NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Schuinschrijfsels
Inhoud blog
  • SODA,(GROENE)ZEEP EN AZIJN
  • ZWARTER DAN ZWART
  • GELOOF JE IN BIJGELOOF?
  • DE KLEINE PRINS
  • DE DRIE BROERTJES DOM, STOM EN DWAAS

    Inhoud blog
  • SODA,(GROENE)ZEEP EN AZIJN
  • ZWARTER DAN ZWART
  • GELOOF JE IN BIJGELOOF?
  • DE KLEINE PRINS
  • DE DRIE BROERTJES DOM, STOM EN DWAAS

    Zoeken in blog


    Zoeken in blog


    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     



    inktlekken uit mijn pen
    12-04-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.SODA,(GROENE)ZEEP EN AZIJN

    SODA, (GROENE) ZEEP EN AZIJN 

     

    De relieken van woensdag 25 juni 1952 staan nog altijd op de eerste twee vingers van mijn rechterhand getekend. Maar zij worden binnen een of andere religie niet vereerd. In de lente van dat jaar had mijn peter, wiens idool ik was als oudste kleinzoon, mij een echte fiets cadeau gedaan voor mijn eerste communie. Hij kocht die op de vogeltjesmarkt. Het was een tweewieler met een vaste pion die men gewoon in het vakjargon een ‘doortrapper’ noemde. Je moest dus altijd vertraagd blijven trappen tot je stil stond. Afstappen betekende in de vlucht letterlijk van de fiets springen. Toen besefte ik nog niet dat de glimmende pistefietsen van toen en later allemaal om veiligheidsredenen die merkwaardigheid meedragen. Daarom worden ‘pistiers’ om af te stappen door hun verzorgers met open armen ontvangen en afgeremd. In één woord: het waren fietsen waarvan de trappers bleven rondgaan tot je stil stond. En daarmee mocht ik naar het eerste leerjaar fietsen.

     

    De ontluikende nieuwsgierige technoloog in mij speelde me toen al parten. Experimenteel wetenschappelijk werk boeide mij enorm. Mijn cadeau belandde dus ondersteboven op de grond, gesteund op het stuur en het lederen zadel met eerbied voor de verchroomde fietsbel. Spelenderwijs liet ik de pedalen draaien en de ketting volgde merkwaardig en uitdagend de tanden van het voorste en achterste tandwiel. Toen gebeurde het onvermijdelijke. Mijn rechter wijs- en middenvinger namen deel aan het proces en met een lelijke gil hingen de twee vingertopjes te bengelen aan de hand. Het alarm was compleet en het gebleit navenant. Ons moeder nam po(o)lshoogte en belde ondertussen de dokter. Mijn sirene bleef doordraaien tot het ogenblik dat zij riep dat Rik Van Steenbergen de eerste rit van de Ronde van Frankrijk had gewonnen en tegelijk de eerste gele trui mocht aantrekken. Dat was in Brest en op die bewuste datum. Op dat moment viel mijn hemeltergend achtergrondgeluid stil en ging de deurbel. De dokter haalde toen zijn beste wapens boven om de vingerrestanten weer op hun plaats te monteren. Alles werd netjes ingepakt en als medisch advies kreeg ik de raad mee om drie keer per dag die vingers in warm water met Sunlightzeep (we spraken het uit als in sunlicht) te baden. Volgens hem was dat het beste om ontstekingen tegen te gaan en te genezen. Later zou ik beseffen dat in een veranderende wereld van onnoemelijk veel pilletjes en zalfjes de basismiddelen dikwijls nog de beste zijn. Tegenwoordig schijnt men dat te vergeten.

    Dat was het begin van mijn creatieve loopbaan die eruit bestond problemen doelmatig op te lossen. Onmogelijke oplossingen bestaan niet. Soms zijn die toch te overwegen en tonen aan dat we soms te ingewikkeld denken en doen… Die littekens van een ongelukje van bijna 67 jaar geleden herinneren me daar dikwijls aan.

        

    Huismiddeltjes van moeders en grootmoeders zijn enkel voor voor oudere mensen want internet staat vol moderne huishoudadviezen. Het gros zijn gesponsorde mededelingen van marketeers die hun spullen aan de man willen brengen en vooral veel onzin verkopen. Om een stevige tomatensausvlek van een fleece te verwijderen wilde googelen. De merknamen en merkwaardige producten vlogen me rond de oren. Huismiddeltjes doen het blijkbaar nog best, dank zij de gouden raad en het baanbrekend werk van Tante Kaat en andere boekjes die in erfenissen dreigen te verkommeren. Uit mijn verkennende studie bleek dat er toch een simpele oplossing bestaat. De oude Grieken wisten dat alle stoffen opgebouwd waren uit vier elementen: water, aarde, lucht en vuur. Zo zijn alle vlekproblemen blijkbaar op te lossen met vier oerontvlekkers: soda, groene zeep, azijn en een beetje kennis van zaken. Zo vermijd je keuzestress in de supermarkt en bespaar je bergen geld. Het is beter voor het milieu en bovendien wèrken ze!

     

    Groene zeep is een goeie allesreiniger. Je krijgt er ook vele vlekken mee weg. Chocolade, make up, balpen, ketchup en grasvlekken verdwijnen als sneeuw voor de zon. Eén keer om de paar maanden je wasmachine op 90° laten draaien met alleen wat soda erin verlost alle leidingen van zeepresten en bijkomende geurtjes. Voor een verstopte afvoer hoef je geen bijtende producten te gebruiken. Gooi er ’s avonds wat soda in met een liter kokend water en alles is ’s morgens opgelost.

    3 gelijke delen azijn, appelsap en afwasmiddel gemengeld in een plastieken potje houden de fruitvliegen weg. Azijn verwijdert ook kalkvlekken op kranen en badkamertegels en houdt de kalk uit je douchekop. Zo help je ook roestvlekken ribbedebie. En azijn laat lijm- en stickerresten beter verdwijnen dan Mister Proper. Azijn is ook een milieuvriendelijke, goedkope wc-reiniger. Chloor is daarentegen niet goed of gezond, maakt niet schoon en maakt alleen alles dood.

     

    De moeilijkheid om te kiezen blijft wel. Maak ik het erger? Probeer het eerst en neem geen risico’s. Misschien is het vierde element ‘kennis van zaken’ nog het belangrijkst. Ondertussen werd de gewone wereld geruisloos ingewikkeld dankzij de veelzijdigheid en de grote keuzemogelijkheden van de computer. Het regelen van bankzaken en huishoudelijke hulp is voor heel wat mensen niet vanzelfsprekend meer. Men staat niet te wachten om je te helpen en hulp moet je zelf durven vragen. Iets simpels als het reizen met het openbaar vervoer houdt mensen al tegen. Alles moet je via internet regelen. Zonder dat wereldwijde net word je een digitale analfabeet die door de rest wordt overrompeld en verge

    We worden verplicht om kant en klare oplossingen te gebruiken. Creativiteit wordt wel geapprecieerd als vaardigheid van de 21ste eeuw, maar niet meer als vanzelfsprekend ervaren. Toch is er in het onderwijs en in de maatschappij te weinig aandacht voor het ontwikkelen van deze kunst. Creativiteit betekent alert zijn voor wat er gebeurt en dat toelaten, maar vooral voorzichtig zijn. Als ik nu een technoloog in spe zijn fietsje op de kop zie zetten, kan ik nog altijd niet nalaten te waarschuwen voor de bijtende ketting en de tandwielen. En als ze me dan nog niet geloven, kan ik nog altijd die twee streepjes op mijn vingers laten zien. De theorie over de Sunlight-zeep hou ik wijselijk voor mezelf.

    Matrcel Huysmans

    12-04-2019, 11:23 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-04-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ZWARTER DAN ZWART

    ZWARTER DAN ZWART

    Sinds veertien dagen heb ik een nieuwe hobby. Je hebt er een pseudo autostrade voor nodig, heuse zijbanen en hier en daar, tegen alle verwachting in, kruisende straten. Zoiets vind je op de A12 in Aartselaar met ergernispunten ofte zwarte kruispunten. Het wordt een dagelijkse observatie van de pogingen om het wereldrecord in de rij staan over zo kort mogelijke afstand te verbeteren. In twee richtingen dan. Het zwart van die kruispunten verwijst naar de dodelijke verkeersslachtoffers. Zwart is ook de zware schaamte van de overheid om effectief iets te doen en het geweten weer rust te geven. Maar het lichtzwart werd alleen maar donkerzwart en alle licht in die duisternis dreigt maar eerst een schijnbeginsel te vertonen over twee jaar.

     

    Vroeger had je nog een ‘toevallige’ file. Je weet wel… Met een automatische versnellingsbak viel het nog mee in een file. Met een schakelbak, liep je de kans op kramp in de benen door het alsmaar koppeling indrukken, loslaten, indrukken, loslaten en zo voort. Op zo’n moment gaat steevast je blaas opspelen met hoge waterstand. Je denkt aan honger en de laatste Suzy wafel is sinds gisteren al pierewaaien of sneuvelde twee dagen geleden in een andere file. Je probeert nog te ritsen naar de andere baan, want die lijkt altijd sneller en zorgt ervoor dat je twee minuten later weer dezelfde ingreep wil uithalen. Je verveelt je, want het is zo zinloos. Maar hier op de A12 is het nu al dagelijks werk.

     

    Als je zegt: ik sta in de file, dan bedoel je eigenlijk ‘ik ben de file’ en dan heb je ‘het’ zitten. Ik bekijk het tribunegewijs, gezeten aan de Langlaarsteenweg op een groot zwaar betonblok met een reclamevlag. Zo neem ik afstand van het gewriemel. Tegelijk maak ik ter plekke het voornemen om die A12 tussen en A en W niet meer met de auto te consumeren. Dan staat er al minstens één auto minder in de file. Achter het stuur zitten zuchten dat de overheid niks tegen files onderneemt, is hetzelfde als in een brandend huis staan, schande spreken dat de brandweer niet komt blussen en intussen nog een jerrycannetje benzine uitgieten en meedoen. Op dat betonblok zie ik de autowereld voorbij schuifelen en kijk hoe de kruising maximaal conflictvrij op papier is uitgedacht. Conflictvrije kruispunten zijn eigenlijk vals veilig en nodigen uit om gekke toeren te doen… Groen is toch zo duidelijk, maakt de andere kleuren ook langer, ambetanter en doet veel tijd verliezen. Wie meer verkeersveiligheid wil, moet er de langere wachttijden bijnemen. Tot nu toe kon je er bijna ongebreideld onverantwoord ritsen, maar nu staat alles stil. Het ritsen is dood.

     

    Eerst de zwakke weggebruikers… Ze zijn eigenlijk niet zwak, maar sterk. Ze bewegen zich voort op eigen kracht. Maar ze worden zwak als ze via een tussenkomdrukknop zo kort groen krijgen dat ze amper tot in het midden geraken. Op dat middeneiland staan ze onbeschermd op een veel te smal strookje. Met een bakfiets kun je het zeker vergeten. Als dan tegen honderd per uur een ijzeren harnas komt aangereden of gekke toeren doet, is de verzwakking fameus. Valse verkeersterm dus die ‘zwakke weggebruiker’.

     

    Wat nu gerealiseerd is en nog dikwijls zal dienen aangepast, is het antwoord op een luidruchtige eeuwige halo om van die zwarte punten af te raken. Wie die oplossingen bedacht, hinkt op drie gedachten. Eén: minder conflicten betekenen minder ongevallen, tenzij de wet van de sterkste, snelste en vindingrijkste automobilisten geldt. Twee: hoe veiliger, hoe meer nieuwe risico’s, uitwegen en sluipmiddelen er worden gevonden. Drie: middenbaan en zijwegen zijn perfecte communicerende vaten. Hoe trager in de ene, hoe langer is de file in de andere.

     

    En dan de veldpraktijk. Langlaarsteenweg liet de eerste week maximaal 7 auto’s door bij groen en liet zo de ergernistemperatuur toenemen. Afslaan naar Schelle of terug naar Boom gaf de vrijheid aan hoogstens 4 voertuigen. Om van Hemiksem tot aan de Mac Donalds te geraken (1,5 km), heb je maar 1 uur meer nodig én stalen zenuwen. De busbaan is het geliefkoosde terrein om zoals vroeger toch naar links te ritsen, terwijl alles stilstaat en ritsen niet meer kan. Autoterroristen zoeken de gaten in het uitgedachte net. Als er geen zijn, worden ze gecreëerd en dat resulteert in onveilige situaties die alleen voor hen voordelig zijn. Voor alle anderen zijn ze nefast. Laat de rest er maar voor opdraaien, ik ben ribbedebie…

     

    Eigenlijk doen we er allemaal zonder het te weten een beetje aan mee. Enkele dagen geleden werden fietsende kindjes per fiets aan de schoolpoort afgezet. Die kregen van de directeur een waarschuwing want het was blijkbaar “Veilige Verkeersweek” en ze droegen geen geel hesje. Tien meter verder stopte een ouder met een fikse 4x4, nota bene op de stoep. Daar stapten twee kinderen mét hesje uit en toen zei diezelfde directeur: ‘Proficiat mannen. Jullie zijn goed in orde!” Tegen de moeder zegde hij niks.

     

    Bij een probleem als dit kun je geen eieren bakken zonder schalen te breken. De roep om veiligheid is groot en de file is als cholesterol: een gevolg van te weinig beweging! Het onderzoek kostte véél geld en de bedenkers deden hun best. Vooraf zeggen, het heeft geen zin en het haalt niks uit, leidt nergens toe.

    Nu kan het systeem verbeterd worden en de mensen moeten ervaren dat het inderdaad betert. Zwarte kruispunten kunnen stilaan minder zwart worden en wie gek doet of niet horen wil, moet voelen. Twee politieagenten zouden gedurende twee maanden aan één kruispunt Pv’s moeten uitschrijven voor roekeloze chauffeurs. Na twee dagen dienen zij afgelost door twee verse schrijvers. Elke ploeg riskeert een RSI (schrijfspierletsel), twee volle schrijfboekjes en de dreiging van een burn-out. De studie- en realisatiekosten voor het kruispunt zouden er ook mee kunnen betaald worden. De 5 betrokken kruispunten kenden in 4 jaar 97 verkeersongevallen. In meer dan driekwart van de gevallen was een onoverzichtelijke verkeerssituatie één van de bepalende factoren. Als ooit de 3 kruispunten ondertunneld worden, zullen ze zeker de gevreesde ‘banaan’ nodig hebben om dan het verkeer van de A12 weg te houden. Ik wil niemand op ideeën brengen.

    Daarom rijd ik met de fiets ook knarsetandend van woede over de A12, om zoveel verkwanseld belastinggeld…

    Marcel Huysmans  

    02-04-2019, 10:52 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    22-03-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GELOOF JE IN BIJGELOOF?

    GELOOF JE IN BIJGELOOF?

     

    Ooit leerden we op school dat Jezus over het water kon lopen en dat geloofden we. Omdat we het niet konden uitleggen – tenzij met precies verborgen Genesarethstenen – was dat een mirakel. Maar als een heks over water loopt, is dat gewoon bijgeloof. Is er een verschil tussen geloof en bijgeloof? Diegenen die deze verhalen vroeger opschreven of vertelden, geloofden waarschijnlijk beide soorten verhalen. Geloof is vertrouwen in de waarheid van iemands woorden, maar het is altijd met een zeker risico – omdat we nooit hélemaal zeker zijn – aanvaarden als waar en het dan de moeite vinden om erachter te gaan staan. Als we spreken van  geloven dan hebben we het over geloof dat op gods-dienst is gebaseerd, of het nu om het christelijk, islamitisch of ander godsgeloven gaat. Of je nu gelooft in God, in Allah, in Krishna, in Wodan, in Zeus, in natuurgeesten, in spoken, in mediums, in sjamanen, in gebedsgenezers of in mensen die kunnen toveren... het zijn allemaal vormen van geloof. En niemand kan objectief uitmaken wat het ware geloof is.

     

    Wie aan bijgeloof denkt zal meteen voorbeelden paraat hebben zoals het ongeluksgetal 13, een hoefijzer boven de deur, een klavertje vier, een gebroken spiegel en een zwarte kat. Voorbeelden genoeg dus, maar ook heel wat minder gekende, zoals die rond de paraplu. Een paraplu binnenshuis uitklappen brengt ongeluk en hem laten vallen leidt onmiddellijk tot verstand- en geheugenverlies. Een gevallen plu raap je best zelf niet op en een dame die dit doet dreigt een oude vrijster te worden. Geef je een regenscherm cadeau en open je hem als de zon schijnt, dan krijg je gegarandeerd miserie. Sommige voetballers trekken heel bewust eerst de rechterschoen aan en dan pas de linker, of andersom. Anderen strelen het gras even als ze op het veld komen of kussen de doelpalen. Meer en meer eisen ze speciale rugnummers op en het is wel héél speciaal om altijd dezelfde onderbroek aan te trekken.

     

    Dieren spelen soms een rolletje in bijgeloof. Vleermuizen schijnen met vampiers, heksen en boze geesten om te gaan, maar als je er eentje – in pre-Gaiatijden -levend vastnagelde op een staldeur naast een hoefijzer, dan zweren zij het kwaad af. De leilinde, zoals in mijn tuin, werd bij de Germanen als een heilige boom aangezien en beschermde huizen, bronnen en kerken. Een tak van een lindeboom helpt tegen tandpijn en in amuletvorm beschermt hij tegen heksen en ander ongedierte.

     

    Het getal 13 heeft zo’n slechte naam omdat het 12 + 1 is. Twaalf is het getal van ‘perfectie’ (12 apostelen in het Nieuw Testament). Meer dan perfect, dat kan natuurlijk niet, dus het getal dat volgt op twaalf, dertien, brengt ongeluk. Het geloof is zo sterk dat in veel hotels er geen 13e kamer is en soms zelfs geen 13e verdieping. Ook is er bij vliegtuigen bijna nooit een 13e rij.Er zijn zelfs mensen die een fobie hebben voor het getal 13, dit heet triskaidekafobie (drie en tienfobie). Op de staart van het eerste vliegtuig van SN Brussels stond destijds een kleine letter b gevormd door 13 rode bollen. Onmiddellijk werden die vervangen door 14 rode bollen, want…     Heksen zouden graag vergaderen met zijn dertienen. Het raadsel rond 13 achterhaal je nooit. Sommigen, zoals de grote schrijver Gabriel Garcia Márquez, denken dat 13 juist een geluksgetal is. Het zou als ongeluksgetal enkel dienen om de rest van de mensheid zand in de ogen te strooien zodat 13 meestal vrij blijft voor die slimmeriken die weten dat 13 een geluksgetal is…   

     

    Bijgeloof is een vals en misleidend geloof. Zorg er wel voor dat je bij het lezen van deze blog geen schimmen begint te zien, een permanente schrik opdoet of roze olifantjes tegenkomt. Bijgeloof is oeroud en toch van alle tijden en plaatsen. Oude gezegdes en gebruiken duiken vandaag de dag nog altijd op, ook al weten we dikwijls niet meer wat de oorsprong ervan is. ‘Scherven brengen geluk’. Het rinkelend glas van die scherven weert boze geesten af en daarom trapt bij een traditioneel Joods huwelijksfeest het bruidspaar een glas in gruizelementen. Op haar huwelijksdag was en is de bruid soms gesluierd om de kwade geesten op een dwaalspoor te brengen. En om diezelfde reden draagt de bruidegom zijn bruid over de drempel van hun nieuwe woonst. Bijgeloof is dikwijls gebaseerd op angst. Waar ligt de grens? Geloof, bijgeloof, culten en riten hebben elkaar in de loop van de tijd beïnvloed.

     

    Verhalen over spoken, heksen, tovenaars, weerwolven, kabouters zijn sagen omdat ze mondeling werden verder verteld. Geloof geeft een waardeoordeel: sagen zijn nièt wààr en staan dus voor bijgeloof. Volgens diezelfde christelijke geleerden waren de verhalen uit de Bijbel geen sagen, maar wàre verhalen. Dat Noach een koppel pinguïns heeft gelogeerd in zijn ark, dat Jonas in de walvis heeft gezeten, dat Jezus water in wijn heeft veranderd, brood en vissen heeft vermenigvuldigd, zieken heeft genezen, overledenen uit de dood deed opstaan, duivels heeft verdreven en zelf uit de dood is herrezen, dit alles moest men liefst toch voor waar aannemen.Marokkanen kunnen veel djinns en djinnies - geestenverhalen - uit hun dagelijks leven vertellen, maar ze maken wel onderdeel uit van hun moslimgeloof als geheel. Bovendien komen djinns en djinnies ook in de Koran voor, en zo loopt het ene geloof naadloos in het andere over.

     

    Onder een ladder doorlopen brengt ongeluk want een opgestelde ladder vormt een natuurlijke driehoek met de muur en de grond. Een meisje dat onder een ladder loopt, zal nooit binnen het jaar getrouwd geraken, tenzij de jonge dame haar vingers kruist of een wens doet. In het uiterste geval kan je van onheil gespaard blijven door op je schoenen te spuwen en te wachten tot het mengsel opgedroogd is. Bij regenweer heb je dus dubbele pech: dan blijven je schoenen nat en kan je het bijna niet goedmaken. Misschien kan je beter écht geloven dat iemand die op de ladder staat per ongeluk een emmer of gereedschap kan laten vallen want dat geeft bij confrontatie onmiddellijk een waarlijk geloof in blutsen en builen en daar helpt geen bijgeloof tegen!

    Marcel Huysmans

    22-03-2019, 10:54 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    15-03-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE KLEINE PRINS

    DE KLEINE PRINS

     

    Het gebeurt niet dikwijls dat ik een boek twee maal op mijn boekplank heb staan. Dat gebeurde wel met Le Petit Prince (De Kleine Prins), een miniboekje dat door zijn auteur geschreven werd in een New Yorks hotel en gepubliceerd in 1943. Antoine de Saint-Exupéry was niet alleen schrijver maar ook gevechtspiloot. Hij tekende zelf de illustraties voor De Kleine Prins. Het is zijn bekendste boek en werd het meest vertaalde boek uit de Franse letterkunde. Hij groeide op in een oude, adellijke familie en had drie zussen en een broer. Toen hij vier was, stierf zijn vader en geraakte het gezin in financiële moeilijkheden. Hij woonde op diverse plaatsen in Frankrijk, maar in de vakanties verbleven ze dikwijls in de buurt van een vliegveld. Zo besloot hij om piloot te worden. Na zijn middelbare school in Zwitserland volgde hij een pilotenopleiding en werd vrachtpiloot in Afrika en later in Zuid-Amerika. Hij was ook journalist en volgde de Spaanse burgeroorlog van nabij. Ooit stortte hij in Afrika neer in een woestijn. In 1940 werd hij vlieginstructeur bij de luchtmacht. Na de Franse nederlaag trok hij naar Amerika tot hij in 1943 zich aansloot bij het Franse verzet in Noord-Afrika. Van daar uit maakte hij verkenningsvluchten maar op 31 juli 1944 kwam hij niet meer terug naar zijn basis. In 2004 vond men zijn vliegtuig op 60 m diepte in de zee voor Marseille.

    Op het eerste gezicht is De Kleine Prins een kinderboek, maar het gaat diepzinnige en schoonmenselijke gesprekken niet uit de weg. Een neergestorte piloot komt in de woestijn een buitenaards prinsje tegen. Dat prinsje woonde op een kleine planeet met één roos en drie vulkaantjes, waarvan er maar twee werken. Hele dagen is hij bezig met zijn miniplaneet en met het uitroeien van apenbroodbomen die door hun wildgroei uit de grond schieten en de planeet dreigen te laten scheuren. Op een dag wil de prins de rest van het heelal verkennen en bezoekt andere planeetjes. Op elke planeet komt hij een volwassene tegen die er de baas is  en die zich op een of andere manier belachelijk maakt.

    Er is een Koning die denkt dat hij baas is over de sterren, omdat hij hen dingen beveelt die ze anders ook wel zouden doen. Op een tweede planeet woont er een Stoeffer die door iedereen graag wil gezien worden, maar die helemaal alleen op zijn planeetje zit. Op de derde zit een Zatlap die drinkt om te vergeten dat hij beschaamd is over het feit dat hij drinkt. Eentje verder is een Manager druk bezig met het tellen van sterren. Hij denkt dat die van hem zijn en wil ze gebruiken om meer sterren te kopen. Een Lantaarnmannetje woont op een klein planeetje dat elke minuut draait. Lang geleden moest hij 's avonds de lamp aansteken en 's morgens weer doven. Toen draaide de planeet nog gewoon en kon hij tussenin slapen. Maar daarna begon hij altijd maar sneller en sneller te draaien. Maar hij weigerde te stoppen met werken en nu ontsteekt en dooft hij de lamp elke minuut en is er geen tijd meer om te rusten. Op de zesde planeet zit een Geograaf die altijd maar kaarten maakt en niet buitenkomt om zijn terrein te ontdekken. Daarom vraagt hij aan de prins om zijn planeet te beschrijven en die vertelt van de vulkanen en de roos. Maar de geograaf noteert geen bloemen omdat die na een tijdje verwelken. Dat vindt de prins heel spijtig want dat betekent ook dat zijn roos ooit zal vergaan en dat doet hem pijn. Daarom geeft de geograaf hem de raad om de planeet aarde eens te bezoeken.

     

    Hij ontmoet op aarde een Wisselwachter. 'Goedendag', zei de kleine prins. 'Goedendag,' zei de wisselwachter. 'Wat doe jij hier?' vroeg de kleine prins. 'Ik sorteer de reizigers in groepjes van duizend', zei de wisselwachter. 'De treinen waarin ze rijden stuur ik om de beurt naar links en naar rechts.' Een verlichte sneltrein kwam met donderend geraas langs en het seinhuisje stond ervan te trillen. 'Wat hebben ze een haast', zei de kleine prins. 'Wat zoeken ze eigenlijk?' 'Dat weet de man op de locomotief zelf niet', zei de wisselwachter. En een tweede verlichte sneltrein donderde in de andere richting langs. 'Komen ze nu al terug?' vroeg het prinsje... 'Nee, dat zijn niet dezelfde', zei de wisselwachter. 'Ze ruilen van plaats.' 'Vonden ze het niet prettig, daar waar ze eerst waren?' 'Men is nooit tevreden, waar men is', zei de wisselwachter. Toen raasde een derde verlichte sneltrein voorbij. 'Zitten die de eerste reizigers achterna?' vroeg de kleine prins. 'Ze zitten niets achterna', zei de wisselwachter. 'Ze slapen daarbinnen of ze gapen. Alleen de kinderen drukken hun neus plat tegen de ruit.' 'Kinderen alleen weten, wat ze zoeken,' zei de kleine prins. 'Ze verdoen hun tijd aan een pop van oude lappen en die wordt dan heel belangrijk. Ze huilen als de pop hun wordt afgenomen...' 'Die zijn dan goed af', zei de wisselwachter.

     

    Daarna ontmoet de kleine prins nog een slang, een vos en ten slotte de piloot die gestrand is in de woestijn. Met iedereen voert hij diepgaande gesprekken die opvallen omdat ze zo eenvoudig zijn.

    De kleine prins en de gevechtspiloot sluiten vriendschap en praten graag met elkaar. De piloot vertelt zijn eigen visie over de eigenaardigheden van de mensen en geeft ook blijk van veel gezond verstand dat de volwassenen schijnen kwijt te spelen en te missen als ze opgroeien. Het lijkt wel een modern sprookje over kind zijn, over vriendschap en over de dood. Maar hun verhaal zit ook vol met kritiek op volwassen mensen. Daarom is het spijtig dat de prins weer verder moet...

     

    Als je dus ergens een klein boekje vindt op een verloren boekenplank met daarop een klein bedeesd mannetje met eenvoudige prinselijke uitstraling, lees het dan eens en lees het daarna nog eens. Dan word je weer kinderlijk jong en lijken alle grote menselijke problemen eenvoudig te ontbolsteren in de ontwapenende antwoorden van een kleine prins. Zelfs voor een gestrande gevechtspiloot...

    Marcel Huysmans

     

     

    15-03-2019, 10:48 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    06-03-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE DRIE BROERTJES DOM, STOM EN DWAAS

    DE DRIE BROERTJES DOM, STOM en DWAAS 

    In mijn leven was ik al dikwijls kwaad op mezelf. Dom, stom en dwaas zijn drie broertjes van elkaar die ruziën wie de volgende aan zet is. Misschien zijn ze wel familie van de drie aapjes: horen zien en zwijgen… Ik zag ze alle drie, de ene wat meer dan de andere en meer dan me lief was. Dom is als je niet weet wat je moet doen. Stom gebruik je als je het wel weet, maar toch anders deed. Dwaas is het als je iets doet zonder te weten wat je doet. Dikwijls kan ik het wel redden met de vaardigheden die ik van thuis uit heb meegekregen of opgepikt heb tijdens mijn opleiding. Het grootste deel van mijn oplossend vermogen heb ik geërfd uit mijn beroepsleven, waar de beoordeling meestal helemaal anders was. Achteraf bekeken is het simpel: ‘had ik dat maar wel of niet gedaan’, ‘hoe kon ik toen toch zo dom zijn...’en ‘waar zat ik met mijn gedachten toen...’. Het rare is dat deze drie eigenschappen ook gesymboliseerd worden door een dier, maar onterecht!  

     

    Het is een hardnekkig misverstand dat ezels dom zijn en niet weten wat te doen. Dat misverstand is even hardnekkig als de ezel zelf: als die geen zin in heeft, dan doet-ie het gewoon niet. Hij loopt bijvoorbeeld geen steeplechase. Maar da’s geen domheid, maar eerder verstandig en voorzichtig. Een bang paard slaat op hol, een ezel legt zich simpelweg rustig op de grond. Omdat ezels goedkoper zijn dan paarden, vielen ze vroeger vaak in handen van minder betrouwbare koopmannen. Zo kreeg de ezel óók een slechte reputatie. Volgens de Griekse mythologie kreeg koning Midas als straf ezelsoren voor zijn domheid. In de Bijbel is de ezel geduldig en bescheiden. Jezus reed op een onverstoorbare ezel Jeruzalem binnen. Ezels zijn niet dom, maar hebben wel een gebruiksaanwijzing nodig. “Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen” wil zeggen dat je bij twee keer dezelfde fout dommer bent dan een ezel. De ezel is slimmer: als hij met zijn voorpoot tegen een steen stoot, doet hij dit niet meer met zijn achterpoten. Er zijn veel andere dieren die zich wel zouden stoten aan dezelfde steen als ze door de bergen lopen.  

    Ezels zijn niet altijd even gemakkelijk. Een bange ezel gaat echt niet vooruit en hem dingen leren vraagt vertrouwen en geduld. Je kunt ze veel leren, maar je moet wel leren hoe. Kun je dat niet, dan luisteren ze niet en gaan hun eigen gang. Verstandigen leren van anderen. Middelmatigen leren door schade en schande. Domoren leren niets, zij weten al alles.

      

    Een struisvogel is superstom omdat hij zijn kop in het zand steekt… zoals een klein kind de handjes voor de oogjes doet met de tekst ‘jij ziet mij niet!’ Dit 'typische struisvogelgedrag' kom je in de natuur nooit tegen. Echte struisvogels doen zoiets niet. Zij zien de realiteit gewoon onder ogen en lopen, als ze belaagd worden, liever hard weg. Als het even kan, delen ze met hun krachtige poten rake trappen uit aan hun achtervolgers. Soms verschuilen ze zich wel in het zand, maar dan niet alleen met hun kop, maar met hun hele lichaam. Gaius Plinius Secundus (23 tot 79 na Christus) lanceerde de kop-in-het-zand-mythe rond dit vogelbeest. Hij schreef een uitgebreid verhaal over een struisvogel, die zijn hoofd in het zand zou hebben gestoken toen een roofdier naderde. Het is echter bij deze ene 'observatie' gebleven, dus erg waarschijnlijk is het niet dat alle struisvogels dit rare gedrag werkelijk vertonen: één schrijver heeft iets geschreven en de hele wereld geloofde het.  Hedendaagse wetenschappers weten beter. Zij baseren zich op meer dan één enkele waarneming. Bij een bedreiging de kop in het zand steken zou in de natuur fataal zijn voor een struisvogel. In zo'n houding kan hij zich niet verweren en hij kan ook niet snel en hard wegrennen. Bovendien: met de kop in het zand is de kans groot dat hij stikt. Waarschijnlijk deed de Plinius-struisvogel niets anders dan zand en steentjes zoeken om het voedsel in zijn maag beter te kunnen vermalen. Mogelijk schuilde hij voor roofdieren, niet door de kop helemaal in het zand te steken, maar door plat op de grond te gaan liggen, met gestrekte hals… Struisvogels zijn dus niet stom!

     

    Schapen zijn dwaas omdat ze eigenlijk niet weten waarom ze iets doen. Het bijbelse schaap is een dwaas dier dat niet in staat is om heel kortzichtig zijn eigen weg te vinden. Zijn enige veiligheid ligt in het volgen van de herder, waar die ook naartoe gaat. Dwaze mensen doen altijd hetzelfde en hopen daarna dat het resultaat anders zal zijn. Pech dus.

    Uilen zijn dom en slim tegelijk en staan dan ook voor domkop én wijsneus. Daarom blijven uilen mysterieuze dieren. Hun leven 's nachts, hun geruisloze vlucht en hun vreemde geluiden wekken de menselijke fantasie op. Eens zat er een kikker op een boomstam in het water, midden een familie hongerige krokodillen. Terwijl de kikker angstig om zich heen loerde, zag hij een wijze uil in het gebladerte van een stoere boom zitten. Hij riep vol schrik: "kun je mij vertellen hoe ik ongedeerd aan de wal geraak?". De wijze uil antwoordde: "beste kikker, dat is poepsimpel. Je moet je mentaal voorstellen dat je een gespannen veer bent. Als je daarin slaagt, dan heb je de kracht om naar de oever te springen." De kikker dacht diep na, beeldde zich zo hevig mogelijk in dat hij een springveer was, lanceerde zich en... belandde recht in de muil van één van de krokodillen. Maar vooraleer de kikker tussen de krokodillentanden verdween, riep hij verdwaasd: "broer uil, waarom heb je mij zo'n idioot advies gegeven?"

    En de uil, deed één oog open én toe zoals in Fabeltjesland en zei plechtig:" Sorry, Kermit, ik ben alleen maar verantwoordelijk voor de creatieve ideeën en niet voor de uitvoering ervan." En hij voegde er nog aan toe, terwijl hij de Chinese wijsgeer Tsjwang-tse citeerde: "de dwaas ziet zijn doel aan het eind, een verstandig mens in het midden en alleen de wijze al bij de eerste stap!"

