Naar de inhoud

Rollegem blogt ...

Categorie: gesneuvelden

gesneuvelde


Brug Beaungncy met 22 boggen

39ste dag: maandag, 17de juni

 

 

’s Morgens vroeg verzamelen we al wat we hebben van eetwaren, onze fietsen zijn goed beladen en we zijn weldra op weg, in de richting:” La Ferté St. Aubin.” Het eerste dat we vandaag beleven is een brand. Het gemeentehuis van ?????? staat in lichtelaaie, waarschijnlijk het werk van Duitse vliegtuigen.

We blijven eventjes staan kijken als we plots van uit het brandende gebouw katten gemiauwd horen Caron en Keulemans willen dat beest volstrekt gaan redden. Gauw de velo tegen de gevel, op gevaar af, dat hij mee in de brand opgaat en zij de “Mairie” binnen. Ze zijn daar echter gauw terug, want binnen is het al vlam en rook en bij de kat is het niet te geraken.

         Voorbij “La Ferte St. Aubin komen we op de grote baan N 20, Orléans- Vierzon. Het is een rechte brede macadamweg en we voelen ons hier volstrekt niet veilig; Volk! Het is één processie van burgers en troepen, allen op weg naar het zuiden. Rond een legercamion is het een gedrumd van belang, om brood te verkrijgen.

 We vernemen dat er maar is voor de troepen. We zouden willen beproeven of dat ook voor Belgen geldt, maar de vrees voor Duitse bommen is vooralsnog sterker dan de trek naar Franse broden. Het is al bomput wat we zien, links en rechts van de baan en soms er middenin, gauw met aarde en steen gruis dicht geworpen. Een klein baantje rechts: “Neung sur Beuvron.” Hier zijn wij zo goed als alleen,.. met onze honger. Nu krijgen we wat spijt dat we niet wachten bij die broodwagen.

              We zitten op de rand van een bos de rest van onze magere eetvoorraad op te knabbelen, over de smalle baan komt thans zware Franse artillerie uit de richting van waar wij straks gekomen zijn, doch geen van de camions neemt nota van de zes sukkelaars die hun moraal al meer en meer voelen zinken. Ook de fietsen helpen mee om ons terneer te drukken.

                  Elk heeft iets te herstellen of te verbeteren, maar het nodige gerief ontbreekt. Kon een fiets maar vermaakt geraken met gesakker en gevloek, dan waren de onze rap in orde geweest!

         Zo geraken we dan op de baan “Beauqency”- (wat verschil bioj verleden jaar in augustus, toen ik daar de boorden van de Loire langs fietste!) “Romorantin” en even voor deze laatste stad wacht ons een verrassing, die voor ons echter ver van een blijde verrassing is.
een bij riviertje van de Cher

Een sergeant van het 7de van onze divisie dus, staat naast een café al de Belgische soldaten binnen de koer te drijven. We moeten er ook aan geloven en daar vinden we aan een tafeltje, niemand anders dan onze goede majoor Kortleven. Hij is dus verder geraakt dan Etampes, waar nochtans de trein stond te wachten. Hij heeft niet veel branie meer en deelt ons zonder veel overtuiging mee dat we moeten verzamelen in een kamp nabij Vierzon, een goeie 30 kilometer van hier af. Dat zegt ons niet veel. Wij brengen dan ook onze opwerkingen voor, dat we fietsen hebben en aan eten zullen geraken, enz., maar hij vraagt:” Ja, maar tot waar denkt gij zo heen te fietsen, toch niet tot L’Isle-Jourdain?” Ik antwoord:” Jawel, mijn majoor, waarom niet?” Hij lachte eens, ik vermoed dat hij wel begrijpt dat het ons niet om L’Isle-Jourdain te doen is! We moeten dus met een ganse groep Belgische piotten naar een kazerne in “Romorantin “ , waar, tot ons groot ongenoegen, een Franse soldaat de poort bewaakt! Wat de zaak nog erger maakt, aan de overzijde loopt een zijarm van de “Sauldre”, een bijriviertje van de “Cher”, zodat we goed gevangen zij.

Reageer op dit bericht

gesneuvelde

Weinig eten ook, er is te veel volk, elk krijgt een stuk brood en een klak soep. “ Te weinig voor te leven en te veel om dood te gaan!” oordeelt Keulemans. Die kijkt onweerachtig. Ja, er is reden te over!

           Al mag niemand buiten toch krijg ik het gedaan. Ik heb de schildwacht maar mijn baard laten zien om seffens toelating te krijgen, een coiffeur te gaan zoeken. Hij ziet ten andere dat ik geen uitrusting bij heb en dus van zin ben terug te komen.

           Ik ben echter nog niet terug aan de poort, na mijn bezoek bij de haarkapper, of zie ik daar mijn vijf mannen die op mij staan te wachten? En ze hebben dan nog mijn fiets en heel mijn uitrusting bij! Hoe ze dat met hun “sukkelfrans” hebben klaargespeeld kan ik maar niet begrijpen! Het schijnt dat ge om te liegen niet veel van de taal moet kennen!

          Dus maar weer de weg op, maar dit zweren we bij elkaar, niet naar “Vierzon!” wij zijn eigenlijk blij dat we majoor Kortleven ontmoetten nu weten wij dat we daar alleszins moeten weg blijven!

          Ik tracht van een Franse officier die langs de baan zijn troepen laat rusten, wat eten los te krijgen. Maar die begint ons daar uit te maken voor al wat hem door de kop komt. Woedend is hij om onze Capitulatie. Ik wens hem overal waar hij niet gaarne zijn zou en wij weer verder. Langs de weg is van alles te vinden, uitgenomen eten. De rijkdom aan al het overige wordt echter zo opvallend dat we ook maar eens afstappen even buiten een klein gehucht, waar boeren uit “Picardië” bezig zijn heel hun klederen en linnenvoorraad te vernieuwen. Hier moet een heel stoffenmagazijn achtergebleven zijn. Daar ligt voor een fortuin in het gras onder ruisende bomen. Wij vervangen al onze vuile hand- en zakdoeken en kousen door splinternieuwe, veel meer kunnen we al niet meesleuren.

Te “Villefranse-sur-Cher” stoppen Wij.

Op een hoeve krijgen wij van de boerin toelating om in een schuurtje te slapen. Haar man zit in de “Maginot-lijn” en ze is eigenlijk blij weer mansvolk op de hoeve te hebben, dat geeft zo wat meer gerustheid voor wat komen kan, zegt ze. Een weinig verder liggen boeren uit het noorden, ze hebben hun paarden in de weide losgelaten en we krijgen hier later op de avond nog een paardengevecht in regel, met hoefgestamp en vreselijke muilen, die happen met reusachtige kiezen. Schoon!

We kruipen dan in ons hooi met weer eens een verzadigde maag, want de boerin heeft ons de rest van het avondeten gebracht, de kinderen en de naar hier uitgeweken familie hadden geen honger en zo is dat “restje” een heel eerbiedwaardig      avondmaal voor zes dolende piotten! Slapen doen we echter niet rap, onze geest is te veel bezig met de vraagstukken voor de nabije toekomst. Hier blijven of waarheen? Zich laten gevangen nemen? Maar dan?

De eerste Duitsers moeten we nog zien en hier beven de mensen al wanneer ze er aan denken! Onzeker is de toekomst. Doch iets zit in onze kop als een nagel vast. Naar Vierzon rijden we niet, slechter zouden we niet kunnen kiezen!


Reageer op dit bericht

gesneuvelde

40ste dag: dinsdag, 18de juni. 

We zijn hier eindelijk zoals men zegt:” Goed gevlogen!” Heel de hoeve met tuin en al staat ons ter beschikking. Er is een pomp met parelhelder fris water en om ons was te slaan mogen we kuipen en zelfs de zeep gebruiken. Ten anderen, heel het gebuurte leeft hier zowat als een familie samen en wij maken deel uit. Zelfs kookgelegenheid is er. Tegen de muur is een soort wasvuurtje waarop al heel vroeg in de voormiddag water staat te warmen voor een grote hoeveelheid soep, ge kunt nooit weten of er geen hongerige magen bijkomen. Terwijl ik de soep gereedmaak en er onder stook, klim ik van tijd tot tijd tot boven in een reusachtige olm die vlak bij de hoeve staat. Ik wil niet verast worden door Duitsers en tracht op de baan de eerste grijze uniformen te ontdekken. Doch alles is vooralsnog heel kalm.

            Terwijl ik zo in mijn boom zit te loeren, ontdek ik plots, vlak bij mijn hand, een groot insect zoals ik er nog nooit een gezien heb. Het is een iepenspintkever, een kereltje om bang voor te zijn, al is hij wel niet zo gevaarlijk als hij groot is. Ik stop hem in een van mijn patroontassen bij den hakenkruisarmband.

In de keuken zitten we ook van tijd tot tijd te luistern naar het nieuws dat ons van alle lijfsgevaar zou kunnen verlossen. “De capitulatie van het Franse leger” We hebben de laatste dagen genoeg gezien dat ook zij de weg van onze troepen daar in Vlaanderen zullen opgaan. Ook de Franse burgers zijn merendeels van ons gedacht, al durven sommige hun mening niet klaar uiten.

Hier komt nu, in de vooravond, het meest opwindende avontuur van heel onze odyssee. Er staat op een paar minuten lopen van hier een lange trein die opgepropt is met alle mogelijke waren.



