NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Schuinschrijfsels
Inhoud blog
  • MIJNHEER VAN AEL
  • DE FLEUR VAN ONZE SLEET
  • EEN CADEAU IS EEN PAK VAN JE HART
  • DE TROTS VAN EEN EZEL
  • VROEGER WAS ER LATER, NU ALLEEN MAAR VROEGER

    Inhoud blog
  • MIJNHEER VAN AEL
  • DE FLEUR VAN ONZE SLEET
  • EEN CADEAU IS EEN PAK VAN JE HART
  • DE TROTS VAN EEN EZEL
  • VROEGER WAS ER LATER, NU ALLEEN MAAR VROEGER

    Zoeken in blog


    Zoeken in blog


    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     



    inktlekken uit mijn pen
    08-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MIJNHEER VAN AEL

    MIJNHEER VAN AEL

     

    Enkele weken geleden las ik in de krant een artikel over geschiedenisleraar Roeland Huys van de Steinerschool in Brugge. Er stond een foto bij van een getekende man met een grote grijze en wijze Socratesbaard om alle waardige wijzen uit de Griekse geschiedenis jaloers te maken. Het was een beeld van de eerbiedwaardige Hiëronymus van Stridon (347-420 na Chr.) Hij was een van vier grote kerkvaders van het Westen. Een kerkvader had meestal geen kinderen en het waren meestal bisschoppen die de edele schrijfkunst en de lerarenbekwaamheid beoefenden om daarna theologische geschriften te plegen. Zo kon iedereen er later van genieten. Hiëronymus was zo’n pater ecclesiae . Zijn naam betekende ‘met een heilige naam’ en hij was de peetvader voor al diegenen die wij Jeroen, Jerom en Jeroom zouden noemen.

    Van leerkrachten wordt redelijkerwijze verwacht dat ze de leerstof op een boeiende manier kunnen overbrengen op hun discipelen. Dat heeft deze geschiedenisleraar uit Brugge alvast goed begrepen. Om zijn leerlingen te motiveren voor zijn vak en de leerstof bevattelijk te maken, tovert hij iedere keer grote krijttekeningen op het bord. Zo probeert meester Roeland zijn leerlingen iets bij te brengen over het kerkvadersbelang voor de theologie, maar ook over de kenmerken van de barokkunst. Vooral uit klassieke werken haalt hij zijn inspiratie voor nieuwe geschiedenislessen. Twee jaar al doet hij het en telkens gaat zo’n tekening een nieuwe periode in de geschiedenis vooraf. Zijn leerlingen vinden het maar al te gaaf en cool, want het zijn stuk voor stuk pareltjes. Tijdens zijn lessen gaat het er belangstellend aan toe.

    Het doet me onmiddellijk terugdenken aan mijn onderwijzer uit het vijfde leerjaar. Meester Van Ael bleek de eeuwige jeugd te bezitten. Leon – want dat was zijn voornaam – was de meester van mijn vijfde studiejaar. Hij was creatief, sportief, attractief, humoristisch en derhalve héél populair. Hij was bovendien oud-midvoor van rood-wit Tubantia Borgerhout, een toenmalige derdeklasser uit het voetbal. Daarna speelde hij nog – tot ver boven de vijftig – in het  Katholiek Sportverbond. Hij presteerde niet alleen op het veld maar ook ernaast. Hij organiseerde een mini voetbalcompetitie op de speelplaats tussen de verschillende klassen wat ooit de oorzaak was van mijn verregaande sletigheid aan schoenen. Een nieuw paar hield het amper een paar weken uit. Nu weet ik hoe het komt dat mijn kleinkinderen zo dikwijls nieuwe schoenen nodig hebben. De leraars arbitreerden er op los en elke middag was  het feest voor de klassen die tegen elkaar het veld op wilden. Dat kon alleen als er  niet te veel plassen stonden en volgens ons stonden die er bijna nooit. De leraars dachten daar dikwijls anders over. Maar het was altijd spannend en zorgde voor veel commentaar.

    Elke maandagmorgen hingen zijn fans rond hem met altijd dezelfde vragen. Hoe is het geweest? Hoeveel goals heb je gemaakt? Zijn er plezante dingen gebeurd? Toch niet gekwetst zeker? Hij verstond ook de kunst om in de klas een sportloze competitie op het getouw te zetten. In september ging de voetbalcompetitie van start. Binnen de klas werden voetbalploegjes van een viertal leerlingen gevormd die individueel door goed werk (rekenen – vraagstukken – een opstel – quizzen – dictee) goals konden verdienen die dan na één week het resultaat tussen de verschillende wedstrijdploegen bepaalden. Daarvan werd een algemene rangschikking opgemaakt en uiteindelijk een kampioenenploeg gevierd. Na Kerstmis begonnen de zesdaagsen, waarbij de doelpunten werden vervangen door bonusronden op de piste. Na een zesdaagse die wel drie weken duurde was ook daar een eindoverwinnaar. En na Pasen reden we de Ronde van Frankrijk waarbij een dagelijks klassement en een algemene rangschikking werd opgesteld, compleet met een gele en een groene trui. Dé bollentrui bestond toen nog niet. Zo was de klas één grote indoorcompetitie met openluchtverwijzingen. Op het einde van het schooljaar kwam Meester Van Ael aangezeuld met een grote draagtas, gevuld met snoep en prijzen. Toen wisten we nog niet wat diabetes was. Die prijzen waren voor de overwinnaars én voor de verliezers, want ook dat was didactisch onderbouwd en verantwoord. De meester was onze grote Manitou.

     

    Ook mijnheer Van Ael, een degelijke rossige Vlaamse helmboswuivende kop met een uitzonderlijk talent, hanteerde toen al de acht kleurenkrijtjes om op het bord seizoenstaferelen te ‘schilderen’. In de lente waren dat frisgroene blaadjes aan de bomen naast een kabbelend beekje. Voor de herfst koos hij een hemels kleurenpalet van  afgevallen bladeren langs een fascinerende dreef. In de winter toverde hij een sneeuwlandschap en deed de letters van ‘winter’ helemaal besneeuwen dat je het er echt koud van kreeg. Voor elk seizoen kwam er een nieuwe tekening, behalve voor de zomer want dan was het grote vakantie. Met het puntje van de tong likte hij aan zijn krijtjes, want dan bleven de krijtpenselen beter ‘plakken’. Ergens ligt er nog een zwart-witfoto van zo’n herfstschilderij, maar ze zit te goed verborgen in mijn archieven. Leon Van Ael was een meester van de oude stempel. Hij kon bemeesteren en begeesteren en was dus een prima onderwijzer.

     

    Ooit had hij zijn adres verklapt.  50 jaar later stond dat nog in mijn geheugen gegrift. Ik googelde Van Ael, straat, huisnummer en Borgerhout in de computer. Zo vond ik een vijftal jaren geleden de naam en het telefoonnummer terug van mijn onderwijzer uit het vijfde studiejaar. Ik belde het nummer en ik kreeg zowaar de enige echte Leon Van Ael aan de telefoon. Hij wist nog wie ik was en tot slot van het telefoontje spraken we op een druilerige dinsdagmiddag af in Borgerhout. Het werd een onvergetelijke namiddag met herinneringen die bij beide partijen waren blijven hangen, of die enerzijds door de mazen van de geschiedenis waren weggesijpeld. We dronken samen een paar koffies en lieten 1956 weer een beetje herleven. Ook het tekenen, voetballen en de competitie, de Zesdaagse en de Ronde van Frankrijk kwamen weer tot leven. Het deed ons echt deugd en we spraken af om nog eens verder te vertellen.

      

    Helaas. Een goed jaar later las ik in de krant het overlijdensbericht van Leon. Het kon niet duidelijker zijn. Leo (!) Van Ael studeerde aan de bisschoppelijke Normaalschool in Sint-Niklaas. Uitgangsjaar 1943. °Zoersel 25/02/1924   +Boechout 11/04/2015. Een onderwijzer en innemende mens om nooit te vergeten. Hij werd 91 jaar.

    Marcel Huysmans

     

    08-01-2019, 01:40 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    01-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE FLEUR VAN ONZE SLEET

    DE FLEUR VAN ONZE SLEET

     

    Niet alleen een overjaarse diesel – al dan niet met laag emitterende gunstige euronorm – moet elk jaar gedisciplineerd voorrijden bij de autokeuring. Voor een technische controle op het reilen en zeilen van je lijf heb je dan weer een arts nodig. Soms zijn het er zelfs meer. Ze delen geen groene of rode kaarten uit, hebben eerder belangstelling voor je luchtuitlaat en hartenpomp, en ze schrijven hun voorschriften of suggesties op witte of groene briefjes. Door de jaren wordt dat menselijke partiële tekortenlijstje langer. Ook de ernstgraad neemt gradueel toe. Vanaf het ogenblik dat zoiets exponentieel gebeurt, gaan allerlei alarmpjes af en dienen bevoegde instanties opgezocht voor verdere controle. Na een kijk-, luister- en detectiekuur via echopeilingen en angstaanjagende scans wordt dan een verdict uitgesproken dat eerder lijkt op een vonnis dan op een aanmatigende nota. Als je tenminste de geleerde medische termen een beetje begrijpt. Zoiets komt aan als een patat om je oren, zodat je meteen beseft dat de situatie overernstig blijkt en Keulen niet zo ver meer is om het daar te horen donderen. 

      

    Mijnheer, we kunnen niet veel meer ingrijpen. Opereren is te riskant, bij kleine ingreepjes moeten we het niet meer zoeken. Het enige wat nog zou kunnen, is een transplantatie, maar daar ben je te oud voor… Na 65 is de operatie te riskant, de wachttijd te lang en de afstootmedicatie te belastend om nog veel succes te kennen. Het enige wat nog wél kan, is je elastiek proberen een beetje langer te maken. Voor zover dat nog mogelijk is. Ze noemen dat ook strijden met de wapens die je nog hebt, in de hoop dat de carrosserie en de vering de motor nog kunnen helpen met afdoende hulpmiddelen en kleine trucjes.

    Ik heb me onmiddellijk een paar bretellen gekocht en een nieuwe snelbinder op mijn fiets, want die verlengen mijn elastiek ook al. Of die alleen zullen helpen geloof ik nooit. In zo’n geval dien je de bestaande situatie te bekijken en alle hulpmiddelen die het leven draaglijker en langer kunnen maken op te zoeken.

     

    Het leven wordt aanpassen en creatieve oplossingen zoeken naar dingen waarmee je tijdens je vroeger parcours nooit geconfronteerd werd. Dergelijke zaken worden alsmaar talrijker en meer nodig. De oplossingen zijn omgekeerd evenredig met de moeilijkheidsgraad van de laattijdige ontdekking van het verse probleem. Je probeert eerst van traag sleffen opnieuw gezapig te wandelen met hopelijk een lichte looppas als uiterste doel. Een wandelstok, een heel of half paar krukken en desnoods een oudmodische toegevouwen paraplu kunnen de scheve situatie nog wat verbloemen. De garantie dat je geen scheve pas of scheve schaats meer zult rijden is daarmee nog niet gegeven. Vanaf dan ben je veroordeeld tot wankelwandelen. Dat is geen nieuwe Olympische discipline, maar wel het praktisch resultaat om de kritische situatie nog een beetje te redden en enigszins soepel nog een blokje om te gaan. Het lijkt in niets op een elegant walspasje uit het repertoire van André Rieu in zijn beste dagen. Ik vind zoiets hemelse muziek die ik heel mijn leven al bewonder, waar ik écht jaloers op ben en was, maar waarvan ik de afgemeten pasjes en het zwierige zwaaiwalsen nooit onder de knie heb gekregen.

     

    Je wordt er wel vindingrijker van en leert met je ogen stelen wat anderen vóór je hebben bedacht. Het begint met schoentje-vissen, leuninggrijpen en om voorwerpen op te rapen, laat je eerst je voeten de schraapbeweging uitvoeren. Je kousen aantrekken gebeurt niet met een schoentrekker, maar wel met een kousentruc.

    De weinige momenten dat ik nog eens met de fiets rijd, stap ik op met de methode Wyckmans. Die heb ik geleerd van mijn goede vriend Louis met diezelfde naam die amper boven de lange grashalmen reikt, maar toch zijn rechterbeen vlotjes over de hoge fietsbuis kan lanceren. Hij maakt daarbij gebruik van de truc met de verlaagde beenzwierhoogte. Je neemt daartoe plaats op het trottoir, legt de fiets schuin onder een precieze hoek van 43 graden en dan wordt opstappen kinderspel. Hoe Louis dan afstapt, heb ik nog niet gezien, maar ik weet wel dat hij altijd heelhuids thuis is geraakt. Ik vermoed dat hij dus dezelfde methode gebruikt, maar dan waarschijnlijk in tegenwijzerzin en voor het grootste deel omgekeerd. Ik denk zelfs dat hij een ‘Cancellara-motortje’ in zijn zadelbuis heeft gemonteerd, want zelfs het fietsen gaat bij hem nog vlot. Hoe later in de tijd de problemen zich voordoen, des te moeilijker worden de oplossingen.

      

    Op trappen lopen, een eufemistische uitdrukking voor wat ik ‘op handen en voeten de trap bestijgen’ noem, zorgt voor complexe en gecombineerde problemen als je op een eerste verdieping woont en op de tweede slaapt.  Het wordt zelfs zo erg dat je voor de keuze staat: ofwel je huis en je verleden verkopen en een nieuwe leefplek opzoeken zonder trappen, ofwel.... Dan komt ook het verhaaltje piepen van het bomen verplanten en het achteruitgaand aanpassingsvermogen. Daarom plande ik in de voorbije weken een uitgebreide trapliftprospectie om vooruit te kunnen zien voor het geval dat stijgen en dalen op spierkracht begint te falen. We zullen wel zien.

     

    Ik heb hard en snel geleefd. Mijn haar is dunner en grijzer geworden terwijl de lachrimpels op mijn gezicht blijven staan als ook het lachen elke dag een beetje moeilijker wordt. Door al die ouderdomskwalen - ik zal ze best niet allemaal opnoemen – zegden de artsen dat ik onder strikte controle moet bewegen. Vooruit dan maar. Drie ‘bewegingsdeskundigen’ ofte kinesisten volgen nu onder supervisie van een longarts en een cardioloog het uit-rekken van mijn elastiek ad majorem dei gloriam en om mijn lijfelijk heil te  bestendigen. De wereld zegt dat dat dit goed voor me is: om te beginnen drie halve dagen per week oefenen gedurende drie maanden. Met allerlei apparatuur kan ik zo van kipfilet spierballen maken door me over te leveren aan wattcontrolerende hometrainers en dwingende loopbanden. Mijn gewrichten kraken, mijn ledematen doen aan intervalverstramming en zorgen zo voor een beeld van een oudere jongere die op weg is naar de laatste rechte lijn. Ouderdom kent zo zijn gebreken, nietwaar?

    Marcel Huysmans

     

    01-01-2019, 10:30 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    26-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.EEN CADEAU IS EEN PAK VAN JE HART

    EEN CADEAU IS EEN PAK VAN JE HART

     

    De kerst- en nieuwjaarperiode is mijn minst favoriete tijd van het jaar. Er zijn zoveel dingen die je moet combineren. Er is het gebrek aan zonlicht, de verplichte gezelligheid en de weemoed die het eindejaar met zich meebrengt. Met de tijd is het ook de week geworden waarin toch weer gedacht wordt aan diegenen die er niet meer zijn en die we missen. Dat kunnen dan ouders, familie maar ook vrienden zijn. Dat gevoel verhoogt naarmate ik zelf verder in de laatste rechte lijn zit. Het is ook de tijd van heel wat nutteloze cadeaus. Vooral het kopen om te kopen snap ik niet zo goed. Daarbij komt nog de drang tot het krijgen om te krijgen. Het is niet dat ik niet van cadeaus houd, in tegendeel zelfs. Maar die liefde is toch wel bekoeld. Het idee dat iemand speciaal aan mij heeft gedacht en iets heeft gevonden – soms met heel veel moeite – en daarvoor naar de winkel is gegaan, dat vind ik geweldig. Dat zijn de mooie kleine dingen van het leven. Maar het overvloedig kopen van cadeaus omdat die nu eenmaal bij een feest horen, dat vind ik onzin. Het is een duidelijk voorbeeld van de destructieve consumptiemaatschappij, waarbij bezit belangrijker is dan gewoon zijn, goed zijn en goed contact hebben.

      

    Die contacten vormen voor mij het mooie deel van kerst. Hoewel ik een onblusbare hekel heb aan geforceerde gezelligheid, ben ik stiekem blijven houden van die donkere dagen en denk ik terug aan de warme chocolademelk met rozijnen boterhammen na de nachtmis en het samenkomen met fijne mensen. Dan wordt mensen bezoeken en ontmoeten een heel stuk intenser en oprechter. Het draait niet meer om het uitgebreide eten of de cadeaus, maar om het samenkomen en genieten van elkaar. Daar kan geen cadeau tegenop! Als mijn petekind vraagt wat ik graag voor mijn Kerstmis en Nieuwjaar zou willen hebben, dan kan ik gewoon niks meer bedenken dat aan die vereisten kan voldoen. De afgelopen jaren ben ik mij altijd beter gaan voelen naarmate ik de indruk kreeg dat ik het met minder kan doen. Gisteren stond ik voor de boekenrekken in mijn bureau. Ik ploegde door de stapels spullen die ik door de jaren heen heb gekregen en verzameld. Ongelezen boeken, cd’s, dvd’s en videobanden met het cellofaantje er nog rond. Ik heb ze nooit opengedaan en dus nooit beluisterd of bekeken. Ik neem me voor die allemaal in de ‘weg-doos’ onder te brengen en stilletjes te laten verdwijnen. Of zou ik ze toch maar weggeven als cadeau aan iemand die er ook nooit om gevraagd heeft. Ze zijn goed bedoeld, maar door mij onvoldoende geapprecieerd.

       

    We worden in deze tijd van het jaar bijna gedwongen om te gaan consumeren tegen de sterren van kerstmis op. Ik vind het zonde om iets duurs te kopen of te krijgen. Ik heb liever dat men iets van zichzelf toont of geeft. Ik pakjestijd mogen we ons kwetsbaarder opstellen. Het hoeft niks groot te zijn: een kaartje met een fijne tekst, een goeie babbel of een deugddoend bezoekje zijn ook parels van geschenken. Die blijven veel langer hangen dan een duur geschenk. Tijd vrijmaken voor iemand, en mooie momenten beleven samen. Daar gaat het uiteindelijk om. Misschien zijn we te veel de ware betekenis van cadeaus vergeten en doet de waarde van het pak vergeten dat de waarde ervan niet bepaald wordt door de prijs. Pakjes zijn waarschijnlijk wel ideaal om je wensen tastbaar te maken. Vormen de overvloedige cadeaus voor de ontvangers geen aanleiding om hun drang naar hebberigheid te cultiveren? Het cadeaupapier zorgt ervoor om de nieuwsgierigheid naar wat erin zit te versterken. De gretigheid bij het gelijktijdig openmaken van de eigen cadeautjes zorgen voor een slagveld van verscheurd papier en verhindert dat je nog kan ervaren hoe anderen nog blij kunnen zijn met hun geschenk. Verdeelde vreugd wordt dan verloren vreugd. In Zwitserland zal men zijn uiterste best doen om het cadeaupapier niet te scheuren tijdens het uitpakken om zeker niet hebberig over te komen. Bovendien toon je door je hevigheid weinig respect voor de volgehouden inpakkunst en de inspanning van de milde gever. Dikwijls is een praktisch geschenk mogelijk niet verpakt zoals je dat verwacht. Maar het komt wel goed aan.

      

    Kinderen kunnen met zoveel cadeautjes overladen worden dat ze niet meer weten waarmee ze moeten spelen. Het is soms gewoon teveel voor ze. Ze worden dan cadeautjes openscheurende machines, die seconden nadat ze het laatste geschenkje hebben. opengemaakt al om het volgende vragen. Ze weten niet eens meer wat ze allemaal gekregen hebben, laat staan dat ze het waarderen. Je kunt je dan afvragen: is een cadeautje een beloning, een belofte nakomen of wordt het een verwenning? Waar ligt de grens tussen, grof gezegd, gierig zijn en een verwend nest kweken? Ook dan en op dat niveau geldt het gezegde ‘in die Beschränkung zeigt sich der Meister’.

    Ik heb van diegenen die voor mij geschenkjes kopen door de jaren heen al zoveel gekregen en deugd gehad, dat ik vanaf vorig jaar bewust de boot heb afgehouden. Men moet mij niet meer plagen met de vraag ‘opa, waarmee kunnen we jou een plezier doen met kerst?’  Ik laat het over aan hun eigen initiatief. Ik vind dat ze mij al zoveel cadeaus gegeven hebben dat het echt niet veel meer hoeft te zijn. Mijn kinderen hebben me toen een origineel eindejaarcadeau gegeven. Ik kreeg twee opvallende wenskaarten met daarop een kip en een Kerstgeit van Oxfam onder de kerstboom. Zo heb ik rechtstreeks kwetsbare families geholpen bij het kweken van geiten en kippen. Dat zijn nuttige en originele geschenken die levens veranderen. Dan wordt geven zaliger dan krijgen. 

     

    Bij weinig mensen duurt dankbaarheid langer dan het geschenk. Grote cadeaus hoeven geen felle strikken. Vrede aan iedereen van goede wil, luidt de traditionele wens met Kerstmis. Vrede aan iedereen die met zichzelf in vrede kan leven, lijkt een grotere wens in deze wankele tijden.

    We kunnen elkaar beter een duurzame cadeau geven die niet zo tastbaar is, maar echt voelbaar en helemaal uit het hart. Zalig kerstfeest!

    Marcel Huysmans

     

    26-12-2018, 12:58 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    15-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE TROTS VAN EEN EZEL

    GEDULD IS DE TROTS VAN EEN EZEL DIE ONDER ZIJN LAST RUSTIG BLIJFT EN GEWOON VERDER STAPT

    Haastige spoed is zelden goed. In de moderne maatschappij krijg je veel dingen binnen de kortste keren aangeleverd, zoals informatie via het internet. En toch worden mensen nog ongeduldiger. Voor betere antwoorden moet je vaak een nachtje slapen of meer mensen raadplegen. De beste raadgevers zijn meestal niet snel bereikbaar. Ze hebben een hekel aan gemaild of gebeld te worden. Maar ook vóór de snelle communicatie bestond, vierde ongeduld dikwijls hoogtij. Soms moet je simpelweg wachten tot iemand zijn bedoelingen verraadt. Mensen willen, zeker als ze kwaad zijn, te snel actie ondernemen… of niks doen.

    We leven van het ene probleem naar het andere. Wat voor de ene een probleem is, is voor de andere kinderspel. Als je bij het minste onverwachte in paniek slaat, dan stokstijf steendood blijft staan, de armen omhoog steekt en denkt dat er geen oplossing is, dan eindigt de rit vrijwel onmiddellijk. Een mens heeft in zo’n geval drie dingen nodig: geduld, geen paniek en daarna moeite willen doen om iets te doen. Zo kun je tenminste zeggen dat je iets hebt gedààn. 

     

    Alle dingen zijn moeilijk voordat ze gemakkelijk worden.Je moet tegenwoordig stalen zenuwen en een onverwacht incasseringsvermogen hebben om te overleven in een wereld die over vertechniseerd is. Alles is zo vanzelfsprekend geworden en de pakjes geduld die je kunt kopen, worden zeldzamer dan de frietzakjes in de laatst verdwijnende frituren. We vinden het zo gewoon dat alles voor ons wordt gedacht en gedaan dat geduld soms ver te zoeken is. Techniek is voor heel veel mensen iets dat je vooral tegenkomt als het niet werkt, en àls het niet werkt, moet het binnen de kortste keren, en als het kan nóg vlugger, verholpen zijn. Met alle elektronische hoogstandjes qua telefoneren, zien en horen, zijn we vergeten dat die toestellen alleen maar doen waarvoor ze geprogrammeerd zijn en in hun onwetendheid geen rekening houden met het ongeduldig en verkeerd getokkel van hun bedienaars. Handleidingen kunnen helpen om veel voorkomende problemen op te lossen maar verhuizen meestal achteloos naar het rijk van de papiermand. De meesten denken dat hun brains zomaar mee geëvolueerd zijn met die vernieuwende elektronica. De schuld daarvan is de combinatie van zes letters die we nog wel kennen, maar onvoldoende kunnen gebruiken: 'geduld'. Franciscus van Sales (Salesianen) zei ooit: "de mensen moeten geduld met elkander hebben, en de dappersten zijn zij die de fouten van anderen het best weten te verdragen". Mag ik je even meenemen op de weg naar geduld, want dat is de enige manier om inzicht te verwerven.

     

    Probeer de kwaliteit van je stalen zenuwen eens uit te testen. Oefen je geduld alvast elke morgen vanaf 8 uur in de Pierstraat op weg naar de E19 of op de middenstrook van de A12 richting Antwerpen dan leer je wat een file is. Of voor wie weekendtraining verkiest: op de zijbaan Boom-Antwerpen van de A12 kan je elke zaterdag geduld zoeken en oefenen op weg naar het koopcentrum A12 in Schelle, waar oorspronkelijk enkel meubelzaken uit de grond mochten groeien. Anders dan bij vriendelijkheid, dankbaarheid of vrijgevigheid gaat het bij geduld niet om wat je doet, maar vaak juist om wat je niet moet doen. Alles draait om je inhouden als je je nog eens wilt laten gaan. Sluipwegen zoeken is dan een vrolijke ergernis die meestal nog erger is. Dan is het moeilijk om te grootmoedig te accepteren waar je moeite mee hebt en het wachten op de wereld en je medemens laat gebeuren, in plaats van overal achteraan te rennen en gebeurtenissen te forceren. Als gepensioneerde heb je een beetje geluk: je krijgt meer geduld – en tijd - naarmate je ouder wordt en eigenlijk niet veel tijd meer hebt, hoe je dat ook interpreteert!

     

    De situaties om ongeduld te oefenen zijn legio: in de file, op de trein, het wachten op een onbeantwoorde beltoon - het nummer kan uw oproep niet beantwoorden -, een wachtrij voor het toilet, een bus of tram die te laat komt... Ze brengen vooral irritatie, boosheid of nog ergere dingen. Op dat moment moet je beseffen dat je aan zelfontwikkeling van geduld kunt doen. Ben je zelf klaar om te zeggen wat je wil en wil de andere naar je luisteren? Daarop wachten en het juiste moment kiezen, dat heet geduld. Geduld hebben betekent niet bang zijn om je tijd aan iemand anders te geven. Geduld is de trots van een ezel die onder zijn last rustig blijft en gewoon verder stapt. Geduld is een beetje zoals onverzettelijke windmolens. Die wijken nooit van plaats om wind te vangen. Ze kunnen wel meehelpen door zich naar de wind te zetten.

      

    Files groeien automatisch uit het groepsgedrag van automobilisten en zijn een beetje als het gedrag van watermoleculen. Als de weg nog niet druk is, bewegen de deeltjes (automobilisten) zich vrij als watermoleculen in waterdamp. Wanneer de drukte van de weg een bepaald kritisch punt overschrijdt, gaan de bestuurders zich gedragen als moleculen in een vloeistof: de ene molecule heeft direct invloed op de naastgelegen deeltjes. En op het moment dat het nog erger wordt, veranderen de watermoleculen in ijskristallen en zit iedereen vast: file over heel de lijn. Zolang iedereen maar dezelfde snelheid aanhoudt, gebruik je optimaal de capaciteit van de weg en krijg je geen opstoppingen. Kleine verschillen in snelheid zorgen dan al voor grote problemen. Ongeduldige mensen mogen nog veel leren van schapen, vogels en bacteriën. Die hebben al lang door hoe ze files kunnen vermijden... en ze blijven bewegen. Met doodgewone talenten en buitengewoon geduld, ligt alles binnen handbereik.

     

    Als er echt iets tegengaat helpt het zelden voldoende om ‘shit’ of ‘dedjuu’ te zeggen. Blijf kalm. Wacht even om zelf te zien dat je je niet nodeloos druk maakt of je te vroeg geroepen hebt. Overschouw het slagveld en beslis dan meteen wat je moet doen om uit de rats te geraken. Dan ervaar je zelf eens wat de trots van een ezel is die onder zijn last rustig blijft en gewoon verder stapt. Onverstoorbaar, maar rechtdoor.

    Marcel Huysmans

     

     

    15-12-2018, 11:55 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    08-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VROEGER WAS ER LATER, NU ALLEEN MAAR VROEGER

    VROEGER WAS ER LATER,

    NU ALLEEN MAAR VROEGER

     

    Wij hebben vier toffe, coole en sportieve kleinkinderen. Voor alle kleinkinderen ter wereld kan alles alleen nog maar later komen. Kleinkinderen komen altijd ineens onverwacht verwacht na de veilige bescherming van de moederschoot in de wereld van de grote mensen. Mensen maken plaats voor kleine dreumesen die zich onbewust zijn van de nieuwe dingen die hen te wachten staan en die ze rapper zullen opnemen dan wij ooit hebben kunnen doen. Zij beleven grotendeels de eenentwintigste eeuw terwijl wij hiervan nog maar van een kleiner deel kunnen genieten. Vroeger waren er dingen die beter waren, maar andersom zal het zeker ook zo zijn. Voor elke nieuwe generatie betekent leven en overleven nieuwe uitdagingen opzoeken, over onbekende muurtjes en bergen klimmen, ervaringen opdoen en zichzelf wapenen tegen een wereld die sneller, gevaarlijker, ondernemender en vooral boeiender is geworden omdat de middelen die er nu zijn hen ook beter moeten vooruithelpen…

     

    Ik behoor tot de generatie van 1942 tot 1950. Als baby’tjes hebben wij een geboorte overleefd met moeders die rookten en alcohol dronken tijdens hun zwangerschap. Zij namen bij hoofdpijn of misselijkheid nog poeders Mann, van het Wit Kruis of aspirientjes. Zij genoten ten volle van vinaigrettesaus, mayonaise en desserten die niet getest waren door Test-Aankoop op suikerziekte en cholesterol. Na onze geboorte werden wij nog op onze buik gelegd in gespijlde kinderbedjes die een mooie laklaag hadden in blinkende loodverf, waarvan de samenstelling niet op de pot stond. Op de deuren waren geen kindersloten en aan de trap stonden nog geen Ikea-hekjes, maar zelfgefantaseerde poortjes die minstens drie generaties konden trotseren. Als we met de fiets reden, hadden wij basketbalpetten op en geen geventileerde fietshelmen. Toen we voor de eerste keer in de open bak van een camionette mochten meerijden, zwaaiden we breeduit naar jan en alleman. Nu zou dat stante pede een peevee opleveren en veel minder leute. Wij aten nog taartjes, wit brood, echte boter, spekvet en eieren met spek dat we zelf in de pan dropten in plaats van het fijngesneden op te vissen uit geblisterde pakjes van het grootwarenhuis. Wij dronken warme chocolade met echte suiker en hadden geen last van obesitas. We waren zo ook gelukkig.

      

    We speelden niet-vervelende spelletjes. De straat was onze speeltuin en we kregen aangepaste kledij mee die écht smerig mocht terugkomen. We knutselden uren aan zelfgemaakte zeepkisten en riskeerden op hellingen ons leven zonder eraan te denken dat wij geen remmen hadden. Na enkele onzachte landingen, soms tussen de netels, leerden we ervaringsgewijs wat écht gevaarlijk was. Wij kenden geen PS4’s, Nintendo’s, iPod’s of andere boxen met gecodeerde namen. Videogames bezaten we niet, we hadden geen 150 tv-kanalen, konden geen videofilms of DVD’s bekijken en hoogst uitzonderlijk hadden we een stereo-installatie. Computers bestonden nog niet en ook e-mail moest nog uitgevonden worden. We hadden wel veel vrienden en speelden vooral buiten. Wij mochten nog uit bomen vallen, braken af en toe een arm of been, speelden een tand kwijt of vielen een gat in onze kop. We gingen appels, peren of pruimen pikken en riskeerden daarvoor nooit gerechtelijke vervolgingen. Hoogstens een achtervolging met een of ander boerengereedschap viel ons ten deel. Als we gepakt werden, kregen we een pak slaag en thuis hielden we wijselijk onze mond. Zo bleven we er deugd aan beleven.

     

    We gingen bij vrienden en kennissen achterom binnen zonder de bel te passeren en soms hoefden we zelfs nog niet te kloppen. Op de meeste plaatsen waren we welkom en als we ergens mee aan tafel schoven, moesten we eerst naar huis terug om te verwittigen, want een gsm bestond nog niet. We haalden geen geld uit de muur en verstopten nog echte gegleufde spaarpotten als schatten voor geldstukken én briefjes. We spaarden elke week op school, hadden niet voor alles batterijen nodig en waren de koning te rijk als we valkuilen en boomhutten konden maken. Voetbal werd nog overdag gespeeld en tijdens de Ronde van Frankrijk zochten we in de sportbladzijden van “Het Volk” naar Thomas Pips en Buth die een muis verstopten in hun tekeningen en zo relaas gaven van de rit van de dag. We crosten in zeepkisten en vielen ’s avonds doodvermoeid maar gelukkig met een boek onder de dekens in slaap. Toen was geluk nog heel gewoon en zo hebben we alles overleefd.

     

    Toch hebben deze generaties die geboren zijn tussen ‘50 en ’80 een aantal van de beste risiconemers, denkers en uitvinders van alle tijden en van heel de wereld voortgebracht. Wij hadden de vrijheid om te proberen, hadden ook schrik om te falen maar mochten ook van het succes en de verantwoordelijkheid proeven. We leerden met al die nieuwe dingen om te gaan. Voor niks krijg je niks. Wij hadden nog het geluk om dat allemaal te beleven en groot te worden voordat de advocaten en politici alles kwamen regelen en reglementeren. Misschien is het plezant om deze boodschap van eigenbeleefde deugd en vreugd aan je kleinkinderen voort te vertellen zodat ze kunnen beseffen hoe braaf en gelukkig hun grootouders waren.

    Maar dan mag je er ook bij vertellen dat de gezondheidszorg nu veel beter is met betere medicijnen, betere onderzoeksmethodes en betere hulpmiddelen. Vroeger duurde een werkweek 6 dagen lang en moesten de kinderen overdag langer naar school. De verse groenten waren toen wel gezonder en minder of helemaal niet bespoten. En zo kun je nog minutenlang doorgaan…

      

    We zijn nu vier keer oma en opa. We worden oud. Terugkijken kun je alleen in het verleden en dat is alleen maar vroeger. Het gebeurt iedere keer met weemoed en misschien is dat een beetje verontrustend. Anderzijds: “wie zijn geschiedenis vergeet, is gedoemd om het over te doen!” Vooral het beste hebben we overgehouden en niet alles was vlekkeloos. Nu is het te droog, te nat, te warm of te koud en vroeger was het… 

    Gelukkig is er meer vroeger dan nu, dus dat het af en toe eens fout gaat, is pas sinds kort. Al ben ik toch blij dat mijn kleinkinderen sportkampioenen in spe zijn en dat ze gezond en levendig zijn op weg om fijne mensen te worden. Er is dus vooral hoop!