    Marcel Huysmans

    06-03-2019, 16:05 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    26-02-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ZINGEN ONDER DE DOUCHE

    ZINGEN ONDER DE DOUCHE

     

    In een tijd waarin de energie erg duur wordt en waarin iedereen zijn steentje moet bijdragen tot verbetering en verkoeling van onze planeet, viel mijn oog op een Australisch onderzoek. Tegenvoeters die onder de douche stiekem hun stembanden oefenen, moeten op zoek naar een nieuwe repetitieruimte. De plaatselijke Engie van de Aussies vraagt iedereen om niet meer te zingen tijdens het douchen want zo zou je water én elektriciteit kunnen besparen. Volgens enkele energie-experts wordt het douchen met maar liefst 9,08 minuten verlengd als er een muzikaal intermezzo aan te pas komt. Wie het toch niet kan laten om zijn zangtalent in het stortbad bij te schaven, wordt gevraagd iets kortere liedjes te zingen. "Bohemian Rhapsody" van Queen dreigt dus uit het badkamerrepertoire te verdwijnen. Maar zeg nu zelf: wat is er héérlijker dan stiekem solo te zingen onder de douche?

      

    Zingen onder de douche kan dan wel schadelijk zijn voor je huisgenoten, voor je gezondheid doet het wonderen. De extra lucht en zuurstof, die nodig is tijdens het openzetten van je keel, is heel goed voor je bloedsomloop en helpt je tegen stress. Zelfs de zuurstofsaturatie in je bloed stijgt dan. Door het galmen van de badkamertegeltjes klinkt de slechtste stem daar nog een beetje ‘nachtegaals’. Wat je zingt, is sterk afhankelijk van je stemming: vrolijke momenten vragen Will Tura, Frans Bauer of Marco Borsato en de oude of de nieuwe André Hazes doet het goed bij eenzame of verliefde buien. Je kunt het niet wegmoffelen: 1 op 5 Belgen zingt onder de douche! Douchekwelers zijn meestal gelukkige en vrolijke mensen. Zodra anderen mee kunnen luisteren, vallen we meestal stil en schamen we ons. Als je gewoon spreekt, klinkt je stem rustig en beheerst, maar als je zingt, werkt de keel zoals bij lachen, roepen of huilen. Al zingend wordt je boodschap emotioneler en laat je even het masker vallen. Een slaapliedje voor de (klein)kinderen lukt nog juist en na een stevige borrel verlaagt ook de drempelhoogte om solo te zingen. Zelfs onze koning op rust en zonder DNA-neigingen verklapte een aantal jaren geleden in zijn kerstboodschap dat hij niet zingt onder douche, maar heel bescheiden ‘neuriet’. Het lievelingsdeuntje van onze ex-vorst is ‘Ik hou van u, je t’aime tu sais’, het melige maar walsende gelegenheidsliedje van Stijn Meuris ter ere van 175 jaar België.

     

    Een van de belangrijkste bezigheden van de mobiele Belg is het rusteloos aanschuiven in een onaangekondigde, onverwachte en zenuwvretende autofile. Op gevaar af om licht neurotisch te worden, is het een testcase voor je zenuwen en zoek je onmiddellijk naar ‘vervangingsactiviteiten’. Het favoriete tijdverdrijf in de file is muziek luisteren of bellen en sms’en, al kosten die twee laatste soms 110 euro en voor de politierechtbank meestal meer. Ook meezingen, eten, neuspeuteren en flirten zijn populair, maar enkel toelaatbaar en merkbaar binnen zekere grenzen. Ben jij ook iemand die gezellig in de file staat, uw medeautomobilisten vriendelijk groet en op volle kracht meezingt met de laatste hits? In dat geval staat je misschien ook een succesvolle zangcarrière bij the Voice te wachten en kun je voluit genieten van je solo-momenten. Soms trommel ik met mijn vingers op het stuur in de maat van de muziek op de radio en als ik de tekst ken, zing ik luidkeels mee. Want niemand kan me horen. Heerlijk! Maar onzichtbaar ben je niet in dat geval. Als je stapvoets vordert in die trein der traagheid en je kijkt eens ongecontroleerd opzij, dan ervaar je soms de kruisende blikken van een dame of heer die net als jij misschien op dezelfde zender heeft afgestemd. Dat zorgt voor een communicatief kickmoment. En dan kun je moeilijk een lachkriebel onderdrukken, misschien toch je duim opsteken en verder je verloren tijd nuttig gebruiken….


    Zingen werkt bevrijdend. Het maakt emoties los. Zingen geeft je nieuwe energie. Samen zingen betekent er nog een schepje van alle goede dingen bovenop doen. En dan denk ik eerst aan de uitstapjes met heel het gezin of met vrienden, waarbij iemand een liedje inzette en de rest één voor één volgde. Meteen werd een zijruitje opengedraaid en verspreidde de weldoende gelukzaligheid zich voor alle mensen van goede wil. Een gelijkaardig gevoel kun je hebben wanneer je met een hele ploeg aan de afwas gaat en de kampvuurliedjes van vroeger laat opborrelen uit het diepste van je heimwee. Het samenhorigheidsgevoel laat zich weer kennen en bijna vergeten liedjes verliezen hun stoflaag waaronder ze al jaren verborgen zaten. Het is bijna hetzelfde gevoel als bij het ‘patattenjassen’ in de jeugdbeweging of bij het leger, al werd er bij het leger lang niet zoveel gezongen. Hoewel ik dan onmiddellijk moet corrigeren en terugdenken aan de ‘Bridge over the River Kwai’ waar het samen-gevaren-trotseren ook muzikaal en fluitkundig de wereld werd ingestuurd. Trouwens, wijlen Willem De Meyer (wie kent hem nog?) trok destijds via de opleidingscentra van het Belgisch leger om de kersverse miliciens te leren samen zingen. En tegen alle verwachtingen in, lukte ook dàt omdat samenzingen wonderen doet!

     

    Elk jaar komen er meer samenzangavonden zoals ‘Antwerpen zingt’ en ‘Aartselaar zingt’ en na de gemeentes met de letter A komen er jaar na jaar nieuwe min of meer massa-zangstondes bij. Merkwaardig genoeg dagen hiervoor niet alleen ouderen op, maar ook jongeren worden aangetrokken door de onbevangen liedjes die op dergelijke manifestaties gekweeld worden. Schaamtegevoel verdwijnt meteen door de schwoeng van het moment en de druppel van tevoren en als je je onbekende buur ziet (en hoort) meezingen dan gooi je alle remmen los en beleef je een heel apart gevoel vanbinnen. Dan zing je mee uit volle borst: ‘Ik wil deze nacht in de stroaten verdwoalen’ of ‘Kom van dat dak af’, al moet je met dergelijke liedjes oppassen als je nog maar net ‘Aux Champs Elysées’ of ‘de torenspits van Bommel’ hebt gezongen.

    Zo zie je maar dat solozang of samen zingen een troost, een manier om je af te reageren, een manier om te ontspannen, een manier om op een originele manier iets te zeggen, een manier om tot rust te komen kan zijn… en nog veel meer!

    Marcel Huysmans

     

    26-02-2019, 10:52 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    19-02-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BIJNAMEN ZIJN EEN VORM VAN BEWONDERING

    BIJNAMEN ZIJN EEN VORM VAN BEWONDERING 

    Als ik nu terugdenk aan de tijd dat ik op de schoolbanken zat, besef ik ineens dat ik ooit heel wat leraars heb gekend die stuk voor stuk een bijnaam hadden. Die paste hen vaak als gegoten zoals een beeld van madame Tussaud. Het waren bijnamen die plastischer aantoonden dat iemand méér was dan zijn/haar eigen naam en bovendien niet alleen de fysische kenmerken beschreef maar ook de menselijke kwaliteiten visueel naar boven haalde. Helaas moet ik toegeven dat de meeste van die beroemde namen bijna allemaal het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld hebben. Ze zijn voorbij. De tijd dat de meeste leerkrachten een bijnaam hadden is blijkbaar even onherroepelijk passé. In Van Dale staat voor ‘bijnaam’: naam die voor de eigenlijke of doopnaam in de plaats gegeven wordt, op grond van een kenmerkende eigenschap, veelal als spotnaam. Toen was het onderwijs nog niet gemengd. Vandaar dat ik weinig vrouwelijke bijnamen ken.

    In het Woordenboek der Nederlandse Taal vond ik dat de oudste verwijzing naar het woord ‘bijnaam’ tot 1260 teruggaat. Toen heette dat een ‘biname’.

     

    Waar zijn ze nog niet verdwenen? Binnen jeugdbewegingen, sportclubs én scholen zwerven soms nog wél bijnamen rond. Dikwijls is de aanwezigheid van dezelfde voornamen of familienamen de aanleiding om aliassen te creëren die de realiteit geen geweld aandoen. In de Chiro kende ik zo de Pippe, de Pirre, den Tand, Pietje de Dood, den Tippex, de Foemp, den Bakker en  niet te vergeten de Rosse Swa. Sommigen onder hen hebben hun Chirobijnaam een leven lang meegedragen en de straffe verhalen uit die tijd draaglijker en smeuïger gemaakt om ze iedere keer opnieuw te vertellen. Ze werden alle(zon)daags. Sommige waren een verbastering van de voor- of achternaam, verwezen naar een uiterlijk kenmerk of een typisch gedrag, kruidden een grappige anekdote of vertelden iets over het beroep of de studies van het slachtoffer. Volstrekt absurde bijnamen hadden ook veel succes. Geschiedenis werd geschreven door namen met stijl.

    Leerkrachten à volonté. Pierke Just leerde me de finesses van analytische meetkunde. Het was een genie op zijn terrein maar duldde geen slordigheid: een punt vergeten op een i, een komma te kort of onvoldoende verschil tussen een r, een z of een 2 liet zijn rode bic een horizontale streep versieren met daarbij de tekst “tot hier verbeterd”. Een dt-fout was nog erger maar ik moet wel toegeven dat ik van die man heel veel heb geleerd en dat de meeste van zijn oud-studenten al de eerste keer slaagden in het ingangsexamen burgerlijk ingenieur. Den Tuur was studiemeester, heette eigenlijk Frans Van Duffel en dankte zijn naam aan het feit dat hij heel erg geleek op Arthur de Vliegende Aap die dan weer de broer van Lambik was. De Bokser gaf tekenen en had een vooruitstekende kin die hem uitermate leek te helpen bij een mogelijke bokserscarrière. Hij leerde me pilaren te schaduwen en vooral beschrijvende meetkunde met door- en kegelsneden te bedrijven. Petit Beurke was de maxi-leraar van het eerste studiejaar maar klein van stuk. Je moest hem soms zoeken tussen al die rijen van de andere studiejaren: zacht, lief en een kei in het geduldig aanleren van de eerste letters in schoonschrift en bedenker van de eerste volzin: ”de pop van an heet marleen”. ’t Patatje was onze leraar biologie. Hij had een grote rode neus en vrolijkte elk jaar zijn nieuwe leerlingen op met de omschrijving: de aardappel is een kleine knol, meestal vlezig en gezwollen. De gelijkenis kon niet groter en beter zijn. Hij hing elke keer zijn hoedje aan de vensterkruk, maar eens liep het mis: op een zomerse namiddag zwaaide hij uit gewoonte met zijn hoofddeksel naar het raam dat na een brede zwaai perfect doorgang verleende richting benedenverdieping…

     

    Het Kakske leerde ons Frans, had een scherpe hoge stem, sprak duidelijk en eiste die duidelijkheid en correctheid ook van ons. Hij werd later zelfs inspecteur. De Stier was stevig gebouwd, vooral van schouders en hals en als hij kwaad werd, kleurde zijn gezicht vuurrood als een lap op een … Stieren kwamen overal voor, zelfs op de PTS evolueerde een dergelijk exemplaar. De Pompbak had ook een vooruitstekende kin en hoe Den Blekke aan zijn bijnaam kwam, heb ik nooit geweten. De Poddingpoep had een gezicht met rozijnenpuntjes dat op een achterwerk met acne geleek. Den Dompy (verbastering van Dopey, één van de zeven dwergen van weeuwsnitje) was klein, speelde uitvoerig de scènes uit De Bello Gallico van Julius Caesar na voor de volle klas en verplaatste zich op een brommerke. Hij leerde ons basketten met de schoolploeg en wist de strategie van Juul Caesar ook in basket over te brengen. De prefect was traditioneel de Pif.

     

    O tempera, o mores! Spijtig genoeg werden nieuwe leraren niet meer voorzien van eretitels, een spijtige achteruitgang. We hebben nog wel eens een uitbundige lerares plastische opvoeding gehad die bij de minste onraad luid haar verontwaardiging kenbaar maakte en die noemden we Mie Traillet, wat we zelf een gelukkige en toepasbare bijnaam vonden.Meteen moet ik denken aan anekdotische publicaties over de haven van Antwerpen met daarin een hoofdstukje over de bijnamen van dokwerkers. Het zijn altijd dezelfde namen die terugkomen: De Neus, Schele Jos, De Leugenaar, De Cowboy,… Sommige van die namen komen ook terug bij de Poesje aan het Vleeshuis die dan hoofdvertolkers werden in de verhalen aan de Burggracht. Men gaf zelfs bijnamen aan kranen zoals bijvoorbeeld Grote Gust. Zelfs politiekers kregen ooit bijnamen waardoor ze eigenlijk eretitels kregen die zij al dan niet verdienden…Jean-Luc Dehaene werd De Loodgieter, Bert Anciaux Bertje Den Bleiter, Guy Spitaels was Dieu,  en Steve Stunt zwierf totterdood door Limburg. Bijnamen dreigen uit te sterven door de “vernummering van de maatschappij”. Tegenwoordig moeten we overal het nummer van onze sis-kaart geven of ons rijksregisternummer in plaats van onze familienaam én voornaam. Trouwens ooit vertelde Piet Theys (sportjournalist die ons veel te vroeg in 1974 ontviel) mij: een Vlaming is te weinig VOORNAAM. En hij had gelijk.

    Het is trouwens die naam die God heeft geschreven in de palm van zijn hand!

    Marcel

    19-02-2019, 20:08 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    12-02-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ROEIEN MET DE RIEMEN...x

    ROEIEN MET DE RIEMEN…

     

    Er was eens, zoals in alle sprookjes die beginnen, een kanoteam van een Vlaamse vzw dat elk kwartaal goede resultaten kon voorleggen aan haar CEO en aan alle mensen die het graag wilden horen. Een Japans bedrijf uit dezelfde stad deed ook gouden zaken en stelde aan de Belgen voor om jaarlijks een kanorace over 5 km te houden om de goede banden tussen de bedrijven te beklemtonen en om de lichamelijke paraatheid van de beide personeelsgroepen te benadrukken. In elke boot mochten 8 kanovaarders deelnemen.

    De beide teams oefenden alsof het om de finale van de Olympische Spelen ging. Op de dag van de race voelden beide teams zich werkelijk op hun allerbest. Armen en benen werden geolied en straffe uitspraken waren niet uit de lucht. Maar… de Japanners wonnen met 100 meter voorsprong!

      

    Na de smadelijke nederlaag was het moreel van de Belgen, die wel tweede waren, tot ver onder het absolute nulpunt gedaald. De manager van het Belgische bedrijf die aangesteld was door de Raad van Bestuur om leiding te geven, te organiseren en te controleren, kreeg van de grote baas de opdracht om ervoor te zorgen dat volgend jaar het verlies in winst zou omgebogen worden. Hij richtte een projectgroep op die het mislukken tot op het bot moest onderzoeken. Na vele testen, besprekingen, gepalaver in subcommissies en enquêtes bij de deelnemers kwam de manager tot besluit dat in het Japanse kamp 7 kanopeddelaars roeiden en één de instructies gaf, terwijl bij het Belgische team 7 kanoërs de instructies gaven en 1 ‘eerstaanwezend gevolmachtigde’ roeier de slagen precies en krachtig uitvoerde. Duidelijke taal dus.

     

    Om uit deze crisissituatie te geraken gaf het managementteam van het Belgische bedrijf meteen en weer een duidelijk bewijs van zijn leiderscapaciteiten: ze huurden even onmiddellijk een onafhankelijk adviesbureau in om de structuur van hun eigen team te verbeteren. Na heel veel maanden van hard werken kwamen de experts met hun eindverslag voor de pinnen, nadat al een gedeelte van de bevindingen in de pers gelekt waren, en daarin stond dat in hun vaderlands team teveel mensen instructies gaven en te weinig mensen roeiden. Dat was krasse taal. In hun voordeel pleitte wel dat de instructeurs het goed konden uitleggen en met de zaak begaan waren. Aan de hand van het expertenrapport besloten ze de structuur van het kanoteam te wijzigen.

     

    Er werd een keurige brochure opgesteld, met een officieel voorwoord van de minister van sport, en daarin het voorstel om in de achtboot 4 atleten op te nemen die instructies zouden geven, 2 kanovaarders die toezicht zouden houden, 1 kanoman die hoofd van de toezichthouders zou zijn. Diegene die overbleef moest zo hard mogelijk roeien, kwestie van de taken te verdelen. Er werd wel ‘gewag gemaakt’ van dwingende maatregelen om die ene roeier extreem te motiveren. “We moeten zijn werkgebied verbreden en hem meer verantwoordelijkheden geven” luidde de boodschap. Alle procedures werden vooraf intern binnen de ploeg besproken en in de kranten verschenen interviews met hoopgevende zegevoorspellingen voor de Belgische acht. Over de echte tactiek werd gezwegen.

    Enkele dagen later wonnen de Japanners weer, maar nu met 300 meter voorsprong…

     

    Het bedrijf, dat zijn eigen procedures zorgvuldig had opgesteld en liet respecteren, bezorgde de onfortuinlijke eenmansroeier onmiddellijk zijn C4 omwille van ‘dwingende redenen’, verder uitgelegd als ‘slechte resultaten op het werk’. Zonder uittredingsvergoeding. Ondanks dit smadelijke verloop kregen de toezichthouders een flinke bonus uitgekeerd voor de grote inzet en de prima groepsgeest die het kanoteam had getoond. Omdat haar taak niet helemaal geslaagd was, mocht het externe adviesbureau toch een slotanalyse formuleren waarvoor ze in regie zouden vergoed worden. Daaruit bleek dat bij die tweede wedstrijd wel degelijk de juiste tactiek was gekozen, dat de motivatie heel sterk boven het gemiddelde lag, maar dat het varend materieel dringend moest verbeterd worden. De CEO van het bedrijf gaf onmiddellijk de opdracht om een nieuwe kano te ontwerpen en te bouwen. Dan kreeg hij zijn ontslag, maar mocht nog eerst een extra hoge ontslagpremie in ontvangst nemen. Einde goed, al goed…

      

    Dom is als je niet weet wat je moet doen. Stom is als je het wel weet, maar toch wat anders doet. Dwaas is als je iets doet zonder te weten wat je doet. Dom, stom en dwaas zijn de drie absurditeiten van het management. Het trio komt overal voor in bedrijven en overheidsinstellingen en ze duiken veel vaker op dan zou moeten, mogen en kunnen mogen. Het besluit is dat manager zijn wel een heel moeilijk vak is. Bij je thuis kan je het wel redden met de vaardigheden die je van thuis uit hebt meegekregen, maar in de grote bedrijfswereld wordt het ineens kei-ingewikkeld. Achteraf redeneren is dan dikwijls de beste verdediging tegen tegenvallers en eieren en beloftes worden toch zo gemakkelijk gebroken. Je moet er zoveel doelstellingen ineens realiseren: goede verstandhouding met anderen, de verhoudingen respecteren en niemand tegen de kar rijden en vooral en zeker naar de klant luisteren. In de politiek is de klant nog meer koning, want daar heet hij ‘kiezer’ en dat is niet zo ver van  ‘keizer’.

     

    Hoe komt het toch dat het bedrijfsleven zo succesvol is, zolang het goed gaat tenminste. Waarom betekent winst voor heel wat bedrijven alleen maar méér winst maken dan het jaar daarvoor?  Over de happy winnaars wordt altijd gesproken, maar over de losers wordt minder enthousiast gedaan. Zoals in de sport zijn er binnen het kapitalisme en de geldwereld geen winnaars zonder verliezers, geen vooruitgang zonder soms stilstaan en geen successen zonder tegenslagen. Nogal een geluk dat om de financiële wereld te redden de centen véél gemakkelijker te vinden zijn dan om de koopkracht te herstellen. Wie geld heeft, denkt aan de toekomst, wie het niet heeft, moet iedere dag aan vandaag denken.

     

    Nog een geluk dat je van je fouten meer en sneller kunt leren dan van je successen. Zorg er maar voor dat je genoeg geduld hebt: alle dingen zijn eerst moeilijk voor ze gemakkelijker worden en… voor vogels die niet goed kunnen vliegen, schiep God de lage takken.

    Hou het dus maar simpel! Vraag het maar aan Yotam Ottolenghi.

    Marcel Huysmans   

    12-02-2019, 20:20 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    09-02-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE WET VAN BEHOUD VAN ELLENDE

    DE WET VAN BEHOUD VAN ELLENDE

     

    In mijn leven heb ik heel wat wetten doorworsteld en verwerkt. Ik bedoel wél wetmatigheden die algemeen gelden of die zich enkel voordoen onder bijzonder omschreven omstandigheden. Het zijn dus exacte wetmatigheden die in de wetenschappen worden beschreven en dikwijls vereeuwigd en onsterfelijk gemaakt met de naam van de uitvinder achteraan als uitroepteken. Zo kennen we de wet van Ohm, de wet van Boyle-Mariotte, de wet van Coulomb en in de sterrenkunde is de Perkenwet één van drie wetten van Kepler. In al die gevallen heb je te maken met nauwkeurig bestudeerde verschijnselen die in mensentaal en vakjargon kunnen beschreven worden en in alle omstandigheden kloppen. Anders wordt het als je de veilige paden van de wetenschappen verlaat en pseudogeleerd wilt doen. Zo heb je de 'wet van Behoud van Geluk': binnen een gesloten systeem blijft de totale hoeveelheid geluk constant. Als iemand gelukkiger wordt, betekent het ook dat iemand anders ongelukkiger wordt. Of heb je liever de 'Wet van behoud van ellende?' Binnen een gesloten systeem blijft de totale hoeveelheid ellende constant. Als het ene probleem wordt opgelost zal daardoor het volgende probleem de kop opsteken. Moet het nog wat duidelijker: een put vullen door er een nieuwe te maken die ook weer gevuld moet worden… In de politiek is het een veel gehanteerd systeem. Dat vraagt om meer uitleg.

     

    Een onderneming kocht voor haar Algemene Directie, met aan het hoofd een Aldi (Algemeen Directeur) een oud herenhuis aan. Die Aldi sprak vóór de verbouwing en aankleding enkele interieurarchitecten aan die behoudens het esthetisch aspect ook een hele rits aan ‘moderne’ noviteiten mochten invoeren. De prijs was een nevenverdienste maar minder belangrijk. Voor hen waarschijnlijk wel. Als het maar mooi was voor de buitenwereld. Per verdieping was er één groot landschapskantoor waarin een aantal collega’s ‘kantoor’ hielden. Met veel bubbels, toespraken en getater werd het gebouw ingehuldigd. Bij die opening viel op dat de overloop helemaal in min of meer doorzichtig glas was, wat bij het vrouwelijk personeel naar de lange broekenmode deed grijpen. Na drie dagen mooi functioneren kreeg de technische dienst de vraag of de telefoontoestellen op de diverse bureaus elk een verschillende beltoon konden hebben, want als de telefoon rinkelde, wist niemand welk toestel diende opgenomen… Dat kon dus niet. Na een maand vroeg de personeelsdienst of er geen wandpanelen tussen de werkplekken konden gezet worden, omdat bij gesprekken de privacy van de bezoekers helemaal en onbelemmerd de lucht in ging. De panelen voldeden niet en toen verschenen glazen tussenwanden, behalve aan de ingang van de verdieping. Kort daarna kwamen aan die ingangen glazen schuifdeuren want door de tocht dreigden sommigen een permanente verkoudheid te cultiveren. En toen kwam de lente en de zomer…

      

    Zodra de zon à volonté begon te schijnen werd het in die kantoren uitermate warm. De bewoners konden zich ook moeilijk concentreren. De wondere interieurvormgevers toverden blitse rolgordijntjes aan de ramen, precies in de huiskleur en dus mooi. Maar Celsius bleef bovenmatig regeren zodat in één bureau zowaar een airco tegen het plafond werd geplaatst ter verzachting van het ongemak van dat ogenblik. Dat leek de oplossing: de temperatuur zakte zienderogen en bijna iedereen was tevreden, behalve de spreekwoordelijke uitzondering die er tranende ogen en een snotterende neus aan overhield. Toch was de meerderheid er content! Dat leek iedereen het voornaamste. Daarom mochten de inventieve bedenkers van dé oplossing de andere ruimtes ook met de verfrissende elektriciteitsverslindende openbare koelkasten uitrusten. Helaas, driewerf helaas: één week na de installatie kon de hoofdschakelaar in de elektriciteitskast het niet meer houden en gaf zijn spreekwoordelijke geest. Meteen werd een verzwaring van de meter aangevraagd, maar dat bleek de eerste twee jaar Electrabelsgewijs niet te kunnen. Daarom werd een dieselgroep gehuurd die moest zorgen voor de surplus aan vermogen zodat iedereen een behaaglijk gevoel kon hebben tot de verzwaring een feit zou zijn… Die twee ontwerpers zijn later met de noorderzon verdwenen en ik weet zelfs niet of ze wijze lessen hebben getrokken uit deze ervaringen.

     

    Als de Wet van behoud van Ellende illustraties behoeft, dan heb ik die van dichtbij mogen meemaken, sterk in tijd en ruimte gevarieerd. Ik ben zo geconditioneerd geworden dat ik praktische gevolgen ervan op kilometers afstand kon opsnuiven en moest openbaren. Het is mijn lievelingswet geworden en je kan hem terugvinden in de bankenwereld (met de ene lening de andere afbetalen) en in de politiek maar ook in de wereld van de aannemers en klussers. Efficiënt is niet altijd mooi, maar mooi is ook niet altijd efficiënt. Daar koop je weinig mee. Een gebrevetteerde puttenvuller slaagt er meestal in om anderen, en liefst later, de boel te laten oplossen. Zo blijft er natuurlijk wel werk aan de winkel.

    Wat is de moraal van dit verhaal? Schoenmaker, blijf bij je leest; laat het serieuze werk aan ernstige specialisten over en graaf geen putten voor iemand anders waar je tenslotte zelf in valt! Het huidige energievraagstuk oplossen via de politici dreigt er ook een toepassing van te worden. Debacle verzekerd.

      

    Als het effe kan, gaat het mis... Er zijn dingen die ik al tientallen jaren bewaar. Als ik ze dan toch weggooi, kun je er donder op zeggen dat ik ze volgende week nodig heb. Als ik naar de spoed moet, is die altijd aan de andere kant van het ziekenhuis. Als ik op mijn laptop twee toetsen tegelijk aansla, komt zeker de verkeerde letter op het scherm. Eentje voor de NMBS: als je trein op tijd rijdt, is je aansluiting te laat; als je trein te laat is, rijdt je aansluiting op tijd. Ik heb ook iets met stropdassen: vroeger droeg ik er elke dag een, nu trekt hij altijd de soep van de dag aan. Mijn kleinkinderen helpen ook mee: ze morsen nooit op een vuile vloer! Tandpijn begint meestal op zaterdagavond en je CV valt meestal uit op een feestdag of in het weekend.

    Als je dit allemaal leest, is het nog zo niet erg! Toch zijn er nog zekerheden: degene die snurkt, zal het eerst in slaap vallen. Slaap dus wel!

    Marcel Huysmans

    09-02-2019, 10:31 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    28-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ZIJN ER NOG FLANDRIENS BIJ DE POST?

    ZIJN ER NOG FLANDRIENS BIJ DE POST?

    In 2016 mocht ik van dichtbij en van op de fiets de start van de Giro d’ Italia meemaken in Amsterdam. In de marge van de proloog beleefde ik in de Brakke Grond, het Vlaamse Cultuurhuis in Amsterdam, een tentoonstelling van fotograaf Stephan Vanfleteren over het leven van de flandriens. Een flandrien is een wielrenner die een wielerwedstrijd hard maakt door voortdurend te kiezen voor de aanval en te blijven rijden tot hij doodvermoeid de streep bereikt. Het was een doordringende fotoverzameling in zwart-wit die past bij de grijze luchten die onwegblaasbaar over het echte Vlaanderen van de fiets hangen. Er waren heel sterke foto’s bij: twaalf beelden van de beklimming van de Muur in Geraardsbergen. Opvallend was de foto die verwees naar Frank Vandenbroucke waarbij op het asfalt van de Vlaamse wegen “God is terug” stond gekalkt met een ironische verwijzing naar zijn zoveelste rentree. En ergens in een verloren hoekje een beeld van een postbode die zich zwalpend op de Eikenberg hijst en waarschijnlijk door kenners als “vergeten te eten” zou getaxeerd worden. Postbodes zijn altijd een beetje flandrien geweest en dat besefte ik enkele weken later toen de postbode in mijn straat achterbleef met een achterband die zijn laatste verzuchting had uitgeblazen.

    Het leek of een coureur door zijn sponsor in de steek werd gelaten. Op datzelfde moment genoot ik van de weldoende invloed van de vernieuwing van straatgoten en voetpaden voor mijn deur. Zo’n onderneming brengt putten mee, steenpuin om de garages bereikbaar te houden, vuile voeten in de gang en dito ongemakken. Om de ongelukkige postman terug te fiets te helpen, belde mijn buurman om te vragen of ik soms het telefoonnummer van de plaatselijke post kende, maar het jarenlang gekende nummer deed het niet meer. Ongevraagd deelde een stem me mee dat voor een betere hulpverlening zou doorgeschakeld worden naar een broussecentrale in Brussel. Daar werd ik overstelpt met nummers van druktoetsen en mogelijke diensten, maar er bleek zowaar geen keuzenummer voorradig voor het melden van een postbode met een platte band. Via een nummer voor vragen over beleggingen, leidde een enerverend muziekje me gelaten naar ons postkantoor. Daar beloofde men een reservefiets voor de pechpostbode met panne die twee uur nodig had om zijn ploegbaas met het rode posthoorntje te bereiken. Een verlossend autootje van taxipost bracht de oplossing. De postman die voorbestemd was om flandrien te zijn – door weer, wind en hindernissen – stond hulpeloos aan de kant.

     

    Twee dagen later viel een brief in de bus van de bewoner van het pand dat het mijne was, waarbij ik als geachte werd aangesproken. Met deze wilden ze mij vanuit Wilrijk op de hoogte brengen dat ik gedurende de resterende tijd van de straatwerken (van begin tot einde juni) hoogstpersoonlijk mijn post mocht komen afhalen (4 km verder) bij Tante Post in Aartselaar. De veiligheid van de postbode kon niet meer gegarandeerd worden en hij mocht met de fiets zijn werk niet meer doen. De flandrien in mezelf kwam boven en vier dagen later besloot ik mijn geaccidenteerd onveilig parcours te verlaten en me met de fiets ter gemeentecentrum te wagen. Ik bood me aan voor mijn postverzameling. Toen bleek dat mijn poststukken zich al in mijn brievenbus genesteld hadden. Men vertelde erbij dat dit in de toekomst nog zou gebeuren, telkens als een reservepostbode ter beschikking was. Ik vroeg of het niet slim was om af en toe eens te bellen of er post bedeeld was of dat ik zelf moest langs komen. Ik besefte meteen dat ik toch niet naar de eigen post kon bellen en voelde mij als een postbode met een leeglopende achterband die door zijn sponsor in de steek was gelaten. Mijn flandriengehalte daalde zichtbaar.

      

    Een postbodeis iemand die de laatste handelingen van de postbestellingen uitvoert , namelijk een deel van de sorteerwerkzaamheden en het daadwerkelijk afleveren van de post in de brievenbus van de geadresseerde. Onze facteur bezorgt de mensen dagelijks veel plezier met brieven en pakjes en zelfs reclamedrukwerk hoewel je dat zo niet mag noemen. Vroeger kon je hem/haar met Nieuwjaar nog een borrel en een babbel aanbieden maar de flandriens van vroeger worden tegenwoordig regelmatig verplant en slepen alsmaar méér bagage mee. De sociale rol van de postbode is er de laatste jaren sterk op achteruitgegaan. Dikwijls is hij de enige persoon die nog dagelijks langsloopt bij sommige mensen, hoewel dat lopen alsmaar sneller moet. Bureauberekeningen krijgen de voorkeur op de dagelijkse realiteit waarbij parameters als gewicht, grootte van de ronde en sociale contacten dreigen te verzuipen door liberalisatie van de sector waarbij de overheid te weinig aandacht heeft voor een goede service voor alle Belgen.

     
    Als God nu toch terug is, moet hij zeker gezien hebben dat sommige postbodes nog altijd een beetje hebben van de typische Vlaamse renner van toen die met reservebanden om de nek, met modder in het gelaat en met een gezicht dat boekdelen spreekt, de streep overzwalpt. Zo’n facteur waar je fier mag op zijn omdat hij door weer en wind de trappers van zijn breedbandige roodwitte fiets martelt om iedereen van post te voorzien. Een postbode die een stukje mee het ritme van de dag bepaalt: als de krant is geweest kan de dag starten en als hij ‘iets’ in je brievenbus heeft gedeponeerd, heb je het gevoel dat hij je nooit in de steek zal laten… Nog één foto van Stefan Vanfleteren is me bijgebleven: een jongetje staat zich met zijn vader en zijn jongere broertje van op het schepblad van een bulldozer te vergapen aan een voorbijjagend peloton, de mond wijd open van enthousiasme voor de helden van de weg. Ze zijn een beetje te vergelijken met plichtsbewuste facteurs die zich niet laten kennen door een put in de weg, een brievenbus die wat verder van de straat staat, een mens die iets wil vragen of hulp nodig heeft, zelfs al heeft hij weinig tijd.

    Dat zijn de ware flandriens van de post.

    Marcel Huysmans

    28-01-2019, 21:49 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    22-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.WIJSWEG IN DE AUTO

    WIJSWEG IN DE AUTO

    Ze staan weer te blinken met Soul Read Chrystal als modekleur. PK-motoren beloven je de hemel op aarde. Maar die hemel op aarde gaat trager vooruit dan we denken. In vele betekenissen. Onzichtbaar is de automatische filerem ingebouwd die je heerlijk laat genieten van verloren tijd en opgespaarde ergernis. Meer kilometers op minder tijd wordt een illusie en wat ooit normaal was, is nu belachelijk stilstaan geworden. De nieuwe motoren doen het klimaat ecologisch en economisch vastlopen omdat ‘de anderen’ te weinig aandacht hebben voor ‘onze’ gezondheid. En toch zie je ook files aan de kassa van de Brusselsmotorshow, het vroegere Autosalon. Daar blijven de koetswerken fonkelen nog even hard en dromen freaks amechtig van al dat innovatieve dat mensen doet kopen…

    Als de file tempo haalt, hoor je in de auto interessante gesprekken. Moeten we echt langs hier rijden? Dit zijn weggetjes waar Christus nog nooit voorbijkwam! Ik heb nergens een afsluiting gezien die afgeplakt is met gazettenpapier om het einde van de wereld aan te kondigen... Nog een geluk dat we onze GPS hebben. Of is die verkeerd? Waar zitten we nu? Waar moeten we naartoe? Zouden we dat kleine uitvindsel wel volgen of vragen we toch niet beter op de klassieke manier de weg naar Bommerskonte? Niks van dit alles ooit meegemaakt? Wie vloekte nog nooit op dat kleine onding dat iedereen wil en zo onmisbaar is. Van waar komen we? Waar gaan we naartoe?Op koers met de GPS!