                                                  

Nu zij opeens burgers en soldaten samen de wagens begonnen open te breken, aangezien alles toch in de handen van de vijand zou vallen. Wij op een drafje er heen. Het is een toneel om nooit meer te vergeten. Wel een vijfhonderdtal mensen is hier aan het lossen en aan het wegsleuren, overal horen we roepen:” Par ici le pain” (langs hier brood) - “Ou est le wagon du riz?” ( waar is de wagon met rijst) Want er is van alles. Wij sleuren natuurlijk ook ons aandeel tot op de hoeve en gerieven rijkelijk onze goede gastvrouw. Keulemans bezorgt haar wel 20 kilogram geurende koffiebonen, iemand komt met 50 kilogram, zout aangesjouwd, er is macaroni, suiker, rijst, chocolade, al wat maar eetwaar is. Sardienen houden we meest voor onszelf. We hebben elk een half dozijn broden, grote stukken “Marseillezeep” halen Janssens en ik uit een nog gesloten wagen. Doch, er schijnt onraad te dreigen. Als we voor de zoveelste maal bij de trein aankomen, is er bijna niemand meer. Wat is er ten anderen ook nog weg te halen. De wagen met brood is nog maar voor een tiende deel leeg, er zijn nog duizenden broden in, maar wat kan een mens er op de duur mee doen?



                                                 

Reageer op dit bericht

gesneuvelde

Wij vinden echter beter; de wijn. Het zijn een half dozijn wagons-citernes, gelood en alles, mar dat schrikt een soldaat niet af. Doch als het deksel er af is, kunnen we er nog niet van proeven. De opening is amper 10cm. Breed en we zien maar weinig kans om uit dien ontzaglijke voorraad te putten. Janssens zegt opeens:” De Duitsers moesten ons eens zien van ver en ons hier met een machinegeweer af blazen.”  Doch ik denk aan iets beters. Konden we maar een buisje vinden, dan zuigen we de wijn op!

Ik loop gauw naar een van de geplunderde wagens die vol papieren ligt van een of ander regimentsbureel en van grote foliebladen maken we buisjes van een vinger dik.

Of het smaakt! We worden echter kieskeurig en zoeken naar het beste vat! Ik moet eindelijk mijn spitsbroeder aanraden er mee op te houden, straks rollen we er af!

Terwijl ik naar de hoeve stap, met een moraal als nog nooit te voren wordt Janssens bijna het slachtoffer van zijn gedienstigheid. Een burger vraagt hem waar die wagen met zeep staat. Gustaaf, gedienstig als altijd, toont hem die en gaat mee binnen, om nog even te zien of er niets vergeten werd. Plots rolt de deur achter hun rug dicht en ze horen een dreigende stem:” Nous allons un peu voir, je m’en vais avertir” Ik weet niet wat al en hij schuift de grendel voor zodat die twee daar nu netjes in de kooi zitten. Janssens is opeens helemaal nuchter van schrik. De burger is echter nog veel meer uit zijn lood geslagen en staat er bij te jammeren en te zuchten. Als ze zo een kwartier lang aan alle mogelijke handvatten en stangen aan de deuren geschud en gerukt hebben, geraken ze er eindelijk uit en lopen elk naar zijn “huis” zo rap als ze kunnen.

We zijn pas met het opbergen van onze voorraad klaar, die we in een lege betonnen vergaarbak schikken, als het geschut van de Franse op enkele honderden meter van hier, tegen de Duitsers wordt geopend. Het duurt niet lang of ook van die kant kommen obussen over onze hoofden geraasd. Wij beleefden nog nooit zulk een duel en weten dus niet of er gevaar is of niet. Eerst blijven we een tijdje luisteren hoe het eigenlijk ineenzit, we zien, of beter we horen er geen klaar in en gaan dan maar mee tot in de kelder. Het is daar echter zulk een huilpartij en zodanig overbevolkt dat we er maar liever uittrekken en tot onder de spoorbaan meegaan met diegenen die daar het gevaar ontlopen. Het is echter maar een ellendige schuilplaats, een beek die onder de spoorwegdam doorloopt en waar ge goed moet oppassen om geen natte voeten te krijgen. Ook daar zijn we het al gauw beu en zoeken weldra weer de gezonden buitenlucht. De vrouwen daarbinnen en ook enkelen van de mannen vinden natuurlijk dat we waaghalzen zijn en roekeloos met ons leven spelen.



                                

Honger kregen we er van. Er staat al sinds een paar uur macaroni te week en nu koken we die. Maar tot onze spijtige verrassing is het bloempap geworden. Nog juist goed om plakbrieven er mee te bestrijken! Doch als we er genoeg suiker in geroerd hebben wordt het een eetbaar iets, dat ons echter gauw de keel uithangt.