    Marcel Huysmans

     

     

     

    08-12-2018, 10:23 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    28-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.OOK SINTERKLAAS BEHOEFT AANPASSINGEN

    OOK SINTERKLAAS BEHOEFT AANPASSINGEN

    Door de jaren paste ik voortdurend mijn woordenschat aan. De jeugd van vandaag, of beter 'mijn jeugd van vandaag' zorgt daarvoor. Ieder jaar, naarmate de sterfdatum van de goedheilige man uit Turkije nadert, dien ik nieuwe terminologie in te voeren voor mijn kleinkinderen bij hun geloofsgroei in Sinterklaas. Vandaag bestaan er al schoenzetkalenders omdat je niet elke dag je schoentje mag zetten. Samenstellingen met kei, mega en cool hebben wij nooit op school geleerd. Wij gebruikten 'super' en 'fak', maar dat laatste is helemaal verdwenen. Het betekende dat iets nog straffer was als tof, en dat was al bijzonder. De huidige supervoorvoegsels ben ik al gewoon. Misschien zijn jongeren van vandaag gevoeliger voor overdrijvingen dan wij in onze tijd toen er ook al een jeugd van vandaag was. Helaas: van die vier kleinkinderen is nu ook de jongste bezig om zijn geloof in de Sint te verliezen.

    Sinterklaas Kapoentje staat nog altijd op nummer 1 in de songlijst. Dat kapoentje heeft niets te maken met het stripmagazine van Het Volk dat vanaf 1947 tot midden jaren 80 wekelijks bij de krant verscheen. We leerden er de avonturen van Piet Fluwijn en Bolleke kennen met later de Lustige Kapoentjes. Dat Sinterklaas één van die kapoentjes was, heb ik nooit geweten. Dat een kapoen een gecastreerde haan is, wist ik wel omdat die haan malser is dan een soortgenoot die nog over al zijn fysische vermogens beschikt en dat is niet toepasbaar op Sinterklaas. Kapoen was eeuwenlang een scheldwoord of spotnaam voor 'vreemde gast', 'schurk' of 'bandiet'. Die betekenis verdween ook. In Vlaanderen worden kapoen en de verkleinvorm kapoentje tegenwoordig vooral gebruikt als liefkozende aanduiding voor kinderen, in de betekenis van 'deugnietje'. Dat ook Sinterklaas liefkozend 'kapoentje' wordt genoemd, is dus mogelijk. Maar we zeggen 'Sinterklaas Kapoentje' omdat volgens de gewijde geschiedenis van 6 december het geweldig goed rijmt op 'schoentje'. Laat dat schoentje nu juist het juiste weg-en-weer communicatiemiddel zijn voor boodschappen en cadeautjesuitwisseling tussen elke Sinterklaasgelovige en de heilige man himself. In het kader van de digitalisering, de vooruitgang en het bewust ontwijken van GASboetes probeert men al enkele jaren de klassieke boodschappen via mail te verzenden om wild geraas bij maneschijn te vermijden.

    De kleding van Sinterklaas is niet helemaal in overeenstemming met de dresscode van de katholieke bisschoppen. Die dragen nooit een rode bisschopsmantel. De Sint wel. Omdat dit staat voor liefde en liefdadigheid wordt voor hem een uitzondering gemaakt. Trouwens voor zijn rode mijter gebeurt hetzelfde. Sinds de 12de eeuw dragen de paus en de bisschoppen een mijter, maar die zijn wit, ecru, geel of groen. Op de bisschopsmijter staat meestal een omgekeerde T. Bij de Sint staat er een kruis op. Zijn gekrulde staf lijkt op de staf die de herders vroeger hadden. Met die krul konden die gemakkelijk een schaap pakken. Zoals de herder voor zijn schapen zorgt, zo zorgt de bisschop voor de mensen en Sinterklaas voor de kinderen. De Sint gebruikt zijn staf niet om kinderen te vangen. Dat is alleen symbolisch. De bisschoppen dragen hun zegelring aan de rechterhand maar Sinterklaas aan de linkerhand. Zo kan hij de kindjes makkelijker een hand geven. Hij draagt meestal witte handschoenen en soms paarse. Bisschoppen dragen die nooit, alleen de Sint mag dat.

    Rond al die kleuren is ook heel wat te doen. Tegenwoordig heeft Zwarte Piet de gele boter gegeten. Hij heeft geen boter op het hoofd maar het roet in zijn gezicht is ook al een reden om de superhelper als uiting van racisme te zien. Zowel zijn huidskleur als zijn 'sociale positie' zijn de dooddoeners van een rijke kindertraditie. Ach ja, hij heeft natuurlijk een kapsel van zwarte krullen en rood geverfde lippen om zijn ernst te accentueren. Hij klimt door de schoorstenen van de huizen als de mensen slapen. De laatste maanden maken verschillende chemische bedrijven studies om het schoorsteenroet wit te maken, hoewel dat heel moeilijk is want de eigenlijke naam van het goedje is 'carbon black', zo zwart als roet. Trouwens wil ik jullie nog een geheim verklappen: als de Sint en Piet op een nacht alleen maar huizen bezoeken zonder schoorsteen dan is Zwarte Piet wit en gaan ze binnen via de voordeur. Dat geeft wél aanleiding tot geschiedenisvervalsing. Mijn kleinzoon vond het trouwens altijd eigenaardig dat Piets kraagje ondanks alle schoorstenen altijd kraakwitter bleef dan wit. Piet wordt nog altijd op daken gesignaleerd terwijl hij aan de schoorsteen luistert of de kinderen braaf zijn. Strooien en gooien is zijn specialiteit, het dikke Sinterklaasboek of de staf dragen zijn lot en jongleren, op zijn handen lopen of op een éénwieler fietsen vormen zijn ontspanning. Anno 2018 heeft elke Piet zijn plek en taak in de logistiek. Er zijn algemene Inkooppieten, Inpakpieten, Spiekpietjes en Transportpieten. Die moeten allemaal luisteren naar de Hoofdpiet, de Huispiet en de Paardenpiet. De Wegwijspiet gebruikt sinds de vorige tournee een GPS mét Waze als voorbereiding op zijn pensionering. Zwarte Piet is zwarte piet en zo hoort het te blijven. Al wie anders zegt, is zelf een racist...

      

    Voor wie in al het gekibbel van de laatste maanden zijn heilige houvast verloren heeft, wil ik nog enkele Sinterklaasdogma's op een rijtje zetten. Op zijn stoomboot voelt hij zich thuis als redder van zeelieden in nood en beschermer van scholieren, huwbare jeugd, kooplieden, reizigers en zeelieden. Hij woont in Spanje omdat daar vroeger veel luxe artikelen en lekkers vandaan kwamen. Zijn schimmel leende hij van Wodan, de Germaanse god. Schoorsteenroet is bij voorkeur zwart en komt voor in de verbinding tussen de mensen en de 'bovenwereld' waar bij de Germanen geesten en goden wonen. Marsepein is amandelbrood met Indische rietsuiker en was in de middeleeuwen een geneesmiddel. Chocoladeletters werden toen ook gebruikt in de kloosterscholen om kinderen te leren schrijven. Zodra ze een letter goed konden schrijven, mochten ze de bijhorende letter opeten.

     

    Nog een goede raad van Sinterklaas zelf: één van de weinige manieren om te laten zien dat je meedoet met de 'jeugd van vandaag' is het feit dat je geloof in Sinterklaas, ondanks alle hindernissen van de tijd, intact gebleven is.

    Het weze zo, bij het donkerzwarte roet van Zwarte Piet!

    Marcel Huysmans

    28-11-2018, 18:28 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    20-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DUIVEN VLIEGEN RUSTIGER DAN DUIVENMELKERS

    DUIVEN VLIEGEN RUSTIGER DAN DUIVENMELKERS

     

    De duif is het symbool voor de Heilige Geest. In onze 'gewijde geschiedenis' is de duif ook het symbool voor vrede, onschuld en reinheid. Dat laatste moet je niet aan een echte duivenmelker vertellen, want die brengt zijn sportleven voor een groot deel door met het opkuisen van de 'properiteit' op zijn duivenkot. Hij heeft er alle belang bij dat zijn duiven in topvorm zijn. De duif met een olijftakje in de snavel is een erg bekend rustig symbool voor vrede. Ze is overgeleverd uit het verhaal van de Ark van Noë. Ze ging effe kijken en testen of het land al droog was na de zondvloed. Als de duif wegbleef, konden ze vertrekken uit hun woonschip. Als ze terugkwam, was er iets niet pluis.  

     

    Ergens in een bijna vergeten boek vond ik een gedicht van Scheldedichter Bert Peleman, dat ik ten behoeve van mijn schoonvader, schoner heb gemaakt door ter zijner ere 'vader' te vervangen door 'schoonvader'. Het ging als volgt: 'Mijn (schoon)vader had geen duiventoren, geen park, geen vijver, noch kasteel, maar waar hij hun gekir kon horen, werd hem een hok tot lustprieel... Hoe vaak zag ik mijn (schoonvader) zitten omgeven door een duivenkrans: de ‘blauw geschelpten’ of de ‘witten’, steeds waagde vader weer zijn kans! Glimlachend viel hij in de prijzen: Quiévrain, Noyon, Breteuil, Arras. Het hele dorp ging trots verwijzen naar vaders 'wonder-duivenras'! Mijn (schoon)vader had geen duiventoren, maar won alweer een eerste prijs: zijn duiven raapten "gulden sporen" zelfs vanuit Rome en Parijs!

      

    Jef was het schoolvoorbeeld van een duivenmelker. Mijn vrouw, mijn kinderen (zijn kleinkinderen) werden van jongsaf in de geheimen van de duivenmelkerij ingewerkt. Ze leerden wat een duivenkot was, ze maakten kennis met de duivenstr...(piep) die men in volkse termen ook uitwerpselen noemt, hoewel werpen van een partieel defect getuigde. Duiven kweken gemakkelijk, goede duiven iets moeilijker: ze reproduceren zich snel, leggen eieren en zijn ook lekker op het bord. Ze fabriceren straf mest dat best verdund wordt gebruikt. Per jaar kunnen twee duiven gemakkelijk 25 kg graan verorberen. Duivensport is eigenlijk racen met duiven in wed(strijd)vluchten. Wie de afstand tussen losplaats en duivenhok met de hoogste gemiddelde snelheid aflegt, is de winnaar. En daar zitten geheimen achter. Met een een ‘constateur’ in het duivenhok werd de juiste vluchttijd van aangegeven. Er wordt in feite nagegaan hoeveel meter per minuut de duif vliegt. Duivenmelkers zeggen: 'mijn duif doet 1230 meters.'

     

    Van mijn schoonvader leerde ik eenvoudige dingen over de duivensport, haar beoefenaars en hun technieken. In mijn jonge leven dacht ik dat het duiven melken met handschoenen één der moeilijkste dingen uit de dierenwereld was. Tot ik schoonvader Jef leerde kennen. Ik leerde dat duivenmelk in de krop van de duiven wordt geproduceerd nadat de jongen uit het ei zijn gekomen. Dat is het voedsel voor de duivenjongen gedurende de eerste dagen. Ook bij flamingo's gebeurt dat zo en daardoor zijn duiven minder afhankelijk van het broedseizoen qua eten. Zowel de vrouwtjes als mannetjes geven duivenmelk. Duiven leggen normaal twee eieren en hebben dus twee jongen. Als één van de twee eieren niet uitkomt, heeft het jong dubbel zoveel en groeit het eens zo snel. Iemand die duiven houdt, is officieel een duivenmelker, maar dat heeft niks met duivenmelk te maken. Melken is hier alleen maar een nabootsing van het begrip geitenmelker, iemand die dieren kweekt om van de opbrengst te leven. Duiven moet je dus nooit zelf melken, handschoenen helpen daarbij helemaal niet en voor het voeden van hun jongen met duivenmelk zorgen de beestjes zelf.

     

    De kinderen mochten vanaf de 'jaren van duivenverstand' met een plamuurmes het hok van duivenpoep bevrijden. Ook dat was een onderdeel van de duivensport, waarmee je van onderaf moest beginnen. Ooit werd een burenruzie voor de 'juge' beslecht omdat de buurvrouw 'als de duiven moesten vallen' met wapperend gazettenpapier de weg naar het juiste hok versperde. Vader Jef droeg heel zijn duivenleven een ouderwetse blauwe stofjas met brede zakken en een om de zoveel jaar ververste strooien hoed. Dat eerste was om de duiven niet te laten schrikken, want door een rode en dan weer een gele jas werden ze onrustig. En in die zakken zat beloningsduivenvoer. De hoed was de ideale landingsbaan om hem het hoogste duivengevoel te laten ervaren. In de duivenbijbel staat in vet: 'een duif heeft regelmaat en orde nodig'. Als je wegwegweg zou roepen dan zouden de beestjes óók nog komen. Maar als je komkomkom roept, is het toch beter en nog beter is kopkopkop, want dat gaat sneller. Het belangrijkste is dat je altijd hetzelfde roept.

     

    Naast het voeden van de duiven en de kotschoonmaak werden de prijsbeesten geregeld in de hand genomen en aan een soort conditietest onderworpen. De duif werd vol in de handpalm gevat met de pootjes tussen de vingers en het kopje naar het baasje. Dan volgden controles zoals de vleugels spreiden of alle pennen wel aanwezig waren en in welke toestand, het borstbeen aftasten of er niet te veel of te weinig vlees op het lijfje zat en de ogen controleren op de blik. Vooral de kleurnuance van de proppen (neusdoppen) vertelde veel over de fitheid van de ‘duifkes’. Bij een gezonde duif zijn die volgens de kenners krijtwit...

      

    Voor de dagelijkse training werden ze uitgelaten en weer gelokt met een ritmische fluitroffel en roepen, meestal begeleid door het rammelen met een busje met duivenvoer: allemaal om gewenning en een Pavlov-reflex aan te kweken... Dat was ook een training voor het baasje, want die leerde vooral wachten. Duivenmelkers en vissers hebben enige verwantschap. Ze moeten geduld hebben en leren ondertussen wat overdrijven is. Vissers vangen veel te grote vissen, duivenmelkers overdrijven nog meer en drinken altijd maar twee pintjes bier in het duivenlokaal. Ze tappen verhalen die doen twijfelen. Hun winsten, eigenlijk gokwinsten, behoren tot de best bewaarde geheimen van West-Europa. Eén keer hingen er, na een vruchtbaar duivenjaar, voor elk kind envelopjes met briefjesgeld in de kerstboom, maar dat experiment heeft zich nooit herhaald.

    Oh ja, de duivenbond van Aartselaar heeft in 2013 in overleg met de pastoor beslist de door hen sinds 35 jaar ingerichte duivenwijding niet meer te organiseren. Met pijn in het hart!

    Marcel Huysmans.

     

     

    20-11-2018, 09:53 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    10-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HEFTIGE TRUCS MET APPELEN EN CITROENEN

    HEFTIGE TRUCS MET APPELEN EN CITROENEN

     

    Hokus, pokus, pas. Vanaf de zestiende eeuw zijn al pseudo-Latijnse spreuken bekend. Ze werden bijvoorbeeld door goochelaars gebruikt om de aandacht af te leiden of gewoon om indruk te maken op hun gemakkelijk te beïnvloeden publiek. Ze worden gebruikt om iets te verdoezelen dat in feite niet mogelijk is. Appelen met citroenen vergelijken, ze optellen of er andere wiskundige bewerkingen mee uitvoeren, is er ook zo eentje. Wat is de som van 7 appelen en 5 citroenen? Is dat 12? Heb je dan appelen of heb je citroenen? Of is de uitkomst 12 bananen of tomaten? In dat geval heb je niets, tenzij een grote vergissing gemaakt. Het blijft even onovertroffen, onmogelijk zinloos en toch doen we het nog altijd binnen het onderwijs waar ze eigenlijk zouden mogen weten hoe en wat er kan. Bijna is het nog een oud zeer en dus krijgen we ‘rari nantes in gurgite vasto”. Dat is wel écht Latijn en geen hokus pokus. Hier en daar verschijnt nu toch een zwemmer in de onmetelijke zee die de zinloosheid van dergelijke kunstentoeren inziet. Zoals de leraar uit het technisch onderwijs die onlangs een systeem bedacht om alle opdrachten te beoordelen en belonen met groene bollen. Die groene bollen zijn als visdobbers die onderduiken en laten zien dat je (het) beet hebt en verder kunt. En die bollen tel je niet op, maar neem je mee! Vijftig jaar geleden was ik zo één van die eenzame zwemmers in de grote onderwijszee. Wijsheden en ervaringen van 40 jaar geleden hebben hun wijsheid meestal nog niet verloren. Ervaring is nu eenmaal die geweldige eigenschap die je in staat stelt een fout te herkennen wanneer je ze opnieuw maakt…

       

    Punten van dezelfde soort kun je optellen. Punten van wiskunde en Nederlands niet, en toch doen ze het. Muziek, plastische opvoeding en LO worden stiefmoederlijk behandeld als onbelangrijke beoordelingsinstrumenten in het deliberatieconcert. Spijtig, maar mag je niet ervaren dat er vakken zijn waarin je uitblinkt? Competentie is niet altijd in punten te quoteren. Wat moet ik kunnen en kennen? Wordt kunnen wel genoeg gewaardeerd tegenover kennen? Is het deel onder de bovenste tien centimeter van de hersenpan niet even belangrijk dan de bovenbuur? Een voorbeeld maakt dit duidelijk.

     

    Destijds leerde ik mijn leerlingen hoe ze elektrische huisschakelingen konden ontwerpen en realiseren. De kennisevaluatie ervan gebeurde aan de hand van 10 schakelingen. Ik eiste dat ze 7 van de schakelingen schematisch correct op papier zouden krijgen. Ik had hen niet geleerd hoe ze “van buiten” schakelingen op papier konden laten belanden, maar ze moesten hun resultaat in gedachten ook testen. Een schakelaar omzetten diende ervoor te zorgen dat de lamp door de stroomweg te volgen aanfloepte. Of van licht naar donker omschakelde. En zo wisten ze ook waarom ze de juiste oplossing hadden getekend. 

    Eén van mijn oud-leerlingen, nu een zeer gewaardeerde wijze schooldirecteur, had er zes van de tien juist. Hij reclameerde: ‘maar mijnheer toch, ik heb toch zes op tien en dat is juist over de helft, maar wel er over en dus genoeg.’ Ik zei hem: ‘stel je voor dat je een elektricien in huis krijgt die zes van je tien schakelingen correct aansluit. De vier anderen zijn enkel goed voor de verlichting van een donkere kamer. Ben je dan tevreden?’ Zijn ‘neen’ was veel overtuigender dan zijn verontwaardiging vooraf. Het bovenste deel van zijn hersenpan snapte het meteen en dan hadden verdere vragen geen zin meer. Ik word trouwens ook liever geopereerd door een chirurg die alle competenties beheerst, dan door een chirurg die 50 procent haalde.

      

    Belangrijk is vooraf aan leerlingen te vertellen wat ze moeten kennen en kunnen. Dat kan alleen als je vooraf einddoelen vooropstelt en die ook controleert. Eindtermen noemt men zoiets en als je die bereikt hebt kun je zeggen: dat is oké. Op naar de volgende. Dan wordt differentiëren gemakkelijker en weet de leerling waar zijn tekorten zitten en wat hij naast kent ook kan. En of je dat beloont met groene of andersgekleurde bollen, met letters of andere geestige dingen speelt helemaal geen rol. Het beeld van een leerling wordt zo preciezer en je kunt gefundeerder vertellen of iemand bekwaam is om over te stappen naar een volgend studiejaar. Geen hokus pokus meer. Weten en kunnen zouden in het onderwijs in balans moeten zijn. Maar dat evenwicht is meer en meer zoek. Om jonge mensen klaar te maken voor de wereld waarin ze zullen landen… Niet alleen die van de kerktoren, de sociale wereld, thuis en de werkvloer.

     

    Puntentekort voor wiskunde kon je meestal wegwerken door knappe punten voor Nederlands en Aardrijkskunde. Het was de ideale camouflage voor je totaal en bovendien kon je zo een ‘partieel defect’ wegmoffelen. Je moest er zelfs niet over praten. Ze werden bedekt met de mantel der liefde en lieten het schoolleven lijken op een zonnebloemenmaatschappij met enkel ‘goede punten’. Zonnebloemen komen piepen als de zon schijnt en ze groeien vlot hoger. Op die manier deed je niemand pijn, kon je met een fris resultaat naar buiten komen en was je eigenlijk op weg om jezelf en je omgeving te bedriegen. Enthousiaste moeders en vaders konden meestal uitpakken met ‘mijn dochter heeft 82%, en die van jou?’ Daar stond ik dan:  niet in het bezit van vergelijkbare percentages, waarbij de scholen dikwijls ook nog varieerden in puntengulheid en al dan niet strooiden met zand in de vorm van klasgemiddelden. Klasgemiddelden geven eerder een beeld van de boom dan over de vruchten die er aan hangen. Ze zijn de zoetstof om leerlingen te vergelijken en ouders te laten triomferen.

     

    Een mens is nog altijd gebeten om te weten en daarom wil hij altijd meten. Voor alles en in alle omstandigheden. Je kunt niet alles optellen, hoewel optellen een van de basisoperaties uit de rekenkunde is. Optellen is oorspronkelijk het bepalen van het totale aantal dat ontstaat bij samenvoeging van twee of meer afzonderlijke aantallen. Werkdruk, zwaarte van beroepen en geluk of verdriet kun je niet optellen en dat proberen we meestal niet. Maar appelen en citroenen optellen proberen we in het onderwijs nog alle dagen op te tellen zoals punten van wiskunde en Nederlands. Da’s werk voor de toekomst, maar nog niet voor morgen. Daar zijn we onvoldoende fijngevoelig voor en heeft het fruit nog te veel ongekende geheimen.

    Marcel Huysmans

    10-11-2018, 12:27 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    26-10-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MIJN GOEDE VRIENDEN JAN

    MIJN GOEDE VRIENDEN JAN

    Op 24 augustus 1999 overleed een zeer goede vriend van me op 46-jarige leeftijd. We hadden een vijftal jaren samengewerkt. Jan was een begenadigd architect en een goed mens. Twee jaar daarvoor stelden de dokters een vrij agressieve kanker bij hem vast die hem uiteindelijk ook fataal werd. We hebben veel gepraat over zijn ziekte, zijn gevoelens, zijn hoop en betrachtingen alsof de tijd stil stond. Hij had zijn lijdensweg tot het einde duidelijk aangevoeld, heel waardig en bewust gedragen en vooral alles met een onvergetelijke stiptheid voorbereid, doordacht en dan de nodige instructies gegeven. Elke tekst voor zijn afscheidsviering en zelfs voor de koffie erna had hij bewust gekozen of opgesteld. Zo kreeg ik de vraag om in die viering een tekst voor te lezen. Toen ik die voor het eerst las, zag ik meteen dat hij helemaal achter die boodschap stond en ik voelde me vereerd om zijn boodschap te mogen voorlezen. Af en toe kom ik die tekst op een A4-blad nog wel eens tegen en dan lees ik hem opnieuw. De titel is eigenlijk "desiderata", een inspirerend prozagedicht uit 1927 van de Canadees Max Ehrman. Het inspireerde al miljoenen mensen en doet dat nog altijd. Het is geen typisch christelijke tekst, is wél waardevol en werkt in ieder geval aanstekelijk.

     

     Kies kalm je weg te midden van het lawaai en de haast, en herinner je hoeveel vrede er in stilte kan zijn. Zorg ervoor dat je op goede voet staat met iedereen, zonder jezelf geweld aan te doen. Vertel rustig en duidelijk de waarheid en luister naar anderen; ook zij vertellen hun verhaal aan hen die onwetend zijn, ook zij hebben hun verhaal. Mijd hardroepers en agressieve mensen want zij belasten je geest te veel. Als je jezelf met anderen vergelijkt, zit de kans er in dat je een te hoge dunk krijgt van jezelf en verbitterd wordt. Er zullen altijd grotere en kleinere mensen zijn dan jijzelf. Geniet zowel van wat je hebt bereikt als van je plannen. Blijf belangstelling houden voor je eigen werk, hoe eenvoudig ook, want in deze risicovolle tijd is ook dat een belangrijk bezit.

    Wees voorzichtig bij het zaken doen, want de wereld zit vol bedrog. Laat dit je zeker niet verblinden voor iets dat werkelijk goed is: veel mensen streven hoge idealen na en heldendom is toch zo verleidelijk. Wees vooral jezelf en veins vooral geen warm, liefdevol gevoel, maar wees ook niet cynisch over de liefde, want bij alle dorheid en ontevredenheid is zij eeuwig als het gras. Aanvaard graag de wijsheid der jaren en blijf niet te lang stilstaan bij de dingen die voorbij zijn. Kweek een mentale weerbaarheid die je bij plotselinge tegenslag kan beschermen, maar maak jezelf niet bang met spookbeelden. Veel angsten komen voort uit vermoeidheid en eenzaamheid.

    Houd je aan een gezonde discipline maar wees lief voor jezelf. Je bent een deel van de schepping en je hebt het recht er te zijn. En of je het begrijpt of niet, de wereld heeft zijn wetmatigheden en zo is het goed. Heb daarom vrede met God, welk beeld van Hem dat je ook hebt. En wat ook je werk en aspiraties mogen zijn, zorg er toch voor dat je in de drukke maalstroom en lawaaierige warboel van het leven de vrede in jezelf bewaart. Ondanks haar veinzerij, klatergoud, gezwoeg en teleurstellingen is de wereld toch mooi.

    Wees zorgzaam. Zorg er dus voor dat je gelukkig wordt.

    In de Levenstuinen van het Groot Hontschoten nabij Apeldoorn (Nederland) is een Nederlandse vertaling van de tekst opgenomen in twee grote lijsten in de muur bij het waterbassin van de 'tuin van de bevruchting'. De tekst is als een wekker die 's morgens afloopt: wees op-gewekt! Als je probeert gelukkig te zijn, heb je vlugger resultaat dan wanneer je probeert gelukkig te worden. Wie op zoek is naar geluk als een permanente en langdurige toestand, is blind voor de kleine flitsjes en flintertjes van dun geluk die je onderweg zomaar ten deel vallen. Deze tekst doet me telkens weer denken aan een goed mens en een goede vriend. Ik ervaar nog altijd mijn laatste bezoeken bij hem thuis als opbeurend, troostgevend en opwekkend. Langs beide kanten. Zo zie je maar dat geluk besmettelijk is: wie opgewekt is, wekt op.

     

    Een andere goede vriend van me – die heette ook Jan - stierf op 25 januari in 1973. Hij was hartpatiënt maar vooral een mens met een heel groot hart voor jonge mensen. Zijn boodschap luidde: “een goed mens worden begint met iets goeds te doen. Eens daarmee bezig: het niet moe worden. Volhouden. Blijven geloven dat het echt goed wordt, niet alleen voor jezelf maar ook voor alle mensen. Weet je, dan ben je op de weg van die onvergetelijke Jezus.” Zo leefde hij zelf ook. Onvermoeibaar. Diep gegrepen door die boodschap die hij vertaalde en voorleefde voor mensen van het nu. Aandacht voor de mens, het eenvoudige, het kleine, het goede en met een haalbare stap. Dat waren zoveel uitingen van zijn rotsvast geloof in zijn levensopdracht.

    Zijn aanwezigheid op een vergadering of bij elk contact, straalde van enthousiasme en ideeën. Hij kende de kunst om iemand voort te stuwen en zijn lach, zijn humor en zijn doorzettingskracht trof iedereen. Hij stopte nooit met schrijven en werken. We zagen weinig van zijn vermoeidheid want telkens als we samen waren, boeide hij ons door zijn jongensachtige en dynamische manier van doen.

    Toen heb ik besloten om de lijn en de zin van zijn leven verder door te trekken: mensen op weg helpen naar geluk. Daar word je trouwens zelf ook gelukkiger van. Enkele maanden voor hij plots ophield met leven op het treinperron van het Zwitserse Brig, hadden we hem gevraagd om ons te trouwen in de zomer van dat jaar. Zover is het dus niet gekomen. Maar we hebben wel onze zoon naar hem Jan genoemd.

     

    Broze mensen kunnen sterke mensen zijn. In hun broosheid zijn ze toch sterk. Ze laten hun stempel na als spoor naar wat zij goed vonden. Die sporen zijn onuitwisbaar maar wel navolgbaar.

    Marcel Huysmans

    26-10-2018, 11:53 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    07-10-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE BESTE STUURLUI STAAN NIET AAN DE WAL

    DE BESTE STUURLUI STAAN NIET AAN DE WAL

    Er zijn mensen die zeggen, overtuigd van hun gelijk:”aan de verkiezingen doe ik niet mee. ’t zijn allemaal prutsers en zakkenvullers die uiteindelijk toch niets realiseren, tenzij het verkeerde. In het buitenland is het veel beter, maar hier is het een zootje ongeregeld”. Daar kan ik niet tegen. Ze vergeten dat ze niet op een buitenlandse boot dobberen en dat ze van op de wal, ook al zijn ze de beste stuurlui, zelfs en zelf onmogelijk kunnen sturen. Het zijn diezelfden die luid roepen dat het allemaal en vooral verkeerd loopt. Nog een geluk dat er zoiets als een kiesplicht bestaat. Alle Belgen van minstens 18 jaar oud die “genieten van hun burger- en politieke rechten “, moeten volgende zondag stemmen in de gemeente waar ze in het bevolkingsregister waren ingeschreven op 1 augustus van dit jaar. Zo kunnen alle Belgen inspraak hebben in het bestuur van hun gemeente. Door al de affiches, folders, televisiedebatten, boekjes en flyers zitten we aan boord met een regelrechte verkiezingskoorts.

      

    Verkiezingskoorts is pseudowetenschappelijk een complexe automatische reactie van het lichaam bij een infectie met de bacillus regenerata electiosa (verkiezingsbacil) die zich meer vermenigvuldigt naarmate het waarheidsgehalte van politieke uitspraken vermindert of twijfelachtiger wordt. Het is een doodnormaal aanpassingsmechanisme van het lichaam en de koorts is vooral zetelgevoelig, woekert verder als een boktor en vergt uitzonderlijke medicamenten die niet door de ziekenkas worden terugbetaald. Verkiezingskoorts gaat dikwijls gepaard met straffe knagende hoofdpijn veroorzaakt door het denken van anderen en het moe worden van de eigen hersenen, omdat het verschil tussen waarheid en leugen flinterdun is. We mogen nog eens ons gedacht zeggen in het stemhokje. Daar doe je niemand kwaad mee. Daar moet niemand over nadenken en je krijgt vooral de indruk dat je ook iets te zeggen hebt.Verkiezingskoorts is zo een repetitief modeverschijnsel met ongelijke periodiciteit, ingegeven door politiekers die beslissen dat het weer eens genoeg is geweest als snoepje voor nieuwe kansen om het allemaal nog eens anders te doen.

     

    Heel vroeger mocht je zelf nog alle namen van favoriete kandidaten op een lijst schrijven. Om anoniemer te stemmen kwam toen een zwart kruisje in een vierkantje, maar omdat frauderen te gemakkelijk was, werd op het einde van de 19de eeuw gekozen voor een bolletje. Elk mocht zijn eigen schrijfgerei meebrengen. Omdat kiezen geheim is, kon je toen zien wie voor wie je had gestemd en koos men voor één kleur. In de jaren ’70 en ’80 werd met een zwart bolletje gestemd, wat niet evident was want dat zwarte ronde ding was moeilijk te onderscheiden op die zwarte brieven. Later werd het bolletje rood op initiatief van de socialistische partij die trouwens voor alle mannen het kiesstelsel invoerde. Socialisten zijn nu eenmaal rood. We maken dus nog altijd een groen, geel, blauw… bolletje rood (zelfs als je groen stemt) met een rood potlood dat je naar oude traditie niet mag nat maken. Je mocht het dus niet in je cola doppen, zeker niet op zabberen of spuwen en zelfs overvloedig bezweten was ook verboden. Ze hadden achteraan een diagonaal gaatje om een antidiefstalkoordje aan het kieshokje vast te klinken. Nu kun je meestal digitaal stemmen.

     

    Overal wordt reclame gevoerd. Het affichewoud met namen van mensen waarvan je er hooguit een paar kent, bloeit weer. Opeens weet je wie er in je straat aan gemeentepolitiek doet. Er zijn heel wat “onbekende mensen” bij die alleen maar “affichesociaal” zijn. Die soms hun eigen buren en buurt niet persoonlijk kennen. Ze “manifesteren” zich niet lijfelijk en bezitten de bovennatuurlijke gave van het “gekleurd verschijnen”. Er zijn er zelfs die het lichaam van iemand anders lenen en er het eigen hoofd op fotoshoppen om beter over te komen. Het lijkt op alledaags en bijna goedgekeurd bedrog. Verkiezingsreclame maakt de democratie een stukje kapot omdat ze ervoor zorgt dat degene met het grootste budget de grootste kans maakt om verkozen te worden. Zo zijn stemmen te koop, maar via een omweg. Een tweede onbehaaglijk gevoel toont heel wat “gehaaide” politiekers die ineens vergeten zijn dat zij hun vroeger zo betracht mandaat ineens kunnen laten vallen en deze verkiezingen aangrijpen om aan job-hoppen te doen… Uiteindelijk onthoudt de doorsnee kiezer toch niet zo lang…

      

    Feitelijk is de vrijheid van de kiezer bij het uitbrengen van een voorkeurstem louter schijn. De kopstukken van de partij stelden de lijstorde op en bepalen zo wie een zitje kan krijgen. Diegenen die het meeste te zeggen heeft, roert in de pot. We zijn altijd een beetje gefopt. Om iets te realiseren in de politiek moet je een meerderheid hebben. Het is zelden dat een partij alleen over een meerderheid beschikt en dus moet je coalities sluiten met anderen om je verkiezingsbeloften min of meer waar te maken. Het is water bij de wijn doen: niet te veel, niet te weinig, zodat elke partij kan zeggen dat ze toch zoveel percent van hun eisen hebben kunnen realiseren. Dat doe je ook in het gewone leven: als je met je vrienden iets wilt afspreken, moeten er misschien ook “compromissen” gesloten worden. Als uiteindelijk iedereen akkoord is, heb je iets afgesproken. Anders valt de groep uit elkaar.

     

    Verkiezingen geven me altijd het gevoel dat je kiest aan welke minderjarige je je autosleutels afgeeft. Wat je ook kiest, je moet je later toch neerleggen bij wat de rest heeft besloten, want “de meerderheid heeft altijd gelijk”. In hoeverre heb ik zelf nog iets te zeggen? Waarvoor kies ik: om anderen te laten uitvoeren waarvoor ze gekonkelfoesd, gecompromist en afgesproken hebben. Eigenlijk is het dus kiezen voor wie je het meeste vertrouwt, niet voor de meest rechtvaardige, scherpste, multicultureelste of groenste. Je kunt ook voor de leukste kiezen, maar die hebben dikwijls een hoog Pinokkio-gehalte. Word dus niet mismoedig, want verkiezingen betekenen altijd een beetje bedrogen worden. Het is uiteindelijk maar een verse episode is een gesubsidieerde soap.

    Je kunt alleen maar bij de euromillions winnen als je ook meedoet. Dat is ook zo bij de verkiezingen. Dan kun je tenminste zeggen dat je geprobeerd hebt om er zelf iets aan te doen en een vinger in de pap hebt. Je hebt dan ook even het roer van de boot mogen vasthouden en roepen is dan minder nodig. Stem voor de beste!