    GPS (Global Positioning System) is de commerciële afkorting voor een wereldwijd satellietplaatsbepalingssysteem dat het Amerikaans leger vanaf 1967 ontwikkelde. 18 jaar geleden werd het beschikbaar voor algemeen gebruik. Sindsdien is de GPS gemeengoed. Niet alleen militair, maar ook in de landmeetkunde, de scheepvaart, het transport, de telefonie en de criminologie werd het bijna onmisbaar. Wat mensen allemaal kunnen! 24 satellieten met een eigen signaal draaien in zes banen rond de aarde. Ze roteren even rap als de aarde en hangen feitelijk stil boven hetzelfde punt op onze bol. Met vier van die satellieten bepaalt een gps zijn positie op aarde tot op ongeveer 10 m nauwkeurig. Maar het kan nog beter! 

     

    'Elk voordeel heb zijn nadeel'. Als je verkeerde gegevens invoert, is het eindresultaat ook mis, maar tunnels en hoogspanningslijnen, sterk magnetische voorwerpen, parkeergarages en hoogbouw kunnen ook roet in het gps-verhaal strooien. De verkeersproblemen bij de oude bruggen over de Rupel en het Zeekanaal leidden lang geleden (1982) tot de bouw van de Rupeltunnel. Als je met je GPS door de pijp rijdt, kunnen de satellieten je niet volgen en toch blijft het traject op je scherm, zij het dan met gewijzigde kleurtjes (blauw – grijs?). Op dat moment doet je GPS aan “dead-reckoning”, d.w.z. 'gissen' of 'positievoorspelling'. Hij vertrekt dan van het feit dat hij de lengte van de tunnel kent en ook de snelheid van het voertuig. Hij houdt zich voor de gek bij het wegvallen van de satellietontvangst en doet net of de GPS nog een tijdje dezelfde snelheid en richting aanhoudt. Kom je weer boven, dan loopt alles weer als tevoren. Er is niks slimmer dan een mens. En een GPS.

     

    Toepassingen zijn er genoeg. En ze zijn niet altijd gekend. In de landbouw rijden tractors met gps om automatisch recht te rijden tijdens het planten, schoffelen en bemesten. Abdellah Hajjab uit Boom stelde in 2011 bij de FIFA in Zürich zijn systeem van ‘bal-over-de-doellijn-of-niet’ voor. De Marokkaanse Belg plaatste een chip in de bal en via de nodige gps-software gaf die perfect aan wanneer het buitenspel was of wanneer de bal helemààl over de lijn ging. Uiteindelijk maakte men eerst in 2018 gebruik van een gelijkaardig systeem bij de eindeloze discussies over welles-nietes. Het is véél gemakkelijker is om zoiets technisch te realiseren dan de starre geesten van de voetbalbobo's te overtuigen. Soms zijn er dingen die slimmer zijn dan de mens, maar hij moet willen.

     

    En waar 'ge-menst' wordt, wordt soms en soms dikwijls 'ge-mist'. GPS creëert bij verkeersgebruikers gevaarlijke situaties en stuurt ze dan de verkeerde kant uit. Mensen volgen klakkeloos en zonder opletten de aanwijzingen van het kleine doosje. Ze voeren zelfs gevaarlijke of illegale manoeuvres uit omdat de GPS het adviseert. Als de brug van Willebroek open staat en de GPS zegt dat je moet doorrijden, rij je dan ook in het water? Maak een U-bocht moet je niet uitvoeren op een drievaksbaan... Rijdend prutsen met de GPS is levensgevaarlijk. Anderzijds verhoogt deze toepassing de veiligheid. Ooit leek de zelfsturende auto een verre droom, maar over enige tijd zoemen waarschijnlijk de eerste elektrische auto’s over de E19, gecontroleerd en gestuurd door een bos van controle-gpsjes (driemaal uitspreken). Ze zullen minder ongevallen veroorzaken dan menselijke chauffeurs, rijden energiezuiniger en kunnen zelfs blinde, verlamde of straalbezopen passagiers veilig naar huis brengen. Er bestaan ook GPS-systemen waarmee je op elk moment kunt weten waar je kind is. Ze bestaan als armbanden, uurwerken en sleutelhangers. Maar ook dan zijn we weer verplicht om zelf nog na te denken over de vraag:' zou ik mijn kind wel via zo'n systeem laten volgen?'

      

    Dikwijls zijn details belangrijk. Wie naar Berg bij Tongeren wil, kan in 'Berg' van Neeroeteren, Tessenderlo, Voeren en Kleine-Spouwen landen, maar ook in Kampenhout of Meerhout. En Aalst vind je ook in Limburg en Oost-Vlaanderen terug. In Lille (Kasterlee) wordt ieder jaar een Krawatencross (veldrijden) ingericht en één van de ingeschreven deelnemers kon niet meefietsen, want hij stond gepakt en gezakt in Frankrijk (Lille/Rijsel). Van een grensoverschrijdende vergissing gesproken.

     

    Wie weet allemaal waar ik ben, waar ik geweest ben? Het zijn allemaal vragen die met GPS te maken hebben. Het is een zegen voor wie veel onderweg is, maar soms behoorlijk irritant en neurosebevorderend. Wil jij af en toe ook op de aangegeven aankomsttijd afpingelen? Plezant en zinloos tegelijk. Blindelings volgen is niet altijd goed en eigenzinnig je eigen goesting doen maar op eigen risico is mogelijk beter. Het blijft je eigen auto. Sociaal contact vermindert, want je vraagt minder gemakkelijk de weg aan een levende mens dan gedirigeerd te worden door een bemoeizuchtige dwingende vrouwen- of mannenstem... Zo blijft de GPS toch een beetje blindvaren!

    Marcel Huysmans

     

       

    22-01-2019, 12:09 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    08-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MIJNHEER VAN AEL

    MIJNHEER VAN AEL

     

    Enkele weken geleden las ik in de krant een artikel over geschiedenisleraar Roeland Huys van de Steinerschool in Brugge. Er stond een foto bij van een getekende man met een grote grijze en wijze Socratesbaard om alle waardige wijzen uit de Griekse geschiedenis jaloers te maken. Het was een beeld van de eerbiedwaardige Hiëronymus van Stridon (347-420 na Chr.) Hij was een van vier grote kerkvaders van het Westen. Een kerkvader had meestal geen kinderen en het waren meestal bisschoppen die de edele schrijfkunst en de lerarenbekwaamheid beoefenden om daarna theologische geschriften te plegen. Zo kon iedereen er later van genieten. Hiëronymus was zo’n pater ecclesiae . Zijn naam betekende ‘met een heilige naam’ en hij was de peetvader voor al diegenen die wij Jeroen, Jerom en Jeroom zouden noemen.

    Van leerkrachten wordt redelijkerwijze verwacht dat ze de leerstof op een boeiende manier kunnen overbrengen op hun discipelen. Dat heeft deze geschiedenisleraar uit Brugge alvast goed begrepen. Om zijn leerlingen te motiveren voor zijn vak en de leerstof bevattelijk te maken, tovert hij iedere keer grote krijttekeningen op het bord. Zo probeert meester Roeland zijn leerlingen iets bij te brengen over het kerkvadersbelang voor de theologie, maar ook over de kenmerken van de barokkunst. Vooral uit klassieke werken haalt hij zijn inspiratie voor nieuwe geschiedenislessen. Twee jaar al doet hij het en telkens gaat zo’n tekening een nieuwe periode in de geschiedenis vooraf. Zijn leerlingen vinden het maar al te gaaf en cool, want het zijn stuk voor stuk pareltjes. Tijdens zijn lessen gaat het er belangstellend aan toe.

    Het doet me onmiddellijk terugdenken aan mijn onderwijzer uit het vijfde leerjaar. Meester Van Ael bleek de eeuwige jeugd te bezitten. Leon – want dat was zijn voornaam – was de meester van mijn vijfde studiejaar. Hij was creatief, sportief, attractief, humoristisch en derhalve héél populair. Hij was bovendien oud-midvoor van rood-wit Tubantia Borgerhout, een toenmalige derdeklasser uit het voetbal. Daarna speelde hij nog – tot ver boven de vijftig – in het  Katholiek Sportverbond. Hij presteerde niet alleen op het veld maar ook ernaast. Hij organiseerde een mini voetbalcompetitie op de speelplaats tussen de verschillende klassen wat ooit de oorzaak was van mijn verregaande sletigheid aan schoenen. Een nieuw paar hield het amper een paar weken uit. Nu weet ik hoe het komt dat mijn kleinkinderen zo dikwijls nieuwe schoenen nodig hebben. De leraars arbitreerden er op los en elke middag was  het feest voor de klassen die tegen elkaar het veld op wilden. Dat kon alleen als er  niet te veel plassen stonden en volgens ons stonden die er bijna nooit. De leraars dachten daar dikwijls anders over. Maar het was altijd spannend en zorgde voor veel commentaar.

    Elke maandagmorgen hingen zijn fans rond hem met altijd dezelfde vragen. Hoe is het geweest? Hoeveel goals heb je gemaakt? Zijn er plezante dingen gebeurd? Toch niet gekwetst zeker? Hij verstond ook de kunst om in de klas een sportloze competitie op het getouw te zetten. In september ging de voetbalcompetitie van start. Binnen de klas werden voetbalploegjes van een viertal leerlingen gevormd die individueel door goed werk (rekenen – vraagstukken – een opstel – quizzen – dictee) goals konden verdienen die dan na één week het resultaat tussen de verschillende wedstrijdploegen bepaalden. Daarvan werd een algemene rangschikking opgemaakt en uiteindelijk een kampioenenploeg gevierd. Na Kerstmis begonnen de zesdaagsen, waarbij de doelpunten werden vervangen door bonusronden op de piste. Na een zesdaagse die wel drie weken duurde was ook daar een eindoverwinnaar. En na Pasen reden we de Ronde van Frankrijk waarbij een dagelijks klassement en een algemene rangschikking werd opgesteld, compleet met een gele en een groene trui. Dé bollentrui bestond toen nog niet. Zo was de klas één grote indoorcompetitie met openluchtverwijzingen. Op het einde van het schooljaar kwam Meester Van Ael aangezeuld met een grote draagtas, gevuld met snoep en prijzen. Toen wisten we nog niet wat diabetes was. Die prijzen waren voor de overwinnaars én voor de verliezers, want ook dat was didactisch onderbouwd en verantwoord. De meester was onze grote Manitou.

     

    Ook mijnheer Van Ael, een degelijke rossige Vlaamse helmboswuivende kop met een uitzonderlijk talent, hanteerde toen al de acht kleurenkrijtjes om op het bord seizoenstaferelen te ‘schilderen’. In de lente waren dat frisgroene blaadjes aan de bomen naast een kabbelend beekje. Voor de herfst koos hij een hemels kleurenpalet van  afgevallen bladeren langs een fascinerende dreef. In de winter toverde hij een sneeuwlandschap en deed de letters van ‘winter’ helemaal besneeuwen dat je het er echt koud van kreeg. Voor elk seizoen kwam er een nieuwe tekening, behalve voor de zomer want dan was het grote vakantie. Met het puntje van de tong likte hij aan zijn krijtjes, want dan bleven de krijtpenselen beter ‘plakken’. Ergens ligt er nog een zwart-witfoto van zo’n herfstschilderij, maar ze zit te goed verborgen in mijn archieven. Leon Van Ael was een meester van de oude stempel. Hij kon bemeesteren en begeesteren en was dus een prima onderwijzer.

     

    Ooit had hij zijn adres verklapt.  50 jaar later stond dat nog in mijn geheugen gegrift. Ik googelde Van Ael, straat, huisnummer en Borgerhout in de computer. Zo vond ik een vijftal jaren geleden de naam en het telefoonnummer terug van mijn onderwijzer uit het vijfde studiejaar. Ik belde het nummer en ik kreeg zowaar de enige echte Leon Van Ael aan de telefoon. Hij wist nog wie ik was en tot slot van het telefoontje spraken we op een druilerige dinsdagmiddag af in Borgerhout. Het werd een onvergetelijke namiddag met herinneringen die bij beide partijen waren blijven hangen, of die enerzijds door de mazen van de geschiedenis waren weggesijpeld. We dronken samen een paar koffies en lieten 1956 weer een beetje herleven. Ook het tekenen, voetballen en de competitie, de Zesdaagse en de Ronde van Frankrijk kwamen weer tot leven. Het deed ons echt deugd en we spraken af om nog eens verder te vertellen.

      

    Helaas. Een goed jaar later las ik in de krant het overlijdensbericht van Leon. Het kon niet duidelijker zijn. Leo (!) Van Ael studeerde aan de bisschoppelijke Normaalschool in Sint-Niklaas. Uitgangsjaar 1943. °Zoersel 25/02/1924   +Boechout 11/04/2015. Een onderwijzer en innemende mens om nooit te vergeten. Hij werd 91 jaar.

    Marcel Huysmans

     

    08-01-2019, 01:40 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    01-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE FLEUR VAN ONZE SLEET

    DE FLEUR VAN ONZE SLEET

     

    Niet alleen een overjaarse diesel – al dan niet met laag emitterende gunstige euronorm – moet elk jaar gedisciplineerd voorrijden bij de autokeuring. Voor een technische controle op het reilen en zeilen van je lijf heb je dan weer een arts nodig. Soms zijn het er zelfs meer. Ze delen geen groene of rode kaarten uit, hebben eerder belangstelling voor je luchtuitlaat en hartenpomp, en ze schrijven hun voorschriften of suggesties op witte of groene briefjes. Door de jaren wordt dat menselijke partiële tekortenlijstje langer. Ook de ernstgraad neemt gradueel toe. Vanaf het ogenblik dat zoiets exponentieel gebeurt, gaan allerlei alarmpjes af en dienen bevoegde instanties opgezocht voor verdere controle. Na een kijk-, luister- en detectiekuur via echopeilingen en angstaanjagende scans wordt dan een verdict uitgesproken dat eerder lijkt op een vonnis dan op een aanmatigende nota. Als je tenminste de geleerde medische termen een beetje begrijpt. Zoiets komt aan als een patat om je oren, zodat je meteen beseft dat de situatie overernstig blijkt en Keulen niet zo ver meer is om het daar te horen donderen. 

      

    Mijnheer, we kunnen niet veel meer ingrijpen. Opereren is te riskant, bij kleine ingreepjes moeten we het niet meer zoeken. Het enige wat nog zou kunnen, is een transplantatie, maar daar ben je te oud voor… Na 65 is de operatie te riskant, de wachttijd te lang en de afstootmedicatie te belastend om nog veel succes te kennen. Het enige wat nog wél kan, is je elastiek proberen een beetje langer te maken. Voor zover dat nog mogelijk is. Ze noemen dat ook strijden met de wapens die je nog hebt, in de hoop dat de carrosserie en de vering de motor nog kunnen helpen met afdoende hulpmiddelen en kleine trucjes.

    Ik heb me onmiddellijk een paar bretellen gekocht en een nieuwe snelbinder op mijn fiets, want die verlengen mijn elastiek ook al. Of die alleen zullen helpen geloof ik nooit. In zo’n geval dien je de bestaande situatie te bekijken en alle hulpmiddelen die het leven draaglijker en langer kunnen maken op te zoeken.

     

    Het leven wordt aanpassen en creatieve oplossingen zoeken naar dingen waarmee je tijdens je vroeger parcours nooit geconfronteerd werd. Dergelijke zaken worden alsmaar talrijker en meer nodig. De oplossingen zijn omgekeerd evenredig met de moeilijkheidsgraad van de laattijdige ontdekking van het verse probleem. Je probeert eerst van traag sleffen opnieuw gezapig te wandelen met hopelijk een lichte looppas als uiterste doel. Een wandelstok, een heel of half paar krukken en desnoods een oudmodische toegevouwen paraplu kunnen de scheve situatie nog wat verbloemen. De garantie dat je geen scheve pas of scheve schaats meer zult rijden is daarmee nog niet gegeven. Vanaf dan ben je veroordeeld tot wankelwandelen. Dat is geen nieuwe Olympische discipline, maar wel het praktisch resultaat om de kritische situatie nog een beetje te redden en enigszins soepel nog een blokje om te gaan. Het lijkt in niets op een elegant walspasje uit het repertoire van André Rieu in zijn beste dagen. Ik vind zoiets hemelse muziek die ik heel mijn leven al bewonder, waar ik écht jaloers op ben en was, maar waarvan ik de afgemeten pasjes en het zwierige zwaaiwalsen nooit onder de knie heb gekregen.

     

    Je wordt er wel vindingrijker van en leert met je ogen stelen wat anderen vóór je hebben bedacht. Het begint met schoentje-vissen, leuninggrijpen en om voorwerpen op te rapen, laat je eerst je voeten de schraapbeweging uitvoeren. Je kousen aantrekken gebeurt niet met een schoentrekker, maar wel met een kousentruc.

    De weinige momenten dat ik nog eens met de fiets rijd, stap ik op met de methode Wyckmans. Die heb ik geleerd van mijn goede vriend Louis met diezelfde naam die amper boven de lange grashalmen reikt, maar toch zijn rechterbeen vlotjes over de hoge fietsbuis kan lanceren. Hij maakt daarbij gebruik van de truc met de verlaagde beenzwierhoogte. Je neemt daartoe plaats op het trottoir, legt de fiets schuin onder een precieze hoek van 43 graden en dan wordt opstappen kinderspel. Hoe Louis dan afstapt, heb ik nog niet gezien, maar ik weet wel dat hij altijd heelhuids thuis is geraakt. Ik vermoed dat hij dus dezelfde methode gebruikt, maar dan waarschijnlijk in tegenwijzerzin en voor het grootste deel omgekeerd. Ik denk zelfs dat hij een ‘Cancellara-motortje’ in zijn zadelbuis heeft gemonteerd, want zelfs het fietsen gaat bij hem nog vlot. Hoe later in de tijd de problemen zich voordoen, des te moeilijker worden de oplossingen.

      

    Op trappen lopen, een eufemistische uitdrukking voor wat ik ‘op handen en voeten de trap bestijgen’ noem, zorgt voor complexe en gecombineerde problemen als je op een eerste verdieping woont en op de tweede slaapt.  Het wordt zelfs zo erg dat je voor de keuze staat: ofwel je huis en je verleden verkopen en een nieuwe leefplek opzoeken zonder trappen, ofwel.... Dan komt ook het verhaaltje piepen van het bomen verplanten en het achteruitgaand aanpassingsvermogen. Daarom plande ik in de voorbije weken een uitgebreide trapliftprospectie om vooruit te kunnen zien voor het geval dat stijgen en dalen op spierkracht begint te falen. We zullen wel zien.

     

    Ik heb hard en snel geleefd. Mijn haar is dunner en grijzer geworden terwijl de lachrimpels op mijn gezicht blijven staan als ook het lachen elke dag een beetje moeilijker wordt. Door al die ouderdomskwalen - ik zal ze best niet allemaal opnoemen – zegden de artsen dat ik onder strikte controle moet bewegen. Vooruit dan maar. Drie ‘bewegingsdeskundigen’ ofte kinesisten volgen nu onder supervisie van een longarts en een cardioloog het uit-rekken van mijn elastiek ad majorem dei gloriam en om mijn lijfelijk heil te  bestendigen. De wereld zegt dat dat dit goed voor me is: om te beginnen drie halve dagen per week oefenen gedurende drie maanden. Met allerlei apparatuur kan ik zo van kipfilet spierballen maken door me over te leveren aan wattcontrolerende hometrainers en dwingende loopbanden. Mijn gewrichten kraken, mijn ledematen doen aan intervalverstramming en zorgen zo voor een beeld van een oudere jongere die op weg is naar de laatste rechte lijn. Ouderdom kent zo zijn gebreken, nietwaar?

    Marcel Huysmans

     

    01-01-2019, 10:30 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    26-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.EEN CADEAU IS EEN PAK VAN JE HART

    EEN CADEAU IS EEN PAK VAN JE HART

     

    De kerst- en nieuwjaarperiode is mijn minst favoriete tijd van het jaar. Er zijn zoveel dingen die je moet combineren. Er is het gebrek aan zonlicht, de verplichte gezelligheid en de weemoed die het eindejaar met zich meebrengt. Met de tijd is het ook de week geworden waarin toch weer gedacht wordt aan diegenen die er niet meer zijn en die we missen. Dat kunnen dan ouders, familie maar ook vrienden zijn. Dat gevoel verhoogt naarmate ik zelf verder in de laatste rechte lijn zit. Het is ook de tijd van heel wat nutteloze cadeaus. Vooral het kopen om te kopen snap ik niet zo goed. Daarbij komt nog de drang tot het krijgen om te krijgen. Het is niet dat ik niet van cadeaus houd, in tegendeel zelfs. Maar die liefde is toch wel bekoeld. Het idee dat iemand speciaal aan mij heeft gedacht en iets heeft gevonden – soms met heel veel moeite – en daarvoor naar de winkel is gegaan, dat vind ik geweldig. Dat zijn de mooie kleine dingen van het leven. Maar het overvloedig kopen van cadeaus omdat die nu eenmaal bij een feest horen, dat vind ik onzin. Het is een duidelijk voorbeeld van de destructieve consumptiemaatschappij, waarbij bezit belangrijker is dan gewoon zijn, goed zijn en goed contact hebben.

      

    Die contacten vormen voor mij het mooie deel van kerst. Hoewel ik een onblusbare hekel heb aan geforceerde gezelligheid, ben ik stiekem blijven houden van die donkere dagen en denk ik terug aan de warme chocolademelk met rozijnen boterhammen na de nachtmis en het samenkomen met fijne mensen. Dan wordt mensen bezoeken en ontmoeten een heel stuk intenser en oprechter. Het draait niet meer om het uitgebreide eten of de cadeaus, maar om het samenkomen en genieten van elkaar. Daar kan geen cadeau tegenop! Als mijn petekind vraagt wat ik graag voor mijn Kerstmis en Nieuwjaar zou willen hebben, dan kan ik gewoon niks meer bedenken dat aan die vereisten kan voldoen. De afgelopen jaren ben ik mij altijd beter gaan voelen naarmate ik de indruk kreeg dat ik het met minder kan doen. Gisteren stond ik voor de boekenrekken in mijn bureau. Ik ploegde door de stapels spullen die ik door de jaren heen heb gekregen en verzameld. Ongelezen boeken, cd’s, dvd’s en videobanden met het cellofaantje er nog rond. Ik heb ze nooit opengedaan en dus nooit beluisterd of bekeken. Ik neem me voor die allemaal in de ‘weg-doos’ onder te brengen en stilletjes te laten verdwijnen. Of zou ik ze toch maar weggeven als cadeau aan iemand die er ook nooit om gevraagd heeft. Ze zijn goed bedoeld, maar door mij onvoldoende geapprecieerd.

       

    We worden in deze tijd van het jaar bijna gedwongen om te gaan consumeren tegen de sterren van kerstmis op. Ik vind het zonde om iets duurs te kopen of te krijgen. Ik heb liever dat men iets van zichzelf toont of geeft. Ik pakjestijd mogen we ons kwetsbaarder opstellen. Het hoeft niks groot te zijn: een kaartje met een fijne tekst, een goeie babbel of een deugddoend bezoekje zijn ook parels van geschenken. Die blijven veel langer hangen dan een duur geschenk. Tijd vrijmaken voor iemand, en mooie momenten beleven samen. Daar gaat het uiteindelijk om. Misschien zijn we te veel de ware betekenis van cadeaus vergeten en doet de waarde van het pak vergeten dat de waarde ervan niet bepaald wordt door de prijs. Pakjes zijn waarschijnlijk wel ideaal om je wensen tastbaar te maken. Vormen de overvloedige cadeaus voor de ontvangers geen aanleiding om hun drang naar hebberigheid te cultiveren? Het cadeaupapier zorgt ervoor om de nieuwsgierigheid naar wat erin zit te versterken. De gretigheid bij het gelijktijdig openmaken van de eigen cadeautjes zorgen voor een slagveld van verscheurd papier en verhindert dat je nog kan ervaren hoe anderen nog blij kunnen zijn met hun geschenk. Verdeelde vreugd wordt dan verloren vreugd. In Zwitserland zal men zijn uiterste best doen om het cadeaupapier niet te scheuren tijdens het uitpakken om zeker niet hebberig over te komen. Bovendien toon je door je hevigheid weinig respect voor de volgehouden inpakkunst en de inspanning van de milde gever. Dikwijls is een praktisch geschenk mogelijk niet verpakt zoals je dat verwacht. Maar het komt wel goed aan.

      

    Kinderen kunnen met zoveel cadeautjes overladen worden dat ze niet meer weten waarmee ze moeten spelen. Het is soms gewoon teveel voor ze. Ze worden dan cadeautjes openscheurende machines, die seconden nadat ze het laatste geschenkje hebben. opengemaakt al om het volgende vragen. Ze weten niet eens meer wat ze allemaal gekregen hebben, laat staan dat ze het waarderen. Je kunt je dan afvragen: is een cadeautje een beloning, een belofte nakomen of wordt het een verwenning? Waar ligt de grens tussen, grof gezegd, gierig zijn en een verwend nest kweken? Ook dan en op dat niveau geldt het gezegde ‘in die Beschränkung zeigt sich der Meister’.

    Ik heb van diegenen die voor mij geschenkjes kopen door de jaren heen al zoveel gekregen en deugd gehad, dat ik vanaf vorig jaar bewust de boot heb afgehouden. Men moet mij niet meer plagen met de vraag ‘opa, waarmee kunnen we jou een plezier doen met kerst?’  Ik laat het over aan hun eigen initiatief. Ik vind dat ze mij al zoveel cadeaus gegeven hebben dat het echt niet veel meer hoeft te zijn. Mijn kinderen hebben me toen een origineel eindejaarcadeau gegeven. Ik kreeg twee opvallende wenskaarten met daarop een kip en een Kerstgeit van Oxfam onder de kerstboom. Zo heb ik rechtstreeks kwetsbare families geholpen bij het kweken van geiten en kippen. Dat zijn nuttige en originele geschenken die levens veranderen. Dan wordt geven zaliger dan krijgen. 

     

    Bij weinig mensen duurt dankbaarheid langer dan het geschenk. Grote cadeaus hoeven geen felle strikken. Vrede aan iedereen van goede wil, luidt de traditionele wens met Kerstmis. Vrede aan iedereen die met zichzelf in vrede kan leven, lijkt een grotere wens in deze wankele tijden.

    We kunnen elkaar beter een duurzame cadeau geven die niet zo tastbaar is, maar echt voelbaar en helemaal uit het hart. Zalig kerstfeest!

    Marcel Huysmans

     

    26-12-2018, 12:58 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    15-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE TROTS VAN EEN EZEL

    GEDULD IS DE TROTS VAN EEN EZEL DIE ONDER ZIJN LAST RUSTIG BLIJFT EN GEWOON VERDER STAPT

    Haastige spoed is zelden goed. In de moderne maatschappij krijg je veel dingen binnen de kortste keren aangeleverd, zoals informatie via het internet. En toch worden mensen nog ongeduldiger. Voor betere antwoorden moet je vaak een nachtje slapen of meer mensen raadplegen. De beste raadgevers zijn meestal niet snel bereikbaar. Ze hebben een hekel aan gemaild of gebeld te worden. Maar ook vóór de snelle communicatie bestond, vierde ongeduld dikwijls hoogtij. Soms moet je simpelweg wachten tot iemand zijn bedoelingen verraadt. Mensen willen, zeker als ze kwaad zijn, te snel actie ondernemen… of niks doen.

    We leven van het ene probleem naar het andere. Wat voor de ene een probleem is, is voor de andere kinderspel. Als je bij het minste onverwachte in paniek slaat, dan stokstijf steendood blijft staan, de armen omhoog steekt en denkt dat er geen oplossing is, dan eindigt de rit vrijwel onmiddellijk. Een mens heeft in zo’n geval drie dingen nodig: geduld, geen paniek en daarna moeite willen doen om iets te doen. Zo kun je tenminste zeggen dat je iets hebt gedààn. 

     

    Alle dingen zijn moeilijk voordat ze gemakkelijk worden.Je moet tegenwoordig stalen zenuwen en een onverwacht incasseringsvermogen hebben om te overleven in een wereld die over vertechniseerd is. Alles is zo vanzelfsprekend geworden en de pakjes geduld die je kunt kopen, worden zeldzamer dan de frietzakjes in de laatst verdwijnende frituren. We vinden het zo gewoon dat alles voor ons wordt gedacht en gedaan dat geduld soms ver te zoeken is. Techniek is voor heel veel mensen iets dat je vooral tegenkomt als het niet werkt, en àls het niet werkt, moet het binnen de kortste keren, en als het kan nóg vlugger, verholpen zijn. Met alle elektronische hoogstandjes qua telefoneren, zien en horen, zijn we vergeten dat die toestellen alleen maar doen waarvoor ze geprogrammeerd zijn en in hun onwetendheid geen rekening houden met het ongeduldig en verkeerd getokkel van hun bedienaars. Handleidingen kunnen helpen om veel voorkomende problemen op te lossen maar verhuizen meestal achteloos naar het rijk van de papiermand. De meesten denken dat hun brains zomaar mee geëvolueerd zijn met die vernieuwende elektronica. De schuld daarvan is de combinatie van zes letters die we nog wel kennen, maar onvoldoende kunnen gebruiken: 'geduld'. Franciscus van Sales (Salesianen) zei ooit: "de mensen moeten geduld met elkander hebben, en de dappersten zijn zij die de fouten van anderen het best weten te verdragen". Mag ik je even meenemen op de weg naar geduld, want dat is de enige manier om inzicht te verwerven.

     

    Probeer de kwaliteit van je stalen zenuwen eens uit te testen. Oefen je geduld alvast elke morgen vanaf 8 uur in de Pierstraat op weg naar de E19 of op de middenstrook van de A12 richting Antwerpen dan leer je wat een file is. Of voor wie weekendtraining verkiest: op de zijbaan Boom-Antwerpen van de A12 kan je elke zaterdag geduld zoeken en oefenen op weg naar het koopcentrum A12 in Schelle, waar oorspronkelijk enkel meubelzaken uit de grond mochten groeien. Anders dan bij vriendelijkheid, dankbaarheid of vrijgevigheid gaat het bij geduld niet om wat je doet, maar vaak juist om wat je niet moet doen. Alles draait om je inhouden als je je nog eens wilt laten gaan. Sluipwegen zoeken is dan een vrolijke ergernis die meestal nog erger is. Dan is het moeilijk om te grootmoedig te accepteren waar je moeite mee hebt en het wachten op de wereld en je medemens laat gebeuren, in plaats van overal achteraan te rennen en gebeurtenissen te forceren. Als gepensioneerde heb je een beetje geluk: je krijgt meer geduld – en tijd - naarmate je ouder wordt en eigenlijk niet veel tijd meer hebt, hoe je dat ook interpreteert!

     

    De situaties om ongeduld te oefenen zijn legio: in de file, op de trein, het wachten op een onbeantwoorde beltoon - het nummer kan uw oproep niet beantwoorden -, een wachtrij voor het toilet, een bus of tram die te laat komt... Ze brengen vooral irritatie, boosheid of nog ergere dingen. Op dat moment moet je beseffen dat je aan zelfontwikkeling van geduld kunt doen. Ben je zelf klaar om te zeggen wat je wil en wil de andere naar je luisteren? Daarop wachten en het juiste moment kiezen, dat heet geduld. Geduld hebben betekent niet bang zijn om je tijd aan iemand anders te geven. Geduld is de trots van een ezel die onder zijn last rustig blijft en gewoon verder stapt. Geduld is een beetje zoals onverzettelijke windmolens. Die wijken nooit van plaats om wind te vangen. Ze kunnen wel meehelpen door zich naar de wind te zetten.

      

    Files groeien automatisch uit het groepsgedrag van automobilisten en zijn een beetje als het gedrag van watermoleculen. Als de weg nog niet druk is, bewegen de deeltjes (automobilisten) zich vrij als watermoleculen in waterdamp. Wanneer de drukte van de weg een bepaald kritisch punt overschrijdt, gaan de bestuurders zich gedragen als moleculen in een vloeistof: de ene molecule heeft direct invloed op de naastgelegen deeltjes. En op het moment dat het nog erger wordt, veranderen de watermoleculen in ijskristallen en zit iedereen vast: file over heel de lijn. Zolang iedereen maar dezelfde snelheid aanhoudt, gebruik je optimaal de capaciteit van de weg en krijg je geen opstoppingen. Kleine verschillen in snelheid zorgen dan al voor grote problemen. Ongeduldige mensen mogen nog veel leren van schapen, vogels en bacteriën. Die hebben al lang door hoe ze files kunnen vermijden... en ze blijven bewegen. Met doodgewone talenten en buitengewoon geduld, ligt alles binnen handbereik.

     

    Als er echt iets tegengaat helpt het zelden voldoende om ‘shit’ of ‘dedjuu’ te zeggen. Blijf kalm. Wacht even om zelf te zien dat je je niet nodeloos druk maakt of je te vroeg geroepen hebt. Overschouw het slagveld en beslis dan meteen wat je moet doen om uit de rats te geraken. Dan ervaar je zelf eens wat de trots van een ezel is die onder zijn last rustig blijft en gewoon verder stapt. Onverstoorbaar, maar rechtdoor.

    Marcel Huysmans

     

     

    15-12-2018, 11:55 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    08-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VROEGER WAS ER LATER, NU ALLEEN MAAR VROEGER

    VROEGER WAS ER LATER,

    NU ALLEEN MAAR VROEGER

     

    Wij hebben vier toffe, coole en sportieve kleinkinderen. Voor alle kleinkinderen ter wereld kan alles alleen nog maar later komen. Kleinkinderen komen altijd ineens onverwacht verwacht na de veilige bescherming van de moederschoot in de wereld van de grote mensen. Mensen maken plaats voor kleine dreumesen die zich onbewust zijn van de nieuwe dingen die hen te wachten staan en die ze rapper zullen opnemen dan wij ooit hebben kunnen doen. Zij beleven grotendeels de eenentwintigste eeuw terwijl wij hiervan nog maar van een kleiner deel kunnen genieten. Vroeger waren er dingen die beter waren, maar andersom zal het zeker ook zo zijn. Voor elke nieuwe generatie betekent leven en overleven nieuwe uitdagingen opzoeken, over onbekende muurtjes en bergen klimmen, ervaringen opdoen en zichzelf wapenen tegen een wereld die sneller, gevaarlijker, ondernemender en vooral boeiender is geworden omdat de middelen die er nu zijn hen ook beter moeten vooruithelpen…

     

    Ik behoor tot de generatie van 1942 tot 1950. Als baby’tjes hebben wij een geboorte overleefd met moeders die rookten en alcohol dronken tijdens hun zwangerschap. Zij namen bij hoofdpijn of misselijkheid nog poeders Mann, van het Wit Kruis of aspirientjes. Zij genoten ten volle van vinaigrettesaus, mayonaise en desserten die niet getest waren door Test-Aankoop op suikerziekte en cholesterol. Na onze geboorte werden wij nog op onze buik gelegd in gespijlde kinderbedjes die een mooie laklaag hadden in blinkende loodverf, waarvan de samenstelling niet op de pot stond. Op de deuren waren geen kindersloten en aan de trap stonden nog geen Ikea-hekjes, maar zelfgefantaseerde poortjes die minstens drie generaties konden trotseren. Als we met de fiets reden, hadden wij basketbalpetten op en geen geventileerde fietshelmen. Toen we voor de eerste keer in de open bak van een camionette mochten meerijden, zwaaiden we breeduit naar jan en alleman. Nu zou dat stante pede een peevee opleveren en veel minder leute. Wij aten nog taartjes, wit brood, echte boter, spekvet en eieren met spek dat we zelf in de pan dropten in plaats van het fijngesneden op te vissen uit geblisterde pakjes van het grootwarenhuis. Wij dronken warme chocolade met echte suiker en hadden geen last van obesitas. We waren zo ook gelukkig.