Als de avond valt komen weer obussen over onze hoofden gezweefd en ik lig nog lang met Janssens in de wei, op de rug, vruchteloos omhoog starend om er de voorbijrazende projectielen te ontdekken.



         

Reageer op dit bericht

gesneuvelde



41ste dag: woensdag, 19de juni.

Het is nog maar amper dag, of ik zit alweer in de olm. Er is echter noch geen spoor van Duitsers te zien, noch op de baan, noch in de velden. De radio brengt ons ook vandaag nog het nieuws van de capitulatie van het Franse leger niet. Nu is het te verwachten dat onze dagen hier geteld zijn, wellicht al onze uren. Gans de voormiddag ben ik aan ons noenmaal bezig. De boerin liet ons een hen de hals omdraaien.” Les boches les prendront q. même:” zegt ze. Dat zou wel kunnen! Zo zitten we dan in ons schuurtje lekkere hoendersoep met wit brood te genieten als plots zonder dat iemand op dat ogenblik aan vijanden dacht, onze eerste Duitser de hoeve komt op gestapt.

Hij draagt een “mitraljette” onder de arm, de vinger aan de trekker. Hij ziet er een kerel uit waarmee niet te lachen valt. Wij trachten ons niet weg te stoppen, hij heeft ons ten andere gauw in de gaten, nog andere komen, de ene te voet, de andere per fiets, druk in de weer, schijnt het ons, recht op de hoevepoort aangestapt. Ze hebben ons al gauw aan het verstand gebracht dat we onder hun bevel staan. Ik vraag aan de eerste die naar ons toekomt of hij geen trek voelt naar een bol soep. “Nein:” zegt hij, doch loert ondertussen begerig naar de pot waar het grootste deel van onze lekkere hen nog ronddrijft. Hij zal er wel gebruik van maken, straks. Terwijl hij een ogenblik de aandacht naar de andere gebouwen wendt, bergen we zoveel brood we kunnen in onze rugzakken.

Gelukkig dat we van morgen, sardienen en chocolade verdeeld hebben en in de rugzak en broodzak gestopt. Konden we nu maar de boerin verwittigen dat er nog zoveel eten in dien vergaarbak staat, maar wij mogen niet meer van plaats veranderen en de boerin staat bij haar familie de ruwe Duitse infanteristen te bezien die ten allen kante snuffelen op zoek naar Franse militairen. Bijna al de mensen staan er bij te wenen, het is ook voor het merendeel van hen de eerste maal in hun leven dat ze Duitse uniformen te zien krijgen.



                                                

Nu komen ze weer op ons af. Onze fietsen moeten ze hebben. Daar is Janssens volstrekt niet mee akkoord en hij begint warempel tegen de Duitse infanteristen, die  hem beveelt de rugzak van de fiets los te maken,uit te vallen. “Zeg jongen, dat gaat zo niet hoor, zij zijn voortaan de baas.” Zeg ik hem. Wees maar blij dat ge al de rest moogt houden. Mopperend, gehoorzaamt hij en de andere is al gauw met de fijne machine de poort uit. “Ik wou dat hij er de hals mee brak;” zegt Gustaaf. “Ja”; zeg ik, “kon hij dat maar doen!” Nu komen er nog meer grijzen, wij zwaaien de ransels over de schouder en laten ons dus maar leiden waar ze ons hebben willen. De burgers bezien ons als was ons laatste uur geslagen. Wij nemen het veel lichter op. Ze vangen ons? Dan moeten ze ons eten geven!

Wij gaan tot op een andere hoeve waar al meer Belgische en Franse krijgsgevangenen zitten, , de ene op de grond, andere op hun ransel. Ook burgers wachten er het voorbijrazen van de slag af, om terug naar huis te trekken.

Nog geen tien minuten duurt het of daar gaan de poppen aan het dansen. Obussen slaan in, wij denken, vlak achter de hoeve. Het is immers de eerste maal dat we zo horen kraken, het is iets dat openscheurt, vlakbij. Met een gil vliegen de vrouwen naar binnen, ook sommige soldaten springen rap ergens achter. Andere zetten kalm den helm op en wachten af wat komen kan.

Het moet zijn dat er gevaar is, want een officier komt het bevel geven om op te trekken. Nu stappen we een heel eind naar het noorden op en komen eindelijk in een soort smidse met ruim magazijn terecht, waar het gezellig fris is. Jonge piepjonge Duitse infanteristjes liggen lui langs de muur en vertellen hun wedervaren aan het front, in het noorden.

 

Reageer op dit bericht

gesneuvelden



                                                    

Ze lachen en zingen en wij worden zowat als vrienden aanzien, nu ons leger toch niet meer aan de strijd deelneemt. Een majoor komt er al bij. “Dat zal de laatste oorlog zijn voor eeuwen ver;” zo verklaart hij mij, zeker van de zegepraal van de Duitse Wehrmacht(1935-1945)weermacht. “En Engeland”; vraag ik hem langs mijn neus weg.