    Marcel Huysmans

    07-10-2018, 10:16 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    29-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE RADERTJES VAN MIJN GROOTVADER

    DE RADERTJES VAN MIJN GROOTVADER

     

    1906. Qualité supérieure. Véritable Louis Roskopf. Anti-magnétique. Ik neem ze uit het gammele doosje en in mijn handen koester ik het kettinghorloge van mijn peter-grootvader. Hij overleed in 1958. Toen was zijn horloge amper 52 jaar, hij 67. Ik draai bovenaan aan het wieltje om het op te winden en ja, 112 jaar na fabricatiedatum tikt de secondewijzer opgewonden verder en leggen de goudkleurige wijzers als weleer opnieuw een stuk hun geprogrammeerde baan af. En het horloge blijft telkens weer tikken tot zijn graad van opgewondenheid onder de schreef is gegaan. Er gaat iets sacraals van uit en geen haar op mijn hoofd zou eraan denken om ooit het kostbare kleinood open te maken om in zijn radertjes te kijken. Ik ben blij met die speelse gedachte die tegelijk aan mijn peter herinnert. Als het horloge ooit, ondanks zijn qualité supérieure, toch zou stoppen met tikken dan moet een echte vakman, zo één met een fijne loep in het oog en piepkleine schroevendraaiertjes in zijn handen, het wonder der techniek repareren, maar aan de emotie mag hij niet aankomen.

      

    Simpel en goed versus haute horlogerie. Een grote staande klok openmaken zou ik nog wel durven, maar zo’n piepklein ongeweld schrikt me af. De nauwkeurigheid waarmee een uurwerk de tijd moet tellen, dwingt respect af voor de details en het onderlinge afgestemd zijn van al die radertjes. Ik heb de neiging mijn neus op te halen voor alles waar een batterij in zit. Weg dus met die digitale horloges met weinig emotie en wel veel exactheid. De mechanische horloges die volautomatisch werden aangedreven door mijn polsbewegingen kunnen nog enigszins op enig begrip rekenen. De dappere, altijd wat onmachtige manier waarop zo’n uurwerk met radertjes, anker en een onderdeel dat de ‘onrust’ wordt genoemd, probeert zoiets machtigs als de Tijd bij te houden en te regelen, geniet mijn opperste waardering. Tegelijk vind ik het onnozel dat er horloges gemaakt worden met volmaakt overbodige tourbillons die een budget vragen om een tweekamerappartement mee te kopen. Tourbillons zorgen ervoor dat de positie van het horloge niet onderhevig is aan de zwaartekracht, met andere woorden onafhankelijk ten overstaan van de positie ten opzichte van de grond. Nergens vloeien waanzin en vernuft, platte status en pure schoonheid surrealistischer samen dan in de wereld van de haute horlogerie. Als het op status aankomt, dan pas ik.

    Liever horloges met een verleden. Geef mij maar horloges die geleefd hebben, die al tikten vóór ik werd geboren aan de polsen van mannen waar ik kon naar opkijken. Mannen die ontegensprekelijk hebben bemind en op hun horloge hebben gekeken om tijdig dingen te doen waarvan het belang nu is verdampt. Zo’n horloges mogen sporen van gebruik vertonen: als ze maar radertjes hebben die perfect op elkaar zijn afgestemd en wijzertjes die plichtsbewust elke seconde, minuut en uur aangeven waarvoor ze in de wieg gelegd zijn. Die horloges tikken nu nog. Je behandelt ze met schroom omdat je weet hoe groot ze waren in het tijdsbeeld waarin ze functioneerden. Misschien is het daarom ook dat ik nog niet zoveel verschillende horloges in mijn leven heb gehad. Het moesten altijd dappere klokeilandjes zijn, die in de jacht der tijden hebben standgehouden en mij de toekomst hebben ingetikt, onverzettelijk juist en ontwapenend enthousiast.

     

    En dan heb je onze biologische klok nog. We sjamfoeteren nog altijd met winter- en zomeruren die sommigen van slag brengen. O zit het enkel tussen de oren? We werken overdag, slapen ’s nachts, eten op vaste tijden en kijken om zeven uur naar het nieuws. Grote delen van ons leven gebeuren volgens vaste tijdsindelingen en patronen. De sterke regelmaat die in de natuur zit, stuurt ons ook in het ritme van dag en nacht. Alle ritmes die in de natuur voorkomen, vinden we ook bij planten en dieren: de stand van de maan, de wisseling tussen dag en nacht en de seizoenen hebben stuk voor stuk een biologische tegenhanger. We moeten onze eigen ritmes elke dag “gelijkzetten”, synchroniseren met de buitenwereld, omdat ze nu eenmaal niet precies over 24 uur lopen. Cicero de Romein schreef ooit dat de kwaliteit van de oesters veranderde met de stand van de maan. Ons eigen “bioritme” blijkt een periode te hebben van 25 uur, dus ongeveer een dag. Er zijn eigen ritmes voor prestaties, emoties, pijngevoeligheid en de werking van sommige organen. Je kunt dus zeggen dat onze biologische klok vele radertjes heeft. Die moeten zowel op elkaar als op de omgeving worden afgesteld. Onze hersenen zorgen daarvoor. Als een dirigent coördineren ze de verschillende ritmes…

     

    Overal vind je een raderwerk. Onderduiken, je afzonderen in het raderwerk van de wereld heeft helemaal geen zin, want je zit voor een stuk in een mallemolen, mogelijk met mensen die het voor het zeggen hebben en hoogstens ruzie maken over het tempo, de versiering van de molen en andere onbenulligheden. Radertjes die versleten zijn en die de hele mechaniek van het leven niet meer begrijpen noemen ze dement of gewoon te oud en die mogen dan uitrusten in huizen voor bejaarde radertjes waar ze door verse radertjes worden verzorgd maar die daardoor een belangrijke functie vervullen in het geheel. Alle mensen zijn radertjes in een wereldomvattende mechaniek en elk houdt ook die wereld draaiende. Dat geldt voor de kinderverzorgster, de moeder, de bouwvakker maar ook voor de hoogleraar en de mensen aan de rand van onze maatschappij.

      

    Tijd zal altijd vergankelijk en herstelbaar zijn en is een wonder iets. Je kunt hem laten aanwijzen door grote en kleine wijzers in uren, minuten en seconden. Vandaag kan het zelfs zonder wijzers. Dat noemt men digitaal en misschien is dat voor sommigen minder betrouwbaar. Soms denk ik terug aan de ouderwetse klokkenmaker, die nog in staat was overjaarse wekkers, van overgrootvaders geërfde zakhorloges en antieke uurwerken te repareren. Klokken met een ziel. Maar of je nu kiest voor raderwerk of kwarts, voor analoog of digitaal: ‘de Tijd’ zul je nooit kunnen vangen. Je kunt hem niet stilzetten, zoals een horloge of een klok.

    De Tijd gaat voorbij, zoals men zegt. Toekomst wordt vandaag, vandaag wordt verleden!

    Marcel Huysmans

     

    29-09-2018, 21:24 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    19-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MOETEN EN MOGEN: EEN WERELD VAN VERSCHIL

    MOETEN EN MOGEN:

    EEN WERELD VAN VERSCHIL

     

    "Moeten is dwang en huilen is kindergezang!" Dat zei mijn moeder wel eens als we eens dringend iets ‘moesten’ hebben. Als mijn kleinkinderen destijds – o zo graag – iets absoluut wilden en telkens bot vingen, durfden zij soms wel ‘in overdrive’ omschakelen om hun vraag nog eens extra in de verf te zetten. Ze namen dan de aanvalshouding aan, zetten zich schrap en predikten luid, overtuigend en smekend: “ik moet een plopijsje” of “ik moet cola!”. En wat moet een mens daar dan op antwoorden? Niks antwoorden, veranderen van tactiek, een andere koers varen? Denk maar eens na hoe je zelf zou reageren… of misschien helpt de rest van mijn verhaal.

      

    Dan constateer je dat zo’n kind eindeloos ‘moetens’ moet verwerken en op de duur niet meer weet wanneer die klepel wél mag klepperen. Moeten braaf zijn, tuutje moeten wegleggen overdag, op tijd moeten gaan slapen, bokes mét korstjes moeten opeten om goed te kunnen fluiten, bord moeten leeg eten, tegen iedereen moeten vriendelijk zijn, moeten zwijgen als de grote mensen praten, moeten zitten om iets te eten, moeten stilzitten op de stoel, moeten zeggen als je pipi wil doen. De opsomming is bijna eindeloos lang en doet tegelijk nadenken. Hebben we zelf als kleine hummel nooit goesting gehad om toch eens lekker stout te zijn, bokes zonder harde korstjes te eten omdat we toch niet wilden fluiten, bij de grote mensen alle aandacht op te eisen of toch maar blijven wiebelen op de twee achterpoten van onze stoel. Zo bewust ‘foert’ zeggen wilden en deden we in ons eigenste binnenste allemaal graag. Dat deed deugd. Alleen maar eraan denken doet ons nu nog ‘zaaaaaalig!’ roepen, met veel a’s en achteraan met een uitroepteken om de heerlijkheidgraad en het deugdpercentage te beklemtonen. En toch wekt ‘moeten’ dikwijls een terechte aversie op.

     

    Je zou 'moeten' onder de 'vieze' woordjes moeten rangschikken. Fout! Opnieuw proberen: Als we 'moeten' nu eens onder de 'vieze' woordjes rangschikten of misschien volledig schrapten in het woordenboek? Zou dat geen oplossing zijn? Beter nuanceren dus. Er zijn dingen waar je niet buiten kunt, en dan is moeten onherroepelijk wél op zijn plaats. Bij mezelf roept ‘moeten’ een rebels gevoel op. Eerlijk, als een volwassene in woord of tekst ‘moeten’ extra naar voor schuift, krijg ik de vliegende kriebels. Ik ‘moet dit en dat’ is in onze spreektaal geslopen. Als je iets moet, dan voelt en klinkt dat zwaar. Als je iets wil of als je iets gaat doen, als je iets graag hebt of iets mag doen, komt er al een beweging op gang. Het vliegwiel draait dan al… en windt zich op om achteraf positieve energie vrij te geven. Je verandert één woordje en meteen klinkt het verhaal helemaal anders. Moeten is negatief en dwingend, gaan heeft al meer energie in zich: er begint al iets, er komt iets van de grond. Zo kan je van stroef naar soepel gaan. Dat is het verschil tussen zachte en harde mensen. Maar zachte mensen mogen toch kordaat zijn, anders worden ze verpletterd of genegeerd. Moeten is dwang en daar hebben de meeste mensen lak aan, al betekent moeten in het dagelijks spraakgebruik ook: het is wenselijk. Als je dat bedoelt moet je het ook zo zeggen! Het voorkomt wrevel, spaart energie en zorgt voor een wereld van verschil.

     

    Moeten heeft ons in de greep en is geïntegreerd in ons denken. Alles wat je mag geeft ruimte en aandacht. Het geeft je de kans om dingen anders te zien en te doen. Alles wat moet, weegt meestal zwaar. Dat komt omdat er in moeten weinig keuzemogelijkheid zit, het brengt ongeduld en jacht in het leven. Door jezelf de ruimte van ‘het mag’ te geven, ontdek je dat je anders met alles kunt omgaan. Je creëert meer plezier voor jezelf, je begint de dag met een ander gevoel. Moeten staat voor mij gelijk aan: dwingen, bevelen geven, verplichten en de baas spelen. Voor mij allemaal geen prettige associaties. Mogen daarentegen is veel prettiger. Dit voelt meer als: een keuze maken, helpen, suggereren, een leidraad geven, begeleiden.

     

    Enkele dagen geleden kreeg ik een mailtje in mijn elektronische postbus: “onderstaand bericht zou volgende maand moeten verschijnen.”  Zoiets maakt me opstandig en klinkt rebels. Als het om een verborgen verplichting gaat, dreigt bij mij alle wil en bereidheid weg te ebben word ik tegendraads. Met mijn voeten in het zand, transformeer ik mezelf weer tot een klein kind en laat mijn ego zeggen: “ik MOET helemaal niets”. Heb ik gelijk? Ik vind dat ik gelijk heb, want niemand antwoordt nu! Het ‘moeten’ zorgt voor een onlosmakelijke kettingreactie die alle systemen binnen mezelf direct doet stoppen, tenzij… het misschien toch wel een ingeburgerde gewoonte dreigt te worden, een manier van zeggen van jonge mensen, waarbij op het euvel wijzen meer uithaalt dan het zomaar te veroordelen of te bestrijden. Of misschien is het een overgewaaide gewoonte uit Nederland. “Moet je koffie?” Sommige noorderburen bieden je zo koffie aan. Het klinkt misschien niet zo vriendelijk, maar toch heel goed bedoeld. Het betekent hetzelfde als ‘wil je koffie?’. En met dat in het achterhoofd smaakt de koffie weer lekker en is koffiedrinken leuk. Zo werken noorderburen soms verzachtend.

      

    Taal is flexibel, subtiel en toch indringend.Nog een probeersel. Ik wil orde houden in mijn kast, ik wil aan het milieu denken, ik wil bij ons moeder op bezoek gaan. Als willen het werkwoord moeten vervangt, en als je door ik van de plaats wordt geduwd, verandert er vaak een en ander in de beleving van de werkelijkheid. En na willen volgt kunnen. Alles moeten willen kunnen is wel héél veel. Daarover ‘moet’ je wel struikelen. De woordvolgorde draait al een knoop in mijn tong. Ik concentreer me liever op wat ik kan en graag doe. Wat ik niet kan, bezorgt me geen druk. Ik kàn geen gitaar spelen en dat laat ik aan anderen over. DVD en USB-stick spelen kan ik wél en dat doe ik dus geregeld. Over de andere instrumenten moet ik me geen zorgen maken…

    Als het nu allemaal veel duidelijker is, ligt het waarschijnlijk aan jezelf en nièt aan mij.

    Marcel Huysmans

     

    19-09-2018, 11:49 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    16-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DEZELFDE TAAL EN TOCH VERSCHILLEND

    DEZELFDE TAAL EN TOCH VERSCHILLEND

    Taal is een typisch menselijk systeem om te communiceren. Ze geeft betekenis weer en door. Taal leeft en het gebeurt dikwijls dat al buiten je eigen gemeentegrens sommige uitdrukkingen verschillen. Met het buitenland doet zich natuurlijk hetzelfde voor want daar spreekt men van nature uit een andere taal. Dat is duidelijk het geval met Frankrijk en Duitsland maar in Nederland en België spreken ze dezelfde taal, hoewel...

    Een pijnlijke taalconfrontatie maakte ik mee toen ik mijn dochter in 2007 op Schiphol afhaalde na een jaar vrijwilligerswerk in Bolivia. Heel de familie was met de auto naar Amsterdam 'getogen' en vrienden en vriendinnen waren present op Schiphol voor de blijde intrede: met toeters en bellen en kleurige paraplu’s met boodschappen. Ze hadden voor de gelegenheid twee flessen echte champagne uit de koelkast verhuisd om die met het nodige vertoon in plastic bekertjes en Nederlandse zuinigheid uit te schenken in de aankomsthal. Bij het ontstoppen kwamen de vochtige bubbels ongewild op de Amsterdamse luchthavenvloer terecht. Toen ik dat zag, kon ik mijn natuurlijke hulpdrang niet bedwingen en riep luidop"rap, is er hier geen aftrekker?". De Hollandse vrienden en andere omstanders keken me aan en van het verschieten kwam er ongewild rode schaamte op mijn kaken en mijn dochter probeerde de schade te herstellen. "Vader", zei ze, "een aftrekker kennen ze hier niet, en toch zeker niet in deze betekenis. Dat ding met een steel en een daaraan bevestigd langwerpig stuk rubber, waarmee men al trekkend vloeren schoonmaakt, noemt men hier een vloerwisser." Toen wist ik dat ik voor luchtvarend Nederland een Vlaamse kemel tot over de grens had geleid. Trouwens... een kurkentrekker is bij hen ook een aftrekker, maar daar kun je natuurlijk geen vloer mee proper maken.

     

    De kleine verschillen tussen het Vlaams en het Nederlands vallen niet zo erg op. Maar ze zijn er wel degelijk en ze zijn ook talrijk. Ik heb er de laatste jaren ook meer op gelet. Op bierkaartjes, servetjes en krantenhoekjes heb ik opvallende dingen geschreven en ze daarna in een mapje bewaard. Nu we zoveel Vlaamse TV-zenders  hebben, wordt er ook minder naar de ‘Hollanders’ gekeken. Het aantal in dialect gesproken soaps is niet meer te tellen, terwijl The Strangers ooit persona non grata waren op de BRT omdat ze in 't Antwerps zongen... Nederlandse feuilletons worden in Vlaanderen nu ondertiteld en andersom is ook al nodig gebleken. Uit Nederland stuurt men mij soms opvallende dingen toe. Een Nederlander valt nooit met zijn gat in de boter, dat doet hij met zijn neus. Geef toe: plastisch moet het toch een zaliger plastisch gevoel geven om met je blote billen in die smeuïge brij te vallen dan even zijlings met je neus kennis te maken. Vijgen na Pasen bestaan er niet, dat is mosterd na de maaltijd... Kuisen is bij ons schoonmaken, bij hen is dat de aanstootgevende delen verwijderen. Wij zetten de kat bij de melkzij binden de kat op het spek. Wij klappen uit de biecht, zij klappen uit de school.

     

    Ik wil nog verder een graai doen in de grote woordenzak: eerst het Vlaamse woord en dan het Hollandse. Ambetanterik wordt lastpost, een bediende is een ambtenaar, een broodje smos is een broodje gezond, een marcelleke is een singlet, plattekaas wordt kwark en een praline een bonbon; wij hebben een wijsheidstand en zij een verstandkies en wat wij verticaal klasseren, bergen zij op in het ronde archief. Dikwijls hebben wij het raden naar de betekenis van uitdrukkingen die wij helemaal niet kennen: iets op je klompen aanvoelen, van de hoed en de rand weten. Als je dat niet snapt, is de beer los! Nog plezieriger wordt het als zij toch eens het Vlaamse woord voor de Hollandse stropdas willen gebruiken, ze helemaal het woord niet kennen en dan bovendien plas-tron nog een verkeerde klemtóón meegeven...

      

    Soms neigen we van gewoon naar subtiel. Zetels komen in België veel meer voor dan in Nederland. Rieten, luie en verwarmde zetels vind je in Vlaanderen overal waar gezeten wordt: in tuinen, vliegtuigen en auto's. In Nederland zijn zetels vooral vacant of permanent. Je kunt ze verkiezen of binnenkort kun je ze bij de verkiezingen behalen. Zitten doe je in Nederland enkel op een stoel. Zelfs het bakkersjargon kent zijn gevoeligheden. Hier zegt de bakker: zes pistolets, vier sandwiches en twee eclairs. Dat zal het zijn? Over de grens wordt dat: zes harde bolletjes, vier zachte puntjes en twee eclairs. Anders nog iets? Over de eclairs zijn we het dus eens.

     

    We spreken allebei Nederlands. En is de woordenschat dezelfde, dan is het uitspraakverschil weer opvallend. Over de grens nemen ze de ‘trem’ naar de ‘teerapuit’ terwijl wij met de ‘tram’ naar de ‘teerapeut’ gaan. Heel wat cultuurgebonden fenomenen kent men in het noorden niet: arrondissement, belfort, Chiro, doopsuiker, eindtermen, franskiljon, gewestweg, kajotter, leurderskaart, maaltijdcheque, nieuwjaarsbrief, onderzoeksrechter, paasklok, reuzenommegang, schepencollege, tso, vieruurtje, waterzooi, zeeklassen… Confituur wordt jam, een croque monsieur een tosti, fluisterasfalt is zoab (zeer open asfaltbeton).

     

    Het radio-1 programma Hautekiet schreef een tekst die aan Nederlanders werd voorgelegd. Ze bleken er geen snars van te verstaan. Bomma heeft in de solden zwarte pens, salami en botten gekocht. Het was nog een ander paar mouwen om nog fruitsap, kipkap en fondant te vinden. Bij valavond kwam bomma’s dochter op bezoek. Ze durfde niet uit de biecht te klappen want ze vond het ambetant om te vertellen dat ze gebuisd was en op kot veel gepoept had. Dus stoefte de dochter maar wat over de smoutebollen die ze had gebakken. Daarna was ze ribbedebie want ze moest dringend langs de mutualiteit en het interimkantoor. Daar viel ze over een aftrekker die tegen de chambrant stond. Toen had ze nog weinig goesting om langs de flikken te gaan…

     

    Ik ga maar stoppen, want anders eindig jij nog met een dwaze kop en dan is even pauzeren aangewezen. Begin alvast met een tas koffie, maar biedt die niet aan een Nederlander aan. Dan denkt die dat je zijn rugzak vol koffie gaat gieten. Probeer hem misschien te vertederen met een mok koffie van Egberts Douwe… En dat is weer iets anders dan een mokke (een meisje), die in Nederland feitelijk mokkel heet.

     

    Marcel Huysmans

    16-09-2018, 07:58 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    04-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.WIJN IN WATER VERANDEREN

    WIJN IN WATER VERANDEREN

     

     

    Vorige week las ik in de krant dat sinds jaar en dag christenen naar een Noord-Israëlisch stadje reizen waar Jezus volgens hun geloof water in wijn zou veranderd hebben. Een groep archeologen heeft nu ontdekt dat ze al die jaren hun pelgrimstocht te kort gemaakt hebben omdat in een recent blootgelegd tunnelcomplex de plek ontdekt zou zijn waar het ‘wonder’ écht gebeurde. Tijdens een bruiloft in Kana bleek dat ze geen water meer hadden. Jezus zei stilletjes tegen het personeel: “vul de flessen maar met water”. Toen de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, proefde, wist hij niet waar hij het had. Eeuwenlang was het een twistpunt waar die bruiloft werd gehouden. Maar, zoals er in België twee en in Nederland drie gemeenten met de naam Aalst bestaan, zo zijn er in het vroegere beloofde land 3 Kana’s. Eén lag in Galilea (Kafr Kana) en een ander acht kilometer verderop (Khirbet Qana). Nu denkt men dat het mirakel in dat tunnelcomplex gebeurde.

      

    Toevallig dacht ik terug aan een aantal jaren terug, toen ik in de Delhaize achter mijn winkelkar rondstruinde op zoek naar weet ik wat. Voor het rek met als info ‘water’ stonden zowaar alleen maar flessen wijn van divers allooi en verschillend getint. Meteen flitste het door mijn hoofd: ‘ Jezus is deze keer bezig geweest in de Delhaize’. Hier gebeurde zowaar het omgekeerde als in toen in Kana. Divers geprijsde wijnflessen droegen de verkeerde opschriften: geen Ordal, Chaudfontaine, Spa, Eaumega of Top. Stiekem proeven durfde ik niet, zodat ik ook nooit zal weten of er hier sprake was van een mirakel of van een vergissing.

     

    Beide feiten bevestigen dat de Bijbel één van de boeken is die het meest worden geciteerd, ter hulp geroepen en soms zelfs afgedaan als nonsens. Dat is ook niet moeilijk. Het ‘heilige boek’ van de christenen dat met een hoofdletter wordt geschreven, is niet één boek, maar een verzameling van 66 boeken of brieven. Het zijn de pennenvruchten van minstens 40 verschillende schrijvers die hun schuinschrijfsels hebben vereeuwigd gedurende een periode van 1500 jaar. Veel van die schrijvers kenden elkaar niet, spraken soms een andere taal, hadden een heel andere achtergrond of woonden op verschillende plaatsen. De Bijbel is geschreven in drie continenten: Afrika, Azië en Europa. De schrijfomstandigheden waren ook heel divers: in een paleis, in een woestijn, in een gevangenis of onder de blote hemel. Er waren teksten in drie talen: het Oude Testament in het Hebreeuws en het Aramees en het Nieuwe Testament in het Grieks. Ook de auteurs waren van verschillende pluimage. Er waren koningen bij (Salomo), vissers (Johannes), dokters (Lukas), tollenaars (Mattheus) en zelfs schaapherders (David). Ondanks al deze verschillen in tijd, cultuur, plaats en achtergrond, hebben ze een wonder feit gemeenschappelijk: ze schrijven allemaal over God. Dan is het natuurlijk niet moeilijk om als pezewever alle verschillen met een vergrootglas af te doen als larie of zelfs te zeggen dat de Bijbel onwaarheden bevat.

     

    Een ander voorbeeld van misbegrip. In de Bijbel staat dat Eva in het aarts paradijs een boom zag die goed was om eetbare vruchten voort te brengen en die een lust was voor de ogen. Het was een boom die begeerlijk was om verstandig van te worden. Zij nam de vrucht en at. Eva presenteerde de vrucht ook goedwillend aan haar man Adam die er gretig in hapte. Daar is geen sprake van een appel al vertelden hele generaties dat het een appel was. Het is de schuld van het Latijn! In het woordenboek Latijn-Nederlands staan twee betekenissen voor malum, namelijk ‘appel’ en ‘kwaad’. Daarom spreekt men ook over de boom van ‘goed en kwaad’. Waarschijnlijk groeiden er trouwens geen appels in de Hof van Eden. Dat paradijs lag waarschijnlijk in de tropen of subtropen, want er groeiden vijgen. Een appel vraagt lagere temperaturen en groeit alleen in gematigde streken.

     

    Ik interviewde ooit Louis Janssens zaliger. Hij was niet alleen koster, lector, tegelverkoper uit Niel, wijs mens maar ook Bijbelkenner. Hij zei me: “als ik zie hoe ze tegenwoordig de Bijbel uitleggen en als ze het toch bij het rechte eind zouden hebben, dan maakten ze ons vroeger nogal wat wijs!” Voor hem lag de tekst “het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan”. Misschien ging het wel over de lage boogvormige doorgang in een smal straatje van Jerusalem, die men in de volksmond ‘het oog van de naald’ noemde. Een kameel kon daar niet onderdoor, tenzij eerst zijn overbodige ballast werd afgeladen. Een andere verklaring zou een schrijffout kunnen zijn. Het Griekse ‘kamelos’ (kameel) en ‘kamilos’(scheepstouw) zijn bijna hetzelfde. Dan luidt de tekst: ‘een scheepstouw gaat gemakkelijker door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat.’ Op gevaar af van ook een muggenzifter te worden, besluit ik best dat het oog van een naald inderdaad is wat er te lezen staat en helemaal geen nauw stadspoortje. Dan is de kameel een kameel en ook geen scheepstros.

    Bij het opzoekwerk voor dit schrijfsel was het voor mij fascinerend hoe veel mensen Gods woord in de prullenmand willen lanceren door scherp te stellen op een nog grotere opsomming van zogenaamde tegenstrijdigheden in de Bijbel. Mensen kijken de andere kant op als ze geconfronteerd worden met het wonder van de structuur, de overleving, de integratie, de historische betrouwbaarheid, het archeologisch bewijs, de bevestigende niet-Bijbelse verslagen en honderden vervulde profetieën van de Bijbel. Hierdoor laat de Bijbel alle andere “Heilige Boeken” ver achter zich. Bovendien is hij tot op vandaag het best bewaarde litteraire werk uit de hele oudheid, ook al omdat er meer dan 24.000 oude manuscripten van het Nieuwe Testament zijn ontdekt. Van het tweede best bewaarde litteraire werk van de oudheid, de Ilias van Homeros, waarvan ik hele stukken mocht beleven en vertalen, zijn er maar 643 bewaarde manuscripten bewaard.

    In de Bijbel valt vooral de eenheid op met een grote inhoud en rijkdom en het is ongelooflijk dat dit zomaar ontstaan is. Natuurlijk zijn er accentverschillen en eigen kleuren, maar in de kern is er geen verschil in boodschap.

    Marcel Huysmans

    04-09-2018, 20:51 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    31-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.EEN VERHAAL DAT NOOIT EINDIGT

    EEN VERHAAL DAT NOOIT EINDIGT

     

    Mijn oudste kleinzoon gaat volgende week naar het vijfde leerjaar. Het is vliegende halte in het vervolgverhaal van buitenshuis leren voor het leven. In 387 vóór Christus stichtte Plato in Athene de eerste georganiseerde school in Europa en noemde ze Akademeia. Die naam is zo omdat de gebouwen op het terrein van Akademus lagen. Aristoteles schreef zich in en na hem nog vele jonge Atheners. Na Plato’s dood bleef de Academie verder bestaan door zijn neef Speusippus, terwijl Aristoteles een andere school oprichtte, het Lyceum. Omdat leren zo belangrijk is, wil ik iedereen die eraan begint, nu al een beetje voorspiegelen wat er nog zal volgen…

     

    Peuters stappen op de eerste schooldag fier de schoolpoort binnen. Je bent amper 70 cm, staat nog niet zo vast op je benen en kunt maar amper tateren of je wordt al veroordeeld om voor de rest van de volgende 17 jaar school te lopen. Ze ‘mogen spelen met veel andere kindjes’, maar beseffen zelf onvoldoende dat mama of papa hen ook achterlaat in een groot gebouw met een onbekende juf of meester. Die omschrijving kan hen doorheen hun eerste traantjes voor honderd procent gestolen worden. Anderen wandelen binnen alsof ze er al eerder waren, en misschien is dat ook zo. Als kleuter leer je fietsen, zwemmen, in bomen klimmen, op podia optreden en nog veel meer. Valpartijen, blauwe plekken en schaafwonden duiken zeker óók op, maar daar word je groot en sterk van. Speelgoed delen is een andere leergang en die klip neem je best zo vroeg mogelijk.

     

    In de lagere school kom je binnen mèt een nieuwe boekentas, of liefst met een rugzak die je rug respecteert. Je leert er lezen en schrijven en alle dagen gaat de wereld een beetje verder open. Je mag al spreekbeurten geven mét powerpoint-presentaties. Daarvoor moesten wij vijftig jaar langer wachten. Voor je het weet, zit je in het zesde leerjaar en behoor je ineens tot de grootste leerlingen van de school. Soms mag je zelfs peter of meter zijn voor leerlingen van het eerste jaar. Zo fier als een gieter kun je dan vertellen dat je de kleintjes hebt geholpen met ervaringen die jij in de voorbije zes jaar stockeerde. En dan ben je alweer klaar om als jongste weer bij groteren terecht te komen…

     

    Je ruilt het vertrouwde pad van de lagere school voor de middelbare school met dikwijls een langere schoolweg (zonder ouder) en zeker met nieuwe vrienden. Al vlug maak je een eerste school- en beroepskeuze en dat is niet altijd gemakkelijk. Je krijgt ook last van je apenjaren, die sommigen de puberjaren noemen. Het moeilijkste is dan keuzes maken met zoveel nieuwe dingen en op die leeftijd ben je daar nog niet zo straf in. Je krijgt zoveel vragen op je boterham om zelf te beantwoorden. Voor je 't weet moet je bij de volgende stap jezèlf leren vragen stellen.

     

    Na het middelbaar krijg je misschien de kans om verder te studeren. De volwassenen zeggen dan: "als je je best doet, kun je ver geraken." Dan zijn er zoveel mogelijkheden, zoveel wegen, zoveel quasi onbekenden dat je onmogelijk kunt zeggen of je stelsel van vergelijkingen wel oplosbaar is. Voor sommigen betekent het misschien hard werken om te slagen en profiteren van het leven kent vele betekenissen en variaties. Voor een avondje uit mag je dan vertrekken op een uur waarop wij zoveel jaren geleden bijna al thuis moesten zijn. Dan begint de grote levensweg en denk je soms terug aan waar je ooit vertrokken bent.

     

    Ik zou nog verder kunnen schrijven over trouwen, kindjes krijgen, ouder worden, een rol van oma en opa krijgen toebedeeld en uiteindelijk eindigen is het ‘oudmannekeshuis’. Sommigen denken dan onwillekeurig aan Vuile Mong en zijn Vieze Gasten en hun liedje ‘De school dat is een apenkot’. Je vertrekt bij de crèche, je gaat naar school en voor je 't weet ben je achttien geworden en kun je (niet meer) naar 't leger gaan maar wel dromen van de vogeltjes, de bloemetjes en de bijtjes. En dan mag je 45 jaar lang werken, al duurt het mogelijk nog langer, tot je uiteindelijk landt in een rusthuis. Zonder het te beseffen zegt je hartje elke dag een beetje trager, boem, boem, boem. En op een goeie keer zegt het, voor de allerlaatste keer, nog één keer BOEM.

     

    School betekent ‘levenslang leren’: alle dagen bij-leren uit ervaringen en bewust registreren. Vandaag moet je universeel en interdisciplinair bekwaam worden en een basispakket bezitten om tegen de wereld aan te kijken. Daarom komen er altijd maar nieuwe vakken bij. Elke dag moet je, bewust of onbewust, nieuwe beslissingen en ervaringen catalogiseren in je woordenboek van geactualiseerde kennis. We hebben een snelheidsprobleem omdat alledaagse problemen oplossingen moeten hebben vóór ze in realiteit opduiken. We zijn de ‘achterafdenkende maatschappij’ geworden waarbij de meest precaire onvoorzienbare situaties via ‘kristallenboloperaties met achteruitkijkspiegel’ achteraf moeten verantwoord worden. Vooraf denken is vooral vervangen door na-denken. Politiekers zeggen dat ze al een hele tijd bezig zijn met het nieuwe probleem en dat de oplossing niet ver af meer is. Ze beloven meestal een goede oplossing en zeggen dat we gerust op onze twee oren kunnen slapen. Ze vertellen niet dat zij het eigenlijk zelf niet goed weten of niet kennen en daarom hopen zij altijd dat anderen het voor hen zullen oplossen.Dat noemt men ‘straffe dropjes’, zoethoudertjes die goedgelovigen aan sterk verminderde prijzen mogen aanschaffen. Ondertussen wordt alles duurder en dat noemt men nooit ‘belastingen’.

     

    Het dagelijkse reilen en zeilen op school is drastisch veranderd: de hoofdrolspelers zijn nog altijd de onderwijzer(es), de kinderen en hun ouders. Wij verwachten alsmaar meer van onze leerkrachten. Kennis bijbrengen, maar ook de totale persoonsvorming moet meer aan bod komen. Een goede leraar (m/v) is iemand die enthousiasmeert, die kinderen plaats en ruimte geeftom zich te ontwikkelen met de middelen van vandaag. De leraar is de coach die ze nodig hebben om zichzelf te ontdekken. Zo wordt de school elke dag een beetje opnieuw uitgevonden, dank zij de creatieve leraar die zijn basismateriaal (leerlingen) omvormt tot personen voor een maatschappij van morgen.

    Ach ja: alle intelligente mensen in mijn familie zijn in het onderwijs ‘gegaan’, de anderen zijn rijk geworden…

    Marcel Huysmans

    31-08-2018, 20:14 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    21-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ALLES HEEFT ZIJN TIJD, ZELFS EEN KOEKOEKSKLOK

    ALLES HEEFT ZIJN TIJD,

    ZELFS EEN KOEKOEKSKLOK

     

    Bijna niks is zo complex als de tijd. Je kunt hem nemen, maar niet vastpakken. Je kunt tijd verliezen, maar je zult hem nooit terugvinden. Je krijgt tijd, maar weggeven kan niet. Tijd maken kan, maar bijhouden is onmogelijk. Als je tijd voorbij is, zie je er niks meer van. Tijd is raar: niemand heeft tijd, maar iedereen kan hem maken. Om te weten hoeveel tijd we hebben, dragen we een uurwerk. Dat is dan de 'mechanische of klokkentijd' en daarnaast is er nog de psychologische tijd. De ene is meetbaar en leef je. De andere be-leef je. Er staat geen grens op de tijd die je beleeft. Je kunt je als zeventiger perfect inbeelden – en ook voelen - alsof je 20 bent. Maar dat is wel moeilijk en volgens mij een beetje veel zelfbedrog. Dat is psychologische tijd. Als je daarin overdrijft, gebeurt het dat je uurwerk of je 'tikker' begint te sputteren. Men zegt wel eens: 'tijd is geld'. Toch wordt vandaag de dag het meeste geld uitgegeven om de tijd te verdrijven en moeten we in de vrije tijd hard werken om hobby's te betalen. Werken als straf voor vrije tijd.