      

    We speelden niet-vervelende spelletjes. De straat was onze speeltuin en we kregen aangepaste kledij mee die écht smerig mocht terugkomen. We knutselden uren aan zelfgemaakte zeepkisten en riskeerden op hellingen ons leven zonder eraan te denken dat wij geen remmen hadden. Na enkele onzachte landingen, soms tussen de netels, leerden we ervaringsgewijs wat écht gevaarlijk was. Wij kenden geen PS4’s, Nintendo’s, iPod’s of andere boxen met gecodeerde namen. Videogames bezaten we niet, we hadden geen 150 tv-kanalen, konden geen videofilms of DVD’s bekijken en hoogst uitzonderlijk hadden we een stereo-installatie. Computers bestonden nog niet en ook e-mail moest nog uitgevonden worden. We hadden wel veel vrienden en speelden vooral buiten. Wij mochten nog uit bomen vallen, braken af en toe een arm of been, speelden een tand kwijt of vielen een gat in onze kop. We gingen appels, peren of pruimen pikken en riskeerden daarvoor nooit gerechtelijke vervolgingen. Hoogstens een achtervolging met een of ander boerengereedschap viel ons ten deel. Als we gepakt werden, kregen we een pak slaag en thuis hielden we wijselijk onze mond. Zo bleven we er deugd aan beleven.

     

    We gingen bij vrienden en kennissen achterom binnen zonder de bel te passeren en soms hoefden we zelfs nog niet te kloppen. Op de meeste plaatsen waren we welkom en als we ergens mee aan tafel schoven, moesten we eerst naar huis terug om te verwittigen, want een gsm bestond nog niet. We haalden geen geld uit de muur en verstopten nog echte gegleufde spaarpotten als schatten voor geldstukken én briefjes. We spaarden elke week op school, hadden niet voor alles batterijen nodig en waren de koning te rijk als we valkuilen en boomhutten konden maken. Voetbal werd nog overdag gespeeld en tijdens de Ronde van Frankrijk zochten we in de sportbladzijden van “Het Volk” naar Thomas Pips en Buth die een muis verstopten in hun tekeningen en zo relaas gaven van de rit van de dag. We crosten in zeepkisten en vielen ’s avonds doodvermoeid maar gelukkig met een boek onder de dekens in slaap. Toen was geluk nog heel gewoon en zo hebben we alles overleefd.

     

    Toch hebben deze generaties die geboren zijn tussen ‘50 en ’80 een aantal van de beste risiconemers, denkers en uitvinders van alle tijden en van heel de wereld voortgebracht. Wij hadden de vrijheid om te proberen, hadden ook schrik om te falen maar mochten ook van het succes en de verantwoordelijkheid proeven. We leerden met al die nieuwe dingen om te gaan. Voor niks krijg je niks. Wij hadden nog het geluk om dat allemaal te beleven en groot te worden voordat de advocaten en politici alles kwamen regelen en reglementeren. Misschien is het plezant om deze boodschap van eigenbeleefde deugd en vreugd aan je kleinkinderen voort te vertellen zodat ze kunnen beseffen hoe braaf en gelukkig hun grootouders waren.

    Maar dan mag je er ook bij vertellen dat de gezondheidszorg nu veel beter is met betere medicijnen, betere onderzoeksmethodes en betere hulpmiddelen. Vroeger duurde een werkweek 6 dagen lang en moesten de kinderen overdag langer naar school. De verse groenten waren toen wel gezonder en minder of helemaal niet bespoten. En zo kun je nog minutenlang doorgaan…

      

    We zijn nu vier keer oma en opa. We worden oud. Terugkijken kun je alleen in het verleden en dat is alleen maar vroeger. Het gebeurt iedere keer met weemoed en misschien is dat een beetje verontrustend. Anderzijds: “wie zijn geschiedenis vergeet, is gedoemd om het over te doen!” Vooral het beste hebben we overgehouden en niet alles was vlekkeloos. Nu is het te droog, te nat, te warm of te koud en vroeger was het… 

    Gelukkig is er meer vroeger dan nu, dus dat het af en toe eens fout gaat, is pas sinds kort. Al ben ik toch blij dat mijn kleinkinderen sportkampioenen in spe zijn en dat ze gezond en levendig zijn op weg om fijne mensen te worden. Er is dus vooral hoop!

    Marcel Huysmans

     

     

     

    08-12-2018, 10:23 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    28-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.OOK SINTERKLAAS BEHOEFT AANPASSINGEN

    OOK SINTERKLAAS BEHOEFT AANPASSINGEN

    Door de jaren paste ik voortdurend mijn woordenschat aan. De jeugd van vandaag, of beter 'mijn jeugd van vandaag' zorgt daarvoor. Ieder jaar, naarmate de sterfdatum van de goedheilige man uit Turkije nadert, dien ik nieuwe terminologie in te voeren voor mijn kleinkinderen bij hun geloofsgroei in Sinterklaas. Vandaag bestaan er al schoenzetkalenders omdat je niet elke dag je schoentje mag zetten. Samenstellingen met kei, mega en cool hebben wij nooit op school geleerd. Wij gebruikten 'super' en 'fak', maar dat laatste is helemaal verdwenen. Het betekende dat iets nog straffer was als tof, en dat was al bijzonder. De huidige supervoorvoegsels ben ik al gewoon. Misschien zijn jongeren van vandaag gevoeliger voor overdrijvingen dan wij in onze tijd toen er ook al een jeugd van vandaag was. Helaas: van die vier kleinkinderen is nu ook de jongste bezig om zijn geloof in de Sint te verliezen.

    Sinterklaas Kapoentje staat nog altijd op nummer 1 in de songlijst. Dat kapoentje heeft niets te maken met het stripmagazine van Het Volk dat vanaf 1947 tot midden jaren 80 wekelijks bij de krant verscheen. We leerden er de avonturen van Piet Fluwijn en Bolleke kennen met later de Lustige Kapoentjes. Dat Sinterklaas één van die kapoentjes was, heb ik nooit geweten. Dat een kapoen een gecastreerde haan is, wist ik wel omdat die haan malser is dan een soortgenoot die nog over al zijn fysische vermogens beschikt en dat is niet toepasbaar op Sinterklaas. Kapoen was eeuwenlang een scheldwoord of spotnaam voor 'vreemde gast', 'schurk' of 'bandiet'. Die betekenis verdween ook. In Vlaanderen worden kapoen en de verkleinvorm kapoentje tegenwoordig vooral gebruikt als liefkozende aanduiding voor kinderen, in de betekenis van 'deugnietje'. Dat ook Sinterklaas liefkozend 'kapoentje' wordt genoemd, is dus mogelijk. Maar we zeggen 'Sinterklaas Kapoentje' omdat volgens de gewijde geschiedenis van 6 december het geweldig goed rijmt op 'schoentje'. Laat dat schoentje nu juist het juiste weg-en-weer communicatiemiddel zijn voor boodschappen en cadeautjesuitwisseling tussen elke Sinterklaasgelovige en de heilige man himself. In het kader van de digitalisering, de vooruitgang en het bewust ontwijken van GASboetes probeert men al enkele jaren de klassieke boodschappen via mail te verzenden om wild geraas bij maneschijn te vermijden.

    De kleding van Sinterklaas is niet helemaal in overeenstemming met de dresscode van de katholieke bisschoppen. Die dragen nooit een rode bisschopsmantel. De Sint wel. Omdat dit staat voor liefde en liefdadigheid wordt voor hem een uitzondering gemaakt. Trouwens voor zijn rode mijter gebeurt hetzelfde. Sinds de 12de eeuw dragen de paus en de bisschoppen een mijter, maar die zijn wit, ecru, geel of groen. Op de bisschopsmijter staat meestal een omgekeerde T. Bij de Sint staat er een kruis op. Zijn gekrulde staf lijkt op de staf die de herders vroeger hadden. Met die krul konden die gemakkelijk een schaap pakken. Zoals de herder voor zijn schapen zorgt, zo zorgt de bisschop voor de mensen en Sinterklaas voor de kinderen. De Sint gebruikt zijn staf niet om kinderen te vangen. Dat is alleen symbolisch. De bisschoppen dragen hun zegelring aan de rechterhand maar Sinterklaas aan de linkerhand. Zo kan hij de kindjes makkelijker een hand geven. Hij draagt meestal witte handschoenen en soms paarse. Bisschoppen dragen die nooit, alleen de Sint mag dat.

    Rond al die kleuren is ook heel wat te doen. Tegenwoordig heeft Zwarte Piet de gele boter gegeten. Hij heeft geen boter op het hoofd maar het roet in zijn gezicht is ook al een reden om de superhelper als uiting van racisme te zien. Zowel zijn huidskleur als zijn 'sociale positie' zijn de dooddoeners van een rijke kindertraditie. Ach ja, hij heeft natuurlijk een kapsel van zwarte krullen en rood geverfde lippen om zijn ernst te accentueren. Hij klimt door de schoorstenen van de huizen als de mensen slapen. De laatste maanden maken verschillende chemische bedrijven studies om het schoorsteenroet wit te maken, hoewel dat heel moeilijk is want de eigenlijke naam van het goedje is 'carbon black', zo zwart als roet. Trouwens wil ik jullie nog een geheim verklappen: als de Sint en Piet op een nacht alleen maar huizen bezoeken zonder schoorsteen dan is Zwarte Piet wit en gaan ze binnen via de voordeur. Dat geeft wél aanleiding tot geschiedenisvervalsing. Mijn kleinzoon vond het trouwens altijd eigenaardig dat Piets kraagje ondanks alle schoorstenen altijd kraakwitter bleef dan wit. Piet wordt nog altijd op daken gesignaleerd terwijl hij aan de schoorsteen luistert of de kinderen braaf zijn. Strooien en gooien is zijn specialiteit, het dikke Sinterklaasboek of de staf dragen zijn lot en jongleren, op zijn handen lopen of op een éénwieler fietsen vormen zijn ontspanning. Anno 2018 heeft elke Piet zijn plek en taak in de logistiek. Er zijn algemene Inkooppieten, Inpakpieten, Spiekpietjes en Transportpieten. Die moeten allemaal luisteren naar de Hoofdpiet, de Huispiet en de Paardenpiet. De Wegwijspiet gebruikt sinds de vorige tournee een GPS mét Waze als voorbereiding op zijn pensionering. Zwarte Piet is zwarte piet en zo hoort het te blijven. Al wie anders zegt, is zelf een racist...

      

    Voor wie in al het gekibbel van de laatste maanden zijn heilige houvast verloren heeft, wil ik nog enkele Sinterklaasdogma's op een rijtje zetten. Op zijn stoomboot voelt hij zich thuis als redder van zeelieden in nood en beschermer van scholieren, huwbare jeugd, kooplieden, reizigers en zeelieden. Hij woont in Spanje omdat daar vroeger veel luxe artikelen en lekkers vandaan kwamen. Zijn schimmel leende hij van Wodan, de Germaanse god. Schoorsteenroet is bij voorkeur zwart en komt voor in de verbinding tussen de mensen en de 'bovenwereld' waar bij de Germanen geesten en goden wonen. Marsepein is amandelbrood met Indische rietsuiker en was in de middeleeuwen een geneesmiddel. Chocoladeletters werden toen ook gebruikt in de kloosterscholen om kinderen te leren schrijven. Zodra ze een letter goed konden schrijven, mochten ze de bijhorende letter opeten.

     

    Nog een goede raad van Sinterklaas zelf: één van de weinige manieren om te laten zien dat je meedoet met de 'jeugd van vandaag' is het feit dat je geloof in Sinterklaas, ondanks alle hindernissen van de tijd, intact gebleven is.

    Het weze zo, bij het donkerzwarte roet van Zwarte Piet!

    Marcel Huysmans

    28-11-2018, 18:28 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    20-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DUIVEN VLIEGEN RUSTIGER DAN DUIVENMELKERS

    DUIVEN VLIEGEN RUSTIGER DAN DUIVENMELKERS

     

    De duif is het symbool voor de Heilige Geest. In onze 'gewijde geschiedenis' is de duif ook het symbool voor vrede, onschuld en reinheid. Dat laatste moet je niet aan een echte duivenmelker vertellen, want die brengt zijn sportleven voor een groot deel door met het opkuisen van de 'properiteit' op zijn duivenkot. Hij heeft er alle belang bij dat zijn duiven in topvorm zijn. De duif met een olijftakje in de snavel is een erg bekend rustig symbool voor vrede. Ze is overgeleverd uit het verhaal van de Ark van Noë. Ze ging effe kijken en testen of het land al droog was na de zondvloed. Als de duif wegbleef, konden ze vertrekken uit hun woonschip. Als ze terugkwam, was er iets niet pluis.  

     

    Ergens in een bijna vergeten boek vond ik een gedicht van Scheldedichter Bert Peleman, dat ik ten behoeve van mijn schoonvader, schoner heb gemaakt door ter zijner ere 'vader' te vervangen door 'schoonvader'. Het ging als volgt: 'Mijn (schoon)vader had geen duiventoren, geen park, geen vijver, noch kasteel, maar waar hij hun gekir kon horen, werd hem een hok tot lustprieel... Hoe vaak zag ik mijn (schoonvader) zitten omgeven door een duivenkrans: de ‘blauw geschelpten’ of de ‘witten’, steeds waagde vader weer zijn kans! Glimlachend viel hij in de prijzen: Quiévrain, Noyon, Breteuil, Arras. Het hele dorp ging trots verwijzen naar vaders 'wonder-duivenras'! Mijn (schoon)vader had geen duiventoren, maar won alweer een eerste prijs: zijn duiven raapten "gulden sporen" zelfs vanuit Rome en Parijs!

      

    Jef was het schoolvoorbeeld van een duivenmelker. Mijn vrouw, mijn kinderen (zijn kleinkinderen) werden van jongsaf in de geheimen van de duivenmelkerij ingewerkt. Ze leerden wat een duivenkot was, ze maakten kennis met de duivenstr...(piep) die men in volkse termen ook uitwerpselen noemt, hoewel werpen van een partieel defect getuigde. Duiven kweken gemakkelijk, goede duiven iets moeilijker: ze reproduceren zich snel, leggen eieren en zijn ook lekker op het bord. Ze fabriceren straf mest dat best verdund wordt gebruikt. Per jaar kunnen twee duiven gemakkelijk 25 kg graan verorberen. Duivensport is eigenlijk racen met duiven in wed(strijd)vluchten. Wie de afstand tussen losplaats en duivenhok met de hoogste gemiddelde snelheid aflegt, is de winnaar. En daar zitten geheimen achter. Met een een ‘constateur’ in het duivenhok werd de juiste vluchttijd van aangegeven. Er wordt in feite nagegaan hoeveel meter per minuut de duif vliegt. Duivenmelkers zeggen: 'mijn duif doet 1230 meters.'

     

    Van mijn schoonvader leerde ik eenvoudige dingen over de duivensport, haar beoefenaars en hun technieken. In mijn jonge leven dacht ik dat het duiven melken met handschoenen één der moeilijkste dingen uit de dierenwereld was. Tot ik schoonvader Jef leerde kennen. Ik leerde dat duivenmelk in de krop van de duiven wordt geproduceerd nadat de jongen uit het ei zijn gekomen. Dat is het voedsel voor de duivenjongen gedurende de eerste dagen. Ook bij flamingo's gebeurt dat zo en daardoor zijn duiven minder afhankelijk van het broedseizoen qua eten. Zowel de vrouwtjes als mannetjes geven duivenmelk. Duiven leggen normaal twee eieren en hebben dus twee jongen. Als één van de twee eieren niet uitkomt, heeft het jong dubbel zoveel en groeit het eens zo snel. Iemand die duiven houdt, is officieel een duivenmelker, maar dat heeft niks met duivenmelk te maken. Melken is hier alleen maar een nabootsing van het begrip geitenmelker, iemand die dieren kweekt om van de opbrengst te leven. Duiven moet je dus nooit zelf melken, handschoenen helpen daarbij helemaal niet en voor het voeden van hun jongen met duivenmelk zorgen de beestjes zelf.

     

    De kinderen mochten vanaf de 'jaren van duivenverstand' met een plamuurmes het hok van duivenpoep bevrijden. Ook dat was een onderdeel van de duivensport, waarmee je van onderaf moest beginnen. Ooit werd een burenruzie voor de 'juge' beslecht omdat de buurvrouw 'als de duiven moesten vallen' met wapperend gazettenpapier de weg naar het juiste hok versperde. Vader Jef droeg heel zijn duivenleven een ouderwetse blauwe stofjas met brede zakken en een om de zoveel jaar ververste strooien hoed. Dat eerste was om de duiven niet te laten schrikken, want door een rode en dan weer een gele jas werden ze onrustig. En in die zakken zat beloningsduivenvoer. De hoed was de ideale landingsbaan om hem het hoogste duivengevoel te laten ervaren. In de duivenbijbel staat in vet: 'een duif heeft regelmaat en orde nodig'. Als je wegwegweg zou roepen dan zouden de beestjes óók nog komen. Maar als je komkomkom roept, is het toch beter en nog beter is kopkopkop, want dat gaat sneller. Het belangrijkste is dat je altijd hetzelfde roept.

     

    Naast het voeden van de duiven en de kotschoonmaak werden de prijsbeesten geregeld in de hand genomen en aan een soort conditietest onderworpen. De duif werd vol in de handpalm gevat met de pootjes tussen de vingers en het kopje naar het baasje. Dan volgden controles zoals de vleugels spreiden of alle pennen wel aanwezig waren en in welke toestand, het borstbeen aftasten of er niet te veel of te weinig vlees op het lijfje zat en de ogen controleren op de blik. Vooral de kleurnuance van de proppen (neusdoppen) vertelde veel over de fitheid van de ‘duifkes’. Bij een gezonde duif zijn die volgens de kenners krijtwit...

      

    Voor de dagelijkse training werden ze uitgelaten en weer gelokt met een ritmische fluitroffel en roepen, meestal begeleid door het rammelen met een busje met duivenvoer: allemaal om gewenning en een Pavlov-reflex aan te kweken... Dat was ook een training voor het baasje, want die leerde vooral wachten. Duivenmelkers en vissers hebben enige verwantschap. Ze moeten geduld hebben en leren ondertussen wat overdrijven is. Vissers vangen veel te grote vissen, duivenmelkers overdrijven nog meer en drinken altijd maar twee pintjes bier in het duivenlokaal. Ze tappen verhalen die doen twijfelen. Hun winsten, eigenlijk gokwinsten, behoren tot de best bewaarde geheimen van West-Europa. Eén keer hingen er, na een vruchtbaar duivenjaar, voor elk kind envelopjes met briefjesgeld in de kerstboom, maar dat experiment heeft zich nooit herhaald.

    Oh ja, de duivenbond van Aartselaar heeft in 2013 in overleg met de pastoor beslist de door hen sinds 35 jaar ingerichte duivenwijding niet meer te organiseren. Met pijn in het hart!

    Marcel Huysmans.

     

     

    20-11-2018, 09:53 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    10-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HEFTIGE TRUCS MET APPELEN EN CITROENEN

    HEFTIGE TRUCS MET APPELEN EN CITROENEN

     

    Hokus, pokus, pas. Vanaf de zestiende eeuw zijn al pseudo-Latijnse spreuken bekend. Ze werden bijvoorbeeld door goochelaars gebruikt om de aandacht af te leiden of gewoon om indruk te maken op hun gemakkelijk te beïnvloeden publiek. Ze worden gebruikt om iets te verdoezelen dat in feite niet mogelijk is. Appelen met citroenen vergelijken, ze optellen of er andere wiskundige bewerkingen mee uitvoeren, is er ook zo eentje. Wat is de som van 7 appelen en 5 citroenen? Is dat 12? Heb je dan appelen of heb je citroenen? Of is de uitkomst 12 bananen of tomaten? In dat geval heb je niets, tenzij een grote vergissing gemaakt. Het blijft even onovertroffen, onmogelijk zinloos en toch doen we het nog altijd binnen het onderwijs waar ze eigenlijk zouden mogen weten hoe en wat er kan. Bijna is het nog een oud zeer en dus krijgen we ‘rari nantes in gurgite vasto”. Dat is wel écht Latijn en geen hokus pokus. Hier en daar verschijnt nu toch een zwemmer in de onmetelijke zee die de zinloosheid van dergelijke kunstentoeren inziet. Zoals de leraar uit het technisch onderwijs die onlangs een systeem bedacht om alle opdrachten te beoordelen en belonen met groene bollen. Die groene bollen zijn als visdobbers die onderduiken en laten zien dat je (het) beet hebt en verder kunt. En die bollen tel je niet op, maar neem je mee! Vijftig jaar geleden was ik zo één van die eenzame zwemmers in de grote onderwijszee. Wijsheden en ervaringen van 40 jaar geleden hebben hun wijsheid meestal nog niet verloren. Ervaring is nu eenmaal die geweldige eigenschap die je in staat stelt een fout te herkennen wanneer je ze opnieuw maakt…

       

    Punten van dezelfde soort kun je optellen. Punten van wiskunde en Nederlands niet, en toch doen ze het. Muziek, plastische opvoeding en LO worden stiefmoederlijk behandeld als onbelangrijke beoordelingsinstrumenten in het deliberatieconcert. Spijtig, maar mag je niet ervaren dat er vakken zijn waarin je uitblinkt? Competentie is niet altijd in punten te quoteren. Wat moet ik kunnen en kennen? Wordt kunnen wel genoeg gewaardeerd tegenover kennen? Is het deel onder de bovenste tien centimeter van de hersenpan niet even belangrijk dan de bovenbuur? Een voorbeeld maakt dit duidelijk.

     

    Destijds leerde ik mijn leerlingen hoe ze elektrische huisschakelingen konden ontwerpen en realiseren. De kennisevaluatie ervan gebeurde aan de hand van 10 schakelingen. Ik eiste dat ze 7 van de schakelingen schematisch correct op papier zouden krijgen. Ik had hen niet geleerd hoe ze “van buiten” schakelingen op papier konden laten belanden, maar ze moesten hun resultaat in gedachten ook testen. Een schakelaar omzetten diende ervoor te zorgen dat de lamp door de stroomweg te volgen aanfloepte. Of van licht naar donker omschakelde. En zo wisten ze ook waarom ze de juiste oplossing hadden getekend. 

    Eén van mijn oud-leerlingen, nu een zeer gewaardeerde wijze schooldirecteur, had er zes van de tien juist. Hij reclameerde: ‘maar mijnheer toch, ik heb toch zes op tien en dat is juist over de helft, maar wel er over en dus genoeg.’ Ik zei hem: ‘stel je voor dat je een elektricien in huis krijgt die zes van je tien schakelingen correct aansluit. De vier anderen zijn enkel goed voor de verlichting van een donkere kamer. Ben je dan tevreden?’ Zijn ‘neen’ was veel overtuigender dan zijn verontwaardiging vooraf. Het bovenste deel van zijn hersenpan snapte het meteen en dan hadden verdere vragen geen zin meer. Ik word trouwens ook liever geopereerd door een chirurg die alle competenties beheerst, dan door een chirurg die 50 procent haalde.

      

    Belangrijk is vooraf aan leerlingen te vertellen wat ze moeten kennen en kunnen. Dat kan alleen als je vooraf einddoelen vooropstelt en die ook controleert. Eindtermen noemt men zoiets en als je die bereikt hebt kun je zeggen: dat is oké. Op naar de volgende. Dan wordt differentiëren gemakkelijker en weet de leerling waar zijn tekorten zitten en wat hij naast kent ook kan. En of je dat beloont met groene of andersgekleurde bollen, met letters of andere geestige dingen speelt helemaal geen rol. Het beeld van een leerling wordt zo preciezer en je kunt gefundeerder vertellen of iemand bekwaam is om over te stappen naar een volgend studiejaar. Geen hokus pokus meer. Weten en kunnen zouden in het onderwijs in balans moeten zijn. Maar dat evenwicht is meer en meer zoek. Om jonge mensen klaar te maken voor de wereld waarin ze zullen landen… Niet alleen die van de kerktoren, de sociale wereld, thuis en de werkvloer.

     

    Puntentekort voor wiskunde kon je meestal wegwerken door knappe punten voor Nederlands en Aardrijkskunde. Het was de ideale camouflage voor je totaal en bovendien kon je zo een ‘partieel defect’ wegmoffelen. Je moest er zelfs niet over praten. Ze werden bedekt met de mantel der liefde en lieten het schoolleven lijken op een zonnebloemenmaatschappij met enkel ‘goede punten’. Zonnebloemen komen piepen als de zon schijnt en ze groeien vlot hoger. Op die manier deed je niemand pijn, kon je met een fris resultaat naar buiten komen en was je eigenlijk op weg om jezelf en je omgeving te bedriegen. Enthousiaste moeders en vaders konden meestal uitpakken met ‘mijn dochter heeft 82%, en die van jou?’ Daar stond ik dan:  niet in het bezit van vergelijkbare percentages, waarbij de scholen dikwijls ook nog varieerden in puntengulheid en al dan niet strooiden met zand in de vorm van klasgemiddelden. Klasgemiddelden geven eerder een beeld van de boom dan over de vruchten die er aan hangen. Ze zijn de zoetstof om leerlingen te vergelijken en ouders te laten triomferen.

     

    Een mens is nog altijd gebeten om te weten en daarom wil hij altijd meten. Voor alles en in alle omstandigheden. Je kunt niet alles optellen, hoewel optellen een van de basisoperaties uit de rekenkunde is. Optellen is oorspronkelijk het bepalen van het totale aantal dat ontstaat bij samenvoeging van twee of meer afzonderlijke aantallen. Werkdruk, zwaarte van beroepen en geluk of verdriet kun je niet optellen en dat proberen we meestal niet. Maar appelen en citroenen optellen proberen we in het onderwijs nog alle dagen op te tellen zoals punten van wiskunde en Nederlands. Da’s werk voor de toekomst, maar nog niet voor morgen. Daar zijn we onvoldoende fijngevoelig voor en heeft het fruit nog te veel ongekende geheimen.

    Marcel Huysmans

    10-11-2018, 12:27 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    26-10-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MIJN GOEDE VRIENDEN JAN

    MIJN GOEDE VRIENDEN JAN

    Op 24 augustus 1999 overleed een zeer goede vriend van me op 46-jarige leeftijd. We hadden een vijftal jaren samengewerkt. Jan was een begenadigd architect en een goed mens. Twee jaar daarvoor stelden de dokters een vrij agressieve kanker bij hem vast die hem uiteindelijk ook fataal werd. We hebben veel gepraat over zijn ziekte, zijn gevoelens, zijn hoop en betrachtingen alsof de tijd stil stond. Hij had zijn lijdensweg tot het einde duidelijk aangevoeld, heel waardig en bewust gedragen en vooral alles met een onvergetelijke stiptheid voorbereid, doordacht en dan de nodige instructies gegeven. Elke tekst voor zijn afscheidsviering en zelfs voor de koffie erna had hij bewust gekozen of opgesteld. Zo kreeg ik de vraag om in die viering een tekst voor te lezen. Toen ik die voor het eerst las, zag ik meteen dat hij helemaal achter die boodschap stond en ik voelde me vereerd om zijn boodschap te mogen voorlezen. Af en toe kom ik die tekst op een A4-blad nog wel eens tegen en dan lees ik hem opnieuw. De titel is eigenlijk "desiderata", een inspirerend prozagedicht uit 1927 van de Canadees Max Ehrman. Het inspireerde al miljoenen mensen en doet dat nog altijd. Het is geen typisch christelijke tekst, is wél waardevol en werkt in ieder geval aanstekelijk.

     

     Kies kalm je weg te midden van het lawaai en de haast, en herinner je hoeveel vrede er in stilte kan zijn. Zorg ervoor dat je op goede voet staat met iedereen, zonder jezelf geweld aan te doen. Vertel rustig en duidelijk de waarheid en luister naar anderen; ook zij vertellen hun verhaal aan hen die onwetend zijn, ook zij hebben hun verhaal. Mijd hardroepers en agressieve mensen want zij belasten je geest te veel. Als je jezelf met anderen vergelijkt, zit de kans er in dat je een te hoge dunk krijgt van jezelf en verbitterd wordt. Er zullen altijd grotere en kleinere mensen zijn dan jijzelf. Geniet zowel van wat je hebt bereikt als van je plannen. Blijf belangstelling houden voor je eigen werk, hoe eenvoudig ook, want in deze risicovolle tijd is ook dat een belangrijk bezit.

    Wees voorzichtig bij het zaken doen, want de wereld zit vol bedrog. Laat dit je zeker niet verblinden voor iets dat werkelijk goed is: veel mensen streven hoge idealen na en heldendom is toch zo verleidelijk. Wees vooral jezelf en veins vooral geen warm, liefdevol gevoel, maar wees ook niet cynisch over de liefde, want bij alle dorheid en ontevredenheid is zij eeuwig als het gras. Aanvaard graag de wijsheid der jaren en blijf niet te lang stilstaan bij de dingen die voorbij zijn. Kweek een mentale weerbaarheid die je bij plotselinge tegenslag kan beschermen, maar maak jezelf niet bang met spookbeelden. Veel angsten komen voort uit vermoeidheid en eenzaamheid.

    Houd je aan een gezonde discipline maar wees lief voor jezelf. Je bent een deel van de schepping en je hebt het recht er te zijn. En of je het begrijpt of niet, de wereld heeft zijn wetmatigheden en zo is het goed. Heb daarom vrede met God, welk beeld van Hem dat je ook hebt. En wat ook je werk en aspiraties mogen zijn, zorg er toch voor dat je in de drukke maalstroom en lawaaierige warboel van het leven de vrede in jezelf bewaart. Ondanks haar veinzerij, klatergoud, gezwoeg en teleurstellingen is de wereld toch mooi.

    Wees zorgzaam. Zorg er dus voor dat je gelukkig wordt.

    In de Levenstuinen van het Groot Hontschoten nabij Apeldoorn (Nederland) is een Nederlandse vertaling van de tekst opgenomen in twee grote lijsten in de muur bij het waterbassin van de 'tuin van de bevruchting'. De tekst is als een wekker die 's morgens afloopt: wees op-gewekt! Als je probeert gelukkig te zijn, heb je vlugger resultaat dan wanneer je probeert gelukkig te worden. Wie op zoek is naar geluk als een permanente en langdurige toestand, is blind voor de kleine flitsjes en flintertjes van dun geluk die je onderweg zomaar ten deel vallen. Deze tekst doet me telkens weer denken aan een goed mens en een goede vriend. Ik ervaar nog altijd mijn laatste bezoeken bij hem thuis als opbeurend, troostgevend en opwekkend. Langs beide kanten. Zo zie je maar dat geluk besmettelijk is: wie opgewekt is, wekt op.

     

    Een andere goede vriend van me – die heette ook Jan - stierf op 25 januari in 1973. Hij was hartpatiënt maar vooral een mens met een heel groot hart voor jonge mensen. Zijn boodschap luidde: “een goed mens worden begint met iets goeds te doen. Eens daarmee bezig: het niet moe worden. Volhouden. Blijven geloven dat het echt goed wordt, niet alleen voor jezelf maar ook voor alle mensen. Weet je, dan ben je op de weg van die onvergetelijke Jezus.” Zo leefde hij zelf ook. Onvermoeibaar. Diep gegrepen door die boodschap die hij vertaalde en voorleefde voor mensen van het nu. Aandacht voor de mens, het eenvoudige, het kleine, het goede en met een haalbare stap. Dat waren zoveel uitingen van zijn rotsvast geloof in zijn levensopdracht.

    Zijn aanwezigheid op een vergadering of bij elk contact, straalde van enthousiasme en ideeën. Hij kende de kunst om iemand voort te stuwen en zijn lach, zijn humor en zijn doorzettingskracht trof iedereen. Hij stopte nooit met schrijven en werken. We zagen weinig van zijn vermoeidheid want telkens als we samen waren, boeide hij ons door zijn jongensachtige en dynamische manier van doen.

    Toen heb ik besloten om de lijn en de zin van zijn leven verder door te trekken: mensen op weg helpen naar geluk. Daar word je trouwens zelf ook gelukkiger van. Enkele maanden voor hij plots ophield met leven op het treinperron van het Zwitserse Brig, hadden we hem gevraagd om ons te trouwen in de zomer van dat jaar. Zover is het dus niet gekomen. Maar we hebben wel onze zoon naar hem Jan genoemd.

     

    Broze mensen kunnen sterke mensen zijn. In hun broosheid zijn ze toch sterk. Ze laten hun stempel na als spoor naar wat zij goed vonden. Die sporen zijn onuitwisbaar maar wel navolgbaar.

    Marcel Huysmans

    26-10-2018, 11:53 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    07-10-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE BESTE STUURLUI STAAN NIET AAN DE WAL

    DE BESTE STUURLUI STAAN NIET AAN DE WAL

    Er zijn mensen die zeggen, overtuigd van hun gelijk:”aan de verkiezingen doe ik niet mee. ’t zijn allemaal prutsers en zakkenvullers die uiteindelijk toch niets realiseren, tenzij het verkeerde. In het buitenland is het veel beter, maar hier is het een zootje ongeregeld”. Daar kan ik niet tegen. Ze vergeten dat ze niet op een buitenlandse boot dobberen en dat ze van op de wal, ook al zijn ze de beste stuurlui, zelfs en zelf onmogelijk kunnen sturen. Het zijn diezelfden die luid roepen dat het allemaal en vooral verkeerd loopt. Nog een geluk dat er zoiets als een kiesplicht bestaat. Alle Belgen van minstens 18 jaar oud die “genieten van hun burger- en politieke rechten “, moeten volgende zondag stemmen in de gemeente waar ze in het bevolkingsregister waren ingeschreven op 1 augustus van dit jaar. Zo kunnen alle Belgen inspraak hebben in het bestuur van hun gemeente. Door al de affiches, folders, televisiedebatten, boekjes en flyers zitten we aan boord met een regelrechte verkiezingskoorts.