“Drei Wochen”; zegt hij, “en dat ligt er ook.” Ik denk er het mijne van, al begin ik nu ook te twijfelen. Zouden die het nog wel lange tijd uithouden?

Tegen de avond mogen we dan weer op mars, het noorden in. Ja zelfs meer dan wat ons lief is, mogen we marcheren met die zware bepakking en die warme kapote. (kapot’jas lange soldatenjas) Onze bewaker heeft den zwarten band gezien om mijn linker mauw. “ Was ist das?” Ik doe hem uiteen dat, dat voor een sterfgeval is? “Todesfall” “Dat doen we bij ons niet.” Zegt hij. Ik denk bij mij zelf: “ Ja bij u is het een plezier, te sterven, voor de Führer!” Wat verder vraagt hij mij, ziende dat ik er bij zweet:” Waarom gooit gij die zware mantel niet weg!” Het is waar ook denk ik, en ik gooi hem in de gracht. Als ik weer mijn rugzak vasthaak heb, denk  ik plots” Nu moest ik eens doen zoals verleden week en achterblijven. Maar hoe aan eten geraakt?” En daarbij, de volgende dag word ik toch weer ergens gesnapt en dan ben ik nog van mijn vijf ploegmaten gescheiden. Zo sukkel ik dan maar weer verder en kom stilaan weer in de groep gevangenen.

In “Neung-sur Beuvron” staan we een tijd op zij van de baan en zien er iets dat ons een gedacht geeft van wat het zeggen wil, soldaat te zijn in het Duitse leger. Een meelijdende Duitser van zowat 40 jaar heeft aan een Franse krijgsgevangene een stuk brood gegeven en een snotneus van ergens een korporaal heeft het gezien. Wat die sukkelaar daar nu moet horen omwille van die onschuldige overtreding van het reglement. Dat dan nog, terwijl hij stram moest in houding staan. Dat kan men zich met onze Belgische piottenmentaliteit niet indenken. “Dat moesten ze met mij eens geprobeerd hebben in Mechelen” zegt Keulemans.

Eindelijk, na uren gaans, komen we op een hoeve terecht, onze derde vandaag. We moeten aanstonds boven de stallen onze bedden gaan opzoeken! Een hoop hooi of stro. We vragen niet beter. Voorzichtigheidshalve trekt een schildwacht de ladder van onder het deurtje weg, maar wat kan ons dat schelen?

Hier boven liggen meest Franse soldaten. Niemand heeft veel eten, wij met ons brood en onze chocolade worden hier als de rijke kapitalisten aanzien en benijd. We kunnen ze natuurlijk niet allemaal helpen anders zitten we morgen ook op droog zaad! Allen zijn zo moe dat na tien minuten niets meer ritselt; het gevangenenlager slaapt!..



Reageer op dit bericht

gesneuvelde





station van "La ferte saint Aubain

42ste dag: donderdag, 20ste juni

 

Voor de eerste maal worden we in het Duits gewekt. Het geeft een eigenaardig gevoel van afgesneden te zijn van het verleden en van de vrijheid.

We moeten te voet verder. Sommigen van de Franse krijgsgevangenen kunnen maar moeilijk mee, ze hebben gewonde voeten, ze legden immers al een groot deel van de weg sedert Holland te voet af. Gelukkig zijn er camions op weg, terug uit het zuiden en zo worden we dan hobben en sloppel opgeladen, Fransen en Belgen, kolonialen en territoriale dooreen. Bij ons zit een neger die een schot in de voet gekregen heeft. We zitten hem allen meewarig aan te zien zoals hij daar met zijn omwonden voet zit te grijzen van de pijn, maar de Duitsers zijn niet zo teerhartig. Ze zijn zomogelijk met hem nog ruwer dan met de andere kolonialen.

Zo mogen wij dan mee tot in “La Ferté Saint Aubain” Ditmaal worden we in een kleine school geduwd, met veel te weinig plaats voor een bende van wel 200 man. Doch we hebben niet veel tijd om hierover te klagen of te zuchten, want het is alweer verzamelen ditmaal zonder ransels.

                                                   

We gaan werken. We zijn tevreden eens te mogen iets anders doen. We zijn weldra ter bestemming. Een soort kamp waar waarschijnlijk Franse troepen geleggen hebben. Alles is er in wanorde, het is duidelijk te zien dat ze hier de plaat poetsten zonder nog naar iets om te zien. Er is heel wat werk, maar de beloning ligt voor de hand. We bezitten weldra allemaal een warme soldatendeken.

