De mens: een steen die in een vijver valt: enkele kringen en niets meer!
Is de mens méér dan een steen die in een vijver valt?
"Op avond zat er een man tegenover me in mijn studeerkamer, die me de dag daarvoor had gebeld om een afspraak te maken. Hij had geagiteerd geklonken en alleen maar gezegd dat hij een 'religieuze kwestie' met me wilde bespreken. In mijn soort werk kan een religieuze kwestie van alles zijn, van het probleem waarom God het kwaad toelaat tot en met de vraag waar de ouders van de bruidegom tijdens de huwelijksvoltrekking horen te staan. Na een paar vage opmerkingen over zijn kindertijd en zijn religieuze opvoeding vertelde hij me wat hij op zijn hart had.
'Twee weken geleden ben ik voor het eerst naar de begrafenis van een man van mijn leeftijd geweest. Ik kende hem niet zo goed, maar we werkten op hetzelfde kantoor, spraken zo nu en dan met elkaar, en onze kinderen waren van dezelfde leeftijd. Op een weekeinde is hijj plotseling overleden. We zijn met een heel stel naar de begrafenis geweest, en we dachten allemaal: 'Dat had ik net zo goed kunnen wezen.' Dat was twee weken geleden. Op het kantoor hebben ze hem al vervangen. Ik heb gehoord dat zijn vrouw naar een andere staat gaat verhuizen en bij haar ouders gaat wonen. Twee weken geleden werkte hij nog geen twintig meter bij me vandaan, en nu is het alsof hij nooit heeft bestaan. Het is net een steen die in een vijver valt. Een paar seconden maakt hij kringen op het water, en daarna ziet het water er weer net zo uit als daarvoor, maar de steen is er niet meer. Ik heb sindsdien geen oog meer dichtgedaan. Ik moet er steeds aan denken dat het mij ook zou kunnen gebeuren, dat het op een dag met mij zal gebeuren, en dat ik dan een paar dagen later vergeten zal zijn alsof ik nooit bestaan heb. Zou een mensenleven niet meer moeten zijn dat dat?' "
Twee citaten uit Harold S. Kushner, Niets meer te wensen en toch niet gelukkig. Op zoek naar de zin van het leven, Ten Have / Baarn, 1986, p.9 en p.12 - 13. Het boek is een commentaar op het boek Prediker. Het gevaarlijkste boek uit de Bijbel.
"Vraag aan een willekeurig iemand wat hij belangrijk vindt: geld verdienen of veel aandacht besteden aan zijn gezin, en het antwoord zal bijna altijd in het voordeel van het gezin uitvallen. Maar let eens op hoe diezelde man in werkelijkheid leeft. Kijk waar hij in de praktijk zijn tijd en energie in steekt, en hoe hij daarmee verraadt dat hij zich niet echt houdt aan wat hij zegt dat hij denkt. Hij heeft zichzelf ervan overtuigd dat als hij 's morgens eerder naar zijn werk gaat en 's avonds vermoeider thuiskomt, hij aan het bewijzen is hoeveel hij voor zijn gezin over heeft: hij slooft zich immers uit om ze al die dingen die ze in de reclame hebben gezien te kunnen geven?
Vraag een willekeurig iemand wat meer voor haar betekent: de goedkeuring van buitenstaanders of de genegenheid van degenen die haar het naast zijn, en ze zal niet eens begrijpen waarom je zoiets vraagt. Het staat buiten kijf dat er niets is dat meer voor haar betekent dan haar gezin en haar beste vrienden. Maar hoevelen van ons hebben onze kinderen niet in de weg gezeten of hun spontaneïteit onderdrukt uit angst voor wat de geburen of allerlei onbekenden wel niet zouden kunnen denken? Hoe vaak hebben we onze woede afgereageerd op degenen die ons het naast stonden omdat we een rotdag hadden op ons werk of omdat iemand anders iets had gedaan waardoor we van ons stuk raakten? En hoevelen van ons zijn voor onze gezinnen niet te genieten geweest omdat we aan de lijn deden om er leuker uit te zien voor anderen die ons niet goed genoeg kennen om door uiterlijkheden heen te kijken?"
Als twintigjarige student dweepten wij met van Michel Quoist, Gebeden zonder wierook. Gebeden in de maalstroom. Het boek werd eerst uitgegeven bij 'Les Editions Ouvrières, Paris, 1956 en in het Nederlands bij Lannoo/Tielt in1956. Van de eerste druk in november 1956 was men in de meimaand van 1957 al aan de negende druk toe. Het boek beantwoordde toen blijkbaar aan een nood. Wij zijn bijna vijftig jaar verder en...na lectuur van dit teruggevonden gebedenboek, mag ik bevestigen dat er nog heel wat gebeden instaan die ook vandaag bruikbaar zijn. Proeve daarvan onderstaande gebed over 'Slaven'.
Als inleiding op het gebed staat het volgende:
" Arbeid is geen straf, maar een eer die God aan de mensen bewijst. De Vader heeft niet alléén Zijn Schepping willen voltooien. Hij nodigt zijn schepselen uit met Hem samen te werken. Ook is arbeid een dienst die de mensen aan ekaar bewijzen. Als is de arbeid moeilijk geworden tengevolge van de zonde, toch heeft hij niets van zijn grootheid verloren. Door de arbeid wordt de aarde vruchtbaar en brengt zij haar vruchten voort, maar de roofzuchtige mensen twisten en strijden met elkaar om de nieuwe goederen, die een ieder zich wil toeëigenen. De aardse bouwwerf is maar al te dikwijls tot een triestig gevangenkamp geworden, waarin enkelingen de dwangarbeid van vele anderen uitbuiten. Men moet genoeg liefde bezitten om het juk van deze slavernij af te willen werpen, niet uit haat, maar juist uit liefde!"