      

    Verkiezingskoorts is pseudowetenschappelijk een complexe automatische reactie van het lichaam bij een infectie met de bacillus regenerata electiosa (verkiezingsbacil) die zich meer vermenigvuldigt naarmate het waarheidsgehalte van politieke uitspraken vermindert of twijfelachtiger wordt. Het is een doodnormaal aanpassingsmechanisme van het lichaam en de koorts is vooral zetelgevoelig, woekert verder als een boktor en vergt uitzonderlijke medicamenten die niet door de ziekenkas worden terugbetaald. Verkiezingskoorts gaat dikwijls gepaard met straffe knagende hoofdpijn veroorzaakt door het denken van anderen en het moe worden van de eigen hersenen, omdat het verschil tussen waarheid en leugen flinterdun is. We mogen nog eens ons gedacht zeggen in het stemhokje. Daar doe je niemand kwaad mee. Daar moet niemand over nadenken en je krijgt vooral de indruk dat je ook iets te zeggen hebt.Verkiezingskoorts is zo een repetitief modeverschijnsel met ongelijke periodiciteit, ingegeven door politiekers die beslissen dat het weer eens genoeg is geweest als snoepje voor nieuwe kansen om het allemaal nog eens anders te doen.

     

    Heel vroeger mocht je zelf nog alle namen van favoriete kandidaten op een lijst schrijven. Om anoniemer te stemmen kwam toen een zwart kruisje in een vierkantje, maar omdat frauderen te gemakkelijk was, werd op het einde van de 19de eeuw gekozen voor een bolletje. Elk mocht zijn eigen schrijfgerei meebrengen. Omdat kiezen geheim is, kon je toen zien wie voor wie je had gestemd en koos men voor één kleur. In de jaren ’70 en ’80 werd met een zwart bolletje gestemd, wat niet evident was want dat zwarte ronde ding was moeilijk te onderscheiden op die zwarte brieven. Later werd het bolletje rood op initiatief van de socialistische partij die trouwens voor alle mannen het kiesstelsel invoerde. Socialisten zijn nu eenmaal rood. We maken dus nog altijd een groen, geel, blauw… bolletje rood (zelfs als je groen stemt) met een rood potlood dat je naar oude traditie niet mag nat maken. Je mocht het dus niet in je cola doppen, zeker niet op zabberen of spuwen en zelfs overvloedig bezweten was ook verboden. Ze hadden achteraan een diagonaal gaatje om een antidiefstalkoordje aan het kieshokje vast te klinken. Nu kun je meestal digitaal stemmen.

     

    Overal wordt reclame gevoerd. Het affichewoud met namen van mensen waarvan je er hooguit een paar kent, bloeit weer. Opeens weet je wie er in je straat aan gemeentepolitiek doet. Er zijn heel wat “onbekende mensen” bij die alleen maar “affichesociaal” zijn. Die soms hun eigen buren en buurt niet persoonlijk kennen. Ze “manifesteren” zich niet lijfelijk en bezitten de bovennatuurlijke gave van het “gekleurd verschijnen”. Er zijn er zelfs die het lichaam van iemand anders lenen en er het eigen hoofd op fotoshoppen om beter over te komen. Het lijkt op alledaags en bijna goedgekeurd bedrog. Verkiezingsreclame maakt de democratie een stukje kapot omdat ze ervoor zorgt dat degene met het grootste budget de grootste kans maakt om verkozen te worden. Zo zijn stemmen te koop, maar via een omweg. Een tweede onbehaaglijk gevoel toont heel wat “gehaaide” politiekers die ineens vergeten zijn dat zij hun vroeger zo betracht mandaat ineens kunnen laten vallen en deze verkiezingen aangrijpen om aan job-hoppen te doen… Uiteindelijk onthoudt de doorsnee kiezer toch niet zo lang…

      

    Feitelijk is de vrijheid van de kiezer bij het uitbrengen van een voorkeurstem louter schijn. De kopstukken van de partij stelden de lijstorde op en bepalen zo wie een zitje kan krijgen. Diegenen die het meeste te zeggen heeft, roert in de pot. We zijn altijd een beetje gefopt. Om iets te realiseren in de politiek moet je een meerderheid hebben. Het is zelden dat een partij alleen over een meerderheid beschikt en dus moet je coalities sluiten met anderen om je verkiezingsbeloften min of meer waar te maken. Het is water bij de wijn doen: niet te veel, niet te weinig, zodat elke partij kan zeggen dat ze toch zoveel percent van hun eisen hebben kunnen realiseren. Dat doe je ook in het gewone leven: als je met je vrienden iets wilt afspreken, moeten er misschien ook “compromissen” gesloten worden. Als uiteindelijk iedereen akkoord is, heb je iets afgesproken. Anders valt de groep uit elkaar.

     

    Verkiezingen geven me altijd het gevoel dat je kiest aan welke minderjarige je je autosleutels afgeeft. Wat je ook kiest, je moet je later toch neerleggen bij wat de rest heeft besloten, want “de meerderheid heeft altijd gelijk”. In hoeverre heb ik zelf nog iets te zeggen? Waarvoor kies ik: om anderen te laten uitvoeren waarvoor ze gekonkelfoesd, gecompromist en afgesproken hebben. Eigenlijk is het dus kiezen voor wie je het meeste vertrouwt, niet voor de meest rechtvaardige, scherpste, multicultureelste of groenste. Je kunt ook voor de leukste kiezen, maar die hebben dikwijls een hoog Pinokkio-gehalte. Word dus niet mismoedig, want verkiezingen betekenen altijd een beetje bedrogen worden. Het is uiteindelijk maar een verse episode is een gesubsidieerde soap.

    Je kunt alleen maar bij de euromillions winnen als je ook meedoet. Dat is ook zo bij de verkiezingen. Dan kun je tenminste zeggen dat je geprobeerd hebt om er zelf iets aan te doen en een vinger in de pap hebt. Je hebt dan ook even het roer van de boot mogen vasthouden en roepen is dan minder nodig. Stem voor de beste!

    Marcel Huysmans

    07-10-2018, 10:16 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    29-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE RADERTJES VAN MIJN GROOTVADER

    DE RADERTJES VAN MIJN GROOTVADER

     

    1906. Qualité supérieure. Véritable Louis Roskopf. Anti-magnétique. Ik neem ze uit het gammele doosje en in mijn handen koester ik het kettinghorloge van mijn peter-grootvader. Hij overleed in 1958. Toen was zijn horloge amper 52 jaar, hij 67. Ik draai bovenaan aan het wieltje om het op te winden en ja, 112 jaar na fabricatiedatum tikt de secondewijzer opgewonden verder en leggen de goudkleurige wijzers als weleer opnieuw een stuk hun geprogrammeerde baan af. En het horloge blijft telkens weer tikken tot zijn graad van opgewondenheid onder de schreef is gegaan. Er gaat iets sacraals van uit en geen haar op mijn hoofd zou eraan denken om ooit het kostbare kleinood open te maken om in zijn radertjes te kijken. Ik ben blij met die speelse gedachte die tegelijk aan mijn peter herinnert. Als het horloge ooit, ondanks zijn qualité supérieure, toch zou stoppen met tikken dan moet een echte vakman, zo één met een fijne loep in het oog en piepkleine schroevendraaiertjes in zijn handen, het wonder der techniek repareren, maar aan de emotie mag hij niet aankomen.

      

    Simpel en goed versus haute horlogerie. Een grote staande klok openmaken zou ik nog wel durven, maar zo’n piepklein ongeweld schrikt me af. De nauwkeurigheid waarmee een uurwerk de tijd moet tellen, dwingt respect af voor de details en het onderlinge afgestemd zijn van al die radertjes. Ik heb de neiging mijn neus op te halen voor alles waar een batterij in zit. Weg dus met die digitale horloges met weinig emotie en wel veel exactheid. De mechanische horloges die volautomatisch werden aangedreven door mijn polsbewegingen kunnen nog enigszins op enig begrip rekenen. De dappere, altijd wat onmachtige manier waarop zo’n uurwerk met radertjes, anker en een onderdeel dat de ‘onrust’ wordt genoemd, probeert zoiets machtigs als de Tijd bij te houden en te regelen, geniet mijn opperste waardering. Tegelijk vind ik het onnozel dat er horloges gemaakt worden met volmaakt overbodige tourbillons die een budget vragen om een tweekamerappartement mee te kopen. Tourbillons zorgen ervoor dat de positie van het horloge niet onderhevig is aan de zwaartekracht, met andere woorden onafhankelijk ten overstaan van de positie ten opzichte van de grond. Nergens vloeien waanzin en vernuft, platte status en pure schoonheid surrealistischer samen dan in de wereld van de haute horlogerie. Als het op status aankomt, dan pas ik.

    Liever horloges met een verleden. Geef mij maar horloges die geleefd hebben, die al tikten vóór ik werd geboren aan de polsen van mannen waar ik kon naar opkijken. Mannen die ontegensprekelijk hebben bemind en op hun horloge hebben gekeken om tijdig dingen te doen waarvan het belang nu is verdampt. Zo’n horloges mogen sporen van gebruik vertonen: als ze maar radertjes hebben die perfect op elkaar zijn afgestemd en wijzertjes die plichtsbewust elke seconde, minuut en uur aangeven waarvoor ze in de wieg gelegd zijn. Die horloges tikken nu nog. Je behandelt ze met schroom omdat je weet hoe groot ze waren in het tijdsbeeld waarin ze functioneerden. Misschien is het daarom ook dat ik nog niet zoveel verschillende horloges in mijn leven heb gehad. Het moesten altijd dappere klokeilandjes zijn, die in de jacht der tijden hebben standgehouden en mij de toekomst hebben ingetikt, onverzettelijk juist en ontwapenend enthousiast.

     

    En dan heb je onze biologische klok nog. We sjamfoeteren nog altijd met winter- en zomeruren die sommigen van slag brengen. O zit het enkel tussen de oren? We werken overdag, slapen ’s nachts, eten op vaste tijden en kijken om zeven uur naar het nieuws. Grote delen van ons leven gebeuren volgens vaste tijdsindelingen en patronen. De sterke regelmaat die in de natuur zit, stuurt ons ook in het ritme van dag en nacht. Alle ritmes die in de natuur voorkomen, vinden we ook bij planten en dieren: de stand van de maan, de wisseling tussen dag en nacht en de seizoenen hebben stuk voor stuk een biologische tegenhanger. We moeten onze eigen ritmes elke dag “gelijkzetten”, synchroniseren met de buitenwereld, omdat ze nu eenmaal niet precies over 24 uur lopen. Cicero de Romein schreef ooit dat de kwaliteit van de oesters veranderde met de stand van de maan. Ons eigen “bioritme” blijkt een periode te hebben van 25 uur, dus ongeveer een dag. Er zijn eigen ritmes voor prestaties, emoties, pijngevoeligheid en de werking van sommige organen. Je kunt dus zeggen dat onze biologische klok vele radertjes heeft. Die moeten zowel op elkaar als op de omgeving worden afgesteld. Onze hersenen zorgen daarvoor. Als een dirigent coördineren ze de verschillende ritmes…

     

    Overal vind je een raderwerk. Onderduiken, je afzonderen in het raderwerk van de wereld heeft helemaal geen zin, want je zit voor een stuk in een mallemolen, mogelijk met mensen die het voor het zeggen hebben en hoogstens ruzie maken over het tempo, de versiering van de molen en andere onbenulligheden. Radertjes die versleten zijn en die de hele mechaniek van het leven niet meer begrijpen noemen ze dement of gewoon te oud en die mogen dan uitrusten in huizen voor bejaarde radertjes waar ze door verse radertjes worden verzorgd maar die daardoor een belangrijke functie vervullen in het geheel. Alle mensen zijn radertjes in een wereldomvattende mechaniek en elk houdt ook die wereld draaiende. Dat geldt voor de kinderverzorgster, de moeder, de bouwvakker maar ook voor de hoogleraar en de mensen aan de rand van onze maatschappij.

      

    Tijd zal altijd vergankelijk en herstelbaar zijn en is een wonder iets. Je kunt hem laten aanwijzen door grote en kleine wijzers in uren, minuten en seconden. Vandaag kan het zelfs zonder wijzers. Dat noemt men digitaal en misschien is dat voor sommigen minder betrouwbaar. Soms denk ik terug aan de ouderwetse klokkenmaker, die nog in staat was overjaarse wekkers, van overgrootvaders geërfde zakhorloges en antieke uurwerken te repareren. Klokken met een ziel. Maar of je nu kiest voor raderwerk of kwarts, voor analoog of digitaal: ‘de Tijd’ zul je nooit kunnen vangen. Je kunt hem niet stilzetten, zoals een horloge of een klok.

    De Tijd gaat voorbij, zoals men zegt. Toekomst wordt vandaag, vandaag wordt verleden!

    Marcel Huysmans

     

    29-09-2018, 21:24 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    19-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MOETEN EN MOGEN: EEN WERELD VAN VERSCHIL

    MOETEN EN MOGEN:

    EEN WERELD VAN VERSCHIL

     

    "Moeten is dwang en huilen is kindergezang!" Dat zei mijn moeder wel eens als we eens dringend iets ‘moesten’ hebben. Als mijn kleinkinderen destijds – o zo graag – iets absoluut wilden en telkens bot vingen, durfden zij soms wel ‘in overdrive’ omschakelen om hun vraag nog eens extra in de verf te zetten. Ze namen dan de aanvalshouding aan, zetten zich schrap en predikten luid, overtuigend en smekend: “ik moet een plopijsje” of “ik moet cola!”. En wat moet een mens daar dan op antwoorden? Niks antwoorden, veranderen van tactiek, een andere koers varen? Denk maar eens na hoe je zelf zou reageren… of misschien helpt de rest van mijn verhaal.

      

    Dan constateer je dat zo’n kind eindeloos ‘moetens’ moet verwerken en op de duur niet meer weet wanneer die klepel wél mag klepperen. Moeten braaf zijn, tuutje moeten wegleggen overdag, op tijd moeten gaan slapen, bokes mét korstjes moeten opeten om goed te kunnen fluiten, bord moeten leeg eten, tegen iedereen moeten vriendelijk zijn, moeten zwijgen als de grote mensen praten, moeten zitten om iets te eten, moeten stilzitten op de stoel, moeten zeggen als je pipi wil doen. De opsomming is bijna eindeloos lang en doet tegelijk nadenken. Hebben we zelf als kleine hummel nooit goesting gehad om toch eens lekker stout te zijn, bokes zonder harde korstjes te eten omdat we toch niet wilden fluiten, bij de grote mensen alle aandacht op te eisen of toch maar blijven wiebelen op de twee achterpoten van onze stoel. Zo bewust ‘foert’ zeggen wilden en deden we in ons eigenste binnenste allemaal graag. Dat deed deugd. Alleen maar eraan denken doet ons nu nog ‘zaaaaaalig!’ roepen, met veel a’s en achteraan met een uitroepteken om de heerlijkheidgraad en het deugdpercentage te beklemtonen. En toch wekt ‘moeten’ dikwijls een terechte aversie op.

     

    Je zou 'moeten' onder de 'vieze' woordjes moeten rangschikken. Fout! Opnieuw proberen: Als we 'moeten' nu eens onder de 'vieze' woordjes rangschikten of misschien volledig schrapten in het woordenboek? Zou dat geen oplossing zijn? Beter nuanceren dus. Er zijn dingen waar je niet buiten kunt, en dan is moeten onherroepelijk wél op zijn plaats. Bij mezelf roept ‘moeten’ een rebels gevoel op. Eerlijk, als een volwassene in woord of tekst ‘moeten’ extra naar voor schuift, krijg ik de vliegende kriebels. Ik ‘moet dit en dat’ is in onze spreektaal geslopen. Als je iets moet, dan voelt en klinkt dat zwaar. Als je iets wil of als je iets gaat doen, als je iets graag hebt of iets mag doen, komt er al een beweging op gang. Het vliegwiel draait dan al… en windt zich op om achteraf positieve energie vrij te geven. Je verandert één woordje en meteen klinkt het verhaal helemaal anders. Moeten is negatief en dwingend, gaan heeft al meer energie in zich: er begint al iets, er komt iets van de grond. Zo kan je van stroef naar soepel gaan. Dat is het verschil tussen zachte en harde mensen. Maar zachte mensen mogen toch kordaat zijn, anders worden ze verpletterd of genegeerd. Moeten is dwang en daar hebben de meeste mensen lak aan, al betekent moeten in het dagelijks spraakgebruik ook: het is wenselijk. Als je dat bedoelt moet je het ook zo zeggen! Het voorkomt wrevel, spaart energie en zorgt voor een wereld van verschil.

     

    Moeten heeft ons in de greep en is geïntegreerd in ons denken. Alles wat je mag geeft ruimte en aandacht. Het geeft je de kans om dingen anders te zien en te doen. Alles wat moet, weegt meestal zwaar. Dat komt omdat er in moeten weinig keuzemogelijkheid zit, het brengt ongeduld en jacht in het leven. Door jezelf de ruimte van ‘het mag’ te geven, ontdek je dat je anders met alles kunt omgaan. Je creëert meer plezier voor jezelf, je begint de dag met een ander gevoel. Moeten staat voor mij gelijk aan: dwingen, bevelen geven, verplichten en de baas spelen. Voor mij allemaal geen prettige associaties. Mogen daarentegen is veel prettiger. Dit voelt meer als: een keuze maken, helpen, suggereren, een leidraad geven, begeleiden.

     

    Enkele dagen geleden kreeg ik een mailtje in mijn elektronische postbus: “onderstaand bericht zou volgende maand moeten verschijnen.”  Zoiets maakt me opstandig en klinkt rebels. Als het om een verborgen verplichting gaat, dreigt bij mij alle wil en bereidheid weg te ebben word ik tegendraads. Met mijn voeten in het zand, transformeer ik mezelf weer tot een klein kind en laat mijn ego zeggen: “ik MOET helemaal niets”. Heb ik gelijk? Ik vind dat ik gelijk heb, want niemand antwoordt nu! Het ‘moeten’ zorgt voor een onlosmakelijke kettingreactie die alle systemen binnen mezelf direct doet stoppen, tenzij… het misschien toch wel een ingeburgerde gewoonte dreigt te worden, een manier van zeggen van jonge mensen, waarbij op het euvel wijzen meer uithaalt dan het zomaar te veroordelen of te bestrijden. Of misschien is het een overgewaaide gewoonte uit Nederland. “Moet je koffie?” Sommige noorderburen bieden je zo koffie aan. Het klinkt misschien niet zo vriendelijk, maar toch heel goed bedoeld. Het betekent hetzelfde als ‘wil je koffie?’. En met dat in het achterhoofd smaakt de koffie weer lekker en is koffiedrinken leuk. Zo werken noorderburen soms verzachtend.

      

    Taal is flexibel, subtiel en toch indringend.Nog een probeersel. Ik wil orde houden in mijn kast, ik wil aan het milieu denken, ik wil bij ons moeder op bezoek gaan. Als willen het werkwoord moeten vervangt, en als je door ik van de plaats wordt geduwd, verandert er vaak een en ander in de beleving van de werkelijkheid. En na willen volgt kunnen. Alles moeten willen kunnen is wel héél veel. Daarover ‘moet’ je wel struikelen. De woordvolgorde draait al een knoop in mijn tong. Ik concentreer me liever op wat ik kan en graag doe. Wat ik niet kan, bezorgt me geen druk. Ik kàn geen gitaar spelen en dat laat ik aan anderen over. DVD en USB-stick spelen kan ik wél en dat doe ik dus geregeld. Over de andere instrumenten moet ik me geen zorgen maken…

    Als het nu allemaal veel duidelijker is, ligt het waarschijnlijk aan jezelf en nièt aan mij.

    Marcel Huysmans

     

    19-09-2018, 11:49 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    16-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DEZELFDE TAAL EN TOCH VERSCHILLEND

    DEZELFDE TAAL EN TOCH VERSCHILLEND

    Taal is een typisch menselijk systeem om te communiceren. Ze geeft betekenis weer en door. Taal leeft en het gebeurt dikwijls dat al buiten je eigen gemeentegrens sommige uitdrukkingen verschillen. Met het buitenland doet zich natuurlijk hetzelfde voor want daar spreekt men van nature uit een andere taal. Dat is duidelijk het geval met Frankrijk en Duitsland maar in Nederland en België spreken ze dezelfde taal, hoewel...

    Een pijnlijke taalconfrontatie maakte ik mee toen ik mijn dochter in 2007 op Schiphol afhaalde na een jaar vrijwilligerswerk in Bolivia. Heel de familie was met de auto naar Amsterdam 'getogen' en vrienden en vriendinnen waren present op Schiphol voor de blijde intrede: met toeters en bellen en kleurige paraplu’s met boodschappen. Ze hadden voor de gelegenheid twee flessen echte champagne uit de koelkast verhuisd om die met het nodige vertoon in plastic bekertjes en Nederlandse zuinigheid uit te schenken in de aankomsthal. Bij het ontstoppen kwamen de vochtige bubbels ongewild op de Amsterdamse luchthavenvloer terecht. Toen ik dat zag, kon ik mijn natuurlijke hulpdrang niet bedwingen en riep luidop"rap, is er hier geen aftrekker?". De Hollandse vrienden en andere omstanders keken me aan en van het verschieten kwam er ongewild rode schaamte op mijn kaken en mijn dochter probeerde de schade te herstellen. "Vader", zei ze, "een aftrekker kennen ze hier niet, en toch zeker niet in deze betekenis. Dat ding met een steel en een daaraan bevestigd langwerpig stuk rubber, waarmee men al trekkend vloeren schoonmaakt, noemt men hier een vloerwisser." Toen wist ik dat ik voor luchtvarend Nederland een Vlaamse kemel tot over de grens had geleid. Trouwens... een kurkentrekker is bij hen ook een aftrekker, maar daar kun je natuurlijk geen vloer mee proper maken.

     

    De kleine verschillen tussen het Vlaams en het Nederlands vallen niet zo erg op. Maar ze zijn er wel degelijk en ze zijn ook talrijk. Ik heb er de laatste jaren ook meer op gelet. Op bierkaartjes, servetjes en krantenhoekjes heb ik opvallende dingen geschreven en ze daarna in een mapje bewaard. Nu we zoveel Vlaamse TV-zenders  hebben, wordt er ook minder naar de ‘Hollanders’ gekeken. Het aantal in dialect gesproken soaps is niet meer te tellen, terwijl The Strangers ooit persona non grata waren op de BRT omdat ze in 't Antwerps zongen... Nederlandse feuilletons worden in Vlaanderen nu ondertiteld en andersom is ook al nodig gebleken. Uit Nederland stuurt men mij soms opvallende dingen toe. Een Nederlander valt nooit met zijn gat in de boter, dat doet hij met zijn neus. Geef toe: plastisch moet het toch een zaliger plastisch gevoel geven om met je blote billen in die smeuïge brij te vallen dan even zijlings met je neus kennis te maken. Vijgen na Pasen bestaan er niet, dat is mosterd na de maaltijd... Kuisen is bij ons schoonmaken, bij hen is dat de aanstootgevende delen verwijderen. Wij zetten de kat bij de melkzij binden de kat op het spek. Wij klappen uit de biecht, zij klappen uit de school.

     

    Ik wil nog verder een graai doen in de grote woordenzak: eerst het Vlaamse woord en dan het Hollandse. Ambetanterik wordt lastpost, een bediende is een ambtenaar, een broodje smos is een broodje gezond, een marcelleke is een singlet, plattekaas wordt kwark en een praline een bonbon; wij hebben een wijsheidstand en zij een verstandkies en wat wij verticaal klasseren, bergen zij op in het ronde archief. Dikwijls hebben wij het raden naar de betekenis van uitdrukkingen die wij helemaal niet kennen: iets op je klompen aanvoelen, van de hoed en de rand weten. Als je dat niet snapt, is de beer los! Nog plezieriger wordt het als zij toch eens het Vlaamse woord voor de Hollandse stropdas willen gebruiken, ze helemaal het woord niet kennen en dan bovendien plas-tron nog een verkeerde klemtóón meegeven...

      

    Soms neigen we van gewoon naar subtiel. Zetels komen in België veel meer voor dan in Nederland. Rieten, luie en verwarmde zetels vind je in Vlaanderen overal waar gezeten wordt: in tuinen, vliegtuigen en auto's. In Nederland zijn zetels vooral vacant of permanent. Je kunt ze verkiezen of binnenkort kun je ze bij de verkiezingen behalen. Zitten doe je in Nederland enkel op een stoel. Zelfs het bakkersjargon kent zijn gevoeligheden. Hier zegt de bakker: zes pistolets, vier sandwiches en twee eclairs. Dat zal het zijn? Over de grens wordt dat: zes harde bolletjes, vier zachte puntjes en twee eclairs. Anders nog iets? Over de eclairs zijn we het dus eens.

     

    We spreken allebei Nederlands. En is de woordenschat dezelfde, dan is het uitspraakverschil weer opvallend. Over de grens nemen ze de ‘trem’ naar de ‘teerapuit’ terwijl wij met de ‘tram’ naar de ‘teerapeut’ gaan. Heel wat cultuurgebonden fenomenen kent men in het noorden niet: arrondissement, belfort, Chiro, doopsuiker, eindtermen, franskiljon, gewestweg, kajotter, leurderskaart, maaltijdcheque, nieuwjaarsbrief, onderzoeksrechter, paasklok, reuzenommegang, schepencollege, tso, vieruurtje, waterzooi, zeeklassen… Confituur wordt jam, een croque monsieur een tosti, fluisterasfalt is zoab (zeer open asfaltbeton).

     

    Het radio-1 programma Hautekiet schreef een tekst die aan Nederlanders werd voorgelegd. Ze bleken er geen snars van te verstaan. Bomma heeft in de solden zwarte pens, salami en botten gekocht. Het was nog een ander paar mouwen om nog fruitsap, kipkap en fondant te vinden. Bij valavond kwam bomma’s dochter op bezoek. Ze durfde niet uit de biecht te klappen want ze vond het ambetant om te vertellen dat ze gebuisd was en op kot veel gepoept had. Dus stoefte de dochter maar wat over de smoutebollen die ze had gebakken. Daarna was ze ribbedebie want ze moest dringend langs de mutualiteit en het interimkantoor. Daar viel ze over een aftrekker die tegen de chambrant stond. Toen had ze nog weinig goesting om langs de flikken te gaan…

     

    Ik ga maar stoppen, want anders eindig jij nog met een dwaze kop en dan is even pauzeren aangewezen. Begin alvast met een tas koffie, maar biedt die niet aan een Nederlander aan. Dan denkt die dat je zijn rugzak vol koffie gaat gieten. Probeer hem misschien te vertederen met een mok koffie van Egberts Douwe… En dat is weer iets anders dan een mokke (een meisje), die in Nederland feitelijk mokkel heet.

     

    Marcel Huysmans

    16-09-2018, 07:58 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    04-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.WIJN IN WATER VERANDEREN

    WIJN IN WATER VERANDEREN

     

     

    Vorige week las ik in de krant dat sinds jaar en dag christenen naar een Noord-Israëlisch stadje reizen waar Jezus volgens hun geloof water in wijn zou veranderd hebben. Een groep archeologen heeft nu ontdekt dat ze al die jaren hun pelgrimstocht te kort gemaakt hebben omdat in een recent blootgelegd tunnelcomplex de plek ontdekt zou zijn waar het ‘wonder’ écht gebeurde. Tijdens een bruiloft in Kana bleek dat ze geen water meer hadden. Jezus zei stilletjes tegen het personeel: “vul de flessen maar met water”. Toen de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, proefde, wist hij niet waar hij het had. Eeuwenlang was het een twistpunt waar die bruiloft werd gehouden. Maar, zoals er in België twee en in Nederland drie gemeenten met de naam Aalst bestaan, zo zijn er in het vroegere beloofde land 3 Kana’s. Eén lag in Galilea (Kafr Kana) en een ander acht kilometer verderop (Khirbet Qana). Nu denkt men dat het mirakel in dat tunnelcomplex gebeurde.

      

    Toevallig dacht ik terug aan een aantal jaren terug, toen ik in de Delhaize achter mijn winkelkar rondstruinde op zoek naar weet ik wat. Voor het rek met als info ‘water’ stonden zowaar alleen maar flessen wijn van divers allooi en verschillend getint. Meteen flitste het door mijn hoofd: ‘ Jezus is deze keer bezig geweest in de Delhaize’. Hier gebeurde zowaar het omgekeerde als in toen in Kana. Divers geprijsde wijnflessen droegen de verkeerde opschriften: geen Ordal, Chaudfontaine, Spa, Eaumega of Top. Stiekem proeven durfde ik niet, zodat ik ook nooit zal weten of er hier sprake was van een mirakel of van een vergissing.

     

    Beide feiten bevestigen dat de Bijbel één van de boeken is die het meest worden geciteerd, ter hulp geroepen en soms zelfs afgedaan als nonsens. Dat is ook niet moeilijk. Het ‘heilige boek’ van de christenen dat met een hoofdletter wordt geschreven, is niet één boek, maar een verzameling van 66 boeken of brieven. Het zijn de pennenvruchten van minstens 40 verschillende schrijvers die hun schuinschrijfsels hebben vereeuwigd gedurende een periode van 1500 jaar. Veel van die schrijvers kenden elkaar niet, spraken soms een andere taal, hadden een heel andere achtergrond of woonden op verschillende plaatsen. De Bijbel is geschreven in drie continenten: Afrika, Azië en Europa. De schrijfomstandigheden waren ook heel divers: in een paleis, in een woestijn, in een gevangenis of onder de blote hemel. Er waren teksten in drie talen: het Oude Testament in het Hebreeuws en het Aramees en het Nieuwe Testament in het Grieks. Ook de auteurs waren van verschillende pluimage. Er waren koningen bij (Salomo), vissers (Johannes), dokters (Lukas), tollenaars (Mattheus) en zelfs schaapherders (David). Ondanks al deze verschillen in tijd, cultuur, plaats en achtergrond, hebben ze een wonder feit gemeenschappelijk: ze schrijven allemaal over God. Dan is het natuurlijk niet moeilijk om als pezewever alle verschillen met een vergrootglas af te doen als larie of zelfs te zeggen dat de Bijbel onwaarheden bevat.

     

    Een ander voorbeeld van misbegrip. In de Bijbel staat dat Eva in het aarts paradijs een boom zag die goed was om eetbare vruchten voort te brengen en die een lust was voor de ogen. Het was een boom die begeerlijk was om verstandig van te worden. Zij nam de vrucht en at. Eva presenteerde de vrucht ook goedwillend aan haar man Adam die er gretig in hapte. Daar is geen sprake van een appel al vertelden hele generaties dat het een appel was. Het is de schuld van het Latijn! In het woordenboek Latijn-Nederlands staan twee betekenissen voor malum, namelijk ‘appel’ en ‘kwaad’. Daarom spreekt men ook over de boom van ‘goed en kwaad’. Waarschijnlijk groeiden er trouwens geen appels in de Hof van Eden. Dat paradijs lag waarschijnlijk in de tropen of subtropen, want er groeiden vijgen. Een appel vraagt lagere temperaturen en groeit alleen in gematigde streken.

     

    Ik interviewde ooit Louis Janssens zaliger. Hij was niet alleen koster, lector, tegelverkoper uit Niel, wijs mens maar ook Bijbelkenner. Hij zei me: “als ik zie hoe ze tegenwoordig de Bijbel uitleggen en als ze het toch bij het rechte eind zouden hebben, dan maakten ze ons vroeger nogal wat wijs!” Voor hem lag de tekst “het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan”. Misschien ging het wel over de lage boogvormige doorgang in een smal straatje van Jerusalem, die men in de volksmond ‘het oog van de naald’ noemde. Een kameel kon daar niet onderdoor, tenzij eerst zijn overbodige ballast werd afgeladen. Een andere verklaring zou een schrijffout kunnen zijn. Het Griekse ‘kamelos’ (kameel) en ‘kamilos’(scheepstouw) zijn bijna hetzelfde. Dan luidt de tekst: ‘een scheepstouw gaat gemakkelijker door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat.’ Op gevaar af van ook een muggenzifter te worden, besluit ik best dat het oog van een naald inderdaad is wat er te lezen staat en helemaal geen nauw stadspoortje. Dan is de kameel een kameel en ook geen scheepstros.

    Bij het opzoekwerk voor dit schrijfsel was het voor mij fascinerend hoe veel mensen Gods woord in de prullenmand willen lanceren door scherp te stellen op een nog grotere opsomming van zogenaamde tegenstrijdigheden in de Bijbel. Mensen kijken de andere kant op als ze geconfronteerd worden met het wonder van de structuur, de overleving, de integratie, de historische betrouwbaarheid, het archeologisch bewijs, de bevestigende niet-Bijbelse verslagen en honderden vervulde profetieën van de Bijbel. Hierdoor laat de Bijbel alle andere “Heilige Boeken” ver achter zich. Bovendien is hij tot op vandaag het best bewaarde litteraire werk uit de hele oudheid, ook al omdat er meer dan 24.000 oude manuscripten van het Nieuwe Testament zijn ontdekt. Van het tweede best bewaarde litteraire werk van de oudheid, de Ilias van Homeros, waarvan ik hele stukken mocht beleven en vertalen, zijn er maar 643 bewaarde manuscripten bewaard.

    In de Bijbel valt vooral de eenheid op met een grote inhoud en rijkdom en het is ongelooflijk dat dit zomaar ontstaan is. Natuurlijk zijn er accentverschillen en eigen kleuren, maar in de kern is er geen verschil in boodschap.

    Marcel Huysmans

    04-09-2018, 20:51 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    31-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.EEN VERHAAL DAT NOOIT EINDIGT

    EEN VERHAAL DAT NOOIT EINDIGT

     

    Mijn oudste kleinzoon gaat volgende week naar het vijfde leerjaar. Het is vliegende halte in het vervolgverhaal van buitenshuis leren voor het leven. In 387 vóór Christus stichtte Plato in Athene de eerste georganiseerde school in Europa en noemde ze Akademeia. Die naam is zo omdat de gebouwen op het terrein van Akademus lagen. Aristoteles schreef zich in en na hem nog vele jonge Atheners. Na Plato’s dood bleef de Academie verder bestaan door zijn neef Speusippus, terwijl Aristoteles een andere school oprichtte, het Lyceum. Omdat leren zo belangrijk is, wil ik iedereen die eraan begint, nu al een beetje voorspiegelen wat er nog zal volgen…

     

    Peuters stappen op de eerste schooldag fier de schoolpoort binnen. Je bent amper 70 cm, staat nog niet zo vast op je benen en kunt maar amper tateren of je wordt al veroordeeld om voor de rest van de volgende 17 jaar school te lopen. Ze ‘mogen spelen met veel andere kindjes’, maar beseffen zelf onvoldoende dat mama of papa hen ook achterlaat in een groot gebouw met een onbekende juf of meester. Die omschrijving kan hen doorheen hun eerste traantjes voor honderd procent gestolen worden. Anderen wandelen binnen alsof ze er al eerder waren, en misschien is dat ook zo. Als kleuter leer je fietsen, zwemmen, in bomen klimmen, op podia optreden en nog veel meer. Valpartijen, blauwe plekken en schaafwonden duiken zeker óók op, maar daar word je groot en sterk van. Speelgoed delen is een andere leergang en die klip neem je best zo vroeg mogelijk.