Aangezien ik echter moet voor “Dolmetscher” of tolk spelen, daar de Franse soldaten de bevelen van de “Feldwebel” (sergeant-majoor) niet verstaan, geraak ik maar los om mijn loon te gaan halen wanneer alles uitgedeeld is. Ik vind dan toch nog iets wat ze allen schijnen op zij geworpen te hebben en wat nochtans blijkt evenveel waarde te hebben als een deken.

Ik zie namelijk op een van de matrassen een rode mantel van een “opahi” liggen. Hij is van mooie dikke fries gemaakt en als ik hem aantrek heb ik niet zoveel spijt meer dat ik mijn “kapote” wegwierp. Hij valt mij tot ver beneden de knieën en de kap is ruim genoeg om er met helm en alles in te verdwijnen. Ik heb er eigenlijk succes mee als we terug naar de school gaan. Hij zal mij vannacht al van pas komen. Ook eetwaren vonden we in dat kamp ‘tallenkante, zoals brood, dozen vlees, beschuiten enz.

In de school wordt nu ook nog brood uitgedeeld en wij als Vlamingen krijgen van de “Feldwebel” nog een extra rantsoentje bij, al voelen we het een beetje als een onrechtvaardigheid aan tegenover al die Franse jongens die wellicht al meer en veel meer gesukkeld hebben dan wij. Het is achter een soort verhoog dat als een toneel moet dienen, dat we ons, zo goed als het kan, een slaapstede trachten te maken. Het is een van onze slechtste nachten sedert de treinreis uit Brugge, vijf weken geleden.

 

 

 

 

Reageer op dit bericht

gesneuvelden



43ste dag: vrijdag, 21ste juni.

 

Deze morgen zijn wij allemaal stijf van het slapen in die vochtige ruimte en dan nog in ongemakkelijke houding. We zijn ook blij als de “Feldwebel” ons meedeelt dat we verhuizen. We gaan op het “Schlosz” wonen verteld hij ons.

En warempel, we mogen op het kasteel langs de grote baan van Orléans gaan wonen. Voor het ogenblik zitten we echter nog maar in de weide van het kasteel, als konijnen achter onze draadversperring. Stilaan zijn we honger gaan krijgen want de stukken brood waren deze morgen nog kleiner dan gisteren.

Er is echter weldra spraak van gekookt eten, het eerste sinds we onze lekkere kippensoep in Villefranche sur Cher in de steek moesten laten. Ze brengen door de poort van het park een heel stuk rundvlees binnen van wel 10 kilogram en een zak rijst. De “Feldwebel komt mij halen om als “Dolmetscher” of taalman in de keuken te blijven. Ik moet er aan de koks die Franse soldaten zijn, de bevelen uit het Duits vertalen. Nog geen slecht postje. In een keuken zult ge moeilijk van honger omkomen, zolang er tenminste iets te vinden is. Het duurt niet lang of we krijgen er een Duitse Kok op bezoek. Het staat hem allemaal niet aan. De koks hebben het vlees in stukken gesneden met het inzicht ze zo te braden en elk soldaat zijn stuk te geven, doch hij doet hen alles terug uit de kookketel nemen en in blokjes van een vingerhoed grootte snijden. Zo,en dan de rijst er bij en maar alles dooreen geroerd. Ja, hij heeft het bij het rechte eind, die kerel moet al heel wat soldatenmagen bediend hebben. Als alles goed aan het koken en aan het pruttelen is komt er een luitenant binnen. Die ziet er niet kwaad uit maar hij zegt toch in mooi Hoogduits: “ Als het niet goed is wanneer ik kom proeven, dan krijgt gij, als keukenoverste, den Kogel! Smakelijk!”kogel!

 We hebben, terwijl onze rijst verder gaar wordt, al de tijd om eens rond te lopen. Er is hier zowat van alles te vinden zodat we weldra over al het nodige beschikken, zowel keukengerief als kruiderijen om onze rol van keukenpiet goed te spelen. In de tuin staat een mooie ruime kapel en een schooltje van twee klassen, waarschijnlijk voor een deel van de bevolking, daar de dorpskerk nogal ver van dit deel van “La Ferté St Aubin” gelegen is. We zijn hier nogal vrij en lopen na ons middagmaal weer eens overal rond. Ook tot bij onze mannen ga ik eens zien, die zijn bezig een autobus, die in het park door een bom letterlijk  tegen een boom werd geworpen, helemaal te pluimen. In de tuin wandelt een Franse priester die met droefheid in de stem over de toestand spreekt, die volgens hem hopeloos is voor Frankrijk. Het ware voor ons heel gemakkelijk, te vluchten, we hebben maar onze ransels uit de keuken te halen en langs den hof in de velden en de bossen te verdwijnen. Maar dan? Hoe aan eten geraakt. Ook mijn vijf makkers van het 57ste wil ik niet in de steek laten. Waarom de Fransen de vlucht niet nemen, dat begrijp ik niet. Maar ja, Frankrijk is ook zo groot, sommigen wonen wel 500 km. Hier vandaan. S’ Avonds mogen we al ons gepak in de kapel binnendragen en daar slapen.

