Dagboek
31
Nu we leven en we hadden moed na lijden komt verblijden, mijn man wierd op zijn beurt naar huis gezonden de tijd kwam voor hem gelijk voor de andere hij kwam bij mij ook in ’t huis van mijn moeder er waren geen huizen te huur en alzoo woonden wij samen, na maanden vond mijn man werk vermakingen aan de vaart later in de fabriek in Roubai en in tussen was er een kindje op komst nievers geen huis er was geen sprake van schade vergoeding en zoo wierd ons huisje ook niet vermaakt, na lang bedelen mogten wij bij zijn vader gaan wonen we kregen een keuken en twee slaapkamers en een washuisje voor schotels wij woonden en werkten en waren gelukkig, na een tijd kreeg mijn man werk in de zelfde fabriek waar ik werkte hij was daar goed naar Frankrijk gaan alle dagen weg en were niet gemakkelijk, nu er kwam kiezinge op ons om een burgemeester op een dag kwam een kind van schole met een uitnodiging dat mijn man bij de schoolmeester moest gaan op een avond, wat is er nu zegde mijn man ik zegde wie weet ’t is zeker om die verkiezing geraad willen ze u burgemeester maken want de helden van oorlog hadden veel gezag, als hij terug kwam zegde hij de onderpaster