     

    In de lagere school kom je binnen mèt een nieuwe boekentas, of liefst met een rugzak die je rug respecteert. Je leert er lezen en schrijven en alle dagen gaat de wereld een beetje verder open. Je mag al spreekbeurten geven mét powerpoint-presentaties. Daarvoor moesten wij vijftig jaar langer wachten. Voor je het weet, zit je in het zesde leerjaar en behoor je ineens tot de grootste leerlingen van de school. Soms mag je zelfs peter of meter zijn voor leerlingen van het eerste jaar. Zo fier als een gieter kun je dan vertellen dat je de kleintjes hebt geholpen met ervaringen die jij in de voorbije zes jaar stockeerde. En dan ben je alweer klaar om als jongste weer bij groteren terecht te komen…

     

    Je ruilt het vertrouwde pad van de lagere school voor de middelbare school met dikwijls een langere schoolweg (zonder ouder) en zeker met nieuwe vrienden. Al vlug maak je een eerste school- en beroepskeuze en dat is niet altijd gemakkelijk. Je krijgt ook last van je apenjaren, die sommigen de puberjaren noemen. Het moeilijkste is dan keuzes maken met zoveel nieuwe dingen en op die leeftijd ben je daar nog niet zo straf in. Je krijgt zoveel vragen op je boterham om zelf te beantwoorden. Voor je 't weet moet je bij de volgende stap jezèlf leren vragen stellen.

     

    Na het middelbaar krijg je misschien de kans om verder te studeren. De volwassenen zeggen dan: "als je je best doet, kun je ver geraken." Dan zijn er zoveel mogelijkheden, zoveel wegen, zoveel quasi onbekenden dat je onmogelijk kunt zeggen of je stelsel van vergelijkingen wel oplosbaar is. Voor sommigen betekent het misschien hard werken om te slagen en profiteren van het leven kent vele betekenissen en variaties. Voor een avondje uit mag je dan vertrekken op een uur waarop wij zoveel jaren geleden bijna al thuis moesten zijn. Dan begint de grote levensweg en denk je soms terug aan waar je ooit vertrokken bent.

     

    Ik zou nog verder kunnen schrijven over trouwen, kindjes krijgen, ouder worden, een rol van oma en opa krijgen toebedeeld en uiteindelijk eindigen is het ‘oudmannekeshuis’. Sommigen denken dan onwillekeurig aan Vuile Mong en zijn Vieze Gasten en hun liedje ‘De school dat is een apenkot’. Je vertrekt bij de crèche, je gaat naar school en voor je 't weet ben je achttien geworden en kun je (niet meer) naar 't leger gaan maar wel dromen van de vogeltjes, de bloemetjes en de bijtjes. En dan mag je 45 jaar lang werken, al duurt het mogelijk nog langer, tot je uiteindelijk landt in een rusthuis. Zonder het te beseffen zegt je hartje elke dag een beetje trager, boem, boem, boem. En op een goeie keer zegt het, voor de allerlaatste keer, nog één keer BOEM.

     

    School betekent ‘levenslang leren’: alle dagen bij-leren uit ervaringen en bewust registreren. Vandaag moet je universeel en interdisciplinair bekwaam worden en een basispakket bezitten om tegen de wereld aan te kijken. Daarom komen er altijd maar nieuwe vakken bij. Elke dag moet je, bewust of onbewust, nieuwe beslissingen en ervaringen catalogiseren in je woordenboek van geactualiseerde kennis. We hebben een snelheidsprobleem omdat alledaagse problemen oplossingen moeten hebben vóór ze in realiteit opduiken. We zijn de ‘achterafdenkende maatschappij’ geworden waarbij de meest precaire onvoorzienbare situaties via ‘kristallenboloperaties met achteruitkijkspiegel’ achteraf moeten verantwoord worden. Vooraf denken is vooral vervangen door na-denken. Politiekers zeggen dat ze al een hele tijd bezig zijn met het nieuwe probleem en dat de oplossing niet ver af meer is. Ze beloven meestal een goede oplossing en zeggen dat we gerust op onze twee oren kunnen slapen. Ze vertellen niet dat zij het eigenlijk zelf niet goed weten of niet kennen en daarom hopen zij altijd dat anderen het voor hen zullen oplossen.Dat noemt men ‘straffe dropjes’, zoethoudertjes die goedgelovigen aan sterk verminderde prijzen mogen aanschaffen. Ondertussen wordt alles duurder en dat noemt men nooit ‘belastingen’.

     

    Het dagelijkse reilen en zeilen op school is drastisch veranderd: de hoofdrolspelers zijn nog altijd de onderwijzer(es), de kinderen en hun ouders. Wij verwachten alsmaar meer van onze leerkrachten. Kennis bijbrengen, maar ook de totale persoonsvorming moet meer aan bod komen. Een goede leraar (m/v) is iemand die enthousiasmeert, die kinderen plaats en ruimte geeftom zich te ontwikkelen met de middelen van vandaag. De leraar is de coach die ze nodig hebben om zichzelf te ontdekken. Zo wordt de school elke dag een beetje opnieuw uitgevonden, dank zij de creatieve leraar die zijn basismateriaal (leerlingen) omvormt tot personen voor een maatschappij van morgen.

    Ach ja: alle intelligente mensen in mijn familie zijn in het onderwijs ‘gegaan’, de anderen zijn rijk geworden…

    Marcel Huysmans

    31-08-2018, 20:14 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    21-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ALLES HEEFT ZIJN TIJD, ZELFS EEN KOEKOEKSKLOK

    ALLES HEEFT ZIJN TIJD,

    ZELFS EEN KOEKOEKSKLOK

     

    Bijna niks is zo complex als de tijd. Je kunt hem nemen, maar niet vastpakken. Je kunt tijd verliezen, maar je zult hem nooit terugvinden. Je krijgt tijd, maar weggeven kan niet. Tijd maken kan, maar bijhouden is onmogelijk. Als je tijd voorbij is, zie je er niks meer van. Tijd is raar: niemand heeft tijd, maar iedereen kan hem maken. Om te weten hoeveel tijd we hebben, dragen we een uurwerk. Dat is dan de 'mechanische of klokkentijd' en daarnaast is er nog de psychologische tijd. De ene is meetbaar en leef je. De andere be-leef je. Er staat geen grens op de tijd die je beleeft. Je kunt je als zeventiger perfect inbeelden – en ook voelen - alsof je 20 bent. Maar dat is wel moeilijk en volgens mij een beetje veel zelfbedrog. Dat is psychologische tijd. Als je daarin overdrijft, gebeurt het dat je uurwerk of je 'tikker' begint te sputteren. Men zegt wel eens: 'tijd is geld'. Toch wordt vandaag de dag het meeste geld uitgegeven om de tijd te verdrijven en moeten we in de vrije tijd hard werken om hobby's te betalen. Werken als straf voor vrije tijd.

     

    God nam zijn tijd bij de schepping, want hij had hem zelf geschapen. De moderne mens heeft horloges en klokken, maar géén tijd. Straffer nog: we maakten uurwerken omdat we tijd te kort hadden en dirigeren onszelf door een leven dat overloopt van haast en drukte. Alles moet altijd sneller en de elektronica die je vandaag koopt met een akte van vertrouwen, is al verouderd bij het strippen van de verpakking. We hebben volle of teveel agenda’s. Vrije tijd laat zich vangen en orkestreren door die agenda. En als we nog tijd over hebben, verkiezen we om op zaterdag in lange files aan te schuiven voor een uitgebreid bezoek aan Ikea of aan de A12-shopping. 

     

    Wat is tijd? De wijze Augustinus zei hierover 1600 jaar geleden: “als niemand het me vraagt, weet ik het. Als ik het wil uitleggen aan iemand die het me vraagt, weet ik het niet.” We spreken over vroeger, over de toekomst en passeren onderweg het nu. Soms voel je dat de tijd snel voorbijgaat, soms duurt het lang eer iets helemaal voorbij is (het wachten duurde eeuwen). Grote uitvindingen deden mensen anders denken over tijd. Het schrift liet dingen op papier belanden die je later in flashback kon beleven door de tekst opnieuw te lezen. Fotografie, film, tv, beelddragers, tablets en smartphones deden ons anders tegen de tijd aankijken. Met een digitale foto leg je in een flits voor eeuwig een megapixelmoment vast. In een film zie je in 5 minuten wat in werkelijkheid misschien weken duurde. We zijn zo verhangen aan herhalingen bij het voetbal dat we tijdens een live wedstrijd in het stadion al naar huis willen om een spelfase vertraagd te bekijken. We hebben de luxe om de tijd te manipuleren, maar we kunnen er niks aan doen.

     

    Hoe dikwijls heb je vandaag al naar je horloge gekeken? Iedere seconde tikt de tijd weg. Je ziet hem niet vliegen en je weet niet waar hij naartoe is. Om toch enig idee te hebben om te weten waar we onze tijd aan verdoen, hebben we horloges uitgevonden in variaties van strenge polshorloges over frivole koekoeksklokken tot blitse radiogestuurde uurwerken. Zij proberen zin te geven aan de weggetikte en nog te komen tijd. Daarom verdeelden we een jaar in maanden, dagen, uren, minuten en seconden.  Achter mij kijkt mijn vader zaliger dikwijls mee: ”als je met problemen zit, moet je de tijd voor je laten werken”. Dat heb ik al aan veel mensen verder verteld en het helpt! Nu ik gepensioneerd bent, vraagt men dikwijls: ”en… tijd tekort zeker?”. Ik durf eerlijk toegeven dat ik eigenlijk weinig tijd te kort heb omdat ik van vroeger weet wat echt tijd te kort hebben betekent. Er zijn er zelfs die de helft van de tijd geen tijd hebben. Tijd is het enige bezit van de armen, omdat ze géén tijd tekort hebben. Zonder tijd zou alles in één keer gebeuren en dat zou spijtig zijn. Ik heb al dikwijls vastgesteld dat mensen die nooit tijd hebben, het minste doen.

     

    Andere culturen beleven de tijd anders en die werken ook met andere kalenders. Zo waren er kalenders voor de boeren waardoor ze exact wisten wanneer ze moesten ploegen, zaaien en oogsten, maar ook wanneer ze moesten feesten. Afrikanen zeggen: ‘jullie Europeanen hebben de klok, maar wij hebben de tijd.’ Zij zijn geen slaven van de klok, en genieten veel meer. Probeer zelf maar eens: in de zon aan een tafeltje voor je tuinhuis gaan zitten en genieten van de tijd die je bewust in je leven binnenlaat. Kunnen genieten van kleinkinderen die helemaal opgaan in hun spel en van hun ongebreidelde fantasie. De tijd van eten of slapen is voor hen tegelijk een tijdsbreuk en een terugkeer tot de realiteit. Ook dat is leven en leren leven!

      

    Mensen zijn doodsbang om tijd te 'verliezen' en we hebben nog nooit zoveel tijd verspeeld, verkwist, verloren, verbrast of weggegooid. Afhankelijk van de activiteiten gebruikt men deze benamingen. En toch willen we ons haasten, hoewel ‘wie te laat vertrokken is, kan nooit nog op tijd komen.’ Want er is maar één moment dat je op tijd kunt komen. Ben je er niet, dan ben je óf te vroeg, óf te laat.

     

    Alle dingen onder de hemel hebben hun plaats en hun tijd.  wie dat niet ziet, loopt kans ongelukkig te worden: vandaag moet het al morgen zijn en morgen overmorgen…Wat we nu ervaren, beleven we niet genoeg: we kijken uit naar wat komen moet, maar zo snel, onvoldaan en rusteloos dat we vergeten vandaag te leven. Gelukkig ben je gelukkig als je niet ongelukkig bent! Zoals God de Afrikaan de tijd heeft gegeven, gaf hij de Europeaan het horloge. Zo’n horloge blijft altijd dienst doen: zelfs als het kapot is, geeft het nog twee keer per dag de juiste tijd aan!

    Zalige tijd is nooit verloren.

    Marcel Huysmans

    21-08-2018, 21:09 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    14-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MOEDERDAG OP 15 AUGUSTUS

    BIJ ONS MOEDERKESDAG OP 15 AUGUSTUS!

     

    Alle vrouwen in mijn gezin zijn geboren in Oost-Vlaanderen. De mannen zijn Antwerpenaars. Wij vieren vaderkesdag op 19 maart en moederkesdag wordt bij ons op de tweede zondag van mei gevierd, de Oost-Vlaamse traditie ter ere. Voor de Antwerpenaar is dat een ‘valse’ moederdag. Voor mij blijft het een halfslachtige oplossing voor de lieve vrede binnen de familie, maar het doet iets af aan de echtheid van moederkesdag met half oogst. In de Oosters-orthodoxe Kerken en in de Rooms-katholieke Kerk is Maria Hemelvaart de feestdag van de opneming van Maria in de hemel ‘met lichaam en ziel’. Alle apostelen waren aan haar doodsbed, behalve Thomas die weer eens slachtoffer was van zijn afwezigheiddrang of beter ‘er niet zijn op belangrijke momenten’. Bij zijn aankomst was Maria al dood en begraven en bezocht hij in zijn eentje haar graf om haar de nodige eer te bewijzen. De traditie vertelt erbij dat Thomas op dat moment de tenhemelopneming van Maria zou hebben gezien en dat hij haar kleedgordel als cadeau kreeg. Toen hij dat vertelde geloofden de andere apostelen hem niet – en dat was niet de eerste keer zo - tenzij dat hij hen de gordel en het lege graf zou laten zien. Straffe praat natuurlijk, maar hij deed het!

      

    Keizer Mauritius van Byzantium voerde in 582 het feest van Maria Tenhemelopneming in en op 15 augustus werd toen al de verjaardag van de kerkwijding van een basiliek die aan Maria was toegewijd, ergens onderweg tussen Bethlehem en Jeruzalem, gevierd. In de zevende eeuw nam Rome de naam van het feest over. Oorspronkelijk heette deze feestdag de 'Dormitio Mariae' (ontslaping van Maria). Door de teksten en volkslegenden werd vanaf de achtste eeuw de originele term opnieuw gebruikt. In de Bijbel lezen we nergens dat Maria in de hemel is opgenomen. Later werd de lichamelijke tenhemelopneming van Maria tijdens het eerste Vaticaans Concilie (1869-1870) als leerstelling of godsdienstig voorschrift (dogma) aanvaard en in 1950 zelfs door Paus Pius XII (e viva Pio duodecimo!) bevestigd. De Oosters-orthodoxe Kerken reageerden positief maar de protestanten protesteerden van nature heftig en onderschreven het dogma niet. Zo is 15 augustus in Nederland ook geen feestdag én geen verlofdag.

     

    Hoe zit het dan met het moederfeest vandaag? In de RK- Kerk is Maria Hemelvaart het hoogfeest op 15 augustus, hoewel het volgens de katholieke kerk fout is omdat Maria niet zelf ten hemel opsteeg, maar door God in de hemel werd opgenomen. In de Russisch-orthodoxe Kerk valt het feest op 28 augustus omdat de Juliaanse en Gregoriaanse kalender niet samenlopen. In veel (katholieke) landen, waaronder België, Frankrijk, Italië, Slovenië en Spanje is het een wettelijke feestdag. Bij ons werd het dan ook terecht Moederdag gedoopt maar in Antwerpen en omgeving hebben ze daar ‘moederkesdag’ van gemaakt, in tegenstelling tot de internationale Moederdag op de tweede zondag van mei. Het is ‘de’ gelegenheid bij uitstek om de moeders in de bloemen te zetten omdat bloemen nog altijd het beste symbool zijn om je appreciatie, genegenheid en dankbaarheid te laten zien.

      

    Waarom is Antwerpen de basis van Moederdag op 15 augustus? 105 jaar geleden kwam de Antwerpse schepen voor schone kunsten Frans Van Kuyck (1852-1915) met de idee om op 15 augustus Moederdag te vieren. Hij was kunstschilder en graficus en had nog meer uitstekende ideeën. In juli 1913 verdeelde hij zijn brochure ‘De dag der moeders’ waarin hij als eerste in Europa pleitte voor een jaarlijkse huldiging van de moeders, waar iedereen kon achter staan over de politieke en religieuze grenzen heen. Van de Amerikaanse moederkesdag was toen nog geen sprake. Antwerpen was dus een voorloper voor de rest van de wereld. Van Kuyck introduceerde ook de traditie dat de vader en de kinderen in het gezin de moeder dienden te verrassen met allerlei geschenkjes. Hij ontwierp zelfs een moedertaart, feestkaarten, een juweel voor moeder en schetste zelf een versierde stoel met een bloemenkrans en kleurige linten.

     

    De datum was een schot in de roos omdat 15 augustus samen viel met Antwerpen Kermis en ‘half oogst’ werd in Antwerpen al gevierd als ‘Mariekesdag’ of ‘Maria Hemelvaart’. De jeugd had vakantie en kon volop meewerken aan het feest. Antwerpen Vooruit, de Bond van Antwerpse middenstanders, porde haar leden aan om mee te werken en het initiatief te ondersteunen: affiches in de winkels, brood, koekjes en suikergoed in de vorm van een hart waren maar enkele initiatieven. Ook werden toen de eerste ‘moederwenskaarten’ gedrukt waarop een meisje stond afgebeeld met een kanjer van een versierd hart, waarin de namen van de proficiatwensende kroost konden ingevuld worden. Jos de Molder uit de Lindenstraat bij het Vleminckveld had de idee en stuurde zijn kaart al op 7 augustus naar schepen Van Kuyck. Er kwamen passe-partouts voor foto’s, beschermingsamuletten en plaketten met spreuken ter ere van moeder. De portemonnee van de middenstanders werd er beter van, de mensen hadden de kans om hun moeders te vieren en zo werd Moederdag een groot succes. In het stadsarchief (Felix-pakhuis) vind je trouwens die oudste wenskaart terug, samen met het dossier van de geboorte van Moederdag.

     

    De kinderen zegden versjes op, zongen liedjes en gaven hun moeder een hartvormig gebak. Ook de vader moest zijn steentje bijdragen. Van hem werd verwacht dat hij zijn vrouw een juweel gaf in de vorm van een stralend hart, het symbool voor moederliefde. In het juweel stonden de namen van de kinderen gegrift. Moederdag moest volgens van Kuyck vooral een familiedag zijn. Hij stelde alles in het werk om mensen voor zijn idee te winnen. Hij overtuigde bovendien de bloemisten, juweliers en banketbakkers om hun etalages te versieren en speciale bloemstukken, hartvormige juwelen, kaartjes en taarten aan te bieden. Zijn inspanningen werden beloond. De eerste Moederdag had effectief plaats in 1913, dus 105 jaar geleden.

     

    Moederdag in Antwerpen. 15 augustus is zelfs een officiële verlofdag, waarop iedereen vrij heeft. Dat hebben ze in mei nog niet voor mekaar gekregen! Nu wordt het moederfeest handig gecombineerd met de Rubensmarkt en het  Bollekesfeest. Zo is het ook een feest dat affectie, communicatie en consumptie combineert.

    Proficiat aan alle moeders!

    Alle moeders, Maria’s, Miekes, Mary’s, Maryems, … maar ook de grootmoeders en overgrootmoeders wensen we een zalige hoogdag, ook aan die van Oost-Vlaanderen en elders!

     

    Marcel Huysmans

    14-08-2018, 23:08 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    11-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.KWAMKWAMMERTIJD

    KWAMKWAMMERTIJD

    Door de aanhoudende droogte en volgehouden warmte hebben de groenten grillige vormen gecreëerd, bij zoverre dat ze minder verkoopbaar zijn aan de grootwarenhuizen. Tomaten met wratboebels of te kleine of te kromme komkommers die gewoon verschroeiden door de loden zon zijn legio. De zomer – die dit jaar geen vakantie nam  – stuurde de politiekers op alle niveaus met zomerslaap, behalve diegenen die in een of ander dal van een hertogin verwoed moesten onderhandelen over hoe men eigenlijk tot feitelijke onderhandelingen zou moeten komen. Het geheim van de rekenmethodes van deze heren zal wellicht nooit ontcijferd worden. De overheid produceert in het algemeen ook minder nieuws en bijna zonder dat je het merkte, verschrompelden kranten en tijdschriften als waterachtige kippenfilets in een koekenpan. Op televisie is de soep al niet veel vetter en zeker dunner. De enige oplossing bestaat erin minder nieuws meer op te blazen om de bladzijden toch nog te vullen. Nog een geluk dat misdaad, verkeer, natuur, burenruzies en andere grotere oorlogen geen grote vakantie kennen. Op de televisie zijn de avondjournaals bijna kopies van het middagnieuws waaraan een paar voorgemonteerde berichten op het einde worden toegevoegd. De mens hoopt blijkbaar altijd op nieuws en als het er niet gewoon komt, dan maakt hij het zelf wel. Dat noemt men komkommertijd en dan steekt het niet zo nauw met de vorm.

    In het Duits spreken ze van Sauregurkenzeit (zure augurkentijd). Het duidt erop dat vroeger de verse aanvoer van zure augurken in de zomer gebeurde. Het was een ’slappe tijd’ waarin weinig zaken werden afgehandeld en dat gebeurde vooral in de maand augustus als de komkommers rijp waren. Voor de kwekers was het een extra drukke tijd, maar in veel andere vakgebieden was er dan juist niets te doen. Omdat die seizoenen samenvielen, werd komkommertijd meer en meer geassocieerd met het gebrek aan nieuws en activiteiten. Destijds ontvluchtte de adel in Engeland tijdens de zomer de stad en hadden de kleermakers weinig werk. Als de kleermakers op vakantie waren, kwamen de komkommers in aanbieding. En omdat de komkommers in de zomer werden geoogst, waren ze op dat moment niet duur en zegde men dat de kleermakers van de goedkope seizoengroenten leefden. Zo werd het in augustus ‘cucumber-time’.

    In het Frans heet het stille nieuwsseizoen la ‘saison morte’, in het Engels ‘the dull or silly season’ en bij de Amerikanen zelfs ‘the big gooseberry time’ (kruisbessenseizoen). Die kruisbessen (stekelbezen) vind je momenteel in de Colruyt ook in aanbieding. In het Zweeds wordt het ‘nyhetstorka’ (nieuwsdroogte) en in het Duits ‘Sommerloch’, m.a.w. een ‘zomergat’ wat tegelijkertijd aantoont dat de nieuwswaarde erg laag is. Maar het bestaat dus overal!

     

    In het West-Vlaams sprak men vroeger over ‘plattebonentijd’ – even poëtisch en natuurlijk - maar die benaming is ondertussen ook al uit het smakelijke dialect verdwenen. Dit jaar kon je trouwens in de kranten en op televisie regelmatig ‘nieuws’ plukken over ontsnapte slangen, aangespoelde grote vissen, woekerende brulkikkers, reuze-bijtschildpadden, jeukverwekkende processierupsen en nog een hele hoop nieuwe of exotische dieren. De ‘soapseries’, die vóór de vakantie nog vlug met een extra lange slotaflevering werden bedacht met een ‘cliffhanger’ kregen rust tot september vergezeld van begeleidende commentaar in de ‘boekskes’. F.C. De Kampioenen kende zijn elfendertigste herhaling en kwam nooit in degradatiegevaar. Allemaal opgewarmd nieuws. Bijna het enige dat echt vers is, is het nieuwe voetbalseizoen.

     

    Als je het positief bekijkt, kunnen verenigingen bepaald nieuws – waarvoor zij anders toch geen kans op publicatie maken – in de komkommertijd met succes lanceren. Via e-mails wordt kamernieuws wereldnieuws dat erop uit trekt zoals de mensen op vakantie vertrekken. Je kunt maar gelukkig zijn dat sommige nieuwsitems in sommige kranten of zenders niet door de filter van het nieuwsfatsoen zijn geraakt omwille van hun beperkte nieuwswaarde. Hoeveel keren ik deze vakantie de vraag gesteld heb ‘is dit wel nieuws’ kan ik helaas niet vertellen…

     

    Toegegeven, er is wel degelijk iets aan de hand in de zomer. De politiekers gaan op alle niveaus met zomerslaap. Ze denken aan niets en dromen van nieuwe verwezenlijkingen of van dromen die nooit zullen uitkomen. In plaats van te reizen met chauffeur, trappen ze lusteloos op een waterpedalo in het zuiden van Frankrijk of trekken in korte broek door Ierland of Toscane. Hoe zou je zelf zijn. Dan is het goed te genieten van mooi gebraden gemarineerde lamskoteletjes en knapperige sateetjes met een vleugje archiducsaus op een bedje van rucola. Savoureer onder een idyllische lindeboom een heerlijk glaasje sappige rode Zuid-Afrikaanse wijn. Je proeft het: in de komkommertijd is alles interessant, vooral die vorige zin.

      

     

    In de kranten verschijnen plots artikels en artikelreeksen die in de loop van het jaar werden klaargemaakt om luchtige bladvulling te geven in de zomer. TV- programmatie is dunne spoeling en er blijft gelukkig meer tijd om belangloos kijkkast te kijken in een luie zetel, al dan niet versierd met een fruitige longdrink die in een ecologisch rietje naar het hoofd stijgt.Na de Ronde Van Frankrijk ging de wereld weer in surplace. De jeugdbewegingen krijgen ineens de nodige aandacht omdat zij de bekroning van hun werkjaar in de grote vakantie leggen. Moeilijkheden met de NMBS, voedselvergiftigingen en slecht zwemwater worden eerstebladzijdenieuws en dat is dikwijls ook belangrijk als dat nieuws ook geduid wordt.

     

    Elk jaar duiken dezelfde onderwerpen opnieuw op in de komkommertijd: de kusttram, de mosselen en het drukke verkeer op de Europese wegen. Ook populair tussen de komkommers: stukken over iets dat nog niet gebeurd is, maar dat weleens zou kunnen gebeuren. De fantasie slaat op hol en hardop dromen vertellen zorgt dan ook voor succes. In juni schreven de kranten: ‘De muggen komen eraan.’ Maar nu ze er eindelijk zijn, hebben we geen tijd om erover te schrijven of moeten we vaststellen dat ze zich door de grote droogte en watertekort maar moeilijk kunnen vermenigvuldigen. We leerden wel dat muggen niet worden aangetrokken door licht, wel door warmte en lichaamsgeur. Apparaatjes met ultrasound werken niet. Kleren met lange mouwen en broekspijpen dragen helpt wel, maar niet tegen de warmte.

    Tot slot nog een komkommeruitsmijter.Als je een hekel hebt aan beslagen spiegels na het douchen, wrijf ze dan in met plakjes komkommer. Werkt echt. Bovendien zorgt het voor een aangename geur in je badkamer. Dat zijn nog eens feiten waar je tenminste wat aan hebt. Kromme komkommers nemen ook meer ruimte in beslag dan rechte…

    Marcel Huysmans

    11-08-2018, 11:47 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    31-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE KAARSJES ZIJN DUURDER DAN DE TAART

    JARIG ZIJN IS NIETS, MAAR ELK JAAR OPNIEUW!

     

    De laatste jaren heb ik, onder invloed van slimme feestbewuste kleinkinderen en van het taalgebruik in de lagere school, in mijn agenda nauwkeurig op de juiste dag genoteerd: "Thomas is jarig". Daarvóór zou ik gewoon  genoteerd hebben: "Thomas verjaart". Maar, verjaren in de betekenis van 'jarig zijn, zijn verjaardag vieren' is gewoon standaardtaal. Dat is het Nederlands dat algemeen bruikbaar is. In België wordt verjaren in deze betekenis veel vaker gebruikt dan in Nederland. Verjaren kan ook 'ouder worden' willen zeggen en juridisch betekent het dat iets door de tijd zijn geldigheid verliest of niet meer van kracht is. Mij hebben ze altijd gezegd dat enkel kaas en dossiers verjaren en dat mensen jarig zijn. Mis dus. Da's nog eens een knaller die niet zou misstaan in de Encyclopedie van misvattingen van Hans Van Maanen waarin opvattingen zijn opgenomen die we van kindsbeen af hebben gekoesterd en waarover we nooit meer hebben nagedacht. Maar helaas: verjaren staat er dus niet in!

    Iedereen blijkt toevallig exact op zijn verjaardag geboren te zijn. Ik was dit jaar dus weer jarig. Het was te warm, maar traditiegetrouw goed weer. Ik ben weer wat wijzer en mogelijk ook een beetje grijzer geworden, hoewel de overgang naar wit niet ver meer af is.

     

    Geboortedagen vieren is een Europese traditie. Men dacht dat op geboortedagen kwade geesten extra gevaarlijk werden en om de jarige tegen dat onheil te wapenen en te beschermen, kwamen vrienden en familie massaal naar het huis van de 'verjaarder'. Ze maakten dan dubbel plezier plus veel lawaai en wilden de geesten afschrikken. Tot het begin van vorige eeuw vierden alleen koningen en mensen van adel hun geboortedag. Ze kregen dan peperdure cadeaus zoals diamanten en goud. Verjaardagen van kinderen werden niet gevierd. In de lagere sociale klassen vierde men helemaal geen verjaardagen, want er was geen geld om op  die dagen te feesten. Rond 1900 vierden de armen wel de verjaardagen en met die folklore zitten we nu nog. Dat je je verjaardag viert op de dag dat je geboren bent, was niet overal vanzelfsprekend. In heel wat katholieke landen werd tot diep in de twintigste eeuw niet de geboortedag, maar wel de naamdag gevierd. De naamdag was de dag dat je de katholieke heilige herdacht naar wie je was genoemd. Elke dag van het jaar had zijn eigen heilige. Als je Nico werd gedoopt, dan viel je naamdag op 6 december, de feestdag van de heilige Nicolaas. Op die dag werd je naamdag uitgebreid gevierd, ook al was je geboortedag midden in de zomer. Als je de naam Monique droeg en je was bijvoorbeeld in de Elzas geboren, dan kon je bijvoorbeeld op 8 juli 'verjaren' terwijl je feitelijke verjaardagskaartjes toekwamen op 27 augustus, want dan viert de Rooms-katholieke de heilige Monica. Men viert dan 'la fête' en op de kaart staat dan ook 'bonne fête'. Ook dan is het een jaarlijkse weerkerend feest en zeker niet minder hartelijk.

     

    Soms maakt het niets uit of een naam aan een mannelijke of vrouwelijke heilige behoort, want bijna alle namen kunnen zowel aan jongens als dochters gegeven worden. Nico kan dan ook Nicole, Nicolette of Nicoletta worden. De naamdag wordt gevierd met uitgebreid eten, gebak, drank, bloemen, kleine cadeaus en bezoek van familie en goede vrienden. Als iemand geen naamdag heeft, dan viert men die op 1 november, als het Allerheiligen is (Solemnitas Omnium Sanctorum). Voor de Grieks-orthodoxe kerk valt  Allerheiligen op de dag na Pinksteren en niet op 1 november. Dat jaarlijkse feest wordt dan een feest voor iedereen, waarop je - in tegenstelling tot bij ons - je leeftijd perfect kunt verdoezelen. Je enige voordeel is dan, dat hoe ouder je verjaardagsfoto is, hoe jonger je eruit ziet, maar zonder deprimerende opgave van getallen...

     

    Houden we het dus maar bij de dag dat wij onze geboorte herdenken om te 'verjaren'. Het is een raar maar plezant gedoe: veel aandacht en cadeautjes krijgen, maar ook een jaartje minder leven tot je uiterste versheiddatum. Je zou van elke verjaardag moeten genieten. Verjaren rond Sinterklaas is nadelig want dan duwt de heilige in je rug. Verjaren in de zomervakantie is als kind dan weer niet zo plezant, want dan is de supportersmassa heel wat kleiner. Verjaren op 1 januari of met Kerstmis betekent brute pech: je verjaardag komt op de concurrerende  tweede plaats en de cadeautjes die dan tussen het engelenhaar hangen, doen je verjaardag verbleken bij al dat geglitter. Mijn oudste kleinzoon is jarig op een héél ‘geladen’ dag: 31 augustus betekent de laatste dag van de grote vakantie en dan mag je niet naar school en kan je ook geen geschenkjes uitdelen. Dan speelt vindingrijkheid en fantasie een grote rol…Persoonlijk heb ik het geluk dat het een bijna ongeschreven wet is dat het ieder jaar op mijn verjaardag mooi buitenzitweer is, zodat mijn vrienden op die dag zelfs feestjes organiseren omdat ze weten dat het toch weer feest-weer is.

     

    Je verjaardag vieren is een gezonde bezigheid. Onderzoek heeft uitgewezen dat mensen die het meest hun verjaardag vieren, ook het langste leven. Dat kan een ééndagsvlieg spijtig genoeg nooit meemaken wegens te hevig en te kort. Iedereen wil oud worden, niemand wil het zijn en voor je het weet zit je bij een seniorenvereniging wafels te bakken of worstenbroden te eten. Vroeger was je waarschijnlijk jong en mooi, nu blijft alleen het mooie nog maar over. Dat jonge heeft trouwens al heel wat renovaties ondergaan. Toen ik vorige maand jarig was, probeerde ik de kaarsen op de taart te tellen, maar werd teruggewezen door de hitte ervan en door de begrensde luchtstroming om het vlamfront aan te vallen. In een flits constateerde ik dat de kaarsen op mijn verjaardagstaart duurder waren dan de taart zelf zodat ook het taartlandschap terdege verstoord werd in het crême-fraichegebied.

     

    Het beste middel om oud te worden is ervoor zorgen dat je blijft leven: blijven ademen is de regel, want als je morgen even oud bent als vandaag, ben je doodgewoon dood. Het is niet altijd leuk om een jaartje ouder te worden en te zijn, maar het is nog altijd beter dan andere alternatieven.

    Marcel Huysmans

    31-07-2018, 22:16 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    19-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.LIVE VANUIT DE TOUR

    LIVE VANUIT DE TOUR

     

    Bourg-Saint-Maurice 18 juli 2018

    Hotel La Belle Josephine

     

    Chère Maman,

     

    Ik schrijf je deze brief vanuit Hotel La Belle Josephine in Bourg-Saint-Maurice met als huisnummer 90 (quatre vingt dix) op briefpapier dat ik hier op mijn nachtkastje vond. Morgen is het de grote dag. Voor de eerste keer zal ik de mythische klim naar Alpe d’ Huez bestrijden. Onderweg komen we in de twaalfde rit de Col de la Madeleine en de Col de la Croix de Fer tegen. En vanaf dan is het alleen nog maar 13,8 km klauteren via de 21 haarspeldbochten. Afwachten dus.

      

    Onze Tourbus is een mooi geschilderde Van Hool-car met 9 ruime en draaibare zetels, een dubbele douche, een toilet en pissijntje, twee bedden, een volledige keuken met alle nodige toestellen, opbergruimtes voor de fietsen en ook een wasmachine en een droogkast. We kunnen zelfs via satelliet TV kijken. Ze kost zeker een half miljoen euro. Nog een geluk dat ik vóór het vertrek van de Tour nog vlug in de Antwerpse kathedraal een noveenkaars ben gaan branden voor een veilige, vlugge en hoopvolle Tour. Ik heb er nog twee vaderonzen en een volledig tientje aan toegevoegd om er zeker van te zijn dat ik de Champs-Elysées haal. Normaal doe ik dat in de Schoenmakerskapel bij Onze Lieve Vrouw van Toevlucht maar die is momenteel gesloten voor restauratie.  