Een Duitser van om en bij de veertig jaar zal de wacht houden. “Hij wil niet hebben”, zegt hij,” dat er gedurende de nacht meer dan een van ons terzelfder tijd buiten de kapel zij om aan een dringende behoefte te voldoen. Natuurlijk, wij verstaan dat ook,  wij zouden heel gemakkelijk, de ene na de andere kunnen verdwijnen om niet meer terug te keren. Hij toont ons een oud damesschoentje en legt het op de bank naast de kapel. “Die buiten komt,” zegt hij, “ neemt het schoentje mee waar hij gaat en als dan een tweede buitenkomt, blijft hij op de bank zitten tot de eerste met het schoentje terugkomt. Zo iemand toch weggaat, zonder schoentje, dan schiet ik, en ik kan juist schieten, verzekert hij ons.”  Een mus op 50 meter. Het moet eens waar zijn. Ik denk dat hij moe is en ergens zal gaan slapen. Dat schoentje zal dan in zijn plaats op schildwacht staan. Wat kan ons dat schelen? Wij slapen in de kapel zonder aan vluchten te denken, het doet eigenaardig aan al die mannen, er zijner wel 150, die op alle mogelijke plaatsen, tot zelfs op de trappen van het altaar en tegen de biechtstoelen liggen te snorken. Ons Heer zal het ons wel niet kwalijk nemen!

 

 

Reageer op dit bericht

gesneuvelden

 

44stedag: zaterdag, 22ste juni.

 

 

Na het gewone geplas bij de pomp waar wij ons lekker wassen met koud water tegoed doen, ga ik weer naar mijn keuken waar mijn Franse keukenpiet al bezig zijn aan het noenmaal Voor ons ontbijt krijgen we weer elk een stuk brood. In de volle werkzaamheid van mijn nieuwe bediening als keukenopzichter, en taalman komt Janssens mij plots halen. We moeten weg, er zijn auto’s gereed voor ons. Ik neem gauw afscheid van mijn personeel en op een paar minuten zijn we geranseld, gebroodzakt en gereed om verder te reizen! We worden in open camions geduwd en weg zijn we, op Orléans toe. De brug over de Loire is al hersteld en zo rijden we de stad binnen. Bij een kazerne stoppen we. Wat een volk! Er wordt ons verzekerd dat hier zo maar 11.000 krijgsgevangenen zitten.



                                    

Het staat ons allemaal niet erg aan. Wij zouden veel liever weer naar ons “Schlosz” terugrijden. Doch de mens wikt en… een grijze “Oberst” of zo een “feldwebeltje” beschikt! Het gaat er hier heel anders aan toe. Hier spreken ze niet van “gegen der Wand! Te zetten, doch ze zouden het doen zonder het te zeggen. Zo ben ik ’s namiddags getuige van een toneeltje dat als uit een film geknipt is. Er is uitdeling van brood en een stukje vlees en plots worden de koks bijna omvergeduwd door de ongeduldige massa hongerige mannen. Doch de Feldwebel trekt zijn revolver en terwijl hij een gezicht zet als een Duitser alleen dat kan roept hij me daar een of ander bevel met zo gebrul tot de mannen in de keuken dat heel het boeltje achteruit krabbelt. Ik stond niet ver af heb hier voor het eerst in mijn leven de loop van een geladen wapen een ogenblik recht naar mij gericht gehad. Het geeft zo een beetje een onbehagelijk gevoel! Wat later bezorgt hij ons echter weer meer, dat wij ons, wij zijn thans 23 Belgen, allemaal Vlamingen, goed laten smaken. Een van hen verdient echter zulk een voorkeur niet. Hij heeft in Brussel een juweelwinkel helpen plunderen en zit met zijn ransel vol goud- en zilverwerk, een half fortuin. De Feldwebel is waarlijk goed voor ons, we mogen zowat in alles wat meer doen dan de andere en zoeken dan ook een goede plaats om vannacht te slapen. In de grote garage liggen autokussens en hooi en stro en hier maken we ons nest klaar. Dan laten we al onze bezittingen onder bewaking van een van ons gezessen achter en gaan eens op verkenning in die reusachtige kazerne. Overal werd geplunderd en wij vinden ook nog iets dat ons kan dienen: stafkaarten van het Franse leger op schaal 1/40.000ste en 1/80.000ste en zo meer, zelfs België ligt hier volledig op 1/40.000ste. Ik neem de streek Kortrijk mee, de andere zijn meer belust op Antwerpen.

 In het atelier is een echte verwoesting radio’s en alle mogelijke elektrische installaties werden vernield, de Franse officieren die hier binnenkomen zijn verontwaardigd, maar wat helpt het allemaal? s’ Avonds slaan we een praatje met de Fransen die al helemaal anders spreken over onze Koning en de capitulatie van 28 mei, nu ook Frankrijk er heeft moeten aan geloven.


                                                  

Reageer op dit bericht

gesneuvelden

45ste dag: zondag, 23 juni.

 

We mogen verhuizen. De 23 Belgen, allen Vlamingen worden verzameld om rechtover de kazerne te gaan wonen. De Franse soldaten zien niet weinig schuw als ze ons zien vertrekken. Ze veronderstellen wellicht dat we ons aangeven als vrijwilligers voor het Duitse leger? De Feldwebel doet ons allen een kamer uitzoeken en het duurt niet lang of al wat maar tot bed kan dienen wordt op zijn plaats gesleept. Wij hebben voor ons gezessen een paar matrassen, dat we in een soort werkplaatsje t’ einde de koer openrollen. De Feldwebel laat ons maar begaan, “aber” zegt hij “niet mausen”! Wat denkt u wel, vriend.. veldezel? Hij legt ons ook uit dat we eigenlijk:” nicht gefangen zijn”, doch dat we niettemin het huis niet mogen verlaten. Dat is nu toch niet samen te knopen!

De dorst is onze ergste vijand. In de stad is de waterleiding onderbroken. Dus moeten water gehaald worden, willen we niet vergaan van de dorst. In de kelder liggen lege vaatjes. We halen er een drietal boven, de grootste is zo wat 50 liter groot en als we dan nog een karretje vinden in het gebuurte, dan zijn we helemaal uitgerust voor het waterhalen. Het is een lustig groepje, we zijn zo met een half dozijn en heel het spul heeft zo iets van een Vastenavond grap!

De stad is een warboel van vluchtelingen en Duitse troepen. Honden die vrij rond lopen worden door soldaten met een kogel in de kop afgemaakt. De legers willen van geen “Seuche” geen besmettelijke ziektes of zulke dingen weten. We zagen zo een grote trekhond, die een “verdachte” bleek te zijn, in de velden jagen door een Duitser, die hem dan kogels achternazond tot hij er eindelijk bij bezweek.

Wij zoeken alles af om wijn of tabak of essence te vinden, want alle “toeristen” smeken er ons om. Gratis geven we er 15 liter weg die we achter in een winkel opdiepen. Op straat liggen Belgische en Franse geweren op hopen de kolven aan splinters of de grendels er uit gehaald: Collectieve ontwapening.

Op een soort fabriekskoer ontdekken we een trap die naar onvermoede diepte schijnt te leiden. We durven niet eens tot beneden gaan, er leidt op ’n meter of acht diepte een gang naar links, in een inktzwarte duisternis. Als we eindelijk aan water geraakt zijn, een half uur buiten de stad, waar de mensen ons optimisme en onze goedgeluimdheid bewonderen en weldra delen, duwen we dan maar, onderweg een “koutje” voeren met een paar lustige Duitsers, ons karretje water naar huis. We zijn eigenlijk meer dan welgekomen en het duurt niet lang of het kleinste vat is leeg.



                                     

Er zijn 39 man, walen namelijk, bijgekomen en aan hun hoofd staat een luitenant. Wij waren 23, dat zijn er nu zomaar 62, eigenlijk een beetje veel voor een huis! Wie zag ooit zulk een kroostrijk gezin?

De luitenant is geweldig ongeduldig en wil naar huis gelijk hoe? “Ik trek alleen uit,”: verklaart hij mij. Dat is niet mooi van hem, zo zijn mannen in de steek dreigen te laten. Ik bekom van de Feldwebel dat we eens mogen naar de plaatsbevelhebber gaan smeken om naar België te mogen vertrekken. Ik heb bij die kolonel, want zo iets moet het geweest zijn, meer gesnauw en gedonder in de zoete Duitse taal mogen horen, dan ik ooit geleerd had. Het was al van:” Keine humanität” en 1918 en toen de luitenant mij vroeg:” Wat verteld hij daar allemaal”, dan heb ik hem een heel wat verzachte en humaniseerde vertaling van kolonels peroratie gegeven! Als we thuiskomen is er een kleine revolutie aan het uitbreken. Onze broers de Walen willen ons zo maar onzen besten huisraad opeisen. Ook de luitenant spreekt van matrassen afstaan, doch wij houden voet bij stuk. Eerst kwam, eerst nam! Wat?



                          

Reageer op dit bericht

Meer van Rollegem blogt ...

↑ Terug naar de berichten