     

    God nam zijn tijd bij de schepping, want hij had hem zelf geschapen. De moderne mens heeft horloges en klokken, maar géén tijd. Straffer nog: we maakten uurwerken omdat we tijd te kort hadden en dirigeren onszelf door een leven dat overloopt van haast en drukte. Alles moet altijd sneller en de elektronica die je vandaag koopt met een akte van vertrouwen, is al verouderd bij het strippen van de verpakking. We hebben volle of teveel agenda’s. Vrije tijd laat zich vangen en orkestreren door die agenda. En als we nog tijd over hebben, verkiezen we om op zaterdag in lange files aan te schuiven voor een uitgebreid bezoek aan Ikea of aan de A12-shopping. 

     

    Wat is tijd? De wijze Augustinus zei hierover 1600 jaar geleden: “als niemand het me vraagt, weet ik het. Als ik het wil uitleggen aan iemand die het me vraagt, weet ik het niet.” We spreken over vroeger, over de toekomst en passeren onderweg het nu. Soms voel je dat de tijd snel voorbijgaat, soms duurt het lang eer iets helemaal voorbij is (het wachten duurde eeuwen). Grote uitvindingen deden mensen anders denken over tijd. Het schrift liet dingen op papier belanden die je later in flashback kon beleven door de tekst opnieuw te lezen. Fotografie, film, tv, beelddragers, tablets en smartphones deden ons anders tegen de tijd aankijken. Met een digitale foto leg je in een flits voor eeuwig een megapixelmoment vast. In een film zie je in 5 minuten wat in werkelijkheid misschien weken duurde. We zijn zo verhangen aan herhalingen bij het voetbal dat we tijdens een live wedstrijd in het stadion al naar huis willen om een spelfase vertraagd te bekijken. We hebben de luxe om de tijd te manipuleren, maar we kunnen er niks aan doen.

     

    Hoe dikwijls heb je vandaag al naar je horloge gekeken? Iedere seconde tikt de tijd weg. Je ziet hem niet vliegen en je weet niet waar hij naartoe is. Om toch enig idee te hebben om te weten waar we onze tijd aan verdoen, hebben we horloges uitgevonden in variaties van strenge polshorloges over frivole koekoeksklokken tot blitse radiogestuurde uurwerken. Zij proberen zin te geven aan de weggetikte en nog te komen tijd. Daarom verdeelden we een jaar in maanden, dagen, uren, minuten en seconden.  Achter mij kijkt mijn vader zaliger dikwijls mee: ”als je met problemen zit, moet je de tijd voor je laten werken”. Dat heb ik al aan veel mensen verder verteld en het helpt! Nu ik gepensioneerd bent, vraagt men dikwijls: ”en… tijd tekort zeker?”. Ik durf eerlijk toegeven dat ik eigenlijk weinig tijd te kort heb omdat ik van vroeger weet wat echt tijd te kort hebben betekent. Er zijn er zelfs die de helft van de tijd geen tijd hebben. Tijd is het enige bezit van de armen, omdat ze géén tijd tekort hebben. Zonder tijd zou alles in één keer gebeuren en dat zou spijtig zijn. Ik heb al dikwijls vastgesteld dat mensen die nooit tijd hebben, het minste doen.

     

    Andere culturen beleven de tijd anders en die werken ook met andere kalenders. Zo waren er kalenders voor de boeren waardoor ze exact wisten wanneer ze moesten ploegen, zaaien en oogsten, maar ook wanneer ze moesten feesten. Afrikanen zeggen: ‘jullie Europeanen hebben de klok, maar wij hebben de tijd.’ Zij zijn geen slaven van de klok, en genieten veel meer. Probeer zelf maar eens: in de zon aan een tafeltje voor je tuinhuis gaan zitten en genieten van de tijd die je bewust in je leven binnenlaat. Kunnen genieten van kleinkinderen die helemaal opgaan in hun spel en van hun ongebreidelde fantasie. De tijd van eten of slapen is voor hen tegelijk een tijdsbreuk en een terugkeer tot de realiteit. Ook dat is leven en leren leven!

      

    Mensen zijn doodsbang om tijd te 'verliezen' en we hebben nog nooit zoveel tijd verspeeld, verkwist, verloren, verbrast of weggegooid. Afhankelijk van de activiteiten gebruikt men deze benamingen. En toch willen we ons haasten, hoewel ‘wie te laat vertrokken is, kan nooit nog op tijd komen.’ Want er is maar één moment dat je op tijd kunt komen. Ben je er niet, dan ben je óf te vroeg, óf te laat.

     

    Alle dingen onder de hemel hebben hun plaats en hun tijd.  wie dat niet ziet, loopt kans ongelukkig te worden: vandaag moet het al morgen zijn en morgen overmorgen…Wat we nu ervaren, beleven we niet genoeg: we kijken uit naar wat komen moet, maar zo snel, onvoldaan en rusteloos dat we vergeten vandaag te leven. Gelukkig ben je gelukkig als je niet ongelukkig bent! Zoals God de Afrikaan de tijd heeft gegeven, gaf hij de Europeaan het horloge. Zo’n horloge blijft altijd dienst doen: zelfs als het kapot is, geeft het nog twee keer per dag de juiste tijd aan!

    Zalige tijd is nooit verloren.

    Marcel Huysmans

    21-08-2018, 21:09 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    14-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MOEDERDAG OP 15 AUGUSTUS

    BIJ ONS MOEDERKESDAG OP 15 AUGUSTUS!

     

    Alle vrouwen in mijn gezin zijn geboren in Oost-Vlaanderen. De mannen zijn Antwerpenaars. Wij vieren vaderkesdag op 19 maart en moederkesdag wordt bij ons op de tweede zondag van mei gevierd, de Oost-Vlaamse traditie ter ere. Voor de Antwerpenaar is dat een ‘valse’ moederdag. Voor mij blijft het een halfslachtige oplossing voor de lieve vrede binnen de familie, maar het doet iets af aan de echtheid van moederkesdag met half oogst. In de Oosters-orthodoxe Kerken en in de Rooms-katholieke Kerk is Maria Hemelvaart de feestdag van de opneming van Maria in de hemel ‘met lichaam en ziel’. Alle apostelen waren aan haar doodsbed, behalve Thomas die weer eens slachtoffer was van zijn afwezigheiddrang of beter ‘er niet zijn op belangrijke momenten’. Bij zijn aankomst was Maria al dood en begraven en bezocht hij in zijn eentje haar graf om haar de nodige eer te bewijzen. De traditie vertelt erbij dat Thomas op dat moment de tenhemelopneming van Maria zou hebben gezien en dat hij haar kleedgordel als cadeau kreeg. Toen hij dat vertelde geloofden de andere apostelen hem niet – en dat was niet de eerste keer zo - tenzij dat hij hen de gordel en het lege graf zou laten zien. Straffe praat natuurlijk, maar hij deed het!

      

    Keizer Mauritius van Byzantium voerde in 582 het feest van Maria Tenhemelopneming in en op 15 augustus werd toen al de verjaardag van de kerkwijding van een basiliek die aan Maria was toegewijd, ergens onderweg tussen Bethlehem en Jeruzalem, gevierd. In de zevende eeuw nam Rome de naam van het feest over. Oorspronkelijk heette deze feestdag de 'Dormitio Mariae' (ontslaping van Maria). Door de teksten en volkslegenden werd vanaf de achtste eeuw de originele term opnieuw gebruikt. In de Bijbel lezen we nergens dat Maria in de hemel is opgenomen. Later werd de lichamelijke tenhemelopneming van Maria tijdens het eerste Vaticaans Concilie (1869-1870) als leerstelling of godsdienstig voorschrift (dogma) aanvaard en in 1950 zelfs door Paus Pius XII (e viva Pio duodecimo!) bevestigd. De Oosters-orthodoxe Kerken reageerden positief maar de protestanten protesteerden van nature heftig en onderschreven het dogma niet. Zo is 15 augustus in Nederland ook geen feestdag én geen verlofdag.

     

    Hoe zit het dan met het moederfeest vandaag? In de RK- Kerk is Maria Hemelvaart het hoogfeest op 15 augustus, hoewel het volgens de katholieke kerk fout is omdat Maria niet zelf ten hemel opsteeg, maar door God in de hemel werd opgenomen. In de Russisch-orthodoxe Kerk valt het feest op 28 augustus omdat de Juliaanse en Gregoriaanse kalender niet samenlopen. In veel (katholieke) landen, waaronder België, Frankrijk, Italië, Slovenië en Spanje is het een wettelijke feestdag. Bij ons werd het dan ook terecht Moederdag gedoopt maar in Antwerpen en omgeving hebben ze daar ‘moederkesdag’ van gemaakt, in tegenstelling tot de internationale Moederdag op de tweede zondag van mei. Het is ‘de’ gelegenheid bij uitstek om de moeders in de bloemen te zetten omdat bloemen nog altijd het beste symbool zijn om je appreciatie, genegenheid en dankbaarheid te laten zien.

      

    Waarom is Antwerpen de basis van Moederdag op 15 augustus? 105 jaar geleden kwam de Antwerpse schepen voor schone kunsten Frans Van Kuyck (1852-1915) met de idee om op 15 augustus Moederdag te vieren. Hij was kunstschilder en graficus en had nog meer uitstekende ideeën. In juli 1913 verdeelde hij zijn brochure ‘De dag der moeders’ waarin hij als eerste in Europa pleitte voor een jaarlijkse huldiging van de moeders, waar iedereen kon achter staan over de politieke en religieuze grenzen heen. Van de Amerikaanse moederkesdag was toen nog geen sprake. Antwerpen was dus een voorloper voor de rest van de wereld. Van Kuyck introduceerde ook de traditie dat de vader en de kinderen in het gezin de moeder dienden te verrassen met allerlei geschenkjes. Hij ontwierp zelfs een moedertaart, feestkaarten, een juweel voor moeder en schetste zelf een versierde stoel met een bloemenkrans en kleurige linten.

     

    De datum was een schot in de roos omdat 15 augustus samen viel met Antwerpen Kermis en ‘half oogst’ werd in Antwerpen al gevierd als ‘Mariekesdag’ of ‘Maria Hemelvaart’. De jeugd had vakantie en kon volop meewerken aan het feest. Antwerpen Vooruit, de Bond van Antwerpse middenstanders, porde haar leden aan om mee te werken en het initiatief te ondersteunen: affiches in de winkels, brood, koekjes en suikergoed in de vorm van een hart waren maar enkele initiatieven. Ook werden toen de eerste ‘moederwenskaarten’ gedrukt waarop een meisje stond afgebeeld met een kanjer van een versierd hart, waarin de namen van de proficiatwensende kroost konden ingevuld worden. Jos de Molder uit de Lindenstraat bij het Vleminckveld had de idee en stuurde zijn kaart al op 7 augustus naar schepen Van Kuyck. Er kwamen passe-partouts voor foto’s, beschermingsamuletten en plaketten met spreuken ter ere van moeder. De portemonnee van de middenstanders werd er beter van, de mensen hadden de kans om hun moeders te vieren en zo werd Moederdag een groot succes. In het stadsarchief (Felix-pakhuis) vind je trouwens die oudste wenskaart terug, samen met het dossier van de geboorte van Moederdag.

     

    De kinderen zegden versjes op, zongen liedjes en gaven hun moeder een hartvormig gebak. Ook de vader moest zijn steentje bijdragen. Van hem werd verwacht dat hij zijn vrouw een juweel gaf in de vorm van een stralend hart, het symbool voor moederliefde. In het juweel stonden de namen van de kinderen gegrift. Moederdag moest volgens van Kuyck vooral een familiedag zijn. Hij stelde alles in het werk om mensen voor zijn idee te winnen. Hij overtuigde bovendien de bloemisten, juweliers en banketbakkers om hun etalages te versieren en speciale bloemstukken, hartvormige juwelen, kaartjes en taarten aan te bieden. Zijn inspanningen werden beloond. De eerste Moederdag had effectief plaats in 1913, dus 105 jaar geleden.

     

    Moederdag in Antwerpen. 15 augustus is zelfs een officiële verlofdag, waarop iedereen vrij heeft. Dat hebben ze in mei nog niet voor mekaar gekregen! Nu wordt het moederfeest handig gecombineerd met de Rubensmarkt en het  Bollekesfeest. Zo is het ook een feest dat affectie, communicatie en consumptie combineert.

    Proficiat aan alle moeders!

    Alle moeders, Maria’s, Miekes, Mary’s, Maryems, … maar ook de grootmoeders en overgrootmoeders wensen we een zalige hoogdag, ook aan die van Oost-Vlaanderen en elders!

     

    Marcel Huysmans

    14-08-2018, 23:08 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    11-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.KWAMKWAMMERTIJD

    KWAMKWAMMERTIJD

    Door de aanhoudende droogte en volgehouden warmte hebben de groenten grillige vormen gecreëerd, bij zoverre dat ze minder verkoopbaar zijn aan de grootwarenhuizen. Tomaten met wratboebels of te kleine of te kromme komkommers die gewoon verschroeiden door de loden zon zijn legio. De zomer – die dit jaar geen vakantie nam  – stuurde de politiekers op alle niveaus met zomerslaap, behalve diegenen die in een of ander dal van een hertogin verwoed moesten onderhandelen over hoe men eigenlijk tot feitelijke onderhandelingen zou moeten komen. Het geheim van de rekenmethodes van deze heren zal wellicht nooit ontcijferd worden. De overheid produceert in het algemeen ook minder nieuws en bijna zonder dat je het merkte, verschrompelden kranten en tijdschriften als waterachtige kippenfilets in een koekenpan. Op televisie is de soep al niet veel vetter en zeker dunner. De enige oplossing bestaat erin minder nieuws meer op te blazen om de bladzijden toch nog te vullen. Nog een geluk dat misdaad, verkeer, natuur, burenruzies en andere grotere oorlogen geen grote vakantie kennen. Op de televisie zijn de avondjournaals bijna kopies van het middagnieuws waaraan een paar voorgemonteerde berichten op het einde worden toegevoegd. De mens hoopt blijkbaar altijd op nieuws en als het er niet gewoon komt, dan maakt hij het zelf wel. Dat noemt men komkommertijd en dan steekt het niet zo nauw met de vorm.

    In het Duits spreken ze van Sauregurkenzeit (zure augurkentijd). Het duidt erop dat vroeger de verse aanvoer van zure augurken in de zomer gebeurde. Het was een ’slappe tijd’ waarin weinig zaken werden afgehandeld en dat gebeurde vooral in de maand augustus als de komkommers rijp waren. Voor de kwekers was het een extra drukke tijd, maar in veel andere vakgebieden was er dan juist niets te doen. Omdat die seizoenen samenvielen, werd komkommertijd meer en meer geassocieerd met het gebrek aan nieuws en activiteiten. Destijds ontvluchtte de adel in Engeland tijdens de zomer de stad en hadden de kleermakers weinig werk. Als de kleermakers op vakantie waren, kwamen de komkommers in aanbieding. En omdat de komkommers in de zomer werden geoogst, waren ze op dat moment niet duur en zegde men dat de kleermakers van de goedkope seizoengroenten leefden. Zo werd het in augustus ‘cucumber-time’.

    In het Frans heet het stille nieuwsseizoen la ‘saison morte’, in het Engels ‘the dull or silly season’ en bij de Amerikanen zelfs ‘the big gooseberry time’ (kruisbessenseizoen). Die kruisbessen (stekelbezen) vind je momenteel in de Colruyt ook in aanbieding. In het Zweeds wordt het ‘nyhetstorka’ (nieuwsdroogte) en in het Duits ‘Sommerloch’, m.a.w. een ‘zomergat’ wat tegelijkertijd aantoont dat de nieuwswaarde erg laag is. Maar het bestaat dus overal!

     

    In het West-Vlaams sprak men vroeger over ‘plattebonentijd’ – even poëtisch en natuurlijk - maar die benaming is ondertussen ook al uit het smakelijke dialect verdwenen. Dit jaar kon je trouwens in de kranten en op televisie regelmatig ‘nieuws’ plukken over ontsnapte slangen, aangespoelde grote vissen, woekerende brulkikkers, reuze-bijtschildpadden, jeukverwekkende processierupsen en nog een hele hoop nieuwe of exotische dieren. De ‘soapseries’, die vóór de vakantie nog vlug met een extra lange slotaflevering werden bedacht met een ‘cliffhanger’ kregen rust tot september vergezeld van begeleidende commentaar in de ‘boekskes’. F.C. De Kampioenen kende zijn elfendertigste herhaling en kwam nooit in degradatiegevaar. Allemaal opgewarmd nieuws. Bijna het enige dat echt vers is, is het nieuwe voetbalseizoen.

     

    Als je het positief bekijkt, kunnen verenigingen bepaald nieuws – waarvoor zij anders toch geen kans op publicatie maken – in de komkommertijd met succes lanceren. Via e-mails wordt kamernieuws wereldnieuws dat erop uit trekt zoals de mensen op vakantie vertrekken. Je kunt maar gelukkig zijn dat sommige nieuwsitems in sommige kranten of zenders niet door de filter van het nieuwsfatsoen zijn geraakt omwille van hun beperkte nieuwswaarde. Hoeveel keren ik deze vakantie de vraag gesteld heb ‘is dit wel nieuws’ kan ik helaas niet vertellen…

     

    Toegegeven, er is wel degelijk iets aan de hand in de zomer. De politiekers gaan op alle niveaus met zomerslaap. Ze denken aan niets en dromen van nieuwe verwezenlijkingen of van dromen die nooit zullen uitkomen. In plaats van te reizen met chauffeur, trappen ze lusteloos op een waterpedalo in het zuiden van Frankrijk of trekken in korte broek door Ierland of Toscane. Hoe zou je zelf zijn. Dan is het goed te genieten van mooi gebraden gemarineerde lamskoteletjes en knapperige sateetjes met een vleugje archiducsaus op een bedje van rucola. Savoureer onder een idyllische lindeboom een heerlijk glaasje sappige rode Zuid-Afrikaanse wijn. Je proeft het: in de komkommertijd is alles interessant, vooral die vorige zin.

      

     

    In de kranten verschijnen plots artikels en artikelreeksen die in de loop van het jaar werden klaargemaakt om luchtige bladvulling te geven in de zomer. TV- programmatie is dunne spoeling en er blijft gelukkig meer tijd om belangloos kijkkast te kijken in een luie zetel, al dan niet versierd met een fruitige longdrink die in een ecologisch rietje naar het hoofd stijgt.Na de Ronde Van Frankrijk ging de wereld weer in surplace. De jeugdbewegingen krijgen ineens de nodige aandacht omdat zij de bekroning van hun werkjaar in de grote vakantie leggen. Moeilijkheden met de NMBS, voedselvergiftigingen en slecht zwemwater worden eerstebladzijdenieuws en dat is dikwijls ook belangrijk als dat nieuws ook geduid wordt.

     

    Elk jaar duiken dezelfde onderwerpen opnieuw op in de komkommertijd: de kusttram, de mosselen en het drukke verkeer op de Europese wegen. Ook populair tussen de komkommers: stukken over iets dat nog niet gebeurd is, maar dat weleens zou kunnen gebeuren. De fantasie slaat op hol en hardop dromen vertellen zorgt dan ook voor succes. In juni schreven de kranten: ‘De muggen komen eraan.’ Maar nu ze er eindelijk zijn, hebben we geen tijd om erover te schrijven of moeten we vaststellen dat ze zich door de grote droogte en watertekort maar moeilijk kunnen vermenigvuldigen. We leerden wel dat muggen niet worden aangetrokken door licht, wel door warmte en lichaamsgeur. Apparaatjes met ultrasound werken niet. Kleren met lange mouwen en broekspijpen dragen helpt wel, maar niet tegen de warmte.

    Tot slot nog een komkommeruitsmijter.Als je een hekel hebt aan beslagen spiegels na het douchen, wrijf ze dan in met plakjes komkommer. Werkt echt. Bovendien zorgt het voor een aangename geur in je badkamer. Dat zijn nog eens feiten waar je tenminste wat aan hebt. Kromme komkommers nemen ook meer ruimte in beslag dan rechte…

    Marcel Huysmans

    11-08-2018, 11:47 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    31-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE KAARSJES ZIJN DUURDER DAN DE TAART

    JARIG ZIJN IS NIETS, MAAR ELK JAAR OPNIEUW!

     

    De laatste jaren heb ik, onder invloed van slimme feestbewuste kleinkinderen en van het taalgebruik in de lagere school, in mijn agenda nauwkeurig op de juiste dag genoteerd: "Thomas is jarig". Daarvóór zou ik gewoon  genoteerd hebben: "Thomas verjaart". Maar, verjaren in de betekenis van 'jarig zijn, zijn verjaardag vieren' is gewoon standaardtaal. Dat is het Nederlands dat algemeen bruikbaar is. In België wordt verjaren in deze betekenis veel vaker gebruikt dan in Nederland. Verjaren kan ook 'ouder worden' willen zeggen en juridisch betekent het dat iets door de tijd zijn geldigheid verliest of niet meer van kracht is. Mij hebben ze altijd gezegd dat enkel kaas en dossiers verjaren en dat mensen jarig zijn. Mis dus. Da's nog eens een knaller die niet zou misstaan in de Encyclopedie van misvattingen van Hans Van Maanen waarin opvattingen zijn opgenomen die we van kindsbeen af hebben gekoesterd en waarover we nooit meer hebben nagedacht. Maar helaas: verjaren staat er dus niet in!

    Iedereen blijkt toevallig exact op zijn verjaardag geboren te zijn. Ik was dit jaar dus weer jarig. Het was te warm, maar traditiegetrouw goed weer. Ik ben weer wat wijzer en mogelijk ook een beetje grijzer geworden, hoewel de overgang naar wit niet ver meer af is.

     

    Geboortedagen vieren is een Europese traditie. Men dacht dat op geboortedagen kwade geesten extra gevaarlijk werden en om de jarige tegen dat onheil te wapenen en te beschermen, kwamen vrienden en familie massaal naar het huis van de 'verjaarder'. Ze maakten dan dubbel plezier plus veel lawaai en wilden de geesten afschrikken. Tot het begin van vorige eeuw vierden alleen koningen en mensen van adel hun geboortedag. Ze kregen dan peperdure cadeaus zoals diamanten en goud. Verjaardagen van kinderen werden niet gevierd. In de lagere sociale klassen vierde men helemaal geen verjaardagen, want er was geen geld om op  die dagen te feesten. Rond 1900 vierden de armen wel de verjaardagen en met die folklore zitten we nu nog. Dat je je verjaardag viert op de dag dat je geboren bent, was niet overal vanzelfsprekend. In heel wat katholieke landen werd tot diep in de twintigste eeuw niet de geboortedag, maar wel de naamdag gevierd. De naamdag was de dag dat je de katholieke heilige herdacht naar wie je was genoemd. Elke dag van het jaar had zijn eigen heilige. Als je Nico werd gedoopt, dan viel je naamdag op 6 december, de feestdag van de heilige Nicolaas. Op die dag werd je naamdag uitgebreid gevierd, ook al was je geboortedag midden in de zomer. Als je de naam Monique droeg en je was bijvoorbeeld in de Elzas geboren, dan kon je bijvoorbeeld op 8 juli 'verjaren' terwijl je feitelijke verjaardagskaartjes toekwamen op 27 augustus, want dan viert de Rooms-katholieke de heilige Monica. Men viert dan 'la fête' en op de kaart staat dan ook 'bonne fête'. Ook dan is het een jaarlijkse weerkerend feest en zeker niet minder hartelijk.

     

    Soms maakt het niets uit of een naam aan een mannelijke of vrouwelijke heilige behoort, want bijna alle namen kunnen zowel aan jongens als dochters gegeven worden. Nico kan dan ook Nicole, Nicolette of Nicoletta worden. De naamdag wordt gevierd met uitgebreid eten, gebak, drank, bloemen, kleine cadeaus en bezoek van familie en goede vrienden. Als iemand geen naamdag heeft, dan viert men die op 1 november, als het Allerheiligen is (Solemnitas Omnium Sanctorum). Voor de Grieks-orthodoxe kerk valt  Allerheiligen op de dag na Pinksteren en niet op 1 november. Dat jaarlijkse feest wordt dan een feest voor iedereen, waarop je - in tegenstelling tot bij ons - je leeftijd perfect kunt verdoezelen. Je enige voordeel is dan, dat hoe ouder je verjaardagsfoto is, hoe jonger je eruit ziet, maar zonder deprimerende opgave van getallen...

     

    Houden we het dus maar bij de dag dat wij onze geboorte herdenken om te 'verjaren'. Het is een raar maar plezant gedoe: veel aandacht en cadeautjes krijgen, maar ook een jaartje minder leven tot je uiterste versheiddatum. Je zou van elke verjaardag moeten genieten. Verjaren rond Sinterklaas is nadelig want dan duwt de heilige in je rug. Verjaren in de zomervakantie is als kind dan weer niet zo plezant, want dan is de supportersmassa heel wat kleiner. Verjaren op 1 januari of met Kerstmis betekent brute pech: je verjaardag komt op de concurrerende  tweede plaats en de cadeautjes die dan tussen het engelenhaar hangen, doen je verjaardag verbleken bij al dat geglitter. Mijn oudste kleinzoon is jarig op een héél ‘geladen’ dag: 31 augustus betekent de laatste dag van de grote vakantie en dan mag je niet naar school en kan je ook geen geschenkjes uitdelen. Dan speelt vindingrijkheid en fantasie een grote rol…Persoonlijk heb ik het geluk dat het een bijna ongeschreven wet is dat het ieder jaar op mijn verjaardag mooi buitenzitweer is, zodat mijn vrienden op die dag zelfs feestjes organiseren omdat ze weten dat het toch weer feest-weer is.

     

    Je verjaardag vieren is een gezonde bezigheid. Onderzoek heeft uitgewezen dat mensen die het meest hun verjaardag vieren, ook het langste leven. Dat kan een ééndagsvlieg spijtig genoeg nooit meemaken wegens te hevig en te kort. Iedereen wil oud worden, niemand wil het zijn en voor je het weet zit je bij een seniorenvereniging wafels te bakken of worstenbroden te eten. Vroeger was je waarschijnlijk jong en mooi, nu blijft alleen het mooie nog maar over. Dat jonge heeft trouwens al heel wat renovaties ondergaan. Toen ik vorige maand jarig was, probeerde ik de kaarsen op de taart te tellen, maar werd teruggewezen door de hitte ervan en door de begrensde luchtstroming om het vlamfront aan te vallen. In een flits constateerde ik dat de kaarsen op mijn verjaardagstaart duurder waren dan de taart zelf zodat ook het taartlandschap terdege verstoord werd in het crême-fraichegebied.

     

    Het beste middel om oud te worden is ervoor zorgen dat je blijft leven: blijven ademen is de regel, want als je morgen even oud bent als vandaag, ben je doodgewoon dood. Het is niet altijd leuk om een jaartje ouder te worden en te zijn, maar het is nog altijd beter dan andere alternatieven.

    Marcel Huysmans

    31-07-2018, 22:16 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    19-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.LIVE VANUIT DE TOUR

    LIVE VANUIT DE TOUR

     

    Bourg-Saint-Maurice 18 juli 2018

    Hotel La Belle Josephine

     

    Chère Maman,

     

    Ik schrijf je deze brief vanuit Hotel La Belle Josephine in Bourg-Saint-Maurice met als huisnummer 90 (quatre vingt dix) op briefpapier dat ik hier op mijn nachtkastje vond. Morgen is het de grote dag. Voor de eerste keer zal ik de mythische klim naar Alpe d’ Huez bestrijden. Onderweg komen we in de twaalfde rit de Col de la Madeleine en de Col de la Croix de Fer tegen. En vanaf dan is het alleen nog maar 13,8 km klauteren via de 21 haarspeldbochten. Afwachten dus.

      

    Onze Tourbus is een mooi geschilderde Van Hool-car met 9 ruime en draaibare zetels, een dubbele douche, een toilet en pissijntje, twee bedden, een volledige keuken met alle nodige toestellen, opbergruimtes voor de fietsen en ook een wasmachine en een droogkast. We kunnen zelfs via satelliet TV kijken. Ze kost zeker een half miljoen euro. Nog een geluk dat ik vóór het vertrek van de Tour nog vlug in de Antwerpse kathedraal een noveenkaars ben gaan branden voor een veilige, vlugge en hoopvolle Tour. Ik heb er nog twee vaderonzen en een volledig tientje aan toegevoegd om er zeker van te zijn dat ik de Champs-Elysées haal. Normaal doe ik dat in de Schoenmakerskapel bij Onze Lieve Vrouw van Toevlucht maar die is momenteel gesloten voor restauratie.  

     

    Ik heb me genoeg geoefend om mezelf te herkennen, voor het geval ik door de luidsprekers wordt afgeroepen. Ik ben 'le coureur avec le numéro quatre-vingt-dix- huit'. Rare kwasten die Fransen: ze zeggen 'vier keer twintig en achttien' en ze bedoelen achtennegentig. Bijna had ik honderd, maar rugnummers met nul achteraan zijn er niet en sinds er maar 8 renners per ploeg mogen starten, zijn er geen meer die eindigen op 9. Onze soigneur gaf me de voorbije dagen enkele extra-massagebeurten op het massagebed (de tafel waarop het masseren gebeurt) zodat ik morgen met de tong over het stuur die 21 bochten à bloc kan rijden met het snot letterlijk voor de ogen.  

      

    Daar zal weer gevlamd worden. Hopelijk heb ik dan nog genoeg jus in de benen om en danseuse mee te gaan in de klim naar La Madeleine. Ik weet het: alle begin is moeilijk, maar waar een wil is, is altijd een veilige weg. Als ik van iemand schrik heb, is het wel van de man met de hamer. Onze ploegleider zegt dat ik regelmatig moet eten en drinken en daarom zal ik maar voldoende 'gellekes' in mijn achterzakken steken voor als de tank bijna leeg is. Wat ik nog het meeste vrees, is de hongerklop. In 't Frans zeggen ze daar 'fringale' tegen. Dan is het vat helemaal leeg en verontschuldigingen in de maak. Misschien kan ik vóór onze Vlaamse feestdag nog eens meegaan in een lange ontsnapping. In dat geval is het de dood of de gladiolen: de bloemen of helemaal niks! Misschien komt mijn aerodynamische bril die ik van nonkel Hugo heb gekregen dan van pas. Naar het schijnt kunt ge er één kilometer per uur sneller mee rijden. Ik heb de handleiding eens heel goed gelezen maar daar staat niet bij hoe lang dat effect werkt...

     

    Mijn schoenen nijpen nu minder, want onze soigneur Julleke heeft dat eksteroog weggesneden nadat ik het een paar dagen met Groenen Duvel had beplakt na een zo heet mogelijk warm bad. Waarvoor die Duvel nog goed is! Nogal chance dat ge die pleisters tussen mijn handdoeken had gestoken. Dat onderlijfke dat ge gekocht hebt in de Zeeman wordt alle dagen vers gewassen. Ik ben al een beetje vermagerd van de zware inspanningen maar dat komt goed uit want door dat wassen is het onderlijfke ook al een beetje gekrompen. Zeg moeder, onze ploegleider heeft gezegd dat ik gisteren bij de besten was. Olivier zegt dat de eerste Ronde altijd  gemakkelijker is dan ge denkt, maar dat ik toch nog meer mijn adem moet inhouden voor de bergen. In de parochie zullen ze nogal verschieten als ze mij op TV zien: ik heb al eens met Michel Wuyts geklapt en die heeft me aangeraden om zoveel mogelijk vooraan te rijden. Dat is niet gemakkelijk wanneer ge af en toe een van de ploegmaats moet terughalen als er vooraan iets bijzonders gebeurt. Ik heb ook al twee keer naast Yves Lampaert gereden. Da’s wel plezant naast zo’n trui van Belgisch kampioen rijden, want daar voel ik mezelf ook beter van worden.  

     

    Ik ben al eens betrokken geweest bij een chasse patate. Dat is geen jachtpatat maar dat zegt men als ge vanuit het peloton naar de kopgroep demarreert, maar vrij vlug blijft hangen gedurende geruime tijd. Da’s iedere keer een zware inspanning die niet rendeert. Eigenlijk is het moeilijk: als het kriebelt je toch nog inhouden om achteraf niet met dikke benen te zitten. Als je die hebt, kunt ge nog geen deuk in een pakje boter rijden. ’t Is spijtig dat ik sprint als een strijkijzer. De echte sprinters Cavendish en Kittel zijn al naar huis, maar hopelijk kan ik ten minste vanavond Alpe d’Huez nog meemaken. Als ik niet moet harken of zwemmen dan blijft de gevreesde inzinking achterwege.

      

    Zie moeder, ik zou graag tot in Parijs geraken. Zou Toon alle gazetten kunnen bijhouden? Dan kan ik als ik thuis kom alles rustig nalezen. De andere coureurs beginnen mij al een beetje te kennen. Quintana heeft mij eens iets gezegd, maar ik verstond hem niet. Yves vertelde me daarna dat hij gezegd heeft dat ik niet zo rap mocht rijden, want dat hij me niet kon volgen. Dat geloof ik niet, want zo rap rijd ik ook weer niet. Ik weet dat je geen computer hebt. Dus als je mij wilt schrijven, is mijn adres: coureur numéro quatre-vingt dix huit, permanence du Tour de France, France. Elke dag verandert dat namelijk.

    De beste groeten en vele kussen, ook aan Herman, Dirk, Toon, nonkel Hugo, de mannen van de Koekoek, mijn  supportersclub uit het Gildenhuis in Reet en zeker de rest van de familie niet vergeten.

    uw liefhebbende zoon,

    ‘coureur quatrevingt diswiet’

     
    Marcel Huysmans

    19-07-2018, 17:09 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    16-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.SIMPELE DINGEN

    SIMPELE DINGEN

     

    Ik heb een haat-liefdeverhouding met jeuk. Soms is het als een intens genot om me, zoals paarden en runderen het doen, ergens tegenaan te kunnen schuren en dat onbereikbare, almaar weglopende plekje te pakken te krijgen en aan te vallen. De omgeving en het tijdstip verdwijnen in het niets wanneer het jeukt. Het zijn van die problemen waar je niet graag mee naar buiten komt en die behoren tot het intiem verborgen leven van een mens. Je kent zeker het onvoldane maar toch deugddoende gevoel om ergens op je rug te krabben tegen een kasthoek, muurtje of deurstijl. Het reddende aanschuurobject kun je volledig vrij kiezen, is erg persoons- en plaatsgebonden en bepaalt in erge mate de graad van efficiëntie van het reddend gebaar. De wet op de privacy is op deze materie weinig toepasbaar en dus veilig voor politici. Je moet er ook niemand vooraf schriftelijk van verwittigen of achteraf voor verontschuldigen. En toch wil je het niet aan de buitenwereld laten zien omdat het juist een gevoel van thuiszijn en ongezien genieten opwekt.

     

    Het lijkt een beetje op het eergevoel van de fakir die zijn rug teistert met een regiment spijkers of naalden, al is die methode weldoordacht. Volgens de fysica wordt het lichaamsgewicht door het groot aantal spijkers van het spijkerbed verdeeld over de verschillende punten waardoor het fakirvel niet beschadigd wordt. Een wetenschappelijke theorie over rugkrabben bestaat bij mijn weten niet of is heel ver weg.

    Het omgekeerde doet zich ook voor: als je geen circusfreak of slangenmens bent, duikt soms jeuk op dat ene plekje van je rug op waar je nèt niet bij kunt. Dan weet je met enige dichterlijke vrijheid: er staat geschreven en gedrukt, dat je moet krabben waar het ‘jukt’. Die veralgemening is wél gênant als je en plein public optreedt.

