
De overwinningsmedalle
Het eerste teken dat we vermelden, herinnerd u nog bij de aanvang de eretekens van mijn grootvader :
Werd toegekend aan de militairen die tussen 1 augustus 1914 en 11 november 1918, effectief deel uitmaakten van de Belgische strijdkrachten
De 18 daagse veldtocht
Juliaan Wyffels in de volksmond Gerard. In 1935 vervulde hij zijn militaire dienstplicht en in 1939 werd hij gemobiliseerd. Bij de capitulatie was hij in Handzame gestationeerd.
Mabbe Joris Geboren te Wielsbeke en te Rollegem gehuisvest Plaats 8
Hij heeft tussen 1940 en 1945 in het Belgische leger gediend. Hij werd niet krijgsgevangen genomen, maar is wel oorlogsinvalide ten gevolge van verwondingen op gelopen strijdende in een eenheid van de Duitse weermacht.
Hij bezat geen hoedanigheden van politieke gevangene, gewapende of burgerlijke weerstand, door de sluikpers of agent der inlichtingen en actiediensten, erkend bij toepassing der wetten.
Telken male de verjaardag van de oorlog in het vooruitschiet is wordt er gepraat en geschreven over den oorlog, alsof horen en zien zou vergaan. De jeugd wordt verweten niet genoeg aandacht er aan te schenken, de scholen zouden er meer les over geven. Het is zo vreselijk geweest dat er over moet gepraat worden. Maar o wee indien u aan iemand vraagt hoe hij het gemaakt heeft, bij andere was er hellende maar bij ons, wij hadden geen honger, we werden met rust gelaten. De mensen waren vinding rijk Je kunt er moeilijk bij welke ellende er geleden was.
Zo kwam een dagboek van een iemand van Rollegem, wie we 50 dagen mogen volgen vanaf vrijdag, 10 mei 1940.

Met het 57e op den dompel
1ste dag vrijdag, 10 mei 1940-
Plots komt een van de onlangs benoemde sergeanten ons wekken: “ Opstaan! Mannen er is alarm!”-”Heu!”. Roept sergeant Verhoeven, “Van Roy, jong, waarom laat die ons niet -slapen?” Hij ie oprecht kwaad omwille van zijn gestoorde nachtrust!-“ Vodden!” grommel ik op mijn beurt en draai me nog eens om? Als hij aandringt, zend ik hem wandelen met: “ Als ’t echt is, kom zeg het maar we hebben nog al den tijd!”- Maar algauw worden we gewaar dat het menens is. Gestommel in de gang paardengetrappel op de harde glibberige plaveien onder onze kamer( we slapen boven de ingangspoort) beletten ons, terug in te slapen. We gewaardigen ons eindelijk op te staan, te meer daar nu ook de adjudant, een echte kater, bijgenaamd” de man van Düsseldorf” of “ De Man met de groene ogen” ons is komen diets maken dat er een kwestie is van” er algauw te zijn!” “ Er” dat is in de kamers van onze mannen! Daar is alles in vollen gang: Matrassen wandelen op lange stelten van benen,( onze compagnie is die van de ventjes van +- 1,75m tot 1,93m) naar het magazijn toe, bedden
worden met donderend geraas tegen de muur gezet(zolang als het maar de bedden zijn!) gasmaskers worden uitgewisseld tegen nieuwe, of liever tegen minder versleten, brood wordt uitgedeeld, ook de nooit geziene noodrantsoenen, suiker en beschuiten, een doos in aluminium waarvan wij niet eens het bestaan vermoeden, enz., enz.!
Het duurt natuurlijk, spijts het “gebrul”, van de adjudant heel wat, vooraleer allen enigszins paraat staan. Gewekt rond 11/2 uur, raken we op de binnenkoer verzameld tegen 4 uur 15 of zo. Stelt u maar eventjes dit paar uurtjes voor met al dien rompslomp! Te 4u 30 de Antwerperse baan op, allemaal ezelzwaarbeladen. We zijn er echter allen zeker van: “Te middag zijn we hier terug en deze namiddag spinnen we de rest van onze dromen van vannacht kalmpjes verder af!
Op een paar kilometer van de stad horen we zo langzaamaan vliegtuigen naderen uit de oostelijke richting. Het zijn er weldra tientallen die wijd uit elkaar verspreid boven onze helmen brommen. “ Jongens, jongens” roept er iemand, “ Engeland zal iets gaan krijgen!
We houden stil te Waalhem bij een fabriek. Geweren in bundels. Rust. Soldatenrede getrouw, vallen we bij onze zware zakken neder om wat te bekomen van die lastige morgenwandeling. Het wordt 6, 7, 8, uur, als(er) opeens een van de minst slaapachtigen Komt aangedraafd met het nieuws: “We zijn in oorlog met Duitsland.” We geloven hem niet, hij is van onze compagnie, gekend om haar grappen makers, maar.. daar is de adjudant: “ Het is heel ernstig!” En hij geeft ons, zonder zijn traditioneel gebrul(wonder hoe die “beer” zo ineens getemd is) de voornaamste punten weer van wat hij op de radio hoorde. Als allen paf en onthutst staan, roept Figoureux, bijgenaamd “Figaro” van uit de laatste rij: “Dat de Duits zich maar goed vasthoud, de 7e Compagnie is daar nog”
Zie zo, dat heeft, geloof ik een beetje meegeholpen om de stemming te vormen van heel onze “bende” tot de laatste dag 5-6 weken later.
Het slechte nemen, voor wat het is, het weinige goede, dat er te vangen is, meesnappen met een: “Dat is dan weeral iets dat ze niet meer kunnen ontnemen, en dan ’s avonds slapen gaan ; als dit kan, met de enige bekommernis: “Hoe sla ik er mij morgen best door?
Nu verloopt de verdere dag in zoeken naar slaapgelegenheid, praatjes met mensen van het gehucht, luisteren naar de verontwaardigde en zelfzekere stem daar uit Brussel, een spelletje kaarten enz. Veraf wordt al eens naar een vliegtuig geschoten, tot er, tegen den avond, een rakelings boven de bomen komt geschoren, we zien een sliert zwarte rook en roepen: “ Die werd getroffen!.- Niets van!”
Het donkert en we genieten van de zwoele meiavond die, te meer daar nu Mechelen wordt gebombardeerd. Ergens rechts van St. Rombauts woedt een grote brand en we hebben de indruk dat heel de stad in vlammen opgaat. Hoe raakt in de kleine uurtjes vóór we, elk in zijn strolager, in een onrustige slaap vallen. Wanneer voelen we nog eens een bed onder onze rug?