Zaterdag 31 december 2011
Mijn lieve eega raakt stilaan min of meer vertrouwd met haar GSM (zie mijn blog van 30.9), al krijgt ze een enkele keer nog wel eens bood…
Mijn lieve eega raakt stilaan min of meer vertrouwd met haar GSM (zie mijn blog van 30.9), al krijgt ze een enkele keer nog wel eens boodschappen als “lieve oma, ik heb je sms ontvangen maar wat bedoel je met zkfpr^ghjdogf?”… Ook vergeet ze soms waar ze het ding heeft gelegd. Gelukkig staat het (in principe…) steeds standby zodat we het vrij vlug terugvinden door van op een ander toestel haar nummer te vormen; we hoeven dan maar gewoon op het belgeluid af te gaan en klaar is kees.
Maar die truc werkt natuurlijk alleen als oma’s GSM ergens in de buurt ligt. Onlangs leek dat helaas niet het geval te zijn, want hoe vaak we ook haar nummer draaiden, nergens in ons huis of tuin hoorde we het verlossend gerinkel van de beltoon. Er restte maar één conclusie: het toestel was verdwenen en moest ergens – maar wààr? - uit haar tas gevallen (of gepikt?) zijn! We besloten om niet te panikeren maar het probleem te laten rusten tot ‘s anderendaags. Maar toen we ’s avonds gingen slapen, ontdekten we het apparaat, verborgen tussen andere snuisterijen op haar nachtkastje!
HoeRA, of eigenlijk, RARA?!: waarom had het ding niet gerinkeld toen we het nummer belden terwijl we ’s middags uitgebreid aan het zoeken waren in de slaapkamer? We vonden maar één verklaring: blijkbaar had de lijn al die tijd open gelegen want onze hele conversatie in de slaapkamer was als “ingesproken bericht” opgenomen!
TOE(kom)MAATJE. Ik dank mijn regelmatige en toevallige bezoekers voor hun belangstelling en wens hen allen een voorspoedig, gelukkig en gezond jaar 2012!
Woensdag 21 december 2011
Het zoveelste “Groot Dictee” is weer voorbij en voor de zoveelste keer hebben echte taalliefhebbers (zoals ik) zich weer eens kunnen erger…
Het zoveelste “Groot Dictee” is weer voorbij en voor de zoveelste keer hebben echte taalliefhebbers (zoals ik) zich weer eens kunnen ergeren. Ik wil niet veralgemenen maar dicteefreaks zijn blijkbaar zo geobsedeerd door de spelling van woorden, dat ze geen tijd meer overhouden om na te denken over het juiste gebruik ervan. Ze doen mij denken aan mensen die alle onderdelen van een auto tot het kleinste schroefje kunnen beschrijven maar zakken voor hun rijexamen.
Echte dicteefanaten vallen vaak door de echte (taal)mand wanneer ze een gewone brief moeten schrijven of voor camera of microfoon iets moeten zeggen. Daags na het Groot Dictee van vorige week werden enkele vroegere winnaars kort geïnterviewd in het avondprogramma van de VRT. Ten minste twee van hen maakten in amper enkele seconden echte taalfouten; ik heb ze niet exact genoteerd, maar de ene fout was van het type “hij zou er moeten van wakker liggen” i.p.v “hij zou er wakker van moeten liggen” en de andere winnaar zei iets van “ik dank u om te komen”.
Ondanks mijn status van (“hoog"?-)bejaarde hoop ik de dag nog mee te maken dat er naast dicteespelletjes (met kleine d…) ook eens serieuze Taalwedstrijden (grote T!) georganiseerd worden. Komaan Canvas en VRT-taalraadsman Ruud Hendrickx: waar wachten jullie op?!
Mensen die mij kennen zullen me allicht - en niet helemaal ten onrechte! - enige hypocrisie verwijten: ik heb in het verleden namelijk meermaals zelf meegedaan aan plaatselijke en regionale dicteewedstrijden! Dat was zelfs uit puur eigenbelang omdat ik mijn kansen op een prijs redelijk hoog inschatte; die spelletjes hebben mij inderdaad verschillende woordenboeken (waaronder de Dikke Van Dale) opgeleverd. Alleen het Groene Boekje was daar niet bij, maar ik zou niet weten wat ik er mee moest doen: in de Van Dale vind ik niet alleen de spelling van woorden maar ook - veel belangrijker! - hun betekenis.
Iedereen kent wel het beschamend schouwspel bij het begin van het schooljaar: ouders (die het zich kunnen permitteren!) kamperen (letterl…
Iedereen kent wel het beschamend schouwspel bij het begin van het schooljaar: ouders (die het zich kunnen permitteren!) kamperen (letterlijk!) voor de schoolpoort om als eerste(n) hun kroost tijdig te kunnen inschrijven. Een gelijkaardig fenomeen, weliswaar iets minder dramatisch, kan zich voordoen wanneer verenigingen voor hun leden een activiteit organiseren waarvoor een maximum aantal deelnemers geldt (bv busuitstap, bedrijfsbezoek, reis…).
Als lid van OKRA, met 200.000 leden (55+) de grootste seniorenbeweging in Vlaanderen, denk ik hier aan haar vele plaatselijke afdelingen (in OKRA-jargon “trefpunten” genoemd) die voor hun leden allerlei uiteenlopende activiteiten organiseren, zoals wandelen, fietsen, dansen, voordrachten, bedrijfs- of museumbezoeken, daguitstappen, binnen- of buitenlandse reizen enz. De belangstelling voor deze activiteiten is soms zo succesvol dat zo’n afdelingsbestuur onvermijdelijk een of meer kandidaat-deelnemers moet teleurstellen, een pijnlijk dilemma! De vraag is dan: hoe een formule vinden die de eventuele “slachtoffers” begrijpen en als billijk aanvaarden.