     

    Ik heb me genoeg geoefend om mezelf te herkennen, voor het geval ik door de luidsprekers wordt afgeroepen. Ik ben 'le coureur avec le numéro quatre-vingt-dix- huit'. Rare kwasten die Fransen: ze zeggen 'vier keer twintig en achttien' en ze bedoelen achtennegentig. Bijna had ik honderd, maar rugnummers met nul achteraan zijn er niet en sinds er maar 8 renners per ploeg mogen starten, zijn er geen meer die eindigen op 9. Onze soigneur gaf me de voorbije dagen enkele extra-massagebeurten op het massagebed (de tafel waarop het masseren gebeurt) zodat ik morgen met de tong over het stuur die 21 bochten à bloc kan rijden met het snot letterlijk voor de ogen.  

      

    Daar zal weer gevlamd worden. Hopelijk heb ik dan nog genoeg jus in de benen om en danseuse mee te gaan in de klim naar La Madeleine. Ik weet het: alle begin is moeilijk, maar waar een wil is, is altijd een veilige weg. Als ik van iemand schrik heb, is het wel van de man met de hamer. Onze ploegleider zegt dat ik regelmatig moet eten en drinken en daarom zal ik maar voldoende 'gellekes' in mijn achterzakken steken voor als de tank bijna leeg is. Wat ik nog het meeste vrees, is de hongerklop. In 't Frans zeggen ze daar 'fringale' tegen. Dan is het vat helemaal leeg en verontschuldigingen in de maak. Misschien kan ik vóór onze Vlaamse feestdag nog eens meegaan in een lange ontsnapping. In dat geval is het de dood of de gladiolen: de bloemen of helemaal niks! Misschien komt mijn aerodynamische bril die ik van nonkel Hugo heb gekregen dan van pas. Naar het schijnt kunt ge er één kilometer per uur sneller mee rijden. Ik heb de handleiding eens heel goed gelezen maar daar staat niet bij hoe lang dat effect werkt...

     

    Mijn schoenen nijpen nu minder, want onze soigneur Julleke heeft dat eksteroog weggesneden nadat ik het een paar dagen met Groenen Duvel had beplakt na een zo heet mogelijk warm bad. Waarvoor die Duvel nog goed is! Nogal chance dat ge die pleisters tussen mijn handdoeken had gestoken. Dat onderlijfke dat ge gekocht hebt in de Zeeman wordt alle dagen vers gewassen. Ik ben al een beetje vermagerd van de zware inspanningen maar dat komt goed uit want door dat wassen is het onderlijfke ook al een beetje gekrompen. Zeg moeder, onze ploegleider heeft gezegd dat ik gisteren bij de besten was. Olivier zegt dat de eerste Ronde altijd  gemakkelijker is dan ge denkt, maar dat ik toch nog meer mijn adem moet inhouden voor de bergen. In de parochie zullen ze nogal verschieten als ze mij op TV zien: ik heb al eens met Michel Wuyts geklapt en die heeft me aangeraden om zoveel mogelijk vooraan te rijden. Dat is niet gemakkelijk wanneer ge af en toe een van de ploegmaats moet terughalen als er vooraan iets bijzonders gebeurt. Ik heb ook al twee keer naast Yves Lampaert gereden. Da’s wel plezant naast zo’n trui van Belgisch kampioen rijden, want daar voel ik mezelf ook beter van worden.  

     

    Ik ben al eens betrokken geweest bij een chasse patate. Dat is geen jachtpatat maar dat zegt men als ge vanuit het peloton naar de kopgroep demarreert, maar vrij vlug blijft hangen gedurende geruime tijd. Da’s iedere keer een zware inspanning die niet rendeert. Eigenlijk is het moeilijk: als het kriebelt je toch nog inhouden om achteraf niet met dikke benen te zitten. Als je die hebt, kunt ge nog geen deuk in een pakje boter rijden. ’t Is spijtig dat ik sprint als een strijkijzer. De echte sprinters Cavendish en Kittel zijn al naar huis, maar hopelijk kan ik ten minste vanavond Alpe d’Huez nog meemaken. Als ik niet moet harken of zwemmen dan blijft de gevreesde inzinking achterwege.

      

    Zie moeder, ik zou graag tot in Parijs geraken. Zou Toon alle gazetten kunnen bijhouden? Dan kan ik als ik thuis kom alles rustig nalezen. De andere coureurs beginnen mij al een beetje te kennen. Quintana heeft mij eens iets gezegd, maar ik verstond hem niet. Yves vertelde me daarna dat hij gezegd heeft dat ik niet zo rap mocht rijden, want dat hij me niet kon volgen. Dat geloof ik niet, want zo rap rijd ik ook weer niet. Ik weet dat je geen computer hebt. Dus als je mij wilt schrijven, is mijn adres: coureur numéro quatre-vingt dix huit, permanence du Tour de France, France. Elke dag verandert dat namelijk.

    De beste groeten en vele kussen, ook aan Herman, Dirk, Toon, nonkel Hugo, de mannen van de Koekoek, mijn  supportersclub uit het Gildenhuis in Reet en zeker de rest van de familie niet vergeten.

    uw liefhebbende zoon,

    ‘coureur quatrevingt diswiet’

     
    Marcel Huysmans

    19-07-2018, 17:09 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    16-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.SIMPELE DINGEN

    SIMPELE DINGEN

     

    Ik heb een haat-liefdeverhouding met jeuk. Soms is het als een intens genot om me, zoals paarden en runderen het doen, ergens tegenaan te kunnen schuren en dat onbereikbare, almaar weglopende plekje te pakken te krijgen en aan te vallen. De omgeving en het tijdstip verdwijnen in het niets wanneer het jeukt. Het zijn van die problemen waar je niet graag mee naar buiten komt en die behoren tot het intiem verborgen leven van een mens. Je kent zeker het onvoldane maar toch deugddoende gevoel om ergens op je rug te krabben tegen een kasthoek, muurtje of deurstijl. Het reddende aanschuurobject kun je volledig vrij kiezen, is erg persoons- en plaatsgebonden en bepaalt in erge mate de graad van efficiëntie van het reddend gebaar. De wet op de privacy is op deze materie weinig toepasbaar en dus veilig voor politici. Je moet er ook niemand vooraf schriftelijk van verwittigen of achteraf voor verontschuldigen. En toch wil je het niet aan de buitenwereld laten zien omdat het juist een gevoel van thuiszijn en ongezien genieten opwekt.

     

    Het lijkt een beetje op het eergevoel van de fakir die zijn rug teistert met een regiment spijkers of naalden, al is die methode weldoordacht. Volgens de fysica wordt het lichaamsgewicht door het groot aantal spijkers van het spijkerbed verdeeld over de verschillende punten waardoor het fakirvel niet beschadigd wordt. Een wetenschappelijke theorie over rugkrabben bestaat bij mijn weten niet of is heel ver weg.

    Het omgekeerde doet zich ook voor: als je geen circusfreak of slangenmens bent, duikt soms jeuk op dat ene plekje van je rug op waar je nèt niet bij kunt. Dan weet je met enige dichterlijke vrijheid: er staat geschreven en gedrukt, dat je moet krabben waar het ‘jukt’. Die veralgemening is wél gênant als je en plein public optreedt.

      

    In het Jungle Book had Baloo de Beer er ook last van. Eerst vroeg hij aan Mowgli om op zijn rug te krabben en toen dat niet hielp, stond hij om zichzelf te verwennen en zo van de jeuk af te komen al schurkend en schurend tegen een palmboom te swingen. Hij zong trouwens: als je van beren leren kan… Dit werkt bij een mens natuurlijk ook, al kies je dan best bij een milde jeuk een berk en bij een nietsontziende scheelmakende jeuk een oeroude inlandse eik. Over voorkeuren, kleuren en smaken valt, zeker bij jeuk, niet te twisten. Je kan natuurlijk ook aan je naaste vragen om even te krabben. Wim Stevenhagen zei ooit om het intens genot te verhogen: ‘jeukt het op een rare plaats, krabbel er dan maar even naats.’ Sorry voor deze dichterlijke vrijheid, maar ze komt niet van mij. Jezelf krabben als je jeuk hebt, kan verslavend werken. Soms is het zelfs fijn om nog even door te gaan als je denkt dat de jeuk over is, omdat het zo fijn voelt. Maar nu weten we nog niet waaróm. Dus toch maar op zoek.

     

    Onderzoekers van de Washington University School of Medicine in St. Louis stelden vast dat er serotononine vrijkomt tijdens het krabben en dit zorgt ervoor dat de jeuk in eerste instantie nog verergert. Je hersenen raken afgeleid van het jeukende gevoel door de ‘pijn’ die het krabben veroorzaakt en serotonine is een natuurlijke pijnstiller, maar ook een ‘voel-je-goed-hormoon’. Daarna voel je je ineens happy. Zo zie je maar dat zelfkastijding en genoegdoening dicht bij elkaar liggen. Je kan ook een stokje gebruiken, tegen een muur aanwrijven of gewoon iemand anders vragen om je te helpen krabben. Dan krijg je zeer verhelderende gesprekken zoals:” .. Ietsje lager… ietsje hoger…ietsje meer naar links… ietsje meer naar rechts.: oh, dat doet zo’n deugd…” Je kunt natuurlijk een uitschuifbaar krabstokje gebruiken, of zo’n houten model met schuine tanden, maar dat zijn al gesofistikeerde tools om eenvoudige dingen op te lossen. Voor minder dan één euro koop je zoiets bij bol.com en kom je meteen op de plekken waar je anders nooit voorbijkomt. Er zijn zelfs uitschuifbare ruggenkrabbers die na gebruik kunnen gereduceerd worden tot amper 22 centimeter. Zij worden meestal niet aan de goegemeente getoond.

    Soms zakt de drang om te krabben snel weg en soms is het gewoon te lekker om ermee te stoppen. De ergste en ambetantste jeuk ontstaat op de rug, de schouderbladen en de enkels en dan is de verlichting van het krabben ook het grootst. Maar terwijl de verlichting wegzakt verblijft op sommige plaatsen op de onderarmen en de rug, blijft deze bij jeuk aan de enkels aanwezig; het krabben blijft dan genieten en één van de weinige dingen die je ongestraft mag doen. Niemand ziet mij. Krabben is de allerindividueelste oorzaak van een aller-individueelste emotie.

    Je moet dus zeker niet krabben waar het niet jeukt.

     

    Het besluit van deze literaire dwaling is dat er heel veel jeukvormen bestaan en nog meer manieren van krabben. Bij sommige jeukproblemen is het krabben zelf de remedie, omdat dan het probleem ook verdwenen is. Soms is het krabben ook een afgang, want dan eerst begint de jeuk.  Het begint met een onschuldige kriebel tussen de schouderbladen of onder je oksel en die kunnen meestal met een onschuldig kriebelingrijpen worden weggemoffeld. En over het uitbundig jeuken van muggenbeten en het pijnlijk tingeltangelen van brandnetels heb ik dan nog niet uitgeweid.

    Mag ik daarom afsluiten met de treiterende slaapversje uit mijn kinderjaren: “slaap wel, en dek je toe met je gat bloot en veel jeuksel. Ik wens je een kort armpje zodat je je niet kunt krabben. Maar slaap toch maar zacht!”

    Marcel Huysmans

    16-07-2018, 00:00 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    20-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.KEERSKEN IN EEN LANTEREN...

    Keersken in een Lantèren…  

     

    Eén van mijn eerste ‘openbare optredens’, waarvan ik mij nog vaag iets herinner, is dat ik als kleuter in de Sint-Jansstoet van Mol over de Rozenberg meestapte. Vol bewondering keek ik naar het likkend kaarsenvlammetje in mijn lantaarntje en had helemaal geen oog voor de mensen die traditiegetrouw de tweejaarlijkse kinderstoet zagen voorbijtrekken. Dat keerske was het middelpunt van mijn wereld. Het gebeurde altijd op de zondag vóór de feestdag van Sint-Jan (26 juni). Tot 2004 was er nog geld voorzien in de Molse begroting. Helaas, daarna was het vat en de portemonnee leeg en nu bestaat de Sint Janstoet niet meer. Uitgedoofde traditie noemen ze dat. De leerkrachten die er vroeger aan meewerkten, wisten welke grote voorbereiding dit vroeg en waren ervoor niet meer warm te krijgen. Wel ligt er nog heel wat kleding van deze stoet op de schoolzolder. Dat “keerske in de lantaren” heeft me altijd gefascineerd omdat geen wind en geen regen vat hadden op het oude supergezellige magische ding…

     

      

    Lantarens zijn er altijd in soorten geweest. Een heel bijzondere vorm van zaklantaarn, waarmee je katjes in het donker kunt knijpen en die energievriendelijk is omdat hij niet met batterijen werkt, is de knijpkat. Zeer binnenkort wordt de rode lantaarn opnieuw opgepoetst en spreekwoordelijk uitgereikt aan de wielrenner die laatste staat in het algemeen klassement van de Tour. Ook voor de voetbalploeg die laatst staat in het klassement is de lantaarn even rood want de rode lantaarn dragen brengt altijd enige publiciteit mee. Heel lang geleden hadden de mensen thuis ook een toverlantaarn staan. Het was een vierkant doosje met een lamp of een kaars in, met bovenop een klein schoorsteentje om de warmte af te voeren en aan de voorkant een lens en een schuifje. In dat schuifje werden stroken met plaatjes beschilderd glas geschoven, waarna de voorstelling kon beginnen. Het was de verre voorloper van de diaprojector die bij de jeugd ook onbekend is. De plaatjes gingen over zeer uiteenlopende onderwerpen, waren soms educatief of stichtelijk bedoeld of vaak tot leute en vermaak. Lantaarnisten noemde men vroeger ‘Luikerwalen’ omdat zij meestal uit Wallonië kwamen met een toverlantaarn op hun rug en hun voorstellingen op kermissen en in theaters opvoerden. Aan de hand van de plaatjes vertelden zij een verhaal en op allerlei manieren wisten zij die plaatjes tot leven te wekken, met schuifjes of draaimechaniekjes. Vanaf 1830 ontdekten religieuze en idealistische organisaties als het Leger des Heils en de drankbestrijding de doeltreffendheid van de toverlantaarn als een krachtig wapen tegen het onheil van drankmisbruik en andere 'slechte gewoontes', zoals roken en gokken. Helaas, nu is men zich daarvan niet meer bewust.

     

    Het Midzomerfeest verwijst naar de zomerzonnewende op 21 juni en de voorchristelijke feestelijkheden die vroeger vooral in Noord-Europa plaats vonden. Oorspronkelijk vierde men dat op 24 juni, drie dagen na de feitelijke zonnewende (het begin van de zomer). Door de eeuwen probeerde men te waarschuwen tegen de gevaren van heksen en demonen die in deze magische nacht maar al te gemakkelijk hun slag kwamen slaan. In het Engels wordt een absurde situatie, waarin alles uit de hand loopt, aangeduid als midsummer madness, een uitdrukking die ook Shakespeare kende. Hij schreef er trouwens Midzomernachtsdroom over. De kerk, die alles met lede ogen aanzag, was een beetje jaloers en probeerde het Midzomerfeest te kerstenen (verchristelijken) met de Sint Jansviering ter gelegenheid van de geboorte van Johannes de Doper op 24 juni. De mensen geloofden dat planten op midzomer geneeskrachtige en magische krachten hebben en hiervoor plukten ze op deze nacht o.a. het Sint Janskruid. Vreugdevuren moesten hen beschermen tegen duistere krachten die vrij spel hadden vanaf het moment dat het aantal uren daglicht opnieuw afnam. Op de avond van 23 juni gingen alle wijze mannen en vrouwen kruiden plukken die ze de rest van het jaar gebruikten om mensen te genezen.

     

    Het gerucht deed de ronde dat met Sint Jan de vrouwen gemakkelijker een vrijer konden vinden. In de zeventiende eeuw hingen zij daarom bloemen aan de huizen of boven de straat en feestten ’s avonds. Volgens een ooggetuige uit 1606 werd er gedanst en zong men “ijdelicke liedekens”. Als de vrouw dan een man wist te strikken, dan noemde ze hem “mijn Sint Jan”. Ook vertelde men dat tijdens die nacht en de daarop volgende morgen het onmogelijke kon mogelijk worden. Gezonken klokken begonnen zomaar te luiden, verdronken dorpen en kloosters kwamen boven water en verborgen schatten dreven zomaar boven. Spookverschijningen en overleden familieleden kon je in die nacht ook gemakkelijker tegenkomen. Het was waarschijnlijk geen toeval dat de kerk deze dag koos op de dag waarop zij Galilei dwong om zijn fouten en ketterijen af te zweren (de aarde is het centrum van het heelal). Maar zachtjes fluisterde hij in al zijn miserie ‘eppur si muove’ (en toch beweegt zij).

      

    Sint Jan is een ommekeer in de natuur. De voorjaarsbloemen zijn uitgebloeid en de bloemen die in volle zomer bloeien komen op hun paasbest, al is het wel na Sinksen. Vlieren en lindes staan in bloei. Het hooi is binnen en het is afgelopen met de aspergeoogst. Het sint-janskruid met zijn gele bloemen is door zijn kalmerende werking ook verbonden aan het feest van Sint Jan. Insecten zingen in de blauwe lucht hun hemelarabesken en vogels fluiten onbelemmerd dat het een lieve lust is. De natuur geeft ons een geweldige overvloed en je voelt je meteen meegenomen in een bonte, warme zomerwereld. Wij willen naar buiten en de vakantie lokt.

    En wat ik bij het keerske van mijn lantaren zo lang geleden nog geleerd heb, wil ik jullie heel stilletjes verklappen: wanneer je een takje van het Sint Janskruid in je schoen legt, kun je de volgende dag de dierentaal spreken. Woef! 

    Marcel Huysmans

    20-06-2018, 16:27 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    13-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GOD ZIT U. HIER VLOEKT MEN NIET

    GOD ZIET U. HIER VLOEKT MEN NIET!

     

    In de Mechelse Catechismus is vloeken erg stiefmoederlijk behandeld. Bij de 447 vragen is er geen enkele over vloeken. Alleen bij de tien geboden van God lees ik bij het tweede gebod: 'zweer niet ijdel, vloek noch spot'. De uiteindelijke verklaring over vloeken moest vroeger wel in de klas gebeuren. Gezien het gemak waarmee we al eens een vloekje wagen, vraag ik me af of die uitleg wel voldoende was. Een vloek is een krachtterm met een godsdienstige oorsprong, zoals 'godverdomme' of 'jezus'. In ruime zin kan het ook wel staan voor iedere soort krachtterm. Een bastaardvloek onderging een klankverandering van een echte vloek, die daardoor een beetje minder aankomt zoals 'potverdomme' of 'jasses of 'potvolkoffie'. Een vloek is gewoon een 'soupapke' (ventiel) om agressie kwijt te geraken en om je emotioneel te ontlasten. Vloeken is de taal van de primaire emoties geworden en tegenwoordig zelfs een tussenwerpsel. Als men zijn trein mist, tegenwoordig een veelvoorkomend verschijnsel, daalt een 'shit' of een 'fuck' perron-geluk over de treinsporen. Kinderen denken niet aan de oorspronkelijke betekenis van zulke woorden. Maar ze leren ze wel van de grote mensen en ze gebruiken ze volop. Het gewicht van een vloek is fel verminderd en ze zijn blijkbaar bijna alledaags geworden. Kinderen snappen ook niet dat de grote mensen daar niet mee gediend zijn.

      

    Als iemand per ongeluk met een hamer op zijn vingers timmert, lanceren mensen van gelijk welke taal of gelijk welke cultuur een krachtterm of meestal een uit de kluiten gewassen vloek. Dat is omdat vloeken pijn kan verlichten. Aan de Keele-Universiteit in Engeland dienden studenten zo lang mogelijk hun hand in ijskoud water te houden. Daarbij mochten ze naar hartelust God en Klein Pierke verdoemen. Daarna mochten ze de proef nog eens herhalen, maar deze keer alleen maar een onbenullige test aflezen. Vloeken werkte dus. Daarom vloeken mensen als ze zich pijn doen en verhoogt vloeken de pijngrens. Je wekt bij jezelf een agressiereflex op. Eens goed vloeken zorgt niet alleen voor een emotionele maar ook voor een fysieke respons. Emoties worden verwerkt in de rechter hersenhelft en de fijne taal in de andere hersenkant. Door te vloeken laten we zien dat we ons niet laten doen. Oorspronkelijk was een vloek een toverwoord en een machtsmiddel van magische mensen zoals priesters, tovenaars en magiërs. Binnen onze cultuur zijn er bindingen met 'zweren' en het gerecht. Een getuige of een beschuldigde kon Gods garantie inroepen door in Gods naam te zweren of bij God zelf. De beklaagde vroeg God dan om borg te staan voor zijn goede trouw. Hij stelde zich zelfs bloot aan de goddelijke woede in geval van een meineed, zoals geformuleerd in de moeder aller vloeken 'God verdoeme mij als ik de waarheid niet spreek'.

     

    Ben jij een vloeker? En helpt het? Hoe vloek jij? Heb je een uitgebreid repertoire of is het eerder van bescheiden komaf? Je moet niet meteen hardop antwoorden. Vloeken is bijna 'des mensen 'geworden. Bij sommige mensen bouwt een vloek een echte rem in omdat zoiets niet tot hun gewone taalschat behoort. Bij mijn vava hing een straffe met goud omrande vermaning tegen de muur: 'God ziet mij, hier vloekt men niet!' Vloeken zijn niet in alle situaties bruikbaar of aanvaardbaar. Omdat ze ontstaan in het godsdienstige kader, zijn ze bij de meeste mensen aanstootgevend. Vloeken die afgeleid zijn van de naam van God of van Jezus, zijn in strijd met het tweede gebod dat het 'ijdel' gebruik van Gods naam verbiedt. Is de vloek van een atheïst even krachtig als die van een gelovige? Wat doen zij als ze met de hamer op hun vingers slaan? Misschien voelen zij zich wel geremd omdat ook zij de naam van God niet durven of kunnen gebruiken in hun krachtwoorden. Even een overzichtje. Bedenk maar eens goed of je er één van gebruikt hebt en in welke omstandigheden: 'ochgod, mijne god, godmiljaar, godalmachtig, jesses en jakkes (jezus), jezus mina, duivels, alle deksels, godverdomme, potverdomme, potdorie, potverdikke, nondedju, sakkerdju.' Je ziet het: ze komen uit alle talen! Voilà, da's genoeg geweest voor vandaag: het zou nog een gewoonte kunnen worden. Maar het lucht wel op.

      

    95 procent van de automobilisten vloekt in de auto op andere weggebruikers en meer dan je denkt. Naar het schijnt is er daarbij geen verschil tussen mannen en vrouwen. Jong én oud vloekt in het verkeer, maar de frequentie neemt af met de ouderdom. Hoewel... Ouderen reageren meer binnensmonds. De groep tot 35 jaar spant de kroon met luidkeels en veelvuldig roepen, desnoods met de nodige gebaren. Dan verandert de woordenschat in: 'onnozelaar, zot, idioot, melkboer, duivenmelker of pipo'. Creatievelingen houden het bij bloempot, grasgeit of platte pannenkoek. Sommigen zeggen: ‘wie verbiedt ons nog te vloeken, nu God ons niet meer ziet?’ Ziet God ons wel? Volgens dat kadertje bij mijn vava zeker en dat heeft hij heel zijn leven verdedigd. Er wordt behoorlijk wat verbaal geweld gebruikt, ook op de radio, de televisie, in songs en films. Kinderen raken van kleins af vertrouwd met vloeken. Trouwens, als grote mensen zo vaak vloeken, wat kan daar dan verkeerd aan zijn? Al op zeer jonge leeftijd kunnen ze plezier beleven aan vieze woorden. Als de omgeving er dan om lacht, wordt het kind als het ware  beloond. Later leren kinderen misschien dat ze door te vloeken hun eisen kracht kunnen bijzetten. Of dat ze door beledigingen of door uitbarstingen van woede makkelijker hun zin krijgen. Zo worden ze aangemoedigd om agressief en onaangepast gedrag te ontwikkelen en dat hebben ze van diezelfde grote mensen geleerd. Onder invloed van televisieseries en internet duiken Engelse scheldwoorden als shit, damnenfuck op. Voor 25- tot 50-jarigen behoren ze tot het gewone taalgebruik. Zelfs zeventigers zijn niet te verlegen om shit in de mond te nemen. Jong en oud vloeken dus steeds meer in het Engels.

    De vloekende mens is ontkerkelijkt en daardoor moeten Jezus en Maria het niet langer meer ontgelden. Vloeken is echt niet meer wat het geweest is. De krachtterm is gebleven, de betekenis veel minder. De scheldwoorden uit de 'oude doos' zijn vaak milder, spontaner en een stuk minder agressief. Door hun vaak grappig tintje helpen ze dikwijls om de angel uit een ruzie te halen en de lucht weer blauw te laten zijn. Godzijdank!

    Marcel Huysmans

    13-06-2018, 10:35 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    08-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.SJOTTERKES EN SPORTVERDWAZING

    SJOTTERKES EN SPORTVERDWAZING

     

    De uitdrukking ‘Panem et circenses’ of ‘brood en spelen’ is een voorbeeld van hoe de Romeinen de gunst van het volk wisten te winnen door aan oppervlakkige behoeften als eten en vermaak te voldoen. Het was een uitspraak van de Romeinse dichter Juvenalis die nog altijd telt. Die zei: ‘vroeger verkochten we onze stem aan niemand. Tegenwoordig heeft het volk de macht afgestaan. Eens benoemde de burger militaire hoge pieten, ambtenaren en politiekers. Nu beperkt het volk zichzelf en hoopt alleen nog op ‘brood en spelen.’ In Rusland, waar de wereldbeker plaats vindt, heet dat ‘хлебизрелища (brood en spektakel). Zelfs bij Poetin is dat waarheid (pravda).

    In het amfitheater, het circus en het Colosseum konden de Romeinen live beleven hoe gladiatoren elkaar op leven en dood bevochten en hoe men uit de bocht vloog of te pletter smakte tegen de grond. Zonder play-station. De Romeinen juichten zoals wij dat doen bij het voetbal. Bij die evenementen gaven keizers hen gratis eten en drinken: letterlijk brood en spelen dus. Zo werd het volk dom en rustig gehouden en was iedereen content. Van maandag tot vrijdag werken we van 9 tot 5 en als we thuiskomen, zetten we met een vloeiende zapbeweging de televisie aan. Het weekend is een feest waarbij sommigen hun frustraties afreageren op de scheidsrechters en op de tegenstanders van hun favoriete sportploeg. Maar die wereld is vooral kassakassa geworden.  

      

    Is er in twee eeuwen iets veranderd? Alles is blijkbaar nog zoals toen. De rijke topvoetballer dribbelt met zijn nieuwe nikes de tv-schermen plat. Dat sportschoenen in Bangladesh gemaakt worden door kinderen van 8 jaar die 14 uur per dag werken, is het minste van hun zorgen. 100 euro kost zo’n paar sportschoenen. Voor de arme kindjes is dat toch heel veel, denk je dan. Als de rijke Belg toevallig op televisie een reportage ziet over de schuldslavernij in Zuidoost-Azië, lijkt hij ervan aangedaan. Het slaafje krijgt 1 euro per dag voor 14 uur handenarbeid. Datzelfde Nike betaalt tennissers, voetballers, golfers en andere ‘atleten’ miljoenen per jaar. Eerlijkheid loert in onze maatschappij om het hoekje en dat zie je niet! De enige reactie die we in huis hebben: we kunnen er toch niets aan doen!

     

    Koning Voetbal en Keizer Euro. Na het voorbije seizoen verklaarde de meest vooraanstaande parelwitte Belgische club dat de cijfers al vele jaren donkerrood kleuren. Zonder de inkomsten van de Champions League of uitgaande transfers boekte Anderlecht vorig jaar meer dan 43 miljoen verlies. Zonder die inkomsten kon het niet eens zijn lonen uitbetalen.Men speelt hoofdzakelijk voor het geld en niet (meer) voor de sportieve uitdaging.  Spelers worden wisselgeld om de balans nog een beetje naar de goeie kant te laten hellen. Supporters ondergaan lijdzaam de verhoging van de abonnementen, want… ze hebben nood aan brood en spelen! Ook in de week is er geen gebrek aan voetbal. Televisiezenders betalen zich blauw aan televisierechten omdat de sportieve Belg de belangrijke matchen niet wil missen. Wie alle matchen op teevee wil bekijken, moet aan verschillende zenders afdokken om de superlonen van de heren voetballers mogelijk te maken. Zolang voetbal dé tv-sport blijft en heel Europa aan het scherm gekluisterd houdt, blijven de spelers vet betaalde artiesten in een fake- en fictiebusiness. Dat heet brood en spelen van de 21ste eeuw. De salarissen hebben niets meer met voetbal te maken wel met business. Wie veel publiek trekt, wordt nu eenmaal schatrijk op de kap van een ander.

    De verdwazing is meteen gestart. De eerste match is nog niet begonnen en er is al ‘duivelsmoeheid’. Het geleverde voetbal is niet altijd reclame. Voor alles is er een uitleg en de voorbije match is eigenlijk niet zo belangrijk, want in de volgende gaat het gebeuren. Een politieker zou het niet beter kunnen zeggen. Positief blijven is het belangrijkste, ook als het niet zo positief is. Achteraf denken is altijd gemakkelijker en zo kun je aan alles een uitleg geven. Er zijn wel 13 Rode Duivelssongs geschreven maar de meeste worden nooit gedraaid, zeker niet gezongen en dikwijls onverstaanbaar. Om alles spannender en geheimzinniger te maken werd het ‘achter het handje spreken’ ingevoerd en liplezen verhoogt de speculatiewaarde van wie Sherlock Holmes wil spelen.

    Het stadion is onze tempel geworden en de televisie onze kerk. Voetbalvirtuozen zijn de goden die met ware hartstocht aanbeden worden. Wereld en kerk gaan hier als gezworen kameraden samen hand in hand. Een mensenstroom verdringt zich om in de stadions een plaats te bemachtigen, terwijl anderen aan het scherm gekluisterd zitten om zich te vergapen aan de valse religie. Misschien had Johannes-Paulus II toch gelijk: ‘van alle onbelangrijke zaken is voetbal het belangrijkste geworden’. Je weet dat de paus toch onvijlbaar is!

    Sporten is mooi en goed voor je ontwikkeling. Sporten vormt je karakter. Met sporten verbeter je je sociale vaardigheden. Ik heb een grote bewondering voor al die vrijwilligers die belangloos hun vrije tijd in de sportclub stoppen om de jeugd de geheimen van spelen en samenspelen te leren. Bij de sport zoals ik die tegenwoordig in mijn krant lees en die in tv-programma’s urenlang van commentaar wordt voorzien, haak ik af. Daar gaat het niet meer over sport en sportiviteit. Daar gaat het over keiharde business. Dan is sporten ineens niet meer mooi en niet goed meer voor de ontwikkeling en het karakter. Dan worden sociale vaardigheden eerder afgebroken dan opgebouwd. Het enige doel van deze sport is winst en roem. Dan gaat mijn televisie af.

      

    Daar komen vodden van. De top is maar aan een beperkt aantal mensen voorbehouden en niet voor iedereen is eer, media-aandacht en rijkdom weggelegd. Als de sporter daarmee wordt geconfronteerd, moet de psychiater meteen een oogje in het zeil te houden. Wordt er niet gewonnen, dan zetten we de boel op stelten, breken we de tent af en dreigt de crisis. Ouders en grootouders roepen langs de lijn tegen hun kinderen en kleinkinderen dat de poten van hun tegenstanders een effectiever doelwit zijn dan de bal. Zo gaat dat als we het spel uit het oog verliezen. De schoppende mens of homo frustraticus is in de plaats van de homo ludens gekomen. Zo leren kinderen dat alles om geld draait. Of niet?  Laat mijn enthousiaste kleinkinderen dan maar demonstreren wat en hoe een cross-over, een panna, een Zidane-draai en een panenka-penalty worden uitgevoerd. Of laat ze gewoon maar met de sjotterkes spelen. Daar heb ik tenminste nog plezier van.
    Marcel Huysmans

    08-06-2018, 15:27 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    30-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AFZIEN MAG, AFSCHRIJVEN NIET

    AFZIEN MAG, AFSCHRIJVEN NIET …

     

    ‘Ze’ zijn weer op komst: de zenuwenfabrieken van alle studerenden en van de kaarsjesbrandende moeders én grootmoeders. Examens zijn van alle tijden. Vandaag zijn het andere tijden en dus zijn examens anders en komen nieuwe zeden en gewoonten hun kopje bovensteken op alle niveaus en in al hun onhebbelijkheden. Een van de slagzinnen van mijn vroegere collega van Itterbeek tijdens de examens was: ‘afzien mag, afschrijven niet!’ Met deze nuchtere opmerking tijdens het ‘surveilleren’ – die niet van enig sarcasme en ironie gespeend was – zette hij de tendens voor zijn geduldig heen en weer lopen tijdens de schriftelijke examens en was iedereen tegelijk gewaarschuwd. In die omstandigheden mocht je dus niet afschrijven van een van je collega’s leerlingen en evenmin mocht je niet-toegelaten hulpmiddelen gebruiken in je zoektocht naar de juiste antwoorden. Dat soort afschrijven is nog altijd niet toegelaten, hoewel de gebruikte technieken met de technologische ontwikkelingen zijn geëvolueerd. Maar andere soorten afschrijven hebben zich gaandeweg de laatste jaren gemanifesteerd en waren niet tegen te houden…

      

    Eerst kwamen de rekentoestellen. In mijn studententijd aan de unief was het ondenkbaar dat je een rekentoestelletje mocht gebruiken voor het vak numerisch rekenen. Voor het opzoeken van sinussen, cosinussen en ander getangens moesten we numerische en logaritmische tabellenboeken exploiteren. Het enige ‘kunstmatig’ hulpmiddel om benaderend maar snel resultaten te boeken, was een rekenlat. Je moet al erg zoeken om zo’n ding nog terug te vinden of te zien en zeker om erop rekenen houdt voor de meesten het midden tussen sterrenwichelarij en toveren. In het begin van mijn onderwijsloopbaan waren ook rekentoestelletjes nog verboden. Rond 1973 doken ze op met als koplopers HP, Canon, Casio en Texas Instruments. Gaandeweg mocht je die dingen gebruiken waarvoor ze moesten dienen, maar er kwamen ook toestellen die je kon programmeren, met magnetische kaartjes of vanuit je eigen wiskundekwaliteiten. Voor de toezichters zonder ‘toestellenkennis’ werd het moeilijker om bedriegers te ontmaskeren en daarom stelden slimme (en rijke scholen) een doos met identieke toestellen ter beschikking om niemand te benadelen. Toen kwam de tsunami van de ‘rekenmachientjes’, een vloedgolf die niet meer te stoppen was… Rekenen kon niet meer zonder! Ik heb zelfs een Belgische prins gekend die weigerde aan een overhoring deel te nemen omdat hij zijn rekenmachine niet had.

