkel” was!

             Die lelijke Duitse piloten vallen ander niet kieskeurig uit. Ze mitrailleren maar alles wat op de wegen beweegt, tot groten schrik van de vrouwen vooral. Wij hebben al mooi le in strategie te geven, van” Achter de boom, Madam, daar schieten ze niet door!” telkens ze horen schieten verliezen ze alle koelbloedigheid en lopen het gevaar tegemoet!

          Van een rijk madammeken, dat vertrekkend gereed is, krijg ik op mijn vraag om een vork een van haar zwaarste verzilverde rijke mensen vorken, en ik moet ze niet terugbezorgen. In zulke tijden is de mens toch mild!

          Hier vinden ook mijn eerste proeven in het boeren plaats. Ten allen kante lopen koeien op de wegen en ik zou er gaarne een melken. Drank en voedsel! Ik slaag er in, er ene te vangen, bind ze aan een betonnen paal, zoek een melkemmer en begin maar te “pompen”.

Doch al wat ik bekom dat is, dat ik de koe zenuwachtig te maak, zodat ze zich met een wrong losmaakt en er van door is. Ik heb dan bij mezelf het vaste voornemen gemaakt, zodra ik de gelegenheid heb, leer ik melken. Een poging van een Fransman, bij een andere koe, die ik samen met Caron bij de horens hield, bezorgt ons een armen liter melk en ….   nog een koe die er van onder is.

           Doch hier kunnen we niet blijven, Keulemans vond al twee fietsen en nu gaan Janssens en Caron er op uit om er nog enkele te “Vinden” Ze kunnen echter nog maar amper in “Jargeau” zijn of daar wordt door een hele reeks Duitse Bommenwerpers een aanval van belang uitgevoerd op de Loirebrug en de baan door het dorp. Wij geven onze mannen maar weinig kans het er levend af te brengen. Doch een uur later komen ze lachend het hof opgestapt met aan elke hand een fiets!

Zo hebben we er dan zes en we kunnen morgen verder reizen. Alles wordt goed nagezien. We zijn zodanig wel geriefd dat we elk een binnenband als reserve onder het zadel kunnen binden! Doch in een ogenblik van onoplettendheid zijn plots twee van onze damesfietsen verdwenen. We springen de poort uit, daar staat een vrouw en een jongen elk met een er van, gereed om te vertrekken. Ze hadden ook maar gedaan zoals onze mannen:” A la guerre tous est à tous! ( in de oorlog het komt er vooral op aan)

         Morgen trappen we het hier dus af. Ik wandel nog even tot bij de eerste huizen van Jargeau, ik vind nog een paar ontspanningsboeken en bij een villa staat een hele familie rond de limousine. Een auto,-brandstof,- maar geen chauffeur. Die wil sturen mag de reis naar het zuiden meemaken. Caron kan sturen maar hij bedankt er voor: “ Liever met de fiets “ zegt hij, dan die auto, die na een paar dagen van geen nut meer zal zijn wegens gebrek aan essence.

Wij rollen ons  dan maar in ons stro, de velo’s naast ons en de poort gebarricadeerd met al wat beschikbaar is!..


                                         

Reageer op dit bericht

Meer van Rollegem blogt ...

↑ Terug naar de berichten