      

    In het Jungle Book had Baloo de Beer er ook last van. Eerst vroeg hij aan Mowgli om op zijn rug te krabben en toen dat niet hielp, stond hij om zichzelf te verwennen en zo van de jeuk af te komen al schurkend en schurend tegen een palmboom te swingen. Hij zong trouwens: als je van beren leren kan… Dit werkt bij een mens natuurlijk ook, al kies je dan best bij een milde jeuk een berk en bij een nietsontziende scheelmakende jeuk een oeroude inlandse eik. Over voorkeuren, kleuren en smaken valt, zeker bij jeuk, niet te twisten. Je kan natuurlijk ook aan je naaste vragen om even te krabben. Wim Stevenhagen zei ooit om het intens genot te verhogen: ‘jeukt het op een rare plaats, krabbel er dan maar even naats.’ Sorry voor deze dichterlijke vrijheid, maar ze komt niet van mij. Jezelf krabben als je jeuk hebt, kan verslavend werken. Soms is het zelfs fijn om nog even door te gaan als je denkt dat de jeuk over is, omdat het zo fijn voelt. Maar nu weten we nog niet waaróm. Dus toch maar op zoek.

     

    Onderzoekers van de Washington University School of Medicine in St. Louis stelden vast dat er serotononine vrijkomt tijdens het krabben en dit zorgt ervoor dat de jeuk in eerste instantie nog verergert. Je hersenen raken afgeleid van het jeukende gevoel door de ‘pijn’ die het krabben veroorzaakt en serotonine is een natuurlijke pijnstiller, maar ook een ‘voel-je-goed-hormoon’. Daarna voel je je ineens happy. Zo zie je maar dat zelfkastijding en genoegdoening dicht bij elkaar liggen. Je kan ook een stokje gebruiken, tegen een muur aanwrijven of gewoon iemand anders vragen om je te helpen krabben. Dan krijg je zeer verhelderende gesprekken zoals:” .. Ietsje lager… ietsje hoger…ietsje meer naar links… ietsje meer naar rechts.: oh, dat doet zo’n deugd…” Je kunt natuurlijk een uitschuifbaar krabstokje gebruiken, of zo’n houten model met schuine tanden, maar dat zijn al gesofistikeerde tools om eenvoudige dingen op te lossen. Voor minder dan één euro koop je zoiets bij bol.com en kom je meteen op de plekken waar je anders nooit voorbijkomt. Er zijn zelfs uitschuifbare ruggenkrabbers die na gebruik kunnen gereduceerd worden tot amper 22 centimeter. Zij worden meestal niet aan de goegemeente getoond.

    Soms zakt de drang om te krabben snel weg en soms is het gewoon te lekker om ermee te stoppen. De ergste en ambetantste jeuk ontstaat op de rug, de schouderbladen en de enkels en dan is de verlichting van het krabben ook het grootst. Maar terwijl de verlichting wegzakt verblijft op sommige plaatsen op de onderarmen en de rug, blijft deze bij jeuk aan de enkels aanwezig; het krabben blijft dan genieten en één van de weinige dingen die je ongestraft mag doen. Niemand ziet mij. Krabben is de allerindividueelste oorzaak van een aller-individueelste emotie.

    Je moet dus zeker niet krabben waar het niet jeukt.

     

    Het besluit van deze literaire dwaling is dat er heel veel jeukvormen bestaan en nog meer manieren van krabben. Bij sommige jeukproblemen is het krabben zelf de remedie, omdat dan het probleem ook verdwenen is. Soms is het krabben ook een afgang, want dan eerst begint de jeuk.  Het begint met een onschuldige kriebel tussen de schouderbladen of onder je oksel en die kunnen meestal met een onschuldig kriebelingrijpen worden weggemoffeld. En over het uitbundig jeuken van muggenbeten en het pijnlijk tingeltangelen van brandnetels heb ik dan nog niet uitgeweid.

    Mag ik daarom afsluiten met de treiterende slaapversje uit mijn kinderjaren: “slaap wel, en dek je toe met je gat bloot en veel jeuksel. Ik wens je een kort armpje zodat je je niet kunt krabben. Maar slaap toch maar zacht!”

    Marcel Huysmans

    16-07-2018, 00:00 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    20-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.KEERSKEN IN EEN LANTEREN...

    Keersken in een Lantèren…  

     

    Eén van mijn eerste ‘openbare optredens’, waarvan ik mij nog vaag iets herinner, is dat ik als kleuter in de Sint-Jansstoet van Mol over de Rozenberg meestapte. Vol bewondering keek ik naar het likkend kaarsenvlammetje in mijn lantaarntje en had helemaal geen oog voor de mensen die traditiegetrouw de tweejaarlijkse kinderstoet zagen voorbijtrekken. Dat keerske was het middelpunt van mijn wereld. Het gebeurde altijd op de zondag vóór de feestdag van Sint-Jan (26 juni). Tot 2004 was er nog geld voorzien in de Molse begroting. Helaas, daarna was het vat en de portemonnee leeg en nu bestaat de Sint Janstoet niet meer. Uitgedoofde traditie noemen ze dat. De leerkrachten die er vroeger aan meewerkten, wisten welke grote voorbereiding dit vroeg en waren ervoor niet meer warm te krijgen. Wel ligt er nog heel wat kleding van deze stoet op de schoolzolder. Dat “keerske in de lantaren” heeft me altijd gefascineerd omdat geen wind en geen regen vat hadden op het oude supergezellige magische ding…

     

      

    Lantarens zijn er altijd in soorten geweest. Een heel bijzondere vorm van zaklantaarn, waarmee je katjes in het donker kunt knijpen en die energievriendelijk is omdat hij niet met batterijen werkt, is de knijpkat. Zeer binnenkort wordt de rode lantaarn opnieuw opgepoetst en spreekwoordelijk uitgereikt aan de wielrenner die laatste staat in het algemeen klassement van de Tour. Ook voor de voetbalploeg die laatst staat in het klassement is de lantaarn even rood want de rode lantaarn dragen brengt altijd enige publiciteit mee. Heel lang geleden hadden de mensen thuis ook een toverlantaarn staan. Het was een vierkant doosje met een lamp of een kaars in, met bovenop een klein schoorsteentje om de warmte af te voeren en aan de voorkant een lens en een schuifje. In dat schuifje werden stroken met plaatjes beschilderd glas geschoven, waarna de voorstelling kon beginnen. Het was de verre voorloper van de diaprojector die bij de jeugd ook onbekend is. De plaatjes gingen over zeer uiteenlopende onderwerpen, waren soms educatief of stichtelijk bedoeld of vaak tot leute en vermaak. Lantaarnisten noemde men vroeger ‘Luikerwalen’ omdat zij meestal uit Wallonië kwamen met een toverlantaarn op hun rug en hun voorstellingen op kermissen en in theaters opvoerden. Aan de hand van de plaatjes vertelden zij een verhaal en op allerlei manieren wisten zij die plaatjes tot leven te wekken, met schuifjes of draaimechaniekjes. Vanaf 1830 ontdekten religieuze en idealistische organisaties als het Leger des Heils en de drankbestrijding de doeltreffendheid van de toverlantaarn als een krachtig wapen tegen het onheil van drankmisbruik en andere 'slechte gewoontes', zoals roken en gokken. Helaas, nu is men zich daarvan niet meer bewust.

     

    Het Midzomerfeest verwijst naar de zomerzonnewende op 21 juni en de voorchristelijke feestelijkheden die vroeger vooral in Noord-Europa plaats vonden. Oorspronkelijk vierde men dat op 24 juni, drie dagen na de feitelijke zonnewende (het begin van de zomer). Door de eeuwen probeerde men te waarschuwen tegen de gevaren van heksen en demonen die in deze magische nacht maar al te gemakkelijk hun slag kwamen slaan. In het Engels wordt een absurde situatie, waarin alles uit de hand loopt, aangeduid als midsummer madness, een uitdrukking die ook Shakespeare kende. Hij schreef er trouwens Midzomernachtsdroom over. De kerk, die alles met lede ogen aanzag, was een beetje jaloers en probeerde het Midzomerfeest te kerstenen (verchristelijken) met de Sint Jansviering ter gelegenheid van de geboorte van Johannes de Doper op 24 juni. De mensen geloofden dat planten op midzomer geneeskrachtige en magische krachten hebben en hiervoor plukten ze op deze nacht o.a. het Sint Janskruid. Vreugdevuren moesten hen beschermen tegen duistere krachten die vrij spel hadden vanaf het moment dat het aantal uren daglicht opnieuw afnam. Op de avond van 23 juni gingen alle wijze mannen en vrouwen kruiden plukken die ze de rest van het jaar gebruikten om mensen te genezen.

     

    Het gerucht deed de ronde dat met Sint Jan de vrouwen gemakkelijker een vrijer konden vinden. In de zeventiende eeuw hingen zij daarom bloemen aan de huizen of boven de straat en feestten ’s avonds. Volgens een ooggetuige uit 1606 werd er gedanst en zong men “ijdelicke liedekens”. Als de vrouw dan een man wist te strikken, dan noemde ze hem “mijn Sint Jan”. Ook vertelde men dat tijdens die nacht en de daarop volgende morgen het onmogelijke kon mogelijk worden. Gezonken klokken begonnen zomaar te luiden, verdronken dorpen en kloosters kwamen boven water en verborgen schatten dreven zomaar boven. Spookverschijningen en overleden familieleden kon je in die nacht ook gemakkelijker tegenkomen. Het was waarschijnlijk geen toeval dat de kerk deze dag koos op de dag waarop zij Galilei dwong om zijn fouten en ketterijen af te zweren (de aarde is het centrum van het heelal). Maar zachtjes fluisterde hij in al zijn miserie ‘eppur si muove’ (en toch beweegt zij).

      

    Sint Jan is een ommekeer in de natuur. De voorjaarsbloemen zijn uitgebloeid en de bloemen die in volle zomer bloeien komen op hun paasbest, al is het wel na Sinksen. Vlieren en lindes staan in bloei. Het hooi is binnen en het is afgelopen met de aspergeoogst. Het sint-janskruid met zijn gele bloemen is door zijn kalmerende werking ook verbonden aan het feest van Sint Jan. Insecten zingen in de blauwe lucht hun hemelarabesken en vogels fluiten onbelemmerd dat het een lieve lust is. De natuur geeft ons een geweldige overvloed en je voelt je meteen meegenomen in een bonte, warme zomerwereld. Wij willen naar buiten en de vakantie lokt.

    En wat ik bij het keerske van mijn lantaren zo lang geleden nog geleerd heb, wil ik jullie heel stilletjes verklappen: wanneer je een takje van het Sint Janskruid in je schoen legt, kun je de volgende dag de dierentaal spreken. Woef! 

    Marcel Huysmans

    20-06-2018, 16:27 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    13-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GOD ZIT U. HIER VLOEKT MEN NIET

    GOD ZIET U. HIER VLOEKT MEN NIET!

     

    In de Mechelse Catechismus is vloeken erg stiefmoederlijk behandeld. Bij de 447 vragen is er geen enkele over vloeken. Alleen bij de tien geboden van God lees ik bij het tweede gebod: 'zweer niet ijdel, vloek noch spot'. De uiteindelijke verklaring over vloeken moest vroeger wel in de klas gebeuren. Gezien het gemak waarmee we al eens een vloekje wagen, vraag ik me af of die uitleg wel voldoende was. Een vloek is een krachtterm met een godsdienstige oorsprong, zoals 'godverdomme' of 'jezus'. In ruime zin kan het ook wel staan voor iedere soort krachtterm. Een bastaardvloek onderging een klankverandering van een echte vloek, die daardoor een beetje minder aankomt zoals 'potverdomme' of 'jasses of 'potvolkoffie'. Een vloek is gewoon een 'soupapke' (ventiel) om agressie kwijt te geraken en om je emotioneel te ontlasten. Vloeken is de taal van de primaire emoties geworden en tegenwoordig zelfs een tussenwerpsel. Als men zijn trein mist, tegenwoordig een veelvoorkomend verschijnsel, daalt een 'shit' of een 'fuck' perron-geluk over de treinsporen. Kinderen denken niet aan de oorspronkelijke betekenis van zulke woorden. Maar ze leren ze wel van de grote mensen en ze gebruiken ze volop. Het gewicht van een vloek is fel verminderd en ze zijn blijkbaar bijna alledaags geworden. Kinderen snappen ook niet dat de grote mensen daar niet mee gediend zijn.

      

    Als iemand per ongeluk met een hamer op zijn vingers timmert, lanceren mensen van gelijk welke taal of gelijk welke cultuur een krachtterm of meestal een uit de kluiten gewassen vloek. Dat is omdat vloeken pijn kan verlichten. Aan de Keele-Universiteit in Engeland dienden studenten zo lang mogelijk hun hand in ijskoud water te houden. Daarbij mochten ze naar hartelust God en Klein Pierke verdoemen. Daarna mochten ze de proef nog eens herhalen, maar deze keer alleen maar een onbenullige test aflezen. Vloeken werkte dus. Daarom vloeken mensen als ze zich pijn doen en verhoogt vloeken de pijngrens. Je wekt bij jezelf een agressiereflex op. Eens goed vloeken zorgt niet alleen voor een emotionele maar ook voor een fysieke respons. Emoties worden verwerkt in de rechter hersenhelft en de fijne taal in de andere hersenkant. Door te vloeken laten we zien dat we ons niet laten doen. Oorspronkelijk was een vloek een toverwoord en een machtsmiddel van magische mensen zoals priesters, tovenaars en magiërs. Binnen onze cultuur zijn er bindingen met 'zweren' en het gerecht. Een getuige of een beschuldigde kon Gods garantie inroepen door in Gods naam te zweren of bij God zelf. De beklaagde vroeg God dan om borg te staan voor zijn goede trouw. Hij stelde zich zelfs bloot aan de goddelijke woede in geval van een meineed, zoals geformuleerd in de moeder aller vloeken 'God verdoeme mij als ik de waarheid niet spreek'.

     

    Ben jij een vloeker? En helpt het? Hoe vloek jij? Heb je een uitgebreid repertoire of is het eerder van bescheiden komaf? Je moet niet meteen hardop antwoorden. Vloeken is bijna 'des mensen 'geworden. Bij sommige mensen bouwt een vloek een echte rem in omdat zoiets niet tot hun gewone taalschat behoort. Bij mijn vava hing een straffe met goud omrande vermaning tegen de muur: 'God ziet mij, hier vloekt men niet!' Vloeken zijn niet in alle situaties bruikbaar of aanvaardbaar. Omdat ze ontstaan in het godsdienstige kader, zijn ze bij de meeste mensen aanstootgevend. Vloeken die afgeleid zijn van de naam van God of van Jezus, zijn in strijd met het tweede gebod dat het 'ijdel' gebruik van Gods naam verbiedt. Is de vloek van een atheïst even krachtig als die van een gelovige? Wat doen zij als ze met de hamer op hun vingers slaan? Misschien voelen zij zich wel geremd omdat ook zij de naam van God niet durven of kunnen gebruiken in hun krachtwoorden. Even een overzichtje. Bedenk maar eens goed of je er één van gebruikt hebt en in welke omstandigheden: 'ochgod, mijne god, godmiljaar, godalmachtig, jesses en jakkes (jezus), jezus mina, duivels, alle deksels, godverdomme, potverdomme, potdorie, potverdikke, nondedju, sakkerdju.' Je ziet het: ze komen uit alle talen! Voilà, da's genoeg geweest voor vandaag: het zou nog een gewoonte kunnen worden. Maar het lucht wel op.

      

    95 procent van de automobilisten vloekt in de auto op andere weggebruikers en meer dan je denkt. Naar het schijnt is er daarbij geen verschil tussen mannen en vrouwen. Jong én oud vloekt in het verkeer, maar de frequentie neemt af met de ouderdom. Hoewel... Ouderen reageren meer binnensmonds. De groep tot 35 jaar spant de kroon met luidkeels en veelvuldig roepen, desnoods met de nodige gebaren. Dan verandert de woordenschat in: 'onnozelaar, zot, idioot, melkboer, duivenmelker of pipo'. Creatievelingen houden het bij bloempot, grasgeit of platte pannenkoek. Sommigen zeggen: ‘wie verbiedt ons nog te vloeken, nu God ons niet meer ziet?’ Ziet God ons wel? Volgens dat kadertje bij mijn vava zeker en dat heeft hij heel zijn leven verdedigd. Er wordt behoorlijk wat verbaal geweld gebruikt, ook op de radio, de televisie, in songs en films. Kinderen raken van kleins af vertrouwd met vloeken. Trouwens, als grote mensen zo vaak vloeken, wat kan daar dan verkeerd aan zijn? Al op zeer jonge leeftijd kunnen ze plezier beleven aan vieze woorden. Als de omgeving er dan om lacht, wordt het kind als het ware  beloond. Later leren kinderen misschien dat ze door te vloeken hun eisen kracht kunnen bijzetten. Of dat ze door beledigingen of door uitbarstingen van woede makkelijker hun zin krijgen. Zo worden ze aangemoedigd om agressief en onaangepast gedrag te ontwikkelen en dat hebben ze van diezelfde grote mensen geleerd. Onder invloed van televisieseries en internet duiken Engelse scheldwoorden als shit, damnenfuck op. Voor 25- tot 50-jarigen behoren ze tot het gewone taalgebruik. Zelfs zeventigers zijn niet te verlegen om shit in de mond te nemen. Jong en oud vloeken dus steeds meer in het Engels.

    De vloekende mens is ontkerkelijkt en daardoor moeten Jezus en Maria het niet langer meer ontgelden. Vloeken is echt niet meer wat het geweest is. De krachtterm is gebleven, de betekenis veel minder. De scheldwoorden uit de 'oude doos' zijn vaak milder, spontaner en een stuk minder agressief. Door hun vaak grappig tintje helpen ze dikwijls om de angel uit een ruzie te halen en de lucht weer blauw te laten zijn. Godzijdank!

    Marcel Huysmans

    13-06-2018, 10:35 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    08-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.SJOTTERKES EN SPORTVERDWAZING

    SJOTTERKES EN SPORTVERDWAZING

     

    De uitdrukking ‘Panem et circenses’ of ‘brood en spelen’ is een voorbeeld van hoe de Romeinen de gunst van het volk wisten te winnen door aan oppervlakkige behoeften als eten en vermaak te voldoen. Het was een uitspraak van de Romeinse dichter Juvenalis die nog altijd telt. Die zei: ‘vroeger verkochten we onze stem aan niemand. Tegenwoordig heeft het volk de macht afgestaan. Eens benoemde de burger militaire hoge pieten, ambtenaren en politiekers. Nu beperkt het volk zichzelf en hoopt alleen nog op ‘brood en spelen.’ In Rusland, waar de wereldbeker plaats vindt, heet dat ‘хлебизрелища (brood en spektakel). Zelfs bij Poetin is dat waarheid (pravda).

    In het amfitheater, het circus en het Colosseum konden de Romeinen live beleven hoe gladiatoren elkaar op leven en dood bevochten en hoe men uit de bocht vloog of te pletter smakte tegen de grond. Zonder play-station. De Romeinen juichten zoals wij dat doen bij het voetbal. Bij die evenementen gaven keizers hen gratis eten en drinken: letterlijk brood en spelen dus. Zo werd het volk dom en rustig gehouden en was iedereen content. Van maandag tot vrijdag werken we van 9 tot 5 en als we thuiskomen, zetten we met een vloeiende zapbeweging de televisie aan. Het weekend is een feest waarbij sommigen hun frustraties afreageren op de scheidsrechters en op de tegenstanders van hun favoriete sportploeg. Maar die wereld is vooral kassakassa geworden.  

      

    Is er in twee eeuwen iets veranderd? Alles is blijkbaar nog zoals toen. De rijke topvoetballer dribbelt met zijn nieuwe nikes de tv-schermen plat. Dat sportschoenen in Bangladesh gemaakt worden door kinderen van 8 jaar die 14 uur per dag werken, is het minste van hun zorgen. 100 euro kost zo’n paar sportschoenen. Voor de arme kindjes is dat toch heel veel, denk je dan. Als de rijke Belg toevallig op televisie een reportage ziet over de schuldslavernij in Zuidoost-Azië, lijkt hij ervan aangedaan. Het slaafje krijgt 1 euro per dag voor 14 uur handenarbeid. Datzelfde Nike betaalt tennissers, voetballers, golfers en andere ‘atleten’ miljoenen per jaar. Eerlijkheid loert in onze maatschappij om het hoekje en dat zie je niet! De enige reactie die we in huis hebben: we kunnen er toch niets aan doen!

     

    Koning Voetbal en Keizer Euro. Na het voorbije seizoen verklaarde de meest vooraanstaande parelwitte Belgische club dat de cijfers al vele jaren donkerrood kleuren. Zonder de inkomsten van de Champions League of uitgaande transfers boekte Anderlecht vorig jaar meer dan 43 miljoen verlies. Zonder die inkomsten kon het niet eens zijn lonen uitbetalen.Men speelt hoofdzakelijk voor het geld en niet (meer) voor de sportieve uitdaging.  Spelers worden wisselgeld om de balans nog een beetje naar de goeie kant te laten hellen. Supporters ondergaan lijdzaam de verhoging van de abonnementen, want… ze hebben nood aan brood en spelen! Ook in de week is er geen gebrek aan voetbal. Televisiezenders betalen zich blauw aan televisierechten omdat de sportieve Belg de belangrijke matchen niet wil missen. Wie alle matchen op teevee wil bekijken, moet aan verschillende zenders afdokken om de superlonen van de heren voetballers mogelijk te maken. Zolang voetbal dé tv-sport blijft en heel Europa aan het scherm gekluisterd houdt, blijven de spelers vet betaalde artiesten in een fake- en fictiebusiness. Dat heet brood en spelen van de 21ste eeuw. De salarissen hebben niets meer met voetbal te maken wel met business. Wie veel publiek trekt, wordt nu eenmaal schatrijk op de kap van een ander.

    De verdwazing is meteen gestart. De eerste match is nog niet begonnen en er is al ‘duivelsmoeheid’. Het geleverde voetbal is niet altijd reclame. Voor alles is er een uitleg en de voorbije match is eigenlijk niet zo belangrijk, want in de volgende gaat het gebeuren. Een politieker zou het niet beter kunnen zeggen. Positief blijven is het belangrijkste, ook als het niet zo positief is. Achteraf denken is altijd gemakkelijker en zo kun je aan alles een uitleg geven. Er zijn wel 13 Rode Duivelssongs geschreven maar de meeste worden nooit gedraaid, zeker niet gezongen en dikwijls onverstaanbaar. Om alles spannender en geheimzinniger te maken werd het ‘achter het handje spreken’ ingevoerd en liplezen verhoogt de speculatiewaarde van wie Sherlock Holmes wil spelen.

    Het stadion is onze tempel geworden en de televisie onze kerk. Voetbalvirtuozen zijn de goden die met ware hartstocht aanbeden worden. Wereld en kerk gaan hier als gezworen kameraden samen hand in hand. Een mensenstroom verdringt zich om in de stadions een plaats te bemachtigen, terwijl anderen aan het scherm gekluisterd zitten om zich te vergapen aan de valse religie. Misschien had Johannes-Paulus II toch gelijk: ‘van alle onbelangrijke zaken is voetbal het belangrijkste geworden’. Je weet dat de paus toch onvijlbaar is!

    Sporten is mooi en goed voor je ontwikkeling. Sporten vormt je karakter. Met sporten verbeter je je sociale vaardigheden. Ik heb een grote bewondering voor al die vrijwilligers die belangloos hun vrije tijd in de sportclub stoppen om de jeugd de geheimen van spelen en samenspelen te leren. Bij de sport zoals ik die tegenwoordig in mijn krant lees en die in tv-programma’s urenlang van commentaar wordt voorzien, haak ik af. Daar gaat het niet meer over sport en sportiviteit. Daar gaat het over keiharde business. Dan is sporten ineens niet meer mooi en niet goed meer voor de ontwikkeling en het karakter. Dan worden sociale vaardigheden eerder afgebroken dan opgebouwd. Het enige doel van deze sport is winst en roem. Dan gaat mijn televisie af.

      

    Daar komen vodden van. De top is maar aan een beperkt aantal mensen voorbehouden en niet voor iedereen is eer, media-aandacht en rijkdom weggelegd. Als de sporter daarmee wordt geconfronteerd, moet de psychiater meteen een oogje in het zeil te houden. Wordt er niet gewonnen, dan zetten we de boel op stelten, breken we de tent af en dreigt de crisis. Ouders en grootouders roepen langs de lijn tegen hun kinderen en kleinkinderen dat de poten van hun tegenstanders een effectiever doelwit zijn dan de bal. Zo gaat dat als we het spel uit het oog verliezen. De schoppende mens of homo frustraticus is in de plaats van de homo ludens gekomen. Zo leren kinderen dat alles om geld draait. Of niet?  Laat mijn enthousiaste kleinkinderen dan maar demonstreren wat en hoe een cross-over, een panna, een Zidane-draai en een panenka-penalty worden uitgevoerd. Of laat ze gewoon maar met de sjotterkes spelen. Daar heb ik tenminste nog plezier van.
    Marcel Huysmans

    08-06-2018, 15:27 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    30-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AFZIEN MAG, AFSCHRIJVEN NIET

    AFZIEN MAG, AFSCHRIJVEN NIET …

     

    ‘Ze’ zijn weer op komst: de zenuwenfabrieken van alle studerenden en van de kaarsjesbrandende moeders én grootmoeders. Examens zijn van alle tijden. Vandaag zijn het andere tijden en dus zijn examens anders en komen nieuwe zeden en gewoonten hun kopje bovensteken op alle niveaus en in al hun onhebbelijkheden. Een van de slagzinnen van mijn vroegere collega van Itterbeek tijdens de examens was: ‘afzien mag, afschrijven niet!’ Met deze nuchtere opmerking tijdens het ‘surveilleren’ – die niet van enig sarcasme en ironie gespeend was – zette hij de tendens voor zijn geduldig heen en weer lopen tijdens de schriftelijke examens en was iedereen tegelijk gewaarschuwd. In die omstandigheden mocht je dus niet afschrijven van een van je collega’s leerlingen en evenmin mocht je niet-toegelaten hulpmiddelen gebruiken in je zoektocht naar de juiste antwoorden. Dat soort afschrijven is nog altijd niet toegelaten, hoewel de gebruikte technieken met de technologische ontwikkelingen zijn geëvolueerd. Maar andere soorten afschrijven hebben zich gaandeweg de laatste jaren gemanifesteerd en waren niet tegen te houden…

      

    Eerst kwamen de rekentoestellen. In mijn studententijd aan de unief was het ondenkbaar dat je een rekentoestelletje mocht gebruiken voor het vak numerisch rekenen. Voor het opzoeken van sinussen, cosinussen en ander getangens moesten we numerische en logaritmische tabellenboeken exploiteren. Het enige ‘kunstmatig’ hulpmiddel om benaderend maar snel resultaten te boeken, was een rekenlat. Je moet al erg zoeken om zo’n ding nog terug te vinden of te zien en zeker om erop rekenen houdt voor de meesten het midden tussen sterrenwichelarij en toveren. In het begin van mijn onderwijsloopbaan waren ook rekentoestelletjes nog verboden. Rond 1973 doken ze op met als koplopers HP, Canon, Casio en Texas Instruments. Gaandeweg mocht je die dingen gebruiken waarvoor ze moesten dienen, maar er kwamen ook toestellen die je kon programmeren, met magnetische kaartjes of vanuit je eigen wiskundekwaliteiten. Voor de toezichters zonder ‘toestellenkennis’ werd het moeilijker om bedriegers te ontmaskeren en daarom stelden slimme (en rijke scholen) een doos met identieke toestellen ter beschikking om niemand te benadelen. Toen kwam de tsunami van de ‘rekenmachientjes’, een vloedgolf die niet meer te stoppen was… Rekenen kon niet meer zonder! Ik heb zelfs een Belgische prins gekend die weigerde aan een overhoring deel te nemen omdat hij zijn rekenmachine niet had.

     

    In het hoger onderwijs hing er iets magisch over zaligmakende en zenuwvretende thesissen, scripties en eindwerken. Dat was als hoogstpersoonlijk werk bedoeld maar je kon ook iemand anders voor je laten schrijven. Dan werkte je met ‘ghostwriters’, zoals J.P. Van Rossem dat dikwijls voor anderen deed. Je kon ook met anderen samen werken, wat daarvoor zelfs verboden was. Als dat eerlijk gebeurde, leerde iedereen ervan, maar zo werden weinigen slimmer, en de meesten luier en dommer. Bij oneerlijkheid (ergens anders afgeschreven), mocht je het wel schudden. Op de computer kon je toen hoogstens boekbesprekingen downloaden, maar leraren waren ook niet van de domsten en wisten ook waar de mosterd vandaan kwam. In de geschreven teksten van thesissen kon je met de nodige spitsvondigheid afleiden of de betrokken student het geheel al dan niet zelf geproduceerd had. Soms verraadde hij zich door voor één begrip drie verschillende termen te gebruiken, afhankelijk van de brochure die hij bij diverse banken had opgesnord. Daar kwamen de echten naar boven en kon je zien of iemand zijn opzoekwerk en persoonlijke verwerking wel degelijk had gevoerd. Een verzameling van dergelijke steken die men met al te grote herhaling liet vallen, deed bij de juryleden de uitreiking van de verdiende punten in grote mate dalen… Afschrijven en jezelf verraden mocht duidelijk niet.

     

    Ineens werd de google-maatschappij springlevend. In fracties van een seconde haalde je onnoemelijk veel artikels over een onderwerp binnen. De firma Google vist supersnel in haar grote fichenbak waarbij al de duurbetaalde Winklerprinsen ter plekke sterven in het boekenrek waar de ze laatste twintig jaar nog amper afgestoft zijn, laat staan gelezen. Google lost het voor jou op en schotelt alles gerangschikt op een dienbord gebruiksklaar voor. Je grijpgrage klauwen naar informatie nemen dit gretig aan en zorgen voor een massa aan informatie waarin je eerder kan verdrinken dan door het bos de bomen nog zien. Wie zeer gedisciplineerd te werk gaat en accuraat zijn opzoekingen verfijnt, kan ook wijze woorden en teksten aan het printerpapier toevertrouwen. Het eigen opzoekingswerk in bibliotheken of gespecialiseerde tijdschriften neemt af en op het gevraagde niveau kun je je heel goed uit de slag trekken met de bijeengegoogelde resultaten. Hoe meer je de materie persoonlijk verwerkt en tot je eigen bezit maakt, des te meer bouw je een eigen stelling en dus ook een eigen degelijke thesis op.

      

    De speurneuzende boswachters moesten hun reukorgaan heroriënteren. Leraars en docenten moeten  nu meer doen om onfrisse praktijken op te sporen dan dat leerlingen/stropers nodig hebben om hun goede bedoelingen te verdoezelen. Docenten in het hoger onderwijs klagen dat ze het alsmaar moeilijker hebben om scripties te kunnen vertrouwen. De student kiest zijn onderwerp, zet zich aan zijn computer, schakelt zijn zoekmachine in, winkelt uitvoerig in de teksten die hij op het scherm aangereikt krijgt en schiet dan in actie. Hij selecteert, kopieert, arrangeert en plakt en scharrelt op die manier zijn ‘wetenschappelijk werk’ bij elkaar. Voetnoten, die naar die dingen verwijzen, vallen meestal naast de bladzijde en alleen die bronnen die echt op papier geconsulteerd werden, verdwijnen meer en meer van de litteratuurlijst. Als je zo’n student bij de opvolging aan het verstand probeert te brengen dat dergelijke scriptie geen wetenschap maar de opslagplaats van een diefstal is, reageert hij meestal verbaasd of zelfs verontwaardigd. Het staat toch op internet! En, weet je wel hoeveel werk het gevraagd heeft om het allemaal bijeen te vinden?... Zwakke redenering natuurlijk!

     

    Een scriptie moet gewoon je eigen werk zijn. Je mag altijd uit andere bronnen citeren, maar die verwijzingen moeten wel in verhouding staan tot je eigen inbreng. Tegenwoordig is het in heel wat hogescholen de gewoonte dat op de eerste bladzijde van een thesis – en persoonlijk ondertekend door de betrokken student(en) – vermeld staat dat de authenticiteit van de scriptie gewaarborgd is en dat geen stukken werden overgenomen zonder bronvermelding. Het is een verklaring op erewoord. Op die manier weet die student waaraan hij zich blootstelt en zo geeft de docent/boswachter eigenlijk ook toe dat hij het zelf ook niet meer durft te zeggen… De digitale snelweg heeft veel deuren geopend om informatie te vergaren. Het is dan ook logisch dat daar driftig gebruik wordt van gemaakt. Maar dan gelden de regels: bronvermelding en met mate.

    Je mag nog altijd heel veel inspanningen leveren: afzien mag, afschrijven niet!

     

    Marcel Huysmans

    30-05-2018, 16:22 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    23-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.OORLOG: MEER LITTEKENS DAN ERETEKENS

    OORLOG: MEER LITTEKENS DAN ERETEKENS

     

    Een maand geleden was ik voor een verlengd weekend in de Westhoek. Ik ben daar weer de wereld van de waanzin tegengekomen. Het einde van de eerste wereldoorlog hangt er overal nog alle dagen in de lucht. Na 1568 dagen waanzinnig wereldwijd oorlog voeren proclameerden de Duitsers, Fransen en Engelsen 'het staakt-het-vuren van Den Grooten Oorlog'  in een treinwagon in het Franse Compiègne. Die wagon staat er nog altijd als getuige. De afrekening telde 8,5 miljoen mensenlevens en alleen in de Westhoek sneuvelden 400.000 jonge mensen in een niets ontziende loopgravenoorlog. Ik heb die oorlog niet meegemaakt en gelukkig ook geen andere. Ik ben 'van na den oorlog' en dat wil ook zo houden. Maar iedere keer als ik in de Westhoek kom, herinneren borden eraan dat ik onderweg ben naar een monument, begraafplaats of relict uit die oorlog. Om niet te vergeten!

      

    In de Westhoek vind je de oorlog weere, en 't graf van duizend soldaten: altijd iemands vader, altijd iemands kind... Vermandere zingt erover en je wordt er stil van. In die stille steden van de dood word je met een teletijdmachine onwillekeurig teruggevoerd naar 14-18, ook al is het 100 jaar geleden. De namen van soldaten van 20 jaar, of 18 of zelfs 14 jaar staan er in kille bonkige stenen tafelen gebeiteld, om altijd weer aan te denken. In Flanders Fields, waar de klaprozen bloeiden, groeiden vijfentwintig jaar later weer rijen eenvormige kruisjes die herinneren aan de veelheid van zoveel jonge mensen. In Vladslo stond ik in de druilerige regen bij het in steen gekapte "Treurende Ouderpaar"van Käthe Kollwitz (1867-1945) die haar verdriet, onmacht en moederleed voor eeuwig vorm gaf. Voor haar waren "de eigenlijke verliezers van de oorlog altijd de ouders, de vrouwen en vooral de moeders". Toen Hitler in 1933 rijkskanselier werd, mocht ze haar beelden niet langer tonen. Zo lang mensen een oorlog van binnen hebben, zal er buiten hen ook oorlog zijn. Ik vertelde het verhaal van Hans en Peter Kollwitz aan mijn kleinkinderen en tussen de 24.000 op steen gebeitelde namen zochten en vonden we de naam van Peter terug: Peter Kollwitz Musketier 23 10 1914. Toen was het even stil.

     

    Bij het begin van WO I nam haar zoon Hans dienst in het leger en ook zijn jongere broer Peter trok naar het front in Vlaanderen. Hij sneuvelde in Diksmuide op 23 oktober 1914 en rustte eerst op het soldatenkerkhof Roggeveld bij Esen, midden de eenzame vlakten waar de IJzer stroomt. Later werd hij overgebracht naar Vladslo, vlakbij Diksmuide. Käthe reageerde fel op de moeders die in oorlogstijd - tegen beter weten in - de levens van hun zonen zomaar te grabbel gooiden voor de loop van honderden kanonnen, nadat ze zelf zoveel jaren zo goed voor 'hun jongens' hadden gezorgd. De onverstaanbaarheid, het onbegrip en de neerslachtigheid werden er alleen maar schrijnender door. Een jonge Duitse schrijver wilde op het einde van de oorlog jonge vrijwilligers ronselen 'om de eer van het vaderland te redden'. Zij reageerde hierop met een Goethe-citaat:"er zijn al genoeg doden gevallen en zaaigraan mag je nooit vermalen!". Toen Peter gesneuveld was, antwoordde ze aan zijn vrienden die een halsdoek voor hem hadden opgestuurd:"deze sjaal zal Peter niet meer verwarmen, want hij ligt dood onder de aarde bij Diksmuide". Kort daarna startte ze met een beeld als rouwmonument voor haar zoon en ze werkte er 18 jaar aan: even lang als Peters leeftijd toen hij sneuvelde. In 1956 belandden de beelden van Esen in Vladslo. Dat treurende ouderpaar stelt het leed van een gebroken moeder en een wezenloze vader voor die met een lege blik over de graven staart. Tussen de namen op de grafsteen links voor het vaderbeeld staat: Peter Kollwitz, Musketier, 23.10.14. Het regende nog altijd, maar we werden toch een beetje stiller, kouder en natter.

     

    Een oorlog kent nooit winnaars, enkel verliezers. Je kunt sterven als een held, maar een medaille betekent niets als je ze postuum krijgt of als je er onder begraven ligt. Oorlog neemt veel, maar geeft niks. Wie neemt het initiatief om een oorlog te beginnen en waarom volgt iedereen dan? Omdat er altijd slimmeriken zijn die denken dat ze kunnen winnen. Oorlog is eigenlijk toch maar bloedvergieten op zoek naar vrede. Vrede is feitelijk de voortzetting van de strijd maar dan zonder bloedvergieten. In vredestijd heb je nog wetten of controlemechanismen, maar in een oorlog vallen die allemaal weg. Alleen gruwel en waanzin blijven over. Iedere kogel, raket of gasaanval veroorzaakt nog meer haat. Chemische wapens zijn alleen maar bedoeld om mensen buiten gevecht te stellen, te verwonden of te doden. Ze respecteren de dode materie en maken van levende wezens ook dode materie. Ze vormen het summum van waanzin en onmenselijkheid niet alleen in het brein van getormenteerde zielen maar ook in de slaafsheid van geïndoctrineerde navolgers en meelopers. Daarom is het Verdrag tegen Chemische Wapens een wereldwijd verbod op het gebruik en het in voorraad hebben van zulke chemische ondingen levensbelangrijk. En toch durft Assad in Syrië anno 2018 nog kinderen en volwassenen aanvallen met oorlogsgas. We liepen nog door de fameuze Dodengang in Diksmuide en voelden een beetje de kou en de miserie van die duizenden  soldaten. De drashregen hielp ons daarbij nog.

      

    Dan heb je tegenwoordig nog de heilige oorlogen die wegens religieuze opvattingen, vermeende goddelijke verplichtingen of ter verdediging van 'heilige' gebieden gevoerd worden. Vandaag de dag worden mensen opgeroepen tot een 'heilige' oorlog die altijd barbaars is en allesbehalve heilig. Heilig betekent hoop, liefde en geluk voor iedereen. Oorlog is altijd ongeluk, verdriet angst, dood en verderf. Wat kan het God of Allah schelen wie welke oorlog zal winnen? Voor wie zou hij moeten kiezen? God kiest niet de minst erge van twee kwalen maar laat mensen de vrijheid om eigen keuzes te maken. Oorlog is iets wat de mensen hebben uitgevonden en daar komt God niet in tussen.

    Nederland en België - en ook nog andere landen - hebben een oorlogsgeschiedenis, maar ze zijn nogal vergeetachtig. Ze sturen mensen naar oorlogsgebied om te 'helpen' en om ver of dichterbij verwikkeld te geraken in een strijd die nooit te winnen valt. Mensen kun je uitroeien, ideeën niet. Waanzin evenmin.

    En dan zijn er nog die zeggen dat ook voetbal oorlog is... Was oorlog maar voetbal, dan kon de scheidsrechter tenminste de strijd staken...

    Marcel Huysmans

    23-05-2018, 21:49 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (1)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    17-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.EXTREME ALLERGIE: KERMISSEN EN FOREN

     

    EXTREME ALLERGIE: KERMISSEN EN FOREN

     

    Vandaag de dag staat het goed als je tegen vrienden en kennissen kunt zeggen dat je een ‘allergie’ hebt. Je beantwoordt hiermee aan de algemeen verspreide gedachte dat er iets in je leven is waar je helemaal niet tegen kunt en dat je beschouwt als iets van jezelf of tegen jezelf.  Erger zelfs: het werkt op je systeem en het hoeven helemaal geen lichaamsvreemde stoffen te zijn die een reactie veroorzaken binnen je immuunsysteem. Ik heb persoonlijk geen last van stuifmeelkorrels, huidschilfers van dieren of uitwerpselen van de huisstofmijt. Ik wandel ook niet met een loopneus, heb geen tranende ogen, mag nog ongeremd krabben als het jeukt en de momenten dat ik spuitaflatende diarree of verregaande benauwdheid krijg, zijn op de vingers van één hand te tellen. Toch zijn er twee dingen die op mijn zenuwstelsel werken en die onvoorspelbare reacties op mijn gemoed en mijn humeur veroorzaken. Dat zijn gezelschapsspelen, zoals daar zijn kaarten, dobbelstenen gooien in alle mogelijke varianten en met wisselende spelregels of ander Halmagedoe èn kermissen. Van heel die santenboetiek heb ik wel een superallergie overgehouden: alles wat ruikt en ademt naar alle mogelijke vormen van kermissen – van paardenmolen over schietkraam tot pretpark- bezorgt me rillingen en onbeheersbare kermisvrees. Vandaag wil ik me beperken tot de kermissen en foren: het is er de tijd voor!

     

    Een kermis of foor vind ik een evenement dat vooral bedoeld is om mezelf  zeker niet te vermaken, maar anderen wel en dat moedig ik ongeremd en uitgebreid voor mijn uitbundige medemens aan. Van oorsprong was de kermis een jaarmarkt ter gelegenheid van de wijdingsdag van de patroonheilige van de parochie of de wijk. Kermis is dan ook een verbastering van kerkmis of kerke-misse. Op die dag stroomde het volk en de families samen om de patroonheilige te vieren en te vereren. In de steden verloor de kermis meestal de band met het religieuze feest waarvan het afgeleid was, maar in vele dorpen gaan beide nog hand in hand en gaat zelfs op de wijdingsdag nog een processie uit. Geef toe: dat zijn uitzonderingen. Dat neemt niet weg dat ik elke gelegenheid tot echt vieren apprecieer. Mijn verste kermisherinneringen gaan terug naar een feest (?) met paardenmolens en schommels en een feestmaal bekroond met echte Limburgse vlaaien (ik ben op 300 meter van de Limburgse grens geboren). De smaak van die gretig verorberde vlaaispieën blijft me meer dan 65 jaar later nog achtervolgen en plezieren. De aversie voor paardenmolens, schommels, botsauto’s en schietkramen is sindsdien alleen maar toegenomen. Terwijl kinderen meestal wenen als ze niet op de kermismolen mogen rondtoeren, schreeuwde ik moord en brand om me weer van dat draaiende onding af te halen. De ware psychologische achtergrond van deze tegennatuurlijke afkeer van alles dat met het risicovolle kermisbedrijf te maken had, heb ik nooit kunnen achterhalen en daarvoor heb ik misschien nog een tweede leven nodig.

     

    Van nature had ik altijd belangstelling voor het fenomeen ‘kermis’, zolang ik er zelf maar niet moest aan deelnemen. Ik ben in mijn leven twee keer op de Sinksenfoor geweest. Die is gegroeid uit de Antwerpse jaarmarkt die sinds de 13de eeuw rond Sinksen plaatsvond. Vanaf 1875 tot in 1969 stond de kermis op de Leien maar verhuisde toen wegens de verkeersdrukte naar de Gedempte Zuiderdokken. Mijn twee bezoeken zijn gelokaliseerd op die twee plaatsen. Helaas. Op Spoor Oost of in de 85 m hoge Mine Tower zal ik waarschijnlijk nooit meer geraken. De eerste keer bezocht ik met mijn ouders de foor op de Leien rond 1950. Ik herinner me nog ‘de Lut met den Beer’, de ‘spookhuizen’ en ‘rupsen’ die me altijd een vraag naar avontuurlijkheid, spanning en geheimzinnigheid deden veronderstellen maar me toch nooit konden bekoren. Dat verstond ik niet. Baardvrouwen, goochelaars en waarzeggers lokten kermisvierders en misvormde menselijke wezens werden als rariteiten voor normale mensen uitgebuit. Veiligheid is een grote factor in het kritisch bekijken van heel het kermisgebeuren. De mensen zijn wat losser en zo komen risicos’ sneller dichterbij. Misschien is dit een beetje beroepsmisvorming. De peter van mijn vader is na een kermis in Mol een been kwijtgespeeld in een ‘stuur’, een Molse schommel die als uitermate prettig werd voorgesteld. Dat ongeval van ‘nonkel Jef’ werd in de familie honderden keren verteld en vormde wellicht toch de kiem van mijn kermisaversie. De tweede keer dat ik de Sinksenfoor bezocht was samen met mijn vrouw. Het was in 1973. Spijts mijn natuurlijke afkeer stond ik toen voor het eerst voor een schietkraam. Ik gebruikte toen als noviteit een loodjesgeweer en zou het later nooit meer ‘bespelen’. De Sinksenfoor was dus niet aan mij besteed en het werd een definitief adieu.

     

    Voor heel wat mensen was kermis de enige gelegenheid tot uitgaan en als je toevallig veel centen had, leidde dat tot zwaar alcoholgebruik en de gevolgen ervan: dronkemanstaferelen, vechtpartijen en buitenechtelijke vrijpartijen. Erotisch getinte en zelfs seksuele opvoeringen in afgesloten tenten, activiteiten als ‘dwergwerpen’, weddenschappen en gokspelen en ‘sterke mannen’ werden als ideale kermisattracties opgevoerd. Ik besef nu dat dit allemaal aan mij is voorbijgegaan. Anno 2012 was de Sinksenfoor inzet van zware discussies: in welke mate is dergelijk evenement een belasting op de gemoedsrust van ‘de nieuwe Antwerpenaar?’ Is de brave burger die gekozen heeft voor de relatieve rust van de Gedempte Zuiderdokken nog wel aanspreekbaar voor een gebeuren dat de hele buurt gedurende 4 tot 6 weken doet ontwaken uit zijn vredige parkeeractiviteit om plaats te maken voor een geldverslindend rustverstorend gebeuren dat eens per jaar de uitgaansklep van de verstokte Antwerpenaar doet klepperen? Gelukkig gebeurde in 2015 de achteraf toch gelukte verhuis naar Park Spoor Oost. Nu zijn de mensen – gemeentebestuur , bezoekers en foorkramers - opnieuw content.

    Eén en géén probleem zijn mijn kinderen en kleinkinderen. Ze zijn grootgebracht met het ‘Ros Beiaardsyndroom’. Dit wil zeggen dat zij van kleins af in Dendermonde hebben kunnen smullen van ‘Katuit’, ‘Ros Beiaardommegangen’ en kermissen allerhande. Zij kennen en smaken – nu al en altijd opnieuw – de feestelijke genoegdoeningen van al die kermisattracties, van paardenmolen over eendjesvissen tot casinospeeltjes en voeren rondedansjes uit als zij één van die attracties met hun aanwezigheid mogen en kunnen vereren, daarbij geholpen door hun enthousiaste oma en tante Roos. En bij zoveel inzet, speelplezier en kermisvreugde verzinkt mijn kermis- en foorallergie helemaal in de achtergrond bij hun kermisenthousiasme. Dat is op dit ogenblik niet meer terug te schroeven.

    Het zij zo! Aangename kermismaking!

    Marcel Huysmans

    17-05-2018, 15:31 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    11-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERGISSINGEN VAN MEI? OF VAN IEMAND ANDERS?

    VERGISSINGEN VAN MEI?

    OF VAN IEMAND ANDERS?

     

    De laatste avond van de zonnedagen  van vorige week was de zon met een beetje winderig gevoel roodromantisch ondergegaan - zoals zij dat al eeuwen doet - en ik zat aan de tafel toen ik plots een kleine, droge ‘tok’ hoorde tegen de ruit van de schuifdeur. Het was echt niet de moeite om er op te letten… en dus las ik verder! Maar dinsdagmorgen duwde ik de terrasdeur open en zag de onbenullige ‘tok’ op de grond liggen: met de poten onbeweeglijk omhoog, zijn zwarte lijf naar boven en onderaan zijn bruine mooi opgevouwen vleugels. Dat moest die brokkenpiloot van tegen de ruit zijn! Een meikever was op zijn rug beland, had het niet overleefd en kon ook niet meer gerepareerd worden zoals het beschadigde exemplaar van Panamarenko uit 2006, dat uit het ‘smak’ was weggepikt. Eigenlijk noemden we ze vroeger mulders, molders of zelfs moldenaars. Voor meikevers bestaan er wel honderd dialectnamen, allemaal goedgekozen en met een levensverhaal nabij een beukenhaag. Lang geleden kwam je ze regelmatig tegen maar de laatste 5 jaren heb ik ze nog maar weinig gezien.

                                                                                               

    Hun openbaar leven is mini. De eitjes van de meikever worden in de grond gedeponeerd en dat worden dan larven. Omdat ze zo’n drie, vier jaar onder de grond blijven eten noemt men ze ‘engerlingen’, eigenlijk een beetje een nare naam. Ze vreten zich helemaal vol met alleen maar wortels. Daarom werden ze jarenlang door de tuinders bestreden en gedood en daarom worden ze zo zeldzaam. Wie overleefde als kever, had de gewoonte in mei naar boven te komen, maar soms gebeurde dat al vroeger. We vingen ze vroeger – na het ‘uitkomen’ – op eiken- en beukenhagen. Of… ze kwamen naar het licht, zoals die ene met de fatale landing tegen de ruit! Als kind parkeerden we hen als levende trofee in een lucifersdoosje – met gaatjes én een frisgroen blaadje - en vooral ’s avonds was het een geritsel van belang. ’s Anderendaags maakte het diertje dan meestal een reis in de broekzak en mocht voor het eerst naar school. Aan één van de poten bonden we een garendraadje. Zo kon de kever zijn vleugels even uitslaan en een korte vlucht maken zonder dat hij als vermist werd opgegeven. Toen stonden we er niet bij stil dat dit zuivere dierenmishandeling was, maar Gaia bestond nog niet en we waren zeker dat de meikever er niet veel last van had en dat hij heel content was omdat hij even uit dat enge doosje weg kon.

     

    Opeens beleefden we veertien dagen geleden de warmste aprildagen sinds 1833. Aprilse grillen stonden even droog en werden vervangen door perfect zomerweer met zonnecrème en ijskreem. Door die warme dagen in april waren sommige meikevers-in-spe wel degelijk misleid en daarom haalden enkelingen hun vliegbrevet al in april. Het scheelde niet veel of de aprilklokjes waren verwelkt tegen hun hoogdag van 1 mei. Sommigen kwekers hebben ze zelfs in hun koelruimte gezet om hun groei af te remmen tegen de hoogdag van de arbeid. Je zou er nog meer vragen kunnen bij stellen. Hoe zit dat met al die vogels? Legt ieder vogeltje nog wel zijn ei in mei of heeft ie dat al in april gedaan? Jaja natuurlijk, behalve de kwartel en de griet, want die leggen in de meimaand niet… of de koekoek en de spriet, want die kennen hun nest nog niet! De zomer in de meie, zet de oude lieden aan het vrijen. Wie moet dat allemaal controleren? En wie heeft dat gedaan? Wreekt het fameuze Trumpgat in de ozonlaag – want dat is van vóór zijn tijd en alleen daarvoor is hij niet verantwoordelijk - zich op de mens? Wat gaan we nog allemaal meemaken? Is de wereld echt om zeep, want er gebeuren rare dingen rondom mij? Kunnen we en willen we er met zijn allen wel iets aan doen? Of is een meikever in april alleen maar een zot die niet weet wat hij wil?

     

    Enkele jaren geleden heb ik me laten vangen door de ijsheiligen. Ik had mijn aprilse tomatenplanten een maand te vroeg geplant en in mei heb ik ze dus een tweede kans moeten geven. Boerenwijsheid is niet dom en verstand komt maar met de jaren. Mijn ex-collega Klein Georgeske uit Buggenhout (van nature een economo- agrofiel met late roeping) keek meewarig naar mijn scheefgezakte aprilplanten en sprak de wijze woorden: “ge moet wachten tot de grond opgewarmd is. Maar ja, de jeugd van vandaag heeft geen geduld hé”. Hij plantte zelf zijn bonen half mei, na de zogenaamde ijsheiligen. Dus volgde daarna mijn tomatenplant-herexamen in mei. Sindsdien ben ik op tuinvlak devoot en vertrouwensvol geworden: er worden buiten geen bonen, erwten en tomaten meer geplant vóór de ijsheiligen of met andere woorden tot de grond voldoende is opgewarmd rond half mei. Dan rijden de ijskarretjes al een hele poos en zijn de ijsheiligen ook gepasseerd. Die hebben hun naamdagtussen 11 en 15 mei en deze controle is gemakkelijk deze week uit te voeren. In de volksweerkunde zijn dit de laatste dagen van het jaar waarop nog nachtvorst kan optreden. Mamertus, Pancratius, Servatius van Maastricht, Bonifatius van Tarsus en soms is Sophia van Roma er ook bij in het clubje van vier of vijf.  Zo zie je maar dat het voorjaar te veelbelovend en onnozel kan zijn in zijn voorzichtig, aarzelend genereren van het kan vriezen en het kan dooien. Dat noemt men lentezonden.

                                                                                

    Is de wereld onherroepelijk en onomkeerbaar naar de Filistijnen? Ja, want het proces van de opwarming van onze aardbol is ingezet en niet meer te stoppen. Tegen 2100 zal het overal, gemiddeld 3 à 5 graden warmer zijn en dat levert al gevaren op vanaf 2°C stijging. De ijskappen zullen afsmelten en de zeespiegel zal zo'n 58 centimeter stijgen. Overstromingen zullen ons deel zijn en continenten zullen onder water verdwijnen. Elders zal het extreem warm worden en honger en dorst zullen toenemen terwijl de kans op orkanen groter wordt: allemaal onze eigen schuld en eigen bult. Wij hebben de wereld die we cadeau kregen zelf om zeep geholpen: niet de apen, beren, honden of katten. Ook niet de slangen of kikkers of de wespen en muggen. Nee, wij zijn de daders: we hebben daar allemaal zelf voor gezorgd! Dus lieve vrienden: als de hond de zetel heeft kapot gekrabd of de kat hoog in de gordijnen hangt, moet je niet te hard roepen. Memento homo – bedenk o mens - wat jij allemaal zelf hebt uitgespookt!  Toch wensen we iedereen toch veel plantgenot, reuzenbonen, bolle erwten en volle rode karbonkels van tomaten!

    Marcel Huysmans

    11-05-2018, 15:40 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    04-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.OVERLEVERS VAN DE TWINTIGSTE EEUW

    OVERLEVERS VAN DE TWINTIGSTE EEUW

     

    Soms voel ik me oud worden! Te dikwijls kijk ik terug naar vroeger. Op zichzelf is dat niet erg, maar het gebeurt vaak met weemoed en dat is minstens verontrustend. Als ik in de achteruitkijkspiegel de jaren 50 – 60 – 70 zie en van dichterbij vaststel wat we allemaal hebben uitgestoken, besef ik dat we toen tegen heel veel en tegen bijna alles hebben gezondigd en nog meer verkeerd hebben gedaan. Het is bijna een wonder dat we zoveel overleefd hebben…  Ofwel hadden we een prima samenwerkende vennootschap van superengelbewaarders ofwel waren we van nature sterk en onverwoestbaar. Of misschien hebben toch nog andere dingen meegespeeld.

                                                           

    Misschien waren we lichtzinnig toen we eitjes aten, recht van onder de kip die haar lichaamsproducten zelf nog in gescharrelde toestand in het kippenhok had gelegd. Op de voeding die we kochten, stond géén vervaldatum. We dronken water uit de kraan of aan de tuinslang en bijna nooit uit de fles. Als we met kameraadjes speelden, sportten of werkten, dronken we uit dezelfde fles zonder te denken aan mogelijke besmettingen. Een verse kauwgom van een halve dag belandde toen nog op het nachtkastje en zelfs de ochtend daarop was hij nog goed voor de dienst, zij het iets minder gesuikerd. Men vertelde dat kauwgom gemaakt werd van rubber en dat je er – als je hem per ongeluk inslikte – aaneengeplakte darmen aan over hield. Ik heb ze wel geslikt, maar nooit geplakt. In scholen was kauwgom een verboden genot. Zwemmen mocht bijna overal: in elke waterloop, kanaal, visvijver of zandput was het bij mooi weer een grandioos feest en de waterplassen waar het ongezond was, kenden we niet of hadden nooit van de vervuiling gehoord. Ik leerde van onze buurman zwemmen in het Straatsburgdok tussen aangekoekte mosseltjes aan de kaai.

     

    We leefden in de jaren van roekeloze mobiliteit. In de auto’s stonden geen veiligheidsstoeltjes of kopsteunen, gordels hadden hun intrede nog niet gedaan en een airbag was enkel een gadget voor een sciencefictionverhaal voor vele jaren later. Op de autobank was het achterin gezellig en zeker niet gevaarlijk. We zaten achterop de fiets, slepend met de voeten over de grond en moesten ons vasthouden aan de schroefveren van het zadel. Mijn eerste fiets – van mijn peter gekregen – was een ‘doortrapper’ zonder kettingkast die bijna twee vingertoppen van mijn rechterhand oppeuzelde. Er waren wél terugtrapremmen en ‘sturmay-versnellingen (3)’ die, als ze ontregeld waren, enkel nog met de zwaarste versnelling lieten trappen. In die tijd werden echte flandriens gekweekt. We fietsten nog zonder helm en een kapotte band herstelden we zelf met ‘roestinnekes’ en kleine tubes lijm die altijd net uitgedroogd waren bij gebruik.

     

    Door veel rivieren en vooral riviertjes stroomde zwart water met groezelige schuimkoppen. Overal braakten fabrieksschoorstenen ongezond roet uit en stank was het afstandelijke bewijs van industriële activiteit. Er was veel minder geluidsoverlast en veel minder auto’s, maar het aantal verkeersdoden was toch drie keer zo hoog als nu. De huisarts deed zijn werk nog alleen, rookte soms permanent sigaren en voor wie er helemaal niets meer gedaan kon worden, bleef alleen nog het ‘gesticht’ over. De bakker kwam nog dagelijks aan de deur en bracht lekker vers Expobrood waarin producten zaten om het heel lang vers, mals en slap te houden, maar die additieven mogen nu niet meer. Verfresten gooide je gewoon door de wasbak en met een versleten tweepeekaa kon je nog in een roetwolk naar Frankrijk bollen. Als je last had van beestjes in je tuin dan gebruikte je lekker DDT en round-up was het moderne bestrijdingsmiddel. In die tijd heeft men het milieu uitgevonden…

     

    Toen was geluk nog heel gewoon. Poorten en deuren gingen gewoon dicht. Als je er met je vingers tussen zat, waren ze weg. Schoolbanken hadden een open inktpot en een klaptafel en als er iets mis liep in de klas, tikte de meester met een liniaal op je vingers. Met je linker hand iets aannemen was verfoeilijk en men sprak zelfs van een slechte hand, hoewel ze alleen maar het spiegelbeeld was van de andere. Zelfs schooldirecteurs maakten misbruik van hun positie om linkshandigen het leven zuur te maken. We bricoleerden zelf speelgoed, knutselden zeepkisten en hadden niet voor alles batterijen nodig. In de lagere school leerden we nog breien en matjes weven. Er bestonden geen kinderbeveiligingen aan stopcontacten, autodeuren, geneesmiddelflessen en chemische reinigingsmiddelen. We mochten buiten spelen op voorwaarde dat we thuis waren vóór het donker was. Niemand wist waar we rondhingen en de gsm bestond nog niet. We hadden nog singeltjes en elpees en pickupjes van Teppaz met de luidspreker in het deksel. Je moest of mocht zelfs naar het leger gaan, maar je moest wel wachten tot je 21 voor je meerderjarig was. Na de hoogmis kon je bij Emma nog ijsjes kopen aan een trapijskar met drie wielen voor twee keer niks. Dat zou je nu in euro niet meer kunnen omrekenen. Als je op kamp ging, mocht je in bijna alle bossen spelen en zelfs wandelen. We speelden voetbal naar één doel en als er eens iemand niet mocht of kon meespelen was dat onvoldoende om naar een psychiater te lopen of alternatief depri te worden.

                                                               

    Tijd voor nog meer flashbacks. Zich wassen gebeurde in een wasteil, een emmer of in zo’n ovale ‘basseng’: 's zomers lekker fris en 's winters nóg frisser! We verwarmden ons dicht tegen de leuvensestoof en liefst met de voeten op de rand of in de ovenruimte. We waren zo fier als een gieter als we de koolkit mochten vullen en klaarzetten voor de volgende morgen. We maakten de asbak leeg en haalden de nog brandbare kolenresten eruit. Van een slecht trekkende schouw kreeg je méér rook binnen dan van 2 pakjes ongezonde sigaretten. In die tijd speelden we zelfs op de kasseien met een oude velg en een staafje ijzer waarmee we die voortduwden. En als er een auto kwam aangereden dan riepen de verderop spelende kinderen om te verwittigen. Dat was niet echt nodig want je hóórde die auto toch aankomen.

     

    Het is een wonder dat we dat allemaal overleefd hebben.Alles bij mekaar was het vroeger toch zo slecht niet en… we hebben het vooral overleefd. Vroeger was het misschien beter dan nu, maar het is gelukkig voorbij. De toekomst was vroeger een heel stuk gezelliger, zeker als je het achteraf kunt bekijken. En was het niet beter, het was verdorie toch wel een pak simpeler!

    Marcel Huysmans

     

    04-05-2018, 14:47 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    26-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GELD GROEIT NIET AAN DE BOMEN, HET WORDT ER VAN GEMAAKT

    GELD GROEIT NIET AAN DE BOMEN,

    HET WORDT ERVAN GEMAAKT

     

    De laatste tijd wordt er in het voetbal met bedragen gegoogeld en gegoocheld die een normale mens zich niet kan voorstellen. De sommetjes in de belangrijkste bijzaak van de wereld zijn om van te duizelen. Een gewone voetballiefhebber kan in sommige weken, zonder bij te betalen, vier avonden superbelangrijke matchen zien met spelers die met een recordbedrag onder hun rugnummer spelen. Sinds de commerciële zenders erop sprongen moet je eerst straf nadenken op welke zender een match wordt uitgezonden omdat meer en meer tv-wolven vechten om hetzelfde been. Ze bieden tegen mekaar op zodat ze er zelfs politiekers voor hun advies mee kunnen betalen.

     

    Ik ben altijd goed geweest in rekenen en toen ik las dat beroepsvoetballer Axel Witsel de lokroep van de Chinese yens hoorde en plotsklaps naar de oosterzon verdween voor een transfersom van 20 miljoen. Hij zou er, na belastingsaftrek en kaaimantaks, zo’n 12 miljoen € per jaar verdienen. Da’s ongeveer een miljoentje per maand, 33.000 € per maand en 1.389 € per uur. Hij verdient dus op een uurtje wat vele Belgen op een maand verdienen. Kun je op zo’n manier ‘voetbal’ en ‘ethiek’ nog samen in één zin gebruiken, zonder ethisch onpasselijk te worden? Rekenoefeningen om het geld van iemand anders te tellen geven je een pseudogoed maar machteloos gevoel. Tijd dus om met de twee voeten weer op aarde en ter plekke te belanden.

                                                                        

    In onze cultuur en in onze dromen neemt geld een bijzondere plaats in. De dubbelzinnigheid in het fantasiedenken over geld valt op: nuttig én wenselijk, maar ook gevaarlijk en dus moet je voor te veel of te weinig altijd oppassen. Sommigen dragen heel dure juwelen om te laten zien hoe rijk ze wel zijn, al zeggen ze dat zeker niet. Niemand vertelt graag hoeveel hij verdient. Voor heel velen onder ons is dat nochtans vlug op te sporen, zeker als het over officiële barema’s gaat. Die kun je zelfs voor de belastingen niet verstoppen. Het wordt pas moeilijk als het over iets meer dan normaal gaat, want dan gaan alle monden, kassa’s, boekhoudingen, microfoons en balansen dicht.

     

    Geld is een vat vol tegenstrijdigheden. Je kunt met geld alle mogelijke dingen kopen maar je moet het wel hebben. Zonder centen kun je niet. Geld heeft alleen waarde als andere mensen in de buurt zijn: op een onbewoond eiland kun je er geen snars mee doen. Het trekt ook criminaliteit en conflicten aan. Maar feitelijk is het een middel om commerciële en andere betrekkingen tussen mensen makkelijker te maken. Daarvoor wordt het in de hele wereld ook gebruikt. De wonderezel uit het sprookje ‘Tafeltje dekje, ezeltje strek je, knuppel uit de zak’ van de gebroeders Grimm, die vooraan en achteraan goudstukken uitspuwt, staat al eeuwen model voor het gebrek, getrek en geduw rond geld. Lang geleden brouwden de mysterieuze alchemisten hun levenselixir. Het waren magische wonderbrouwers van toverdrankjes, op zoek naar de ‘steen der wijzen’, die soms werd vereenzelvigd met goud, dan weer met een methode om metalen te veranderen in goud of met een levenselixir. Wat geheimzinnig is, lijkt altijd waardevol en een ernstige confrontatie met echte wetenschappers werkt dikwijls ontnuchterend. In hun laboratoria maakten die alchemisten soms legeringen met de uiterlijke kenmerken van goud zoals kleur, gewicht en smeedbaarheid. Foefelaars profiteerden van die verwarring om ‘alchemistengoud’ te produceren door het verven van gewone metalen. Pseudo-alchemisten creëerden tegelijkertijd nepgeld en brachten even valse hoop in bange dagen. Misschien zijn zoveel eeuwen later sommige geldcreëerders en –bewaarders van nu even sluw als sommige alchemisten van toen die op hun slinkse manier gewone mensen om de tuin trachtten te sturen…

     

    In onze taal spreekt men wel over geld. Iemand die steenrijk is, is zo rijk als Croesus, de laatste koning van Lydië. Over zijn land liep de rivier Pactolus, die in haar slijkbedding een natuurlijke legering van goud en zilver meevoerde. Dat gebruikte Koning Midas die zich in de Pactolus baadde om niet langer alles wat hij aanraakte in goud te moeten veranderen. Iemand die veel geld verdient, zonder er echt veel voor te moeten doen, wordt slapend rijk. Dat komt uit een psalm (127) ”het is vergeefs dat je vroeg opstaat en laat opblijft, want Hij geeft het zijn vrienden in de slaap”. Ook dàt bestaat nog: terwijl de begrotingstekorten van sommige Europese landen nog steeds toenemen, krijgen banken geld toegestopt door de Europese Centrale Bank (ECB). Punt. Een minder gekende uitdrukking die met centen te maken heeft, is ‘iets in de slappe was zetten’. Vroeger wreef men leder of hout met was in ter bescherming. Op die manier zag men dat iemand over ruime financiële middelen beschikte. Keizer Vespasianus zei ooit tegen zijn zoon: “geld stinkt niet”omdat zoonlief hem verweet dat hij een belasting op de openbare urinoirs had geheven. Wie geld heeft, ruikt het inderdaad niet en laat het zeker niet ruiken.

     

    Buiten geld zijn er veel andere dingen die bepalen of je gelukkig bent of niet: je gezondheid, je gezin, je kinderen en werk, maar dat ondervind je pas als je werkloos bent. Het is moeilijk om gelukkig te zijn als je geen eten hebt of geen dak boven je hoofd, maar ook als je niet kunt meedoen met wat in de maatschappij gewoon is. Als je kinderen mee op schoolreis willen en je kunt het niet betalen of alleen als je een beroep moet doen op je speciaal spaarpotje: dat is ook armoede en die maakt zelden gelukkig. Geld maakt wél gelukkig wanneer het je vrijheid geeft. Het maakt ongelukkig wanneer je er de slaaf van bent. Armen zijn arm omdat rijken rijk zijn. Het zou misschien al veel helpen wanneer armen de helft zouden krijgen van het geld dat wordt uitgegeven aan armoedestudies. Als men over rijke mensen spreekt, zegt men dikwijls dat ze er ook voor gewerkt hebben. Vroeger kwam het geld uit de opbrengsten van de landbouw, later uit de producten van de industrie en tegenwoordig verdient men héél veel geld met diensten. Voor alles heb je een attest, een certificaat of een goedkeuring nodig en die dingen kosten veel geld. Minder winst maken dan het jaar ervoor, betekent “verliezen”. Slimme definitie!

                                                                 

    Met geld kun je geen geluk kopen, maar wel een staf van deskundigen betalen om het probleem te bestuderen. Om geld te maken, moet je je als rijk voordoen. Geld is niet alles: iemand met 20 miljoen euro kan even gelukkig zijn als iemand met 21 miljoen euro (J. Gleason). Wij denken alleen aan geld: diegene die het heeft, denkt aan het zijne, diegene die geen geld heeft, denkt aan dat van de anderen: superrijken worden alsmaar rijker op de kap van altijd maar armer wordende wèrkende mensen. De waarheid is feitelijk dat wij allemààl stinkend rijk zijn. Jij bent stinkend rijk, ik ben stinkend rijk, iedereen in België is stinkend rijk en voordat je begint te protesteren zal ik uitleggen waarom. We leven in de chicste villawijk van de wereld. Zelfs de armste werkloze is superrijk vergeleken met driekwart van de wereldbevolking die buiten onze villawijk leeft. Maakt hem dat gelukkig? Nee natuurlijk niet. Een werkloze vergelijkt zijn rijkdom niet met die van iemand uit de derde wereld: hij vergelijkt zijn inkomen met dat van de gemiddelde Belg. Dus is hij arm! Maar er zijn ook arme miljonairs. Wie 1 miljoen euro per jaar scoort, voelt zich arm tegenover zijn collega met 2 miljoen euro. Maar jaloezie is dan weer een andere ondeugd.  

     

    Marcel Huysmans

    26-04-2018, 11:30 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    19-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.PINNENMUTSEN, BOSKABOUTERS EN GELOVEN...

    Je kunt iets geloven of geloven dat iets waar is. Omdat je het niet kunt bewijzen, neem je het voor waar omdat het toch zinvol lijkt. Je kunt ook iemand geloven, omdat hij/zij geloofwaardig lijkt en er meer van weet. Als ik aan een Lierenaar de weg naar de Zimmertoren vraag, geloof ik dat ik bij die klokkentoren zal geraken. Of als ik naar mijn huisdokter ga, geloof ik in zijn diagnose die ik zelf niet kan bewijzen. Hoe zieker ik ben, hoe meer ik hem geloof. Maar je kunt ook in iemand geloven en dat is een kwestie van vertrouwen. Iemand zei eens: ‘geloven is onzeker weten!’ Je gelooft dus in God, in Allah, in Boeddha, in iets of in niets. Maar zeker weten doe je het niet. Daarom heet het geloven: je neemt het aan, zonder dat je er helemaal zeker van bent: dat is de drempel die je moet nemen. Bij het openbarsten van een plotse lente komt iedere keer mijn rotsvast geloof in kabouters weer naar boven. Mijn kleinkinderen hadden er een neus voor: waar zij ook een kabouter ontdekten, werd die op echtheid getest door aan zijn neus te trekken en als hij écht was, kreeg hij als beloning een even echte kleinemensenzoen... Helaas kleine kinderen worden groot en dan gaan zelfs grootouders twijfelen.