     

    In het hoger onderwijs hing er iets magisch over zaligmakende en zenuwvretende thesissen, scripties en eindwerken. Dat was als hoogstpersoonlijk werk bedoeld maar je kon ook iemand anders voor je laten schrijven. Dan werkte je met ‘ghostwriters’, zoals J.P. Van Rossem dat dikwijls voor anderen deed. Je kon ook met anderen samen werken, wat daarvoor zelfs verboden was. Als dat eerlijk gebeurde, leerde iedereen ervan, maar zo werden weinigen slimmer, en de meesten luier en dommer. Bij oneerlijkheid (ergens anders afgeschreven), mocht je het wel schudden. Op de computer kon je toen hoogstens boekbesprekingen downloaden, maar leraren waren ook niet van de domsten en wisten ook waar de mosterd vandaan kwam. In de geschreven teksten van thesissen kon je met de nodige spitsvondigheid afleiden of de betrokken student het geheel al dan niet zelf geproduceerd had. Soms verraadde hij zich door voor één begrip drie verschillende termen te gebruiken, afhankelijk van de brochure die hij bij diverse banken had opgesnord. Daar kwamen de echten naar boven en kon je zien of iemand zijn opzoekwerk en persoonlijke verwerking wel degelijk had gevoerd. Een verzameling van dergelijke steken die men met al te grote herhaling liet vallen, deed bij de juryleden de uitreiking van de verdiende punten in grote mate dalen… Afschrijven en jezelf verraden mocht duidelijk niet.

     

    Ineens werd de google-maatschappij springlevend. In fracties van een seconde haalde je onnoemelijk veel artikels over een onderwerp binnen. De firma Google vist supersnel in haar grote fichenbak waarbij al de duurbetaalde Winklerprinsen ter plekke sterven in het boekenrek waar de ze laatste twintig jaar nog amper afgestoft zijn, laat staan gelezen. Google lost het voor jou op en schotelt alles gerangschikt op een dienbord gebruiksklaar voor. Je grijpgrage klauwen naar informatie nemen dit gretig aan en zorgen voor een massa aan informatie waarin je eerder kan verdrinken dan door het bos de bomen nog zien. Wie zeer gedisciplineerd te werk gaat en accuraat zijn opzoekingen verfijnt, kan ook wijze woorden en teksten aan het printerpapier toevertrouwen. Het eigen opzoekingswerk in bibliotheken of gespecialiseerde tijdschriften neemt af en op het gevraagde niveau kun je je heel goed uit de slag trekken met de bijeengegoogelde resultaten. Hoe meer je de materie persoonlijk verwerkt en tot je eigen bezit maakt, des te meer bouw je een eigen stelling en dus ook een eigen degelijke thesis op.

      

    De speurneuzende boswachters moesten hun reukorgaan heroriënteren. Leraars en docenten moeten  nu meer doen om onfrisse praktijken op te sporen dan dat leerlingen/stropers nodig hebben om hun goede bedoelingen te verdoezelen. Docenten in het hoger onderwijs klagen dat ze het alsmaar moeilijker hebben om scripties te kunnen vertrouwen. De student kiest zijn onderwerp, zet zich aan zijn computer, schakelt zijn zoekmachine in, winkelt uitvoerig in de teksten die hij op het scherm aangereikt krijgt en schiet dan in actie. Hij selecteert, kopieert, arrangeert en plakt en scharrelt op die manier zijn ‘wetenschappelijk werk’ bij elkaar. Voetnoten, die naar die dingen verwijzen, vallen meestal naast de bladzijde en alleen die bronnen die echt op papier geconsulteerd werden, verdwijnen meer en meer van de litteratuurlijst. Als je zo’n student bij de opvolging aan het verstand probeert te brengen dat dergelijke scriptie geen wetenschap maar de opslagplaats van een diefstal is, reageert hij meestal verbaasd of zelfs verontwaardigd. Het staat toch op internet! En, weet je wel hoeveel werk het gevraagd heeft om het allemaal bijeen te vinden?... Zwakke redenering natuurlijk!

     

    Een scriptie moet gewoon je eigen werk zijn. Je mag altijd uit andere bronnen citeren, maar die verwijzingen moeten wel in verhouding staan tot je eigen inbreng. Tegenwoordig is het in heel wat hogescholen de gewoonte dat op de eerste bladzijde van een thesis – en persoonlijk ondertekend door de betrokken student(en) – vermeld staat dat de authenticiteit van de scriptie gewaarborgd is en dat geen stukken werden overgenomen zonder bronvermelding. Het is een verklaring op erewoord. Op die manier weet die student waaraan hij zich blootstelt en zo geeft de docent/boswachter eigenlijk ook toe dat hij het zelf ook niet meer durft te zeggen… De digitale snelweg heeft veel deuren geopend om informatie te vergaren. Het is dan ook logisch dat daar driftig gebruik wordt van gemaakt. Maar dan gelden de regels: bronvermelding en met mate.

    Je mag nog altijd heel veel inspanningen leveren: afzien mag, afschrijven niet!

     

    Marcel Huysmans

    30-05-2018, 16:22 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    23-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.OORLOG: MEER LITTEKENS DAN ERETEKENS

    OORLOG: MEER LITTEKENS DAN ERETEKENS

     

    Een maand geleden was ik voor een verlengd weekend in de Westhoek. Ik ben daar weer de wereld van de waanzin tegengekomen. Het einde van de eerste wereldoorlog hangt er overal nog alle dagen in de lucht. Na 1568 dagen waanzinnig wereldwijd oorlog voeren proclameerden de Duitsers, Fransen en Engelsen 'het staakt-het-vuren van Den Grooten Oorlog'  in een treinwagon in het Franse Compiègne. Die wagon staat er nog altijd als getuige. De afrekening telde 8,5 miljoen mensenlevens en alleen in de Westhoek sneuvelden 400.000 jonge mensen in een niets ontziende loopgravenoorlog. Ik heb die oorlog niet meegemaakt en gelukkig ook geen andere. Ik ben 'van na den oorlog' en dat wil ook zo houden. Maar iedere keer als ik in de Westhoek kom, herinneren borden eraan dat ik onderweg ben naar een monument, begraafplaats of relict uit die oorlog. Om niet te vergeten!

      

    In de Westhoek vind je de oorlog weere, en 't graf van duizend soldaten: altijd iemands vader, altijd iemands kind... Vermandere zingt erover en je wordt er stil van. In die stille steden van de dood word je met een teletijdmachine onwillekeurig teruggevoerd naar 14-18, ook al is het 100 jaar geleden. De namen van soldaten van 20 jaar, of 18 of zelfs 14 jaar staan er in kille bonkige stenen tafelen gebeiteld, om altijd weer aan te denken. In Flanders Fields, waar de klaprozen bloeiden, groeiden vijfentwintig jaar later weer rijen eenvormige kruisjes die herinneren aan de veelheid van zoveel jonge mensen. In Vladslo stond ik in de druilerige regen bij het in steen gekapte "Treurende Ouderpaar"van Käthe Kollwitz (1867-1945) die haar verdriet, onmacht en moederleed voor eeuwig vorm gaf. Voor haar waren "de eigenlijke verliezers van de oorlog altijd de ouders, de vrouwen en vooral de moeders". Toen Hitler in 1933 rijkskanselier werd, mocht ze haar beelden niet langer tonen. Zo lang mensen een oorlog van binnen hebben, zal er buiten hen ook oorlog zijn. Ik vertelde het verhaal van Hans en Peter Kollwitz aan mijn kleinkinderen en tussen de 24.000 op steen gebeitelde namen zochten en vonden we de naam van Peter terug: Peter Kollwitz Musketier 23 10 1914. Toen was het even stil.

     

    Bij het begin van WO I nam haar zoon Hans dienst in het leger en ook zijn jongere broer Peter trok naar het front in Vlaanderen. Hij sneuvelde in Diksmuide op 23 oktober 1914 en rustte eerst op het soldatenkerkhof Roggeveld bij Esen, midden de eenzame vlakten waar de IJzer stroomt. Later werd hij overgebracht naar Vladslo, vlakbij Diksmuide. Käthe reageerde fel op de moeders die in oorlogstijd - tegen beter weten in - de levens van hun zonen zomaar te grabbel gooiden voor de loop van honderden kanonnen, nadat ze zelf zoveel jaren zo goed voor 'hun jongens' hadden gezorgd. De onverstaanbaarheid, het onbegrip en de neerslachtigheid werden er alleen maar schrijnender door. Een jonge Duitse schrijver wilde op het einde van de oorlog jonge vrijwilligers ronselen 'om de eer van het vaderland te redden'. Zij reageerde hierop met een Goethe-citaat:"er zijn al genoeg doden gevallen en zaaigraan mag je nooit vermalen!". Toen Peter gesneuveld was, antwoordde ze aan zijn vrienden die een halsdoek voor hem hadden opgestuurd:"deze sjaal zal Peter niet meer verwarmen, want hij ligt dood onder de aarde bij Diksmuide". Kort daarna startte ze met een beeld als rouwmonument voor haar zoon en ze werkte er 18 jaar aan: even lang als Peters leeftijd toen hij sneuvelde. In 1956 belandden de beelden van Esen in Vladslo. Dat treurende ouderpaar stelt het leed van een gebroken moeder en een wezenloze vader voor die met een lege blik over de graven staart. Tussen de namen op de grafsteen links voor het vaderbeeld staat: Peter Kollwitz, Musketier, 23.10.14. Het regende nog altijd, maar we werden toch een beetje stiller, kouder en natter.

     

    Een oorlog kent nooit winnaars, enkel verliezers. Je kunt sterven als een held, maar een medaille betekent niets als je ze postuum krijgt of als je er onder begraven ligt. Oorlog neemt veel, maar geeft niks. Wie neemt het initiatief om een oorlog te beginnen en waarom volgt iedereen dan? Omdat er altijd slimmeriken zijn die denken dat ze kunnen winnen. Oorlog is eigenlijk toch maar bloedvergieten op zoek naar vrede. Vrede is feitelijk de voortzetting van de strijd maar dan zonder bloedvergieten. In vredestijd heb je nog wetten of controlemechanismen, maar in een oorlog vallen die allemaal weg. Alleen gruwel en waanzin blijven over. Iedere kogel, raket of gasaanval veroorzaakt nog meer haat. Chemische wapens zijn alleen maar bedoeld om mensen buiten gevecht te stellen, te verwonden of te doden. Ze respecteren de dode materie en maken van levende wezens ook dode materie. Ze vormen het summum van waanzin en onmenselijkheid niet alleen in het brein van getormenteerde zielen maar ook in de slaafsheid van geïndoctrineerde navolgers en meelopers. Daarom is het Verdrag tegen Chemische Wapens een wereldwijd verbod op het gebruik en het in voorraad hebben van zulke chemische ondingen levensbelangrijk. En toch durft Assad in Syrië anno 2018 nog kinderen en volwassenen aanvallen met oorlogsgas. We liepen nog door de fameuze Dodengang in Diksmuide en voelden een beetje de kou en de miserie van die duizenden  soldaten. De drashregen hielp ons daarbij nog.

      

    Dan heb je tegenwoordig nog de heilige oorlogen die wegens religieuze opvattingen, vermeende goddelijke verplichtingen of ter verdediging van 'heilige' gebieden gevoerd worden. Vandaag de dag worden mensen opgeroepen tot een 'heilige' oorlog die altijd barbaars is en allesbehalve heilig. Heilig betekent hoop, liefde en geluk voor iedereen. Oorlog is altijd ongeluk, verdriet angst, dood en verderf. Wat kan het God of Allah schelen wie welke oorlog zal winnen? Voor wie zou hij moeten kiezen? God kiest niet de minst erge van twee kwalen maar laat mensen de vrijheid om eigen keuzes te maken. Oorlog is iets wat de mensen hebben uitgevonden en daar komt God niet in tussen.

    Nederland en België - en ook nog andere landen - hebben een oorlogsgeschiedenis, maar ze zijn nogal vergeetachtig. Ze sturen mensen naar oorlogsgebied om te 'helpen' en om ver of dichterbij verwikkeld te geraken in een strijd die nooit te winnen valt. Mensen kun je uitroeien, ideeën niet. Waanzin evenmin.

    En dan zijn er nog die zeggen dat ook voetbal oorlog is... Was oorlog maar voetbal, dan kon de scheidsrechter tenminste de strijd staken...

    Marcel Huysmans

    23-05-2018, 21:49 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (1)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    17-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.EXTREME ALLERGIE: KERMISSEN EN FOREN

     

    EXTREME ALLERGIE: KERMISSEN EN FOREN

     

    Vandaag de dag staat het goed als je tegen vrienden en kennissen kunt zeggen dat je een ‘allergie’ hebt. Je beantwoordt hiermee aan de algemeen verspreide gedachte dat er iets in je leven is waar je helemaal niet tegen kunt en dat je beschouwt als iets van jezelf of tegen jezelf.  Erger zelfs: het werkt op je systeem en het hoeven helemaal geen lichaamsvreemde stoffen te zijn die een reactie veroorzaken binnen je immuunsysteem. Ik heb persoonlijk geen last van stuifmeelkorrels, huidschilfers van dieren of uitwerpselen van de huisstofmijt. Ik wandel ook niet met een loopneus, heb geen tranende ogen, mag nog ongeremd krabben als het jeukt en de momenten dat ik spuitaflatende diarree of verregaande benauwdheid krijg, zijn op de vingers van één hand te tellen. Toch zijn er twee dingen die op mijn zenuwstelsel werken en die onvoorspelbare reacties op mijn gemoed en mijn humeur veroorzaken. Dat zijn gezelschapsspelen, zoals daar zijn kaarten, dobbelstenen gooien in alle mogelijke varianten en met wisselende spelregels of ander Halmagedoe èn kermissen. Van heel die santenboetiek heb ik wel een superallergie overgehouden: alles wat ruikt en ademt naar alle mogelijke vormen van kermissen – van paardenmolen over schietkraam tot pretpark- bezorgt me rillingen en onbeheersbare kermisvrees. Vandaag wil ik me beperken tot de kermissen en foren: het is er de tijd voor!

     

    Een kermis of foor vind ik een evenement dat vooral bedoeld is om mezelf  zeker niet te vermaken, maar anderen wel en dat moedig ik ongeremd en uitgebreid voor mijn uitbundige medemens aan. Van oorsprong was de kermis een jaarmarkt ter gelegenheid van de wijdingsdag van de patroonheilige van de parochie of de wijk. Kermis is dan ook een verbastering van kerkmis of kerke-misse. Op die dag stroomde het volk en de families samen om de patroonheilige te vieren en te vereren. In de steden verloor de kermis meestal de band met het religieuze feest waarvan het afgeleid was, maar in vele dorpen gaan beide nog hand in hand en gaat zelfs op de wijdingsdag nog een processie uit. Geef toe: dat zijn uitzonderingen. Dat neemt niet weg dat ik elke gelegenheid tot echt vieren apprecieer. Mijn verste kermisherinneringen gaan terug naar een feest (?) met paardenmolens en schommels en een feestmaal bekroond met echte Limburgse vlaaien (ik ben op 300 meter van de Limburgse grens geboren). De smaak van die gretig verorberde vlaaispieën blijft me meer dan 65 jaar later nog achtervolgen en plezieren. De aversie voor paardenmolens, schommels, botsauto’s en schietkramen is sindsdien alleen maar toegenomen. Terwijl kinderen meestal wenen als ze niet op de kermismolen mogen rondtoeren, schreeuwde ik moord en brand om me weer van dat draaiende onding af te halen. De ware psychologische achtergrond van deze tegennatuurlijke afkeer van alles dat met het risicovolle kermisbedrijf te maken had, heb ik nooit kunnen achterhalen en daarvoor heb ik misschien nog een tweede leven nodig.

     

    Van nature had ik altijd belangstelling voor het fenomeen ‘kermis’, zolang ik er zelf maar niet moest aan deelnemen. Ik ben in mijn leven twee keer op de Sinksenfoor geweest. Die is gegroeid uit de Antwerpse jaarmarkt die sinds de 13de eeuw rond Sinksen plaatsvond. Vanaf 1875 tot in 1969 stond de kermis op de Leien maar verhuisde toen wegens de verkeersdrukte naar de Gedempte Zuiderdokken. Mijn twee bezoeken zijn gelokaliseerd op die twee plaatsen. Helaas. Op Spoor Oost of in de 85 m hoge Mine Tower zal ik waarschijnlijk nooit meer geraken. De eerste keer bezocht ik met mijn ouders de foor op de Leien rond 1950. Ik herinner me nog ‘de Lut met den Beer’, de ‘spookhuizen’ en ‘rupsen’ die me altijd een vraag naar avontuurlijkheid, spanning en geheimzinnigheid deden veronderstellen maar me toch nooit konden bekoren. Dat verstond ik niet. Baardvrouwen, goochelaars en waarzeggers lokten kermisvierders en misvormde menselijke wezens werden als rariteiten voor normale mensen uitgebuit. Veiligheid is een grote factor in het kritisch bekijken van heel het kermisgebeuren. De mensen zijn wat losser en zo komen risicos’ sneller dichterbij. Misschien is dit een beetje beroepsmisvorming. De peter van mijn vader is na een kermis in Mol een been kwijtgespeeld in een ‘stuur’, een Molse schommel die als uitermate prettig werd voorgesteld. Dat ongeval van ‘nonkel Jef’ werd in de familie honderden keren verteld en vormde wellicht toch de kiem van mijn kermisaversie. De tweede keer dat ik de Sinksenfoor bezocht was samen met mijn vrouw. Het was in 1973. Spijts mijn natuurlijke afkeer stond ik toen voor het eerst voor een schietkraam. Ik gebruikte toen als noviteit een loodjesgeweer en zou het later nooit meer ‘bespelen’. De Sinksenfoor was dus niet aan mij besteed en het werd een definitief adieu.

     

    Voor heel wat mensen was kermis de enige gelegenheid tot uitgaan en als je toevallig veel centen had, leidde dat tot zwaar alcoholgebruik en de gevolgen ervan: dronkemanstaferelen, vechtpartijen en buitenechtelijke vrijpartijen. Erotisch getinte en zelfs seksuele opvoeringen in afgesloten tenten, activiteiten als ‘dwergwerpen’, weddenschappen en gokspelen en ‘sterke mannen’ werden als ideale kermisattracties opgevoerd. Ik besef nu dat dit allemaal aan mij is voorbijgegaan. Anno 2012 was de Sinksenfoor inzet van zware discussies: in welke mate is dergelijk evenement een belasting op de gemoedsrust van ‘de nieuwe Antwerpenaar?’ Is de brave burger die gekozen heeft voor de relatieve rust van de Gedempte Zuiderdokken nog wel aanspreekbaar voor een gebeuren dat de hele buurt gedurende 4 tot 6 weken doet ontwaken uit zijn vredige parkeeractiviteit om plaats te maken voor een geldverslindend rustverstorend gebeuren dat eens per jaar de uitgaansklep van de verstokte Antwerpenaar doet klepperen? Gelukkig gebeurde in 2015 de achteraf toch gelukte verhuis naar Park Spoor Oost. Nu zijn de mensen – gemeentebestuur , bezoekers en foorkramers - opnieuw content.

    Eén en géén probleem zijn mijn kinderen en kleinkinderen. Ze zijn grootgebracht met het ‘Ros Beiaardsyndroom’. Dit wil zeggen dat zij van kleins af in Dendermonde hebben kunnen smullen van ‘Katuit’, ‘Ros Beiaardommegangen’ en kermissen allerhande. Zij kennen en smaken – nu al en altijd opnieuw – de feestelijke genoegdoeningen van al die kermisattracties, van paardenmolen over eendjesvissen tot casinospeeltjes en voeren rondedansjes uit als zij één van die attracties met hun aanwezigheid mogen en kunnen vereren, daarbij geholpen door hun enthousiaste oma en tante Roos. En bij zoveel inzet, speelplezier en kermisvreugde verzinkt mijn kermis- en foorallergie helemaal in de achtergrond bij hun kermisenthousiasme. Dat is op dit ogenblik niet meer terug te schroeven.

    Het zij zo! Aangename kermismaking!

    Marcel Huysmans

    17-05-2018, 15:31 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    11-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERGISSINGEN VAN MEI? OF VAN IEMAND ANDERS?

    VERGISSINGEN VAN MEI?

    OF VAN IEMAND ANDERS?

     

    De laatste avond van de zonnedagen  van vorige week was de zon met een beetje winderig gevoel roodromantisch ondergegaan - zoals zij dat al eeuwen doet - en ik zat aan de tafel toen ik plots een kleine, droge ‘tok’ hoorde tegen de ruit van de schuifdeur. Het was echt niet de moeite om er op te letten… en dus las ik verder! Maar dinsdagmorgen duwde ik de terrasdeur open en zag de onbenullige ‘tok’ op de grond liggen: met de poten onbeweeglijk omhoog, zijn zwarte lijf naar boven en onderaan zijn bruine mooi opgevouwen vleugels. Dat moest die brokkenpiloot van tegen de ruit zijn! Een meikever was op zijn rug beland, had het niet overleefd en kon ook niet meer gerepareerd worden zoals het beschadigde exemplaar van Panamarenko uit 2006, dat uit het ‘smak’ was weggepikt. Eigenlijk noemden we ze vroeger mulders, molders of zelfs moldenaars. Voor meikevers bestaan er wel honderd dialectnamen, allemaal goedgekozen en met een levensverhaal nabij een beukenhaag. Lang geleden kwam je ze regelmatig tegen maar de laatste 5 jaren heb ik ze nog maar weinig gezien.

                                                                                               

    Hun openbaar leven is mini. De eitjes van de meikever worden in de grond gedeponeerd en dat worden dan larven. Omdat ze zo’n drie, vier jaar onder de grond blijven eten noemt men ze ‘engerlingen’, eigenlijk een beetje een nare naam. Ze vreten zich helemaal vol met alleen maar wortels. Daarom werden ze jarenlang door de tuinders bestreden en gedood en daarom worden ze zo zeldzaam. Wie overleefde als kever, had de gewoonte in mei naar boven te komen, maar soms gebeurde dat al vroeger. We vingen ze vroeger – na het ‘uitkomen’ – op eiken- en beukenhagen. Of… ze kwamen naar het licht, zoals die ene met de fatale landing tegen de ruit! Als kind parkeerden we hen als levende trofee in een lucifersdoosje – met gaatjes én een frisgroen blaadje - en vooral ’s avonds was het een geritsel van belang. ’s Anderendaags maakte het diertje dan meestal een reis in de broekzak en mocht voor het eerst naar school. Aan één van de poten bonden we een garendraadje. Zo kon de kever zijn vleugels even uitslaan en een korte vlucht maken zonder dat hij als vermist werd opgegeven. Toen stonden we er niet bij stil dat dit zuivere dierenmishandeling was, maar Gaia bestond nog niet en we waren zeker dat de meikever er niet veel last van had en dat hij heel content was omdat hij even uit dat enge doosje weg kon.

     

    Opeens beleefden we veertien dagen geleden de warmste aprildagen sinds 1833. Aprilse grillen stonden even droog en werden vervangen door perfect zomerweer met zonnecrème en ijskreem. Door die warme dagen in april waren sommige meikevers-in-spe wel degelijk misleid en daarom haalden enkelingen hun vliegbrevet al in april. Het scheelde niet veel of de aprilklokjes waren verwelkt tegen hun hoogdag van 1 mei. Sommigen kwekers hebben ze zelfs in hun koelruimte gezet om hun groei af te remmen tegen de hoogdag van de arbeid. Je zou er nog meer vragen kunnen bij stellen. Hoe zit dat met al die vogels? Legt ieder vogeltje nog wel zijn ei in mei of heeft ie dat al in april gedaan? Jaja natuurlijk, behalve de kwartel en de griet, want die leggen in de meimaand niet… of de koekoek en de spriet, want die kennen hun nest nog niet! De zomer in de meie, zet de oude lieden aan het vrijen. Wie moet dat allemaal controleren? En wie heeft dat gedaan? Wreekt het fameuze Trumpgat in de ozonlaag – want dat is van vóór zijn tijd en alleen daarvoor is hij niet verantwoordelijk - zich op de mens? Wat gaan we nog allemaal meemaken? Is de wereld echt om zeep, want er gebeuren rare dingen rondom mij? Kunnen we en willen we er met zijn allen wel iets aan doen? Of is een meikever in april alleen maar een zot die niet weet wat hij wil?

     

    Enkele jaren geleden heb ik me laten vangen door de ijsheiligen. Ik had mijn aprilse tomatenplanten een maand te vroeg geplant en in mei heb ik ze dus een tweede kans moeten geven. Boerenwijsheid is niet dom en verstand komt maar met de jaren. Mijn ex-collega Klein Georgeske uit Buggenhout (van nature een economo- agrofiel met late roeping) keek meewarig naar mijn scheefgezakte aprilplanten en sprak de wijze woorden: “ge moet wachten tot de grond opgewarmd is. Maar ja, de jeugd van vandaag heeft geen geduld hé”. Hij plantte zelf zijn bonen half mei, na de zogenaamde ijsheiligen. Dus volgde daarna mijn tomatenplant-herexamen in mei. Sindsdien ben ik op tuinvlak devoot en vertrouwensvol geworden: er worden buiten geen bonen, erwten en tomaten meer geplant vóór de ijsheiligen of met andere woorden tot de grond voldoende is opgewarmd rond half mei. Dan rijden de ijskarretjes al een hele poos en zijn de ijsheiligen ook gepasseerd. Die hebben hun naamdagtussen 11 en 15 mei en deze controle is gemakkelijk deze week uit te voeren. In de volksweerkunde zijn dit de laatste dagen van het jaar waarop nog nachtvorst kan optreden. Mamertus, Pancratius, Servatius van Maastricht, Bonifatius van Tarsus en soms is Sophia van Roma er ook bij in het clubje van vier of vijf.  Zo zie je maar dat het voorjaar te veelbelovend en onnozel kan zijn in zijn voorzichtig, aarzelend genereren van het kan vriezen en het kan dooien. Dat noemt men lentezonden.

                                                                                

    Is de wereld onherroepelijk en onomkeerbaar naar de Filistijnen? Ja, want het proces van de opwarming van onze aardbol is ingezet en niet meer te stoppen. Tegen 2100 zal het overal, gemiddeld 3 à 5 graden warmer zijn en dat levert al gevaren op vanaf 2°C stijging. De ijskappen zullen afsmelten en de zeespiegel zal zo'n 58 centimeter stijgen. Overstromingen zullen ons deel zijn en continenten zullen onder water verdwijnen. Elders zal het extreem warm worden en honger en dorst zullen toenemen terwijl de kans op orkanen groter wordt: allemaal onze eigen schuld en eigen bult. Wij hebben de wereld die we cadeau kregen zelf om zeep geholpen: niet de apen, beren, honden of katten. Ook niet de slangen of kikkers of de wespen en muggen. Nee, wij zijn de daders: we hebben daar allemaal zelf voor gezorgd! Dus lieve vrienden: als de hond de zetel heeft kapot gekrabd of de kat hoog in de gordijnen hangt, moet je niet te hard roepen. Memento homo – bedenk o mens - wat jij allemaal zelf hebt uitgespookt!  Toch wensen we iedereen toch veel plantgenot, reuzenbonen, bolle erwten en volle rode karbonkels van tomaten!

    Marcel Huysmans

    11-05-2018, 15:40 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    04-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.OVERLEVERS VAN DE TWINTIGSTE EEUW

    OVERLEVERS VAN DE TWINTIGSTE EEUW

     

    Soms voel ik me oud worden! Te dikwijls kijk ik terug naar vroeger. Op zichzelf is dat niet erg, maar het gebeurt vaak met weemoed en dat is minstens verontrustend. Als ik in de achteruitkijkspiegel de jaren 50 – 60 – 70 zie en van dichterbij vaststel wat we allemaal hebben uitgestoken, besef ik dat we toen tegen heel veel en tegen bijna alles hebben gezondigd en nog meer verkeerd hebben gedaan. Het is bijna een wonder dat we zoveel overleefd hebben…  Ofwel hadden we een prima samenwerkende vennootschap van superengelbewaarders ofwel waren we van nature sterk en onverwoestbaar. Of misschien hebben toch nog andere dingen meegespeeld.

                                                           

    Misschien waren we lichtzinnig toen we eitjes aten, recht van onder de kip die haar lichaamsproducten zelf nog in gescharrelde toestand in het kippenhok had gelegd. Op de voeding die we kochten, stond géén vervaldatum. We dronken water uit de kraan of aan de tuinslang en bijna nooit uit de fles. Als we met kameraadjes speelden, sportten of werkten, dronken we uit dezelfde fles zonder te denken aan mogelijke besmettingen. Een verse kauwgom van een halve dag belandde toen nog op het nachtkastje en zelfs de ochtend daarop was hij nog goed voor de dienst, zij het iets minder gesuikerd. Men vertelde dat kauwgom gemaakt werd van rubber en dat je er – als je hem per ongeluk inslikte – aaneengeplakte darmen aan over hield. Ik heb ze wel geslikt, maar nooit geplakt. In scholen was kauwgom een verboden genot. Zwemmen mocht bijna overal: in elke waterloop, kanaal, visvijver of zandput was het bij mooi weer een grandioos feest en de waterplassen waar het ongezond was, kenden we niet of hadden nooit van de vervuiling gehoord. Ik leerde van onze buurman zwemmen in het Straatsburgdok tussen aangekoekte mosseltjes aan de kaai.

     

    We leefden in de jaren van roekeloze mobiliteit. In de auto’s stonden geen veiligheidsstoeltjes of kopsteunen, gordels hadden hun intrede nog niet gedaan en een airbag was enkel een gadget voor een sciencefictionverhaal voor vele jaren later. Op de autobank was het achterin gezellig en zeker niet gevaarlijk. We zaten achterop de fiets, slepend met de voeten over de grond en moesten ons vasthouden aan de schroefveren van het zadel. Mijn eerste fiets – van mijn peter gekregen – was een ‘doortrapper’ zonder kettingkast die bijna twee vingertoppen van mijn rechterhand oppeuzelde. Er waren wél terugtrapremmen en ‘sturmay-versnellingen (3)’ die, als ze ontregeld waren, enkel nog met de zwaarste versnelling lieten trappen. In die tijd werden echte flandriens gekweekt. We fietsten nog zonder helm en een kapotte band herstelden we zelf met ‘roestinnekes’ en kleine tubes lijm die altijd net uitgedroogd waren bij gebruik.

     

    Door veel rivieren en vooral riviertjes stroomde zwart water met groezelige schuimkoppen. Overal braakten fabrieksschoorstenen ongezond roet uit en stank was het afstandelijke bewijs van industriële activiteit. Er was veel minder geluidsoverlast en veel minder auto’s, maar het aantal verkeersdoden was toch drie keer zo hoog als nu. De huisarts deed zijn werk nog alleen, rookte soms permanent sigaren en voor wie er helemaal niets meer gedaan kon worden, bleef alleen nog het ‘gesticht’ over. De bakker kwam nog dagelijks aan de deur en bracht lekker vers Expobrood waarin producten zaten om het heel lang vers, mals en slap te houden, maar die additieven mogen nu niet meer. Verfresten gooide je gewoon door de wasbak en met een versleten tweepeekaa kon je nog in een roetwolk naar Frankrijk bollen. Als je last had van beestjes in je tuin dan gebruikte je lekker DDT en round-up was het moderne bestrijdingsmiddel. In die tijd heeft men het milieu uitgevonden…

     

    Toen was geluk nog heel gewoon. Poorten en deuren gingen gewoon dicht. Als je er met je vingers tussen zat, waren ze weg. Schoolbanken hadden een open inktpot en een klaptafel en als er iets mis liep in de klas, tikte de meester met een liniaal op je vingers. Met je linker hand iets aannemen was verfoeilijk en men sprak zelfs van een slechte hand, hoewel ze alleen maar het spiegelbeeld was van de andere. Zelfs schooldirecteurs maakten misbruik van hun positie om linkshandigen het leven zuur te maken. We bricoleerden zelf speelgoed, knutselden zeepkisten en hadden niet voor alles batterijen nodig. In de lagere school leerden we nog breien en matjes weven. Er bestonden geen kinderbeveiligingen aan stopcontacten, autodeuren, geneesmiddelflessen en chemische reinigingsmiddelen. We mochten buiten spelen op voorwaarde dat we thuis waren vóór het donker was. Niemand wist waar we rondhingen en de gsm bestond nog niet. We hadden nog singeltjes en elpees en pickupjes van Teppaz met de luidspreker in het deksel. Je moest of mocht zelfs naar het leger gaan, maar je moest wel wachten tot je 21 voor je meerderjarig was. Na de hoogmis kon je bij Emma nog ijsjes kopen aan een trapijskar met drie wielen voor twee keer niks. Dat zou je nu in euro niet meer kunnen omrekenen. Als je op kamp ging, mocht je in bijna alle bossen spelen en zelfs wandelen. We speelden voetbal naar één doel en als er eens iemand niet mocht of kon meespelen was dat onvoldoende om naar een psychiater te lopen of alternatief depri te worden.

                                                               

    Tijd voor nog meer flashbacks. Zich wassen gebeurde in een wasteil, een emmer of in zo’n ovale ‘basseng’: 's zomers lekker fris en 's winters nóg frisser! We verwarmden ons dicht tegen de leuvensestoof en liefst met de voeten op de rand of in de ovenruimte. We waren zo fier als een gieter als we de koolkit mochten vullen en klaarzetten voor de volgende morgen. We maakten de asbak leeg en haalden de nog brandbare kolenresten eruit. Van een slecht trekkende schouw kreeg je méér rook binnen dan van 2 pakjes ongezonde sigaretten. In die tijd speelden we zelfs op de kasseien met een oude velg en een staafje ijzer waarmee we die voortduwden. En als er een auto kwam aangereden dan riepen de verderop spelende kinderen om te verwittigen. Dat was niet echt nodig want je hóórde die auto toch aankomen.

     

    Het is een wonder dat we dat allemaal overleefd hebben.Alles bij mekaar was het vroeger toch zo slecht niet en… we hebben het vooral overleefd. Vroeger was het misschien beter dan nu, maar het is gelukkig voorbij. De toekomst was vroeger een heel stuk gezelliger, zeker als je het achteraf kunt bekijken. En was het niet beter, het was verdorie toch wel een pak simpeler!

    Marcel Huysmans

     

    04-05-2018, 14:47 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    Archief per week
  • 08/04-14/04 2019
  • 01/04-07/04 2019
  • 18/03-24/03 2019
  • 11/03-17/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 04/02-10/02 2019
  • 28/01-03/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 31/12-06/01 2019
  • 24/12-30/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 01/10-07/10 2018
  • 24/09-30/09 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 10/09-16/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 27/08-02/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 18/06-24/06 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017

    Archief per week
  • 08/04-14/04 2019
  • 01/04-07/04 2019
  • 18/03-24/03 2019
  • 11/03-17/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 04/02-10/02 2019
  • 28/01-03/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 31/12-06/01 2019
  • 24/12-30/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 01/10-07/10 2018
  • 24/09-30/09 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 10/09-16/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 27/08-02/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 18/06-24/06 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!