Sommige besturen kiezen dan voor de volgorde van “inschrijving” als norm (“wie eerst komt eerst maalt”) maar dat veronderstelt dat IEDEREEN op hetzelfde ogenblik op de hoogte van de activiteit wordt gebracht en BOVENDIEN onmiddellijk moet reageren. Een kind begrijpt dat beide voorwaarden onmogelijk TEGELIJK te verwezenlijken zijn; trouwens: hoe bepaalt men de “volgorde” als de brievenbus vol zit of veel bellers op dat cruciale tijdstip allemaal tegelijk proberen “binnen te geraken”. Kortom: kamperen aan brievenbus of telefoon is ingewikkeld, werkt discriminerend en schept vooral frustraties … (En misschien blijkt achteraf dat al die poespas helemaal niet nodig was geweest als het aantal inschrijvingen beneden het “maximum” blijft!!!)
Mijn standpunt: bij overschrijding van een eventueel maximum moeten een of meer mensen nu eenmaal per definitie uit de boot vallen, maar dan liefst via objectieve en billijke parameters; ik heb daarvoor een eenvoudige maar genuanceerde formule bedacht, die waarborgt dat telkens opnieuw de kansen en risico’s voor iedereen gelijk zijn. Ik zal de tekst graag toesturen aan eventuele geïnteresseerden (klikken rechts bovenaan).
6 december vind ik een uitgelezen dag om de tekst te hernemen die ik twee jaar geleden schreef: Het is een hardnekkig misverstand dat …
6 december vind ik een uitgelezen dag om de tekst te hernemen die ik twee jaar geleden schreef:
Het is een hardnekkig misverstand dat Sinterklaas over Hulpsinten zou beschikken; het tegendeel is waar: van mijn moeder zaliger weet ik zeker dat iedere Sint die ik tegenkom de “enige echte” is. Elke twijfel die ik als kind opperde, ontzenuwde zij met keiharde bewijzen. Sint Nicolaas is een Heilige, en Heiligen kunnen alles. Zo kan de Heilige Man zich bv. zonder problemen tegelijkertijd op verschillende plaatsen en in verschillende outfits vertonen; ik heb dus nooit bij een “vervanger” op schoot gezeten: het was iedere keer de Heilige Man zelf, ook al zag ik Hem tezelfdertijd in een winkel aan de overkant met een ander kindje.
Het was zoals bij God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest, telkens nochtans dezelfde ene God, dus waarom dan niet één en dezelfde Sinterklaas, in de ene winkel met een bril en aan de overkant zonder bril? In zijn begeleidende briefjes bij de cadeautjes herkenden wij het karakteristieke handschrift van mama, maar dat was voor haar (en dus voor ons!) juist een bewijs temeer van ’s mans Veelzijdige Gaven: “Sinterklaas kan toch ook alles, zelfs mijn handschrift kan Hij nadoen!”
Het bericht in mijn Gazet, dat er “bijscholingscursussen voor hulpsinterklazen” bestaan, ontneemt dit kinderfeest een flinke brok romantiek en doet me met heimwee terugdenken aan mijn kinderjaren, toen mijn moeder helemaal geen hulpsinterklazen “nodig” had en wij elk jaar weer op de schoot van De Enige Echte Sint onze liedjes konden opdreunen.
Onlangs maakte een GVA-lezer zich druk over de gebrekkige kennis van het Nederlands door onze Franstalige landgenoten. Hij vond dat zij …
Onlangs maakte een GVA-lezer zich druk over de gebrekkige kennis van het Nederlands door onze Franstalige landgenoten. Hij vond dat zij een voorbeeld moeten nemen aan de vele Vlamingen die op hun beurt het Frans wél machtig zijn. Als overtuigd Vlaming, verliefd op mijn moedertaal, dacht ik daar jaren geleden ook zo over maar ben de kwestie sindsdien toch wat genuanceerder gaan bekijken.
Om te beginnen is het al lang niet meer zo, dat wij Vlamingen behoorlijk Frans kennen, terwijl omgekeerd bij Franstaligen juist een tendens schijnt te groeien om (beter) Nederlands te leren. Maar eigenlijk doet dit niet ter zake. Kennis van een andere taal heeft alleen zin wanneer men die ook effectief moet of wil gebruiken. De ervaring (bv. van Vlaamse emigranten naar de USA) heeft immers bewezen dat de kennis van een taal verwatert of zelfs verdwijnt naarmate men ze minder of niet (meer) “nodig” heeft.
Ook aanleg en milieu spelen een rol bij anderstaligheid: het “Nederlands” (?!) van meneer di Rupo is ronduit abominabel maar ik begin echt te denken dat hij misschien wel zou willen maar het gewoon niet kan; we kunnen alleen maar hopen dat hij als premier toch extra gemotiveerd zal zijn om via wat extra lessen ten minste een ietsiepietsie te sleutelen aan zijn praktische kennis van de belangrijkste taal van zijn land.
Overigens moeten wij Vlamingen niet te hoog van de toren blazen. Herman Van Rompuy mag dan veel vlotter Frans spreken dan di Rupo Nederlands, zijn uitspraak is ook niet bepaald mooi...