     

    Die kleine wondere kereltjes treden al eeuwenlang op in duizenden sprookjes over heel de wereld. Ze zijn piepklein, heel rap en bijna onzichtbaar of verborgen voor de mensen. Hoe kleiner je zelf bent, hoe meer kans je hebt om er een tegen te komen. Ik heb er nog nooit een gezien. Werken doen ze graag en liefst in een mensenomgeving. Tegen een kleine vergoeding willen ze graag en trouw allerlei klusjes doen. Volgens de overlevering vormen ze een heel oud ras dat familie is van de elfen en daarom worden ze soms ook wel alvermannekens genoemd. Ze werden door nieuwkomers uit hun land verdreven en daarom vragen ze ook respect in ruil voor samenwerking met en vertrouwen hebben in mensen. Ze geloven in de mens alleen als die in hen gelooft. Je hebt kabouters van 15 tot 45 cm. Bruine of zwarte kabouters zijn er traditioneel niet omdat hun vrij rode neus beter uitkomt bij blanke mannetjes. Er zijn trouwens ook kaboutervrouwtjes die altijd rokken dragen. Kaboutermannetjes zijn een beetje middeleeuws gekleed en hebben lange, eerbiedwaardige, volle baarden onder hun bolle wangetjes en boven hun bolle buikjes. Ze dragen bijna altijd wollige laarsjes en een brede riem om alles bijeen te houden. Volgens mij en volgens de meeste vertellingen kunnen kabouters veel ouder worden dan mensen. Smurfen zijn volgens genealogisch onderzoek familie van het zesendertigste knoopsgat. Dat zie je aan hun manieren.

     

    Kabouters wonen in bossen en op heel verborgen plaatsen, niet zoals wij in huizen maar wel in niet zomààr een paddenstoel maar in een rode hoed vol met witte stippen. Jong en oud zeggen dat deze vliegezwam uiterst giftig is. Die slechte reputatie is onterecht, want de Amanita muscuria is zeker niet dodelijk, al kan het eten ervan wel heftig braken tot gevolg hebben. De zwam kwam aan haar naam doordat ze, vóór de intrede van de kunstmatige insecticiden van Bayer en Monsanto, als vliegenvergif werd gebruikt. Daartoe werd het vlies met de witte stippen van de hoed getrokken en door melk of suikerwater geroerd. Toch bezat ze nog een andere magische eigenschap, die mogelijk ook een verklaring voor haar merkwaardige naam kan geven: ze verschafte sommigen het vermogen te ‘vliegen’ ten gevolge van haar bewustzijnsverruimende werking. Daarom mogen die paddo's bij onze noorderburen niet meer verkocht worden.

     

    Kabouters bestaan wel degelijk. Ze zijn een spiegel van wat ooit een mens was. Kabouters zijn de gekrompen en bekrompen essentie van het menselijke onvermogen om zich te ontwikkelen. En in die zin bestaan ze echt en kun je ze elke dag zien, maar dan moet je goed kijken! Ze zijn ook onovertroffen leugenaars en juist daarom zijn ze kabouter geworden. Ze geloven zodanig in hun eigen onzin dat ze altijd gelijk willen hebben en niet meer weten wat echt is en wat niet. Ze maken nooit fouten, dat doen de anderen (de mensen) die zich altijd beter voelen dan het paddenstoelenvolk. Kabouters zijn dikwijls misnoegd en beklagen zich over al het ongeluk dat het Leven en de Anderen hen hebben aangedaan, alsof ze daar zelf niet bij waren en er iets aan hadden kunnen doen. Ze komen trouwens nooit van waar ze wonen en kiezen altijd een ander bos om hun dubieuze kunsten in te vertonen. Zo komt het dat je nooit precies weet wat ze denken, wie ze zijn en of ze wel doen wat ze zeggen dat ze zullen doen. En net daarop rekenen ze: zo planten ze zich namelijk ook voort. Maar dat doen ze heel stilletjes en daarvoor hebben ze geen paddo’s nodig.

     

    Er zijn heel wat beroemde kabouters, maar en zijn er nog véél meer die niet zo bekend werden. Dat komt omdat je nooit weet waar ze opduiken, wat ze doen en hoe ver ze zich verplaatsen of verhuizen naar een andere paddenstoel. Je kent zeker Woutertje, Woutertje, piepklein kaboutertje wiedewiedewiedewoep, kom als ik roep. Je kent hem al jaren en nooit geeft-ie last, hij woont in een trommeltje onder de kast. En dan zijn er nog Wipneus, Plop, Lui en Paulus de Boskabouter die dit jaar 72 jaar wordt, even oud als ikzelf. Hij woont in het bos in een grote holle kabouterboom en kan het met iedereen goed vinden behalve met Eucalypta, de heks. Ze is altijd bezig om Paulus en de dieren in het bos te betoveren met haar poedertjes, smeerseltjes, pilletjes en toverspreukjes. Verder zijn er ook nog de uil Oehoeboeroe, de das Gregorius, de raaf Salomo en een onbestemd vogelachtig wezen Krakras. En je kent zeker nog de zeven kabouters van Sneeuwwitje, of waren dat gewoon maar dwergen?

    Bestaan kabouters? Als we twee jaar zijn zeker wel. Voor velen van ons niet meer wanneer we eenmaal volwassen zijn. En zolang er geen puntmutsverbod bestaat en rode paddenstoelen met witte stippen niet verboden worden zul je altijd in kabouters moeten geloven, spijts het boskaboutergezegde: de kinderen van vandaag zijn ook niet meer van gisteren.

    Marcel Huysmans

    19-04-2018, 00:44 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    12-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.EXPO 58

    Weet je nog? Zestig jaar geleden, op 17 april 1958 startte Expo 58, de voorlopig laatste wereldtentoonstelling in ons land, toen Oost en West verwikkeld waren in een echte Koude Oorlog, met als doel de wereld weer hoop te geven. Eén van de dingen die ik mij nog herinner is het Expobrood dat de Bakkersbond lanceerde ter gelegenheid van de Expo. Ik vond het een ‘sponsbrood’ in een toen ongewone vierkante bakvorm met op de unieke blauwe broodzak de vijfpuntige ster als logo van Expo 58. Je kon er zowaar historiapunten en fonoplaten mee bijeen sparen. Eén van de broodverbeteraars – nu zou het een broodverknaller heten - die het brood zijn witte kleur gaf, mag je vandaag niet meer gebruiken. Toch kun je op 17 april weer versgebakken expobroden kopen, maar ons dagelijks brood zal het niet meer worden. Die worden dan niet meer gepresenteerd door de befaamde kersverse ‘grondhostessen’ want tot 1958 kenden we enkel air-hostessen.

    Opgeblonken en met een wit plechtigecommuniezieltje mocht ik met mijn vader een hele dag mee naar de Heizel, want die mocht daar op geregelde tijdstippen een maquette van een Antwerpse wipbrug demonstreren voor de Dienst der Scheepvaart in het paleis van de burgerlijke bouwkunde. Daar stond ook de fameuze pijl, een waagstuk van 80 meter lang en uit gewapend beton. Helaas haalden in 1970 de knipschaar en enkele staven dynamiet de pijl onderuit om plaats te maken voor de Trade Markt. Jammer maar helaas. Zoeken naar gebouwensporen van toen is niet gemakkelijk meer, want de meeste van die paviljoenen zijn verplaatst, verdwenen of gewoon afgebroken. Toch bleven nog een aantal zoete herinneringen naplakken. Bij het paviljoen van Côte d’ Or deelden twee olifanten chocolade uit en je kon er van op een hoge wandelbrug zien hoe chocolade werd gefabriceerd. Daaronder hing een loopbrug waarop je écht mocht wandelen. Daar vertrok de fameuze gondelbaan die 60 jaar later in het Heuvelland nog dienst doet o.a. voor het Geubbelsprogramma Taboe. Het Côte d’Or paviljoen werd afgebroken, verkocht en weer opgebouwd langs de A12 in Willebroek als baancafé Castel. Nu is het de fameuze Carré. Het Amerikaans theater werd later een zaal met 1150 plaatsen waar heel wat TV-shows werden opgenomen en in 2012 stierf het theater een stille dood. Tussen de Te Couwelaarlei en de Frank Craeybeckxlaan in Deurne staat nog altijd de Expohal als late eenzame getuige van het vroegere paviljoen van het hout. En nog eentje om het af te leren: de grote kasseibol voor Antwerp Expo aan het bouwcentrum lag in 1958 voor het paviljoen van Oostenrijk en werd naar het schijnt door jodelende Tirolerhostessen langs de A12 tot daar geduwd. Ik geloof veel, maar dat niet, want ik was er niet bij.

    Het hart van Expo ’58 lag op de Heizel in Brussel, maar het hele land werd aangestoken door een acute bouwwoede om de miljoenen bezoekers te ontvangen. In Wilrijk bouwde het leger twee (tijdelijke) piepende Baileybruggen aan de Boomsesteenweg om vlotter van Antwerpen naar Brussel te flitsen. De ene kruiste de spoorlijn, de andere de Jules Moretuslei. Voor de automobilisten betekenden zij een dubbele wegbobbel en daarom noemde iedereen ze de kemelbrug met een knipoog naar de bulten van een kameel. In 1968 verdween de brug en twee jaar later zag de betonnen viaduct van 1740 meter als een stuk snelweg naar Brussel het levenslicht. Om de vele buitenlandse groepen en toeristen een bed te bezorgen kwam op Neerland bouwde men vlak bij de Boomsesteenweg een motelwijk van 128 woningen met elk acht kamers. Omdat het vlug moest gaan, gebruikte men een Oostenrijks bouwprocédé uit prefabelementen. De haastiggebouwde motelwijk kreeg de naam ‘Edencomplex’ mee. In 1969 sneuvelden een aantal straten voor de uitbreiding van Atlas Copco, de naam Edenwijk verdween stilaan en het nieuwe Neerland met straatnamen als Atomiumlaan en Paviljoenenlaan leefde verder. De Sint-Jozefkerk in Reet met het Jefke maakte ook dankbaar gebruik van Expo’58 prefabmuren.

    15.000 arbeiders bouwden in amper 3 jaar een zone van 2 km² op de Heizel en daar was ook het Atomium bij. De stalen constructie telde 9 gigantische bollen die samen een 165 miljard keer uitvergroot ijzerkristal uitbeeldden naar een idee van een ijzersterke Belg André Waterkeyn. Het eindpunt van een expobezoek was Vrolijk België, waar het bier vlotjes vloeide en waar elke avond de emmers met munten werden weggedragen. Daar vond je ook het Ekla-bier van brouwerij Van den Heuvel dat tegenwoordig opnieuw wordt gebrouwen in Ukkel. Maar er waren nog meer expo-kapers op de kust. Liebig promootte haar instantsoep, Franco-Suisse produceerde zijn kazen en de Solo leverde Planta-margarine. Meli-honing en Imperial puddingpoeder begonnen hun wereldreis. Lu wou in Brussel de Cha-Cha lanceren, maar die waren netjes te laat gebakken en misten zo de Expotrein. Coca-Cola bottelde er – om de klanten te overbluffen – 5.500 flesjes per uur. De bezoekers leerden op Expo ’58 ook softijs kennen. Maar het unieke ijsje was er eentje in drie kleuren en evenveel smaken tussen twee wafeltjes. Mits enige verbeelding kon je er de Belgische vlagkleuren in herkennen: bruin, wit en roze voor het zwart, want die kleur kon men niet maken. Men vertelt trouwens dat sommige ouders met een etentje trakteerden in de bovenste bol van het Atomium, maar zo hoog ben ik zelf voor een etentje niet geraakt, ook niet bij mijn plechtige communie.

    De cultuurpromotoren van de Expo waren de Troubadours van Koning Boudewijn, een kruising van Congolees ritme en koningsgezinde vertedering voor 45 Congolese jongens die zes maanden optraden in het paviljoen van de katholieke missies op de Expo. Hun muziek was oprecht, heerlijk eerlijk en ook hun Missa Luba werd in vinyl geperst. Expo’58 werd gezien als het begin van wat we in onze wereld nog allemaal zouden meemaken. Er heerste een enorme sfeer van euforie, een beetje de idee van ‘alles kan en moet kunnen’. Iedereen liep er rond met een brede smile en de mensen vonden het plezierig om met elkaar te kletsen en ondertussen hun geld op te doen, want dat moest je gezien hebben! Toen was er economisch optimisme. Expo ’58 was een sleutelmoment voor de culturele en maatschappelijke vrijheid die nadien in de 60’er jaren zou ontstaan. Toen was het Expobrood al lang verleden tijd, maar de instantsoep, de Cha-Cha en het softijs trokken een lang leven tegemoet.

    Marcel Huysmans

    12-04-2018, 14:49 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    06-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HEIMWEE DOET ONS HART VERLANGEN

    HEIMWEE DOET ONS HART VERLANGEN

    Ken je het gevoel dat men heimwee noemt en dat je meestal tegenkomt als je alleen bent?  Het heimwee naar iemand of iets. Het zijn herinneringen aan een plaats waar je heel gelukkig bent geweest, heimweegevoelens als je bepaalde muziek hoort of weemoedig terugdenken aan een grote liefde met of zonder antwoord. Voor mij heeft het niets met ongelukkig zijn te maken, want ik voel me gelukkig en daar ben ik content over. Het is meer een gekoesterd verlangen naar een gevoel dat ik ooit heb gehad bij iets of iemand. Ik weet het wel, maar ik denk dat het ook een beetje nostalgie is naar iets belangrijks en dierbaars dat ik ben kwijtgeraakt. Waarschijnlijk heeft het ook wel te maken met het feit dat hoe ouder je wordt, hoe minder hoog de pieken en dalen in je emoties fluctueren.

    Heimwee is iets voor dromers en oudere mensen. Destijds hadden we Armand Preud’homme die ons liet zingen van “heimwee doet ons hart verlangen”. Dat betekent niet dat het niet meer van deze tijd is. Ook moderne “songwriters” zoals Yevgeni, Clouseau, Bløf en Bram Vermeulen laten af en toe ongebreideld heimwee op hun toehoorders los, al is het soms heel erg weggemoffeld in hun tekst. Heimwee is nog van deze tijd. Denk maar kinderen op kamp of als ze voor de eerste keer ergens buitenshuis blijven slapen en misschien getroost kunnen worden met een placebo-tic-tacske. Oorspronkelijk heette heimwee ‘Schweizerkrankheit’, een aandoening van nuchtere Zwitsers die zij – volgens de doktoors uit de 17de eeuw – konden opdoen door te lang de frisse berglucht en alpenmelk te missen. Wij ‘leenden’ heimwee uit het Duits en dat geeft aan dat we een verlangen of weemoed hebben naar geborgenheid en zekerheid van wat ons bekend is. Daarom speelt het vooral mee als we een tijdje weg zijn van onze vertrouwde stek. ‘Heimwee naar huis’ zoals bij Will Tura is één van de meest voorkomende exemplaren van deze weemoedsoort. Volbloed Amerikaanse Crooners leveren er het levend zingende bewijs van.

     

    Als een Engelsman ‘homesick’ is, voelt hij zich waarschijnlijk helemaal anders dan een Fransman die lijdt aan ‘la maladie du pays’, wat weer anders ligt dan het Spaanse ‘mal a corazón’ (‘pijn aan het hart’) dat wel dichter bij ons heimwee blijft. Misschien hebben de eigen volksaard en de voormalige koloniale experimenten van al die landen wel de klemtonen en gevoeligheden voor datzelfde begrip mee bepaald. Het zou zelfs kunnen dat de ‘landenziekte’ van de Fransen de exponent is van hun verregaand, alomtegenwoordig en berucht chauvinisme. Heimwee is géén nostalgie hoewel het er de letterlijke vertaling van is. Nostalgie betekent ‘terugverlangen naar wat je kunt delen met anderen’, en geeft het gevoel iets belangrijks of dierbaars te zijn kwijtgeraakt. Daarbij kun je dan aan vroegere liedjes denken, aan vergane glorie of niet meer vindbare koekjestrommels en kleedjes uit de goeie oude tijd. Weemoed kan dan weer het gevolg zijn van heimwee, maar is volgens de Dikke Van Dale een zacht treurige stemming van het gemoed, of een gesteldheid die dergelijke stemming verwekt zoals de weemoed van de herfst. Voor de gelukkigen onder ons is weemoed dikwijls de weg terug naar een bekende plek… waar je opnieuw kunt dromen!

     

    Ik weet niet of je ooit ‘Robinson Crusoe’ van Daniel Defoe hebt gelezen. Het was waarschijnlijk het eerste boek in de geschiedenis dat startte in de eerste persoon enkelvoud. Als zeeman belandde Robinson na een schipbreuk op een eiland. Hij bouwde er een primitief huis met de wrakresten die hij vond en slaagde er in om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij creëerde zijn eigen kalender, verbouwde graan, leerde potten bakken en geiten fokken én hij las de Bijbel, die hij al heel zijn leven bij zich had. Zijn verlangen naar menselijk gezelschap en de uitbouw van zijn miniwereldje nam alsmaar toe. Na enkele jaren stelde hij vast dat kannibalen op zijn eiland af en toe een bezoekje brachten en op het strand hun slachtoffers doodden en opaten. Toch deed hij er niks aan omdat hij meende dat het toch maar een kannibalengewoonte was en omdat ze hem niet lastig vielen. Eén van die slachtoffers die aan hun eetlust kon ontsnappen maakte kennis met Robinson. Hij noemde zijn nieuwe metgezel ‘Vrijdag’, naar de dag van zijn bevrijding en leerde hem Engels. Met de rapte bekeerde hij hem ook tot het Christendom. Nadat een bende muitende zeerovers hem bezocht konden zij met zijn allen terugreizen naar Europa. Door heel het boek kruipt het heimwee dat zich meester maakt van wie het leest. Als ‘heimwee’ en ‘weemoed’ in mekaars verlengde liggen, dan is ‘verbittering’ ook niet ver weg. Die ervaring maakt het boek nog aangrijpender.

     

    Valt het jou ook op dat het al lang geleden is dat je nog een echte handgeschreven brief hebt gekregen? Kun je je nog herinneren wanneer je zelf nog eens eigenhandig een brief hebt geschreven? Heb je nog zo’n exemplaren bewaard en weet je ze nog liggen? Zullen je kleinkinderen nog ooit zo’n èchte brieven schrijven? Soms heb ik heimwee naar die brieven die nog met een vulpen werden neergepend, liefst op dikker papier en met likbare postzegels op de omslag met onvervalste tandjes. Dàt waren nog eens brieven die iedereen acuut een kloppend hart bezorgden vanaf het moment dat je de flap van de brievenbus open- en dichtklapte. Brieven die je trillend van emotie en verwachting mocht openscheuren. Helaas ontvang ik nog maar zelden dergelijke post en ik zou ook niet weten wie nog zo’n brief aan mij zou versturen. Ik moet daar niet zielig over doen, want ik kan me zelf ook niet herinneren wanneer ik nog een dergelijke brief heb geschreven. Trouwens, op een ongelijnd vlekkeloos wit blad schrijven zonder hellingen en mankementen is ook niet eenvoudig… en toen hielden we de brief én de omslag met postzegel nog bij!

    Een handgeschreven brief is dus een uitstervend fenomeen geworden.

     

    Nu kunnen we snel, efficiënt en direct communiceren via de computer. Een e-mailtje is zo gepleegd en kan ook hartstochtelijk, scherpzinnig of hemelbestormend zijn, maar het blijft een wegwerpproduct dat gestockeerd wordt in de inbox, een lade die je moeite- en emotieloos opentrekt. Het blijft een schuifje zonder melancholie dat je in het beste geval af en toe moet leegprinten, maar zelfs dat vergeten we meestal. Terwijl we vroeger brief én omslag bijhielden, moeten we het nu ook zonder omslag stellen. En als de computer het ooit begeeft, kopen we een nieuwe en de oude wordt met laatjes en kostbare inhoud weggezet of naar Containerland verhuisd en daar heerst geen heimwee, gemis of weemoedig gejammer. Misschien woont en werkt daar wel een beetje tandengeknars. En daar bestaan gelukkig afdoende hulpmiddelen tegen, anders krijg je slechte tanden.

    Geef maar toe: heimwee is niet meer wat het vroeger was…

    Marcel Huysmans

     

     

     

    06-04-2018, 03:55 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    28-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BIM BAM BEIEREN

    JULLEKE, EEN ECHTE ZEELHANGER

     

    Laatst heb ik tussen pot en pint Julleke, een authentieke ‘zeelhanger’, gesproken. Zeelhangers zijn ongewijde bedienaars van de dikke koorden waarmee lang geleden de klokken in de kerktorens hun bronzen klanken over de parochies uitstrooiden. Je vindt ze bijna niet meer: de meeste zeelhangers zijn gestorven en al wie nog overblijft, heeft van Rome zwijgplicht gekregen om als behoeder van het geheim van de klokken van Rome nooit te vertellen hoe het in werkelijkheid is. In tegenstelling tot wat sommige paashazen denken, zijn het nog altijd de klokken die eigenhandig de paaseieren lustig rondstrooien in de prille paasmorgen. Zo lang het kan blijven duren, blijft het een feest voor de kleinkinderen. Voor mezelf was Pasen, samen met Sinterklaas, het moment van het jaar waarin magie zomaar mijn gewone leven binnenvloog. Het betekende tegelijk opgehouden en ingebouwde spanning. Als je te vroeg buitenkwam op paaszondag en de klokken zagen je, kon je een levensgroot paaskruis maken over de hoop dat je een deel van de chocoladebuit mocht oprapen. Bovendien gooiden die klokken nooit eieren maar deden hen wel perfect landen zoals het van goede piloten verwacht wordt. Na heel veel aandringen en op voorwaarde dat ik het niet verder zou vertellen, wilde Juul toch, na een lange stilte, schoorvoetend een deel van zijn geheim uit de klepels doen.

     

    Na het Gloria van de mis van Witte Donderdag tot de nacht van Stille Zaterdag op Pasen zijn de klokken inderdaad foetsie. “Eieren halen in Rome” zeggen de mensen. Ze hebben gelijk, want zo heb ik het ook van de nonnekes geleerd, en die geloofde ik toen nog. De klokken zwijgen die drie dagen om het lijden en de dood van Jezus te gedenken. Eieren zijn van oudsher het symbool van vruchtbaarheid en nieuw leven zoals Pasen ook daarvoor staat. Ze hebben de vorm van kerkklokken met vleugeltjes en kunnen alleen ’s nachts en heel snel door de lucht vliegen om niet gezien te worden. Bovendien zijn ze nog minder vlug dan onze F16’s aan vervanging toe. In de parochie van mijn grootouders zou pastoor Hardewijn voor waar verteld hebben dat Tistje Begat (één van de oudste mannen van de parochie) als reisbegeleider mee mocht naar Rome om daar van de paus de vracht paaseieren in ontvangst te nemen. Later werd Tistje officieel aangesteld als de hoeder van de zoete paasvracht in de propvolle klokken tot na de landing en hun doorstart waarbij ze opnieuw in hun torenwoonst gingen hangen. Toen ik groter werd heb ik Tistje in de Goede week toch eens betrapt toen hij aanschoof in de beenhouwerij van mijn grootvader. Dat was de aanleiding voor mijn eerste grote paastwijfel.

     

    Dat ik de klokken nooit in volle vlucht heb gezien, hoe ik ook naar de blauwe Witte Donderdaglucht gaapte, deed me vastbijten in dat mysterie. Tijdens het eieren zoeken had ik daar nog niet zo veel last van en misschien was ik wel de enige van de bonte bende die ’s anderendaags voor alle zekerheid nog eens tussen de gele narcissen ging kijken. Toch voelde ik met beide ellebogen dat iets niet helemaal klopte. Niet alleen konden die klokken, vooral op regenachtige dagen, hun eieren door een plastic afdak laten vallen, ze hadden ook de eigenaardige gewoonte om bij ons als eerste op zaterdag langs te komen, terwijl de rest van de straat pas op later bedeeld werd. Dat snap ik nog altijd niet, al schijnt het simpel te zijn. Soms lag er zelfs een plastic folietje onder de eitjes zodat ze in het natte gras toch droog en smakelijk konden blijven. Stenen balkons vormden helemaal geen hinderpaal: ook daarvoor hadden ze voor verzachtende omstandigheden gezorgd…  Maar ik vroeg me ook af waarom ons moeder, die van ver de paasklokken hoorde aankomen, altijd vroeg om ons onder de oude naaimachine te verstoppen opdat de klokken ons toch maar niet zouden zien. Terug naar de actualiteit: twee van mijn kleinkinderen vertelden me deze week dat ze met Pasen met de TGV naar Parijs reizen en geen eieren zullen komen rapen. ‘Opa, stuur de klokken maar een sms’je om ze te vragen om op maandag nog eens te komen?’ Je ziet het: zelfs de klokken doen mee met de sociale media.

     

    En de paashaas dan? Toen ik jong was, bestond de paashaas nog niet. Alleen goedgelovige kinderen trapten daar in. De klokken daarentegen, kwamen met hun chocolade regelrecht van Rome. Daar durfde je niet aan twijfelen, net zomin als aan de onfeilbaarheid van de paus, de chocolaleverancier van de klokken. Later leerde ik dat de paashaas een zeer vruchtbaar dier is omdat hij kweekt als konijnen en dan is de link met eieren niet ver meer weg. Het feit dat vogels wel eens per vergissing een hazenslaapplaats als een ideaal nest aanzien en er hun eieren in leggen, maakte de haas als symbool van vruchtbaarheid tegelijk tot schilder, brenger of verstopper van eieren voor de kinderen. Als symbool van nieuw beginnend leven is het ei een teken van verandering (van ei naar kuiken) en van opstanding (door de schaal breken) en het is dus een uitgelezen symbool voor Pasen. Het ei geeft kracht om het leven te schenken en door te geven. Diezelfde levenskracht konden eieren overdragen aan de grond. Eieren verstoppen is daar een overblijfsel van. Op het land werden vroeger door de boeren eieren verspreid en soms ook ingegraven. Zo zou de kracht aan de grond worden overgedragen en aan de mens ten goede komen door het beter groeien van de gewassen…

      

    Tegenwoordig leggen de kippen alsmaar vroeger paaseieren om vlugger op de markt te kunnen komen. Sommige paashazen starten hun productie al vanaf eind januari en zorgen voor een overconsumptie die een modderige, darmflora ontwortelende chocoladestroom op gang brengt. Dat is de samenwerkende vennootschap van de klokken en de paashaas. Langoor is dan wel de domme kracht van de uitbuiters van het paasfeest. Wezenloos huppelt hij met zijn mandje door het land. En als je het beestje vraagt wie hem opdracht heeft gegeven voor deze inhoudsloze distributie, dan komt er geen woord uit. Zijn naam is iedere keer haas en hij weet van niks.

    Dan is geloven in de klokken of paashazen trouwens ook niet belangrijk meer.

    Marcel Huysmans

    28-03-2018, 11:18 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    24-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BOMEN MET EEN LAGE TAK

    Bomen met lage takken

     

    Vorige week vond ik bij een opruimbeurt in mijn oude Latijnse spraakkunst van Geerebaert (met ezelsoren) een langgekoesterd briefje waarop geschreven stond: "Avibus aegre volantibus Deus humilis ramos creavit". Het klonk als Bart de Wever die het zou zeggen. Het zat daar al verborgen van in de zestiger jaren en met al mijn vroegere kennis van de  klassieke talen verstond ik die woordjes nog, behalve 'aegre'. Een duik in mijn even oud woordenboek Latijn-Nederlands leerde me dat het betekende: onaangenaam/moeizaam/zwaar/nauwelijks/niet graag. Toen wist ik het weer: "voor de vogels die maar moeizaam kunnen vliegen, heeft God de lage (nederige) takken geschapen." Dat deed me denken aan ‘onze’ vogel voor mij het sein om een vroeger gelezen Japans verhaal weer op te diepen...

    Eens was er - zoals in alle sprookjes - een vogel met slappe vleugels. Ik kende hem goed want hij kwam op ons tuinterras voor het oog van de kleinkinderen graantjes en broodjes pikken. Daarom noemden wij hem 'onze vogel'. Het was een merel. Dit jaar heb  ik hem niet meer gezien, maar dat heb je met die merelziekte. Uitvliegen ging nog juist, maar hij voelde precies lood in zijn vleugels. Iedere keer had hij schrik om wat er komen ging en je zag hem twijfelen of hij er wel zou geraken. Pieren pikken vond hij de hoogste luxe. Hoog vliegen kon en durfde hij helemaal niet meer, want hij dacht dat hij te weinig kracht had en dus mankeerde het hem ook aan moed die hij zo nodig had. Hij had zijn gezellen wel eens over een minderwaardigheidscomplex horen snateren, maar dat woord kon hij niet over zijn bek krijgen. Het werd al te veel als hij er aan dacht. Zeker als hij op een stralende zonnedag de andere vogels in de azuurblauwe hemel hun kunsten zag verkopen - bijna tot tegen de hemelrand - werd hij weemoedig en stil. Zij toverden hun arabesken met de sierlijkste krullen en stuurden in de vlucht fluitende boodschappen van verliefdheid en hoop op, onder, boven en tussen de wolken door. Zij schreven codecijfers in de wolken en onderstreepten ze met letters die aan de verbeelding niets over lieten...

    Onze vogel keek vol bewondering naar zoveel jeugdig geweld en doodgewone durf en pikte zelf alleen maar op de grond of in het gras. Dan trippelde hij wat rond en kreeg iedere keer weer goesting om zelf ook iets méér te proberen. Dan vloog hij op, enkele meters ver maar, en zocht zeer vlug weer de veilige grond en de gewone wereld op. Hij kwam zelfs vlakbij ons als wilde hij meebabbelen. Met vogeltranen in de ogen zag hij verdrietig de andere vogels tot in de takken van de hoogste bomen vliegen. Daar bleven ze zitten, keken rond en dacht dat die een héérlijk gevoel moesten hebben bij het zien van al die mensen en dingen daar ver beneden. Soms bleef hij minutenlang naar boven kijken en daarbij zag hij zelfs niet dat er nog andere vogels waren zoals hij. Dan voelde hij de kracht in al zijn pennen en veren groeien, werd een beetje moediger en van tevredenheid plooide hij zijn vleugels eens extra wijd open. Hij klepperde zich een goed gevoel bijeen. En toen... werd alles hem te machtig. Hij nam een aanloop, dook in rechte lijn de lucht in en voelde meteen dat het te hoog gegrepen was. Zijn spieren die hij net nog zo sterk had aangevoeld, wilden niet mee. Hij keek in een reflex nog even rond en ietsje verder zag hij onze leilinde die gelukkig nog heel wat lage takken had.

     Hij landde vlot, maar helemaal niet voldaan, op een brede tak en kroop stilletjes tot tegen de stam. Daar zat hij een beetje uit de wind en vleide zich tegen de schors van de boom die lekker aanvoelde. Hij voelde zich zowaar gezellig warm worden van binnen. Op dié tak voelde hij zich thuis. Ineens bemerkte hij dat er nog vogels in zijn buurt zaten. Ze zagen er niet treurig uit en onze vogel vroeg zich af wat hen begeesterde. Hij schrok: van daar zag hij alles waar hij zelf goed bij kon en wat hem interesseerde. Speciaal voor vogels als hij had God zeker de bomen met die lage takken geschapen. Die zorgde er ook voor dat zieke vogels en vogels die pijn hebben of moe zijn hun eigen plaatsje krijgen. Als je daar zat, kon je heel goed zien wat er beneden gebeurde en tegelijk dromen van hoe hoog de hemel wel is. Zelfs dat geeft een goed gevoel.

    Vandaag de dag zijn er heel wat mensen die de lage takken van de bomen wegzagen omdat ze aan de hoge niet kunnen raken. Zo maak je van een reus een ontzielde trieste boom die trots de hemel inwijst maar alle contact met de grond is verloren. Bij zo'n boom kunnen mensen met weinig kansen en weinig aanzien die in hun kleine wereld leven niet meer terecht. En omdat ze geen rust- en zitplaats meer hebben, worden minder goed geziene mensen én kinderen in onze samenleving minder en minder gezien en gehoord.

    Ik heb gelukkig nogal wat mensen ontmoet waarnaar ik echt kan opkijken. Hierdoor zie ik mezelf in een correcter perspectief. Ik weet wat ik kan en waar mijn talenten liggen, maar op sommige terreinen voel ik dat ik ook lage takken nodig heb. Soms denk ik, dat mensen die veel van elkaar houden en er zijn voor elkaar, bomen zijn met al hun talenten en dus ook mét lage takken… Dat komt niet van mij, maar wel van mijn goede vriend Ward Bruyninckx zaliger. Takken waarop ook de vermoeide, verdrietige, verloren vogels zich kunnen neerzetten. Dan denk ik aan de oude vrijstaande lindeboom in de wijk die zijn kruin heeft in de vorm van een hart, net zoals de vorm van zijn blad. Hij heeft lage én hoge takken zodat elke vogel zich veilig en beschut weet. Zijn wortels zitten diep in de grond verankerd en bieden houvast. Voor mij is hij het model van levensboom waarin elk vogeltje zingt zoals het gebekt is.   Mensen die van elkaar houden, zijn bomen met lage takken.  En onze vogel heeft mij juist hetzelfde verteld. Dan zal het wel waar zijn.

    Marcel Huysmans

     

    24-03-2018, 10:46 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    16-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.IENE MIENE MUTTE
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Ik heb altijd graag rijmelarijen geschreven, een verborgen bezigheid die niet altijd door iedereen gesmaakt wordt. Jarenlang was het kolder, dan rijmpjes schrijven voor Louis Verbeeck en Jos Gijsen en daar heb ik menig miniflesje jenever mee gewonnen. Toen kon dat nog. Je kunt er maar voor een bepaald publiek mee naar buiten komen en hoogstaande litteraire onderscheidingen blijven voor eeuwig achterwege. Een deel van mijn rijmcapaciteiten is zeker ontstaan door het voortdurend aframmelen van aftelrijmpjes in mijn kindertijd. We zeggen wel aftelrijmpjes, maar ze werden ook in breder perspectief gebruikt als hinkelrijmpje, kinderliedje of getallenliedjes. Het zijn de liedjes die generatie na generatie doorgegeven en geoefend werden en die onvermoede structurerende en educatieve kracht gaven aan de allerkleinsten. Aftelrijmpjes danken hun naam aan het feit dat ze eerst en vooral dienen om te leren tellen, maar in realiteit zijn ze nog veel straffer. Ze helpen kinderen om taal te leren en om woorden met beelden te verbinden. Door die verbeelding zetten ze meteen hun eerste stappen in de poëziewereld van de kinderversjes. Dikwijls kunnen door het herhalen ook moeilijke klanken in eender welke taal aangeleerd en gedrild worden. Of dat dan in het Frans, Duits, Engels, Afrikaans of Zoeloeees gebeurt, speelt dan helemaal geen rol.

     

    Aftelrijmpjes behoren tot de kindercultuur. Ze zijn relatief kort, gewoonlijk niet meer dan 40 woorden, en ze hebben een zeer regelmatige versbouw: strak metrisch patroon, eindrijm en soms alliteratie (gelijkheid van beginmedeklinkers), onomatopeeën (klanknabootsingen) en nog vele dingen meer. Die litteraire middelen worden in de versjes met een zwierige variatie en verfijning gebruikt, wat duidelijk de creativiteit en spontaneïteit van de kinderen die ze produceren laat zien. Iedereen kent nog wel het eindeloze aftelrijmpje: Olleke bolleke, riebesolleke, olleke bolleke, knol. De klankstructuur lijkt zo typisch Nederlands, dat weinig mensen verwachten dat het ook in een andere taal kan bestaan. Maar vrijwel hetzelfde rijmpje komt in Engeland voor: Olicka bolicka, susan solicka, olicka bolicka, nob. Wij gebruikten vroeger – en nu doen mijn kleinkinderen dat nog – hetzelfde rijmpje voor het spelletje met de toren van vuisten, alleen wordt dan het rijm afgesloten met ‘al wie handen of tanden laat zien, krijgt tien stompen en één beet’. Je ziet het: hoogstaande litteratuur!

     

    Op de speelplaats van de kleuter- en lagere school, maar ook in de jeugdbeweging, speelden we allerlei spelletjes en zegden dan een rijmpje op om te zien wie het eerst aan de beurt was of wie eerst moest afvallen. Daarbij werd iedere deelnemer op de maat van het aftelrijmpje met de vinger aangewezen. Wie werd aangewezen op het moment dat het liedje stopte, was de geluksvogel of het volgende slachtoffer. Dat daarbij ongemerkt trucjes in de versjeswereld manipulatie van de groep of vage vermoedens van bedrog bij sommige deelnemers deden opkomen, was zeker niet de bedoeling maar kwam wel voor. Dat was trouwens de reden waardoor sommige spelletjessessies een vroegtijdig einde kenden.

     

    Sommige van die beginrijmen waren ideaal om tegenover groteren toch de baas te kunnen spelen. Eén van de eerste aftelrijmpjes die ik leerde, was: ‘ippe, tippe, torreke, de meester heeft een snorreke, de meester heeft een sik, en af benne kik’. Een ander was: ‘oze wieze woze wieze walla cristalla cristose wiese wose wieze wies wies wies wies’. En dan nog eentje om de makers van Junior Master Chef jaloers te maken: ‘crême la glace, zat in de kas, vader dacht dat ’t boter was, moeder sneed een stukje af, oei, oei, oei, ’t was crême la glace’. Zoals het opzeggen van het alfabet, de vervoeging van ‘esse’ in het eerste jaar Latijn en ‘hotten-totten-tenten-tentoonstellingen’ zijn mij die triviale rijmpjes bijgebleven. Na zoveel jaren kan ik ze nog met het grootste gemak opdreunen zodat ik zelfs vermoed dat mijn geheugen er – buiten mijn weten om – een groot belang aan heeft toegekend. Misschien was het voor mij toen soms een zen-boeddhistische mantra die ik vrij vlug opnam, maar het resultaat blijft een gewoon plezierig rijmpje. Het helpt kinderen bij het maken van keuzes. Bij het opzeggen van zo’n versje – iene miene mutte – worden alle keuzemogelijkheden psychologisch langsgelopen, tot er maar één optie meer overblijft. Zo neemt de groep unaniem een besluit over wie ‘hem is’ (van het werkwoord ‘hem zijn’) om ‘te gaan staan’ bij verstoppertje of buskesstamp. Het is een snelle eenvoudige beslismethodiek die leidt tot breedgedragen gevolgen. Op die manier kunnen kinderen op een schijnbaar onbevooroordeelde manier bepalen wie de “baas” is.

    Volwassenen maken bijna nooit keuzes op basis van een aftelrijmpje. Ze denken dat de wereld om hen heen gedeeltelijk beïnvloedbaar is door rationele keuzes, en willen de uitkomsten ervan laten aansluiten bij hun persoonlijke belangen. Toch vochten Christie's en Sotheby’s enkele jaren geleden met een aftelrijmpje uit wie een kunstcollectie van 17,8 miljoen dollar mocht veilen. Kinderlijk eenvoudig als ‘kop of let’ bij de voetbaltoss.

     

    Zo heb ik ook mijn eerste Franse poweziekes geleerd. Weet je ‘t nog? Un, deux, trois, qui à la balle? Wie heeft den bal van Carnaval ? Draai u om, dan weet g’het al. 1 kind stond dan voor de groep met een bal in de hand, draaide zich met de rug naar hen en gooide hem achterover naar de groep. Die verstopten hem achter hun rug en zongen het liedje waarna het slachtoffer vooraan moest proberen te raden wie de bal in zijn of haar bezit had. Je moest dan wel de pokerfaces van je tegenstanders kunnen bestuderen. De échte kinderliedjes of aftelrijmpjes hadden ook altijd van die eigenaardige gedachtesprongen. Ze begonnen dikwijls met het magische ‘pot, pot, pot’ en het hele protocol werd dan ook ‘afpotten’ genoemd.

     

    Een kleine greep uit de aftelrijmpjes die me nog te binnen schieten: Iene miene mutte, tien pond grutten, tien pond kaas, iene miene mutte, is de baas. Onder het water, lag een pater, met zijn tenen boven water, hoeveel tenen had die pater? Dan moest iemand een getal zeggen en dan kon je aftellen…

    Achter het kapelletje lag een dikke rat, mieke van me zellleke had erop getrapt oei zei dat ratteke, stukske van mijn gatteke en gij zijt eraf! Alle indianen, schieten met bananen, pif poef paf, uw broek zakt af! Onder de piano lag een ei, in dat ei daar zat een brief, waarop te lezen stond wie is uw lief?

    (de aangetikte moest dan een naam zeggen, bv Maria,)... Ma-ri-a  en de laatst aangetikte was dan af. Ik herinner me nu nog dat ik een paar keer een rode kop heb gehad, als 8 - 9 jarige, om die onthulling te moeten doen, bij de gemengde spelletjes... Zeker omdat ik toen nog in een niet-gemengde school zat waar aftelrijmpjes ook al vlugger tot de geschiedenis behoren…

    Marcel Huysmans

    16-03-2018, 22:58 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (1)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    10-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.LEVE DE ZAPMAATSCHAPPIJ
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

     

     

    Zappen is je gedachten laten dwalen en af en toe inpikken bij verse ideeën. Zo kun je verrassende denkreizen maken, niet gehinderd door gedachtesprongen en het rempedaal op je verbeelding. In het begin van vorige eeuw zocht de Amerikaanse auteur Philip Francis Nowlan, de geestelijke vader van stripheld Buck Rogers naar een woord om het geluid van een laserpistool te simuleren. Zo werd 'zap' geboren. Bij ons stond het als 'wham' in de tekenverhalen. In de Vietnamoorlog gebruikten de soldaten deze onomatopee om geschutvuur, vlammen of elektrische stroom van geluid te voorzien. En toen wij klein waren riepen we na een treffer, terwijl we met de hand een pistool nabootsten, "zap! je bent dood!"

     

    We leven nu in een echte zapmaatschappij. Begon het met de afstandsbediening van de televisie? We zappen overal, zelfs immaterieel: zappen voor het beste telefoonabonnement, de goedkoopste energieleverancier en zelfs de beste arts. We doen aan jobhoppen, liefst bij een andere firma en anders rouleren we intern, want na vijf jaar zijn we het beu alsmaar hetzelfde te doen. Met ons spaargeld zappen we bijna ongeremd en het internet is daarbij het middel bij excellentie. Grensoverschrijdend zappen we ook met nationaliteiten. Omdat de concurrentie in Nederland te groot was, werden sommigen Kazach en konden toch nog naar de Olympische spelen, bleven in Nederland wonen en wilden uit twee ruiven eten... Iedereen wil alles bereiken wat zijn hartje begeert en doet dit best via de weg van de minste weerstand. Alleen maar vanuit je luie zetel op de knop drukken en hop: je krijgt wat je wil!

     

    Een van de meest geliefde plaatsen om stille gevechten met soms erge gevolgen te beslechten is de (lig)zetel tegenover de sinds enkele jaren reuzenschermtv's. Het misdaadwapen bevat toetsjes die zowel almachtig reageren op een sublieme vingeraanraking als op een brute aanslag bij opduikend onweer. Nog machtiger wordt het als het bedieningskastje voor meer dan één toestel de programma's dirigeert. Thuis heb ik al een verzameling van draadloze toestelletjes, gevoed met twee of meer batterijtjes die een onzichtbaar signaal uitzenden. Ze zetten een hersenkronkel om in een uiterlijk ongedwongen beweging om een hele reutemeteut aan aanbod in werking te stellen. Som de afstandsbedieningen maar op: de televisie, de dvd, de cd-speler, de videorecorder en zelfs bij een nieuwe computer wordt tegenwoordig een langeafstandsbediening meegeleverd. Ik schrok mij een aap toen ik bij levering van een zonneluifel ook een zapwonder kreeg 'geoffreerd'. De zapdynastie slaagt er in om met een verlossend gebaar de wereldgebeurtenissen aan je voeten te krijgen

    Met een zapper bestuur je, regel je of bedien je jezelf. Je hoeft niet op te staan, je bespaart op reiskosten, hebt meer ruimte en ontloopt je onbereikbaarheid of ongunstig weer. Daarvoor zijn de mogelijkheden legio: elektrisch met een draad, met geluid of internet, met licht of andere straling, met radiogolven maar ook met klassieke mechanische middelen zoals stangen die trekken of duwen. Ideaal wordt het dan wanneer je ook nog een signaal terugkrijgt om het resultaat te controleren. Voor alles hebben we een zapper en hij beheerst het leven door een drukken op de knop zoals Trump en die Noordkoreaan die zo ver van hier zit dat ik nog niet de moeite kan doen om zijn naam te onthouden. Heel die hype wordt dan nog gecultiveerd door het smartphoneduimen. O krinkelende, winkelende tokkelding, schreef Guido Gezelle, hoewel hij nog niet kon weten dat er dingen waren die nog sneller over het water schaatsten als vingervlugge duimen op een smartphoneklavier...

    Voor televisie noemen we het ook nog kanaalzwemmen of zenderfietsen. Het kastje dient vooral om reclameboodschappen te ontwijken. Dat maakt het keuzeaanbod en jezelf zenuwachtiger, dwingt tot heen- en weerspringen of zelfs tot koelkastspurtjes en snoepmomenten die enkel tot verborgen obesitas leiden. Sommige mensen hebben ellendige nevenverschijnselen door die reclame opgelopen: ze kijken zo veel naar VTM en Vier dat ze 's nachts moeilijk kunnen slapen. Ze worden uit gewoonte iedere keer na een poosje wakker voor een reclameboodschap...  

    De 'afstandsbedieningen' moeten wel heel stevig zijn. Bij een kort levensoverzicht van een tv-model blijkt dat zij de ergste stormen moeten kunnen trotseren. Hun gebruik op de plaats van uiterste luiheid, hun aanwending in alle beschikbare toestanden tussen horizontaal en verticaal én hun behandelingsmethode door zijn machthebber, zijn hiervan de oorzaak. Ze moeten een val op steen, tapijt en parket kunnen overleven. Ze moeten een luchtige of straffe douche met (spuit)water en gesuikerde cola kunnen doorstaan en last but not least: bij een wankele bediening moeten zij sterker zijn dan de soms hevige klopbeurt die hen weer tot activiteit moet aanzetten. Bij defect moet dat ding het bekopen door onmiddellijk nieuwe batterijtjes te plaatsen of in het uiterste geval te vervangen door een universeel exemplaar uit de Lidl, als je die tenminste nog aan de praat krijgt. Wie dan kalm blijft en weet dat hij met een eenvoudige ingreep de kanalen nog met de hand kan kiezen, wordt ingehaald als reddende engel. Al betekent dit wel een grote toegift aan het summum van gemakzucht: opstaan uit je zetel om een andere zender te kiezen.

     

    De zapper is in heel wat gevallen ook een wapen in de handen van de macht-hebber. Hebben is hebben, krijgen is de kunst. Dat is een harde strijdleuze of een stil denkpatroon om de schermheerschappij te behouden of te verwerven. Ruzie in het huishouden kan daar in de kiem gesmoord worden of anders uitbarsten. Men bepaalt niet alleen wat men wil zien, maar ook wat men zeker niet wil zien.

     

    De actualiteit van informatie wordt minder belangrijk dan de mate waarin de informatie zich aan de werkelijkheid onttrekt. Veel mensen mijden Nieuws en Journaal omdat ze zo tijdsgebonden zijn en door hun onvoorspelbaarheid niet meer de zorgeloosheid van het gepropageerde leven waarborgen. Leve de opgenomen programma's! Wat zich vandaag voordoet, is minder belangrijk dan wat zich in nauwkeurig afgemeten en geënsceneerde graden van emoties hoofdzakelijk in de wereld van de fantasie heeft gecreëerd. Zich imaginair goed voelen bij een situatie is belangrijker geworden dan de impact op de werkelijke gelukservaring van de mens. Wij zijn een beetje (veel) robot geworden van het ideaalbeeld dat anderen voorschrijven. We zappen naar een volgend opwindingsmoment en we willen dat zoeken op zo veel mogelijk plaatsen. Aan het roer staan, beslissen wat je zelf wilt zien en wat niet, geeft een gevoel van macht op een terrein waar voorlopig niemand anders aan kan.

    Tot slot: behandel je 'zapper' met zachtheid: er zijn al voor mindere oorzaken oorlogen uitgevochten! Zap! Zap! Zap!

    Marcel Huysmans        

    10-03-2018, 13:39 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (4 Stemmen)
    02-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GELUIDEN UIT DE HEMEL
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Voor mensen uit de eenentwintigste eeuw is er héél veel dat zo normaal lijkt, dat ze er niet meer over verwonderd kunnen zijn. HD-en Smarttelevisies, i-pods, blue rays, MR-scans, smartphones, snapchat en ander technologisch gesnuffel zijn alledaags geworden. Toen ik vijf was, maakte ik naast de grote “zorg” (bij mijn grootvader een zetel om de zorgen te vergeten) kennis met het wonder van de radio. Het was een grote bruine kast, met een onrustig knipperend en hypnotiserend groen oog, een aantal obscure preselectietoetsen en een indrukwekkende zenderschaal die ergens met een witte naald in de buurt van de stad Beromünster de gekozen ‘post’ deed vermoeden. Toen had je nog de middengolf (AM), de lange golf (LW)- met onduidelijke inhoud - en een korte golf (KW) die meestal een kakofonie van piepen en kraken op wisselende niveaus uitbraakte. FM was nog niet uitgevonden en is nù bijna helaas voorbij. Het leken wel ‘geluiden uit de hemel’, wat men later vertaalde als ‘in de ether’, omdat de boodschap helemaal niet van God de Vader bleek te komen, maar wel van moeilijk opspoorbare zenders als NIR, Radio Luxemburg,…

     

    We hadden thuis een klein bakelieten radio-exemplaar dat gepromoveerd was op grotere hoogte, want het stond op een driehoekig ‘schabbetje’ boven de ‘zorg’ van thuis met bovenop een roodglimmend kruisje bij ’t Heilig Hart. Ik herinner mij nog de belangrijke dinsdagavonden waarbij elke week, vanuit een plaatselijk zaaltje, de bonte avonden van Omroep Antwerpen werden uitgezonden. Het deed me denken aan de kampvuurnummertjes die in de jeugdbeweging ook het plaatselijke talent aan bod lieten komen. Het was de tijd van klein Peterke, een creatie van Will Ferdy, die met moeilijk na te bootsen kleuterstem de kinderwaarheden uit die tijd voor de grote mensen debiteerde. Het waren avonden waarbij ik uitzonderlijk tot half tien mocht opblijven… Nu nog begrijp ik wat de uitdrukking ‘aan de radio gekluisterd’ wilde zeggen, want toen waren dat voor mij hoogdagen bijna in het midden van de week.

     

    Misschien is de kans groot dat je zelf een afgedankte, antieke radio in je garage laat verkommeren. Da’s een zonde: je hebt, zonder dat je het beseft, een designstuk in huis dat de geluidskwaliteit van moderne radio's overtreft. Oude radio's werden vanbinnen ‘aangedreven’ door warmlopende radiolampen (buizen). Daarom had de achterwand van zo’n radio een dunne geperforeerde plaat om de warmte te laten ontsnappen. Het geluid van een antieke radio klinkt door die lampen letterlijk veel warmer dan dat van moderne radio's. Leg je oren maar eens tegen een antieke en moderne radio en dan hoor je het verschil: hedendaagse radio's produceren eerder een ‘gemetalliseerd of geplastificeerd’ geluid en op metaal of plastic word je minder gemakkelijk verliefd. Naast een verzamelobject, zijn antieke radio’s dus hemels belangrijk voor de oren van audiofielen. Vanaf mijn jeugd ben ik verslingerd aan radio en radiotechniek. In de loop der jaren bleef die liefde voor de oude buizentechniek en bewaarde ik oude boeken, schema's en toestellen. De transistorradio verving later de buizenradio. De kleinere transistors en later de ‘chips’ namen veel minder plaats in, hadden minder ‘stroom’ nodig, en maakten dat de radio draagbaar en klimaatvriendelijker werd.

     

    In het begin van de jaren ’60 maakte (’s zondags) Radio Luxemburg op 208 m furore, juist op het moment dat ik bijna naar de Chiro moest vertrekken. Maar eerst was er nog de ‘Elnett-satinkwis’ met Jef Burm zaliger en daarna kreeg de volumeknop een stevige ruk naar rechts op het ogenblik dat een piepjonge Peter Koelewijn het ‘wekelijkse halfuurtje voor de teenagers’ presenteerde. Het startte met een tune waarbij Cliff Richard (toen al) uitschreeuwde: ‘Ready, Teddy, go man go!’ En dan luisterden we naar Ricky Nelson (Hello, Mary Lou), Eddy Hodges (I'm gonna knock on your door, ring on your bell) en die andere Marcels (Blue Moon). Het was hemels en riep heimwee op…

    Enkele jaren later leerden we nachtelijk blokken met de Lange Golf omdat er ’s nachts op de middengolf nog geen uitzendingen waren. Vooral Françoise Hardy (Tous les garçons et les filles, La maison où j’ai grandi) was één van de velen die mij muzikaal ondersteunden tijdens het nachtelijk studeren, naast de zingende thermosfles vol warme koffie.

    Elke weekdag, behalve zaterdag, hing ik om kwart voor zeven aan het bakelieten kastje voor 'Sportmagazine'. Maurice Diedonné, Piet Theys en de opkomende Jan Wauters waren in de jaren zestig dé boegbeelden van de sport op de radio. Rechtstreekse radiolijnen waren schaars en de telefoon was duur. Dus kreeg elke voetbalcommentator, in het beste geval van op de tribune, precies één minuut de tijd om negentig minuten voetbal te 'verslaan', maar alleen nà de match. Tijdens hun wielercommentaar kon je soms de vering van hun volgmotor horen. De commentaar werd trouwens regelmatig onderbroken: iedere brug, hoog gebouw of bomenrij, een stevige mist of laaghangende wolken, zorgden voor storingen en slechte verbindingen. Zo werden de verslagen van koersen, voetbalwedstrijden en sport in het algemeen kunst Het hartritme van de luisteraars, thuis of in het sportcafé, ging daarbij soms héél ongezond te keer. Nu gebeurt dat bij sommige dames enkel nog als ze de blonde god van radio en tv Ruben van Gucht hoorbaar ervaren.

    Sportmagazine radio heeft jarenlang de ‘onbekende luisteraars’, waarvoor men eigenlijk een monument had moeten oprichten met een eeuwigdurende vlam, aangezet tot meedoen. Er kwamen wedstrijden waarbij teksten werden geproduceerd, limericks werden ingestuurd en onnoemelijk veel nieuwe woorden werden gecreëerd. Een ‘wuivezot’ was iemand die altijd mee op de foto wilde wuiven na de aankomst, een ‘toogslagzwemmer’ iemand die sport beoefende aan de toog van een of andere drankinstelling en ‘Mie Traillet’ was de opvallende jongedame die ’s zondags in de tribune telkens haar keel hees schreeuwde tegen de arbiter. Een latere buurvrouw van me werd ook bedacht met die eretitel, maar dat was enkel voor het geluidsvolume dat ze tegen haar man, haar kinderen en haar honden hanteerde. Destijds leerde ik ook reacties spuien, aan prijsvragen deelnemen, antwoorden op enquêtes of limericks maken en bovendien spelen met woorden en zinnen en teksten breien over de gekste dingen. In de Vlaamse Pockets verschenen in 1971 trouwens een aantal van mijn pennenvruchten onder de titel Sportmagazine-Ding-Dong!

     

    Binnenkort zeggen we adieu aan de FM-band. Ondertussen kwamen in september 2013 de DAB-uitzendingen en Dab-radio’s (Digital Audio Broadcasting) uit de ether opdoemen. In de nabije toekomst moeten we misschien allemaal nieuwe radio’s kopen om de DAB+ sinds oktober van vorig jaar te kunnen ontvangen. Je ziet het: radio is een geschenk uit de hemel, met straling uit de ether, verwekker van zalige muziek, wonderbaar en snel evoluerend!

    Marcel Huysmans

    02-03-2018, 10:24 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    25-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE BAKSTEEN IN DE MAAG
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De laatste dagen werd mijn brievenbus geteisterd door reclame voor het jaarlijkse bouwsalon dat gedurende  tien dagen in de Heizelpaleizen het nieuwsgierige publiek weer aanzuigt alsof de Rode Duivels er nog thuismatchen zouden spelen. De getransformeerde rode baksteenschildpad op het groene gras geeft meteen aan dat de Belg nog altijd met een baksteen op zijn rug en dikwijls in zijn maag bouwen en verbouwen opzoekt. Of je nu opnieuw wilt bouwen of een bestaande woning kopen en renoveren: het wordt alsmaar duurder en voor de gemiddelde Vlaming stilaan onbetaalbaar. En toch laten we dode bouwmaterialen toe om spirit te brengen in het huis waarin we wonen of waarvan we dromen. Iemand zei me ooit: “als je met pensioen gaat en je hebt geen eigen huis, dan ben je er niet zo goed aan toe.” Wie niet gewerkt heeft voor bakstenen, heeft op dat moment ook niet veel om op terug te vallen…

     

    Ik woon in een huis naar mijn behoeften. Misschien heb ik door de jaren mijn noden wel aangepast aan het huis waar ik voor gewerkt heb. Met de jaren zijn die nodige dingen ook gewijzigd of beter: mijn behoeften zijn aangepast aan het huis en de toestand waarin ik mij bevind. Wij wonen in een huis met bijna allemaal persoonlijke ingrepen, beslissingen, mogelijkheden. Hoe zijn we hier beland als conglomeraat van Oost-Vlaamse en Kempische roots? We wilden wonen en werken dichterbij brengen, hadden nood aan een eigen stek en afschrik van huren. We dachten aan de kinderen en kwamen terecht in een doodlopende speelstraat die eindigde in de natuur. De buitenlucht, de goede verbindingen in alle richtingen, een grote tuin en het goede gevoel deden de rest. Toen dachten we nog niet aan de dingen die ons nu wel bewegingsvrijheid kosten zoals trappen over twee verdiepingen van een bel-etagewoning. Maar voor alles zijn er oplossingen. Denken (ver)bouwers vandaag méér aan de leefomstandigheden op hun oude dag dan tien jaar geleden? Ik weet het niet.

     

    We wonen wel tussen de mensen en we passen in de omgeving, gewoon goed en gelukkig met een beperktheid, maar dat voelen we niet zo aan. Mijn huis heeft letterlijk mijn leven getekend en is altijd een thuis geweest. Thuis betekent voor mij dat ik al het dierbare (redelijk) binnen handbereik heb.

    De wereld is een heel grote plek en ik vind het een gunst om daar een paar vierkante meter op te hebben waarvan ik kan zeggen, dit is van mij en daar kan ik me veilig voelen. Dat is voor mij thuis. Oost west, thuis best is een combinatie van veiligheid, vertrouwdheid, voorspelbaarheid en de situatie kunnen overzien. Het is een veilige haven, waar je je geborgen voelt en waar je controle over hebt. Waar je jezelf kunt zijn en waar de mensen wonen van wie je houdt, waar je tot rust kunt komen en waar je aan gewend bent. Ik ben nooit een groot ondernemer van (ver)bouwingen geweest. We kregen wel een nieuwe badkamer, een aanbouw met terras, een eigen bureau en werkplaats, een washok, nieuw buitenschrijnwerk en geïsoleerde beglazing. We deden wel interne aanpassingen aan de verwarming en in de tuin…

     

    Mijn eerste thuis was bij ons vader en moeder en dat is minder huisgebonden. Zonder iemand in zo’n huis is dat ineens geen thuis meer. Ik maakte het mee bij de verkoop van het ouderlijk huis waarin moeder de laatste 30 jaar van haar leven 'woonde'. Een huis dat ze stukje voor stukje opbouwde. Het was een stuk van zichzelf dat ze waar maakte, weliswaar toen even lang geleden vader overleed. Waar ze kon van genieten en onbewust afscheid nam toen ze naar het zorgcentrum vertrok. Een huis van ineens afscheid nemen en tegelijkertijd afgesneden worden van het verleden, van botaf gedaan en niet meer kunnen/mogen teruggaan. Een huis dat zomaar wordt afgepakt.Het huis waarin vader en moeder leefden, waar herinneringen groeiden en waar geschiedenis geschreven werd met accenten die ze zelf hadden gekozen. Een huis dat leven vertelde. Een huis met een sfeer van ouder worden, getekend door wat het leven gegeven en ook genomen had. Een ouderlijk huis verlaten, verkopen en niet meer kunnen bezoeken is afscheid nemen van arbeid, realisaties, handenwerk en ideeën van mensen. Aan zo'n huis kleeft een emotionele kant, te belangrijk om te vergeten, maar ook evenzeer belangrijk om los te laten.

     

    In 1982 nam ik bewust afscheid van dat ouderlijk huis uit 1927 in de oude Boomse tuinwijk, samen met mijn oudste kleinzoon die toen vier jaar oud was. Gewapend met een zaklantaarn, een schrijfblok en een fototoestel hebben we de hele wandeling gemaakt: van de kelder tot onder de zolderpannen van Boomse makelij die rust en standvastigheid uitstraalden. We hebben van elke ruimte foto's genomen en ook van de grond rond het huis. Het zijn relicten van een ex-eigendom met een ziel, een geschiedenis en zeker een eigen verhaal van liefde voor vader, moeder en de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. De fototrofeeën hiervan waren weg, opgeborgen in koninklijke koekendozen. De foto's vormden voor mij de leidraad tot herinneringen die de moeite waard zijn om niet te vergeten. Op een gebruikte A4-omslag heb ik nog dingen opgeschreven en het resultaat van die 'restjes' heb ik daarna verder uitgeschreven. Wat mij herinnerde aan die twee mensen, probeerde ik te verpakken in het zilverpapier dat de warmte van de herinnering bijeenhoudt en onbewust laat aanwezig blijven om dankbaar aan terug te denken. Ik heb ze mee-verpakt in dezelfde koninklijke koekenblikken. Hoe erg moet het zijn dat je pas beseft hoe gigantisch groot de wereld is als je nergens meer thuis hoort.

     

    Die rode gevoegde baksteenslak van Batibouw is verdorie héél goed gekozen. Ze geeft een gevoel van veiligheid, van 'thuis zijn', zoals ook bij Afrikaanse stammen. De schildpad en de boom zijn bewaarders van de tijd. Ze kunnen heel oud worden en dragen tekens van die tijd met zich mee. Een boom krijgt een jaarring bij en voor elk jaar dat voorbijgaat krijgen schildpadden op hun hoornplaten een ribbeltje in plus. Volgens sommige legendes is de schildpad een symbool van eeuwig leven, waarbij de hele wereld op haar rug wordt meegedragen. Ze werd een symbool van lang leven, wijsheid, kracht, betrouwbaarheid, vastberadenheid, welwillendheid, vrijgevigheid, goedheid en geduld. Moet er nog zand zijn? Als er een vorm van leven is die haar eigenheid heeft weten te bewaren, dan is het wel de schildpad. Het gaat haar niet om de snelheid waarmee ze ergens wil komen, maar om wat ze onderweg allemaal ziet en wat er ze er mee doet. Konden wij dat ook maar een beetje meer. Anderzijds is 'uit je schulp kruipen' haar voorbeeld voor ons als het belangrijkste proces waar we voor staan als we ons verder willen ontwikkelen.

     

    Marcel Huysmans

     

    25-02-2018, 17:32 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    17-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE APOTHEEK VAN DE GOEDE GOD
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Af en toe sta ik voor een stapel doosjes, een regiment kleine bruine flesjes en een blistercomplex met witte en anderskleurige pilletjes die samen de bevolking van mijn apothekersdoos voorstellen. Laatst heb ik ze nog eens geteld: op één jaar sponsor ik de apothekersfamilie door de aankoop van 4691 pittige pilletjes: bontgekleurd, van diverse grootte en uitmuntend door de hoeveelheid verpakkingsmateriaal dat eraan is verspild. De rijkdom aan zorgvuldig verzamelde medicamenten verdwijnt in het niets als de nood het grootst is bij grote kleine ongemakken: op dat moment ben je radeloos, onzeker, ongerust en onwetend tegelijk omdat je eigen gezondheid zware steken laat vallen en je niet weet wat mag en kan. Schichtige tandpijn, hevige jicht, grenzeloze hoestbuien, knalharde constipatie, spetterende diarree, uitzichtloze migraine en overal knagende spierpijnen zijn er maar enkele exponenten van. Wezenloos staar je dan naar de inhoud van het pillenkastje op een uur dat de dokters al lang geen zituur meer hebben, dat apothekers zeker niet van dienst en dus gesloten zijn, tot je beseft dat niemand ter wereld je enig soelaas kan brengen. Misschien kun je nog proberen de hele heiligenlijst te aanbidden om te zien of iemand je onredelijke pijn wil verlichten. Als overjaarse heiligenpostuurkes, amuletten, relikwieën, kaasjesbranden of stormnovenen niet meer helpen, blijft er maar één mogelijkheid over: geef je over aan de Apotheek van de goede God!

     

    De wereld van de farmacie kende na de tweede wereldoorlog een explosieve groei dank zij de chemicalisering van onze medicijnkast. Aspirine, penicilline, valium en antibiotica worden sindsdien door miljoenen mensen gretig geslikt als wondere heelmeesters voor alledaagse kwalen. Toen is de oeroude kennis van helende natuurkruiden - de apotheek van de goede God - meer en meer naar de achtergrond verdwenen. Maar heel veel kruiden uit Gods grote Kruidentuin spelen nog altijd een belangrijke rol. Het Sint Janskruid werd eeuwenlang voorgeschreven door artsen, zigeuners, tovenaars en kwakzalvers als helend middel bij 'algemene aandoeningen van het zenuwstelsel'. Onder de geleerde naam 'Herbicum Perforatum' steekt het als anti-depressiemiddel zijn chemische broertje Prozac de loef af omdat het even efficiënt is bij milde tot gemiddelde depressies, maar zonder de vervelende neveneffecten van de chemische drug. Dan denk ik weemoedig terug aan de zalige apotheken uit mijn jeugd toen de brave apotheker nog lamme armen kreeg van de zalfbereidingen en kromme vingers van het poeders vouwen of in capsules doen. Toen was er nog een gewijde stilte bij de pillendraaier, met specifieke geuren en het Latijn op potten en flessen plus de systematische indeling van de geneesmiddelengroepen. Een van de dingen die ik ooit bij hem kocht was een pilomat, een blauwdoorschijnend plastic toestelletje om pilletjes efficiënt in twee te verdelen. Dat was sublieme 'farma-romantiek' tegenover de huidige zakelijkheid. De apotheek is nu een efficiënt ingedeelde ruimte met honderden schuifladen geworden, waarin medicijnen kant-en-klaar van de producent zijn aangevoerd, opgeborgen zijn en uit een muurklapkastje te voorschijn komen om weer te verhuizen naar zieke mensen. De artsenijbereidkunde (farmacie) verdwijnt stilaan. In plaats van bereiden, wordt het eerder adviseren en distribueren. Door de toename van het aantal medicamenten is dat natuurlijk ook héél belangrijk.

    In een oude gewijde geschiedenis zag ik God die als oude wijze man in een wolkje boven Zijn schepping zweefde, alsof hij wilde zeggen 'zie ik geef je dit allemaal voor je eigen genezing'. Aan God de Vadersvoeten zaten verschillende dieren. Hun vet werd door middeleeuwse apothekers gebruikt om zalven te bereiden. Door het uitkoken van schapenwol creëerden zij lanoline, dat ook nu nog als basis voor sommige zalven dient. Niet ver daarvan zie ik Adam en Eva die - na hun zondeval - hun paradijselijke volmaaktheid hadden verloren maar hun blootheid niet meer moesten wegsteken en voor hun fysiek welzijn aangewezen waren op de geneeskracht van planten die de Schepper hen had nagelaten. Eva houdt als eerste geneesmiddel een appel in haar hand. Het gaat hier niet over de verboden vrucht, want die was juist het symbool voor het lichamelijk en geestelijk verval door hun ongehoorzaamheid. Wat Eva niet wist, maar wij wel, is dat (vooral biologisch gekweekte) appels veel quercetine leveren die de groei van sommige kankercellen kan remmen en ook tegen tromboses, ontstekingen en allergieën helpt. One apple a day keeps the doctor away, zeggen de Britten, maar om zeker te zijn, eet je er best een paar meer. Even verder staat Noë na zijn zondvloed met een rode neus en met een wijnrank in de hand als levende reclame voor (rode) wijn die goed is voor hart en bloedvaten! Ik wil er wel bij vermelden dat ervaring leerde dat overdaad schaadt en dat wijn, alleen met mate(n) gedronken, een positieve uitwerking op de gezondheid heeft. Pillen, poeders en dranken komen pas aan de orde als de voeding onvoldoende resultaten geeft.

     

    Voor elke kwaal is een kruid gewassen of wordt een middel gekozen. In vele volkswijsheden, spreekwoorden, zegswijzen en clichés schuilt dikwijls een kern van waarheid, en dat zal dus ook wel voor kwaal en kruid gelden. Soms geeft de plantennaam aan waarvoor hij geschikt is. Zo is er het longkruid, het valkruid, het speenkruid, het bloedkruid, de pisbloem, de bijvoet, het nieskruid en nog veel meer. Ogentroost heet in het Engels Eyebright (oogglans) en in het Frans Casse-lunette of Brilbreker, wat slecht nieuws is voor de opticiens... Thee van lavendelbloesem is goed tegen angina, rijst- en melkgerechten helpen tegen diarree, bij heesheid bewijzen ijsblokjes tijdens de maaltijd hun nut en tegen migraine kun je pepermuntthee drinken met honing en suiker. Bij hevige verstopping eet je een overvloed aan gedroogde pruimen nadat ze een hele nacht in een glas met lauw water hebben geweekt...

    Baat het niet, het schaadt ook niet, want het zijn nu eenmaal middelen uit de Apotheek van de Goede God!

    Marcel Huysmans

     

    17-02-2018, 14:56 geschreven door Marcel Huysmans  

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    Archief per week
  • 07/01-13/01 2019
  • 31/12-06/01 2019
  • 24/12-30/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 01/10-07/10 2018
  • 24/09-30/09 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 10/09-16/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 27/08-02/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 18/06-24/06 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017

    Archief per week
  • 07/01-13/01 2019
  • 31/12-06/01 2019
  • 24/12-30/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 01/10-07/10 2018
  • 24/09-30/09 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 10/09-16/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 27/08-02/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 18/06-24/06 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!