Als Schriftteksten vermeldt de auteur Jakobus, 5, 1 - 6 en Rom. 8, 19 - 22.
Ik ken slaven, Heer, en het is voor hen dat ik U vanavond wil bidden. Hij zou aangenomen worden als gespecialiseerd vakarbeider, Maar een stem in de telefoon gaf de waarschuwing dat hij in de vorige fabriek afgevaardigde van de arbeiders was geweest, En de slaaf is naar de Armenzorg gegaan. Heer, heb medelijken met hem.
Men heeft gezegd: vanaf maandag begint het werk om half zeven, En de slavin heeft haar kinderen om zes uur, voor zij naar haar werk ging, uit bed gehaald. Heer, heb medelijken met haar.
Wanneer je nog een keer praat in het atelier, donder ik je eruit, heeft de baas gebruld, En de slavin heeft zich op haar lippen gebeten en gezwegen. Heer, heb medelijden met haar.
Zij heeft 's avonds niet huis willen gaan, de huisbazin zou haar nog weer hebben laten werken, Maar zij heeft geen geld en de slavin heeft die avond niet gegeten. Heer, heb medelijden met haar.
De opzichter heeft gezegd: je krijgt drie uren afgetrokken, herinner je je nog die koppeling van eergisteren? En de slaaf, rood van woede en schaamte, heeft het hoofd gebogen terwille van de kinderen thuis. Heer, heb medelijden met hem.
Je zult op vier weefstoelen moeten letten in plaats van op drie, heeft de atelierchef gezegd, En de slavin heeft nog vlugger gewerkt om de machine bij te houden. Heer, heb medelijden met haar.
Zoals iedere week ontvingen meneer en mevrouw gasten, Maar zij moest tot 's nachts drie uur opblijven tot de gasten weg waren, omdat zij in de salon slaapt, En de slavin stond vier uur later weer op om haar werk te hervatten. Heer, heb medelijden met haar.
Zo hebben zelfzuchtige mensen hun broeders in slavernij gebracht.
Dat hebt Gij niet gewild, Heer, toen Gij ons uitnodigde om voor elkaar te werken en hierdoor Uw Schepping te voltooien. Gij hebt gewild dat de Aarde één onmetelijke bouwwerf zou zijn, waar de geringste handgreep van de mens het gemeenschappelijk werkstuk dient. Gij hebt gewild dat zich dooreen zouden weven, als cellen van éénzelfde lichaam, de bezaaide akkers, de rokende fabrieken, de kantoren en de werven. De binnenhuizen, waar de moeders werken en het binnenste van de aarde waar de mijnwerkers wroeten, Het laboratorium van de geleerde en het atelier van de kunstenaar. Gij hebt gewild dat de mensen zich door de arbeid zouden veredelen en ontplooien, En zij allen tezamen, aan het einde der tijden met trotse voldoening deze aarde, die zij omgevormd, verbeterd en afgewerkt hebben, als een schone vrucht van hun arbeid met U en door U, aan de Vader zouden aanbieden. .........
Maar, Heer, wij hebben de menselijke arbeid verbroddeld, Wij hebben het mysterie van de Schepping verknoeid.
Deze avond, Heer, bied ik U aan, de langgerekte oproerkreet van de mensen, die slaven van de arbeid zijn, Ik bied U aan, de strijd van hen allen, Ik bied U aan, hen, die met gummiknuppels geslagen werden, hen, die in de gevangenis geworpen werden, hen, die met machinegeweren beschoten werden, hen, die gedood werden, Dat hele leger van arbeidenden, die als wapen in hun strijd om hun broeders te bevrijden, het lijden voeren. Heer, laat Uw Licht over hen lichten, Opdat zij met klaarheid hun twistpunt beschouwen, Opdat zij rechtvaardig zijn in hun strijd, Opdat zij edelmoedig zijn in het geven van zichzelf, Opdat zij vooral beseffen dat hun Vader bij de betere wereld, die zij willen opbouwen, belang heeft.
Reinig hun harten, Heer, opdat zij uit liefde strijden en zij allen aan het einde der tijden aan de Vader vrij en fier, het paradijs mogen aanbieden, dat zij met u en met hun eigen handen gebouwd hebben."
"De woestijnvaders vergelijken bidden met honden die achter een haas aanjagen. Eén hond heeft de haas gezien; hij blaft vreselijk en loopt erachteraan. Andere honden horen het geblaf en lopen mee. Maar vroeg of laat komt het ogenblik waarop al die honden die alleen maar het geblaf gehoord hebben opgeven. Slechts degene die de haas zelf gezien hebben lopen door. Dat is een goed beeld van het gebed: wie bidt omdat hij het geblaf gehoord heeft maar zelf niets gezien heeft, houdt het niet vol. Deze gelijkens beschrijft de nood van heel wat zoekende mensen. Ze leven slechts van het geblaf van anderen, en op den duur is dat niet voldoende. Ze zoeken naar de zin van het leven, naar innerlijke vrede, naar God, maar horen slechts van iemand die gehooRd heeft die iemand gehoord heeft..."
"Op een vrijdagavond moest ik een kort voor sluitingstijd vlug nog iets kopen in een supermarkt. Op één na waren alle kassa's gesloten. Voor die kassa stond een tamelijk lange rij van klanten die allen wat ongeduldig waren en ook wel ontstemd omdat de andere kassa's al voor tijd dicht waren. Het viel me wel op dat de mensen vooraan in de rij plezier hadden. Ik dacht: dat is omdat ze nu aan de beurt zijn, en dat was ook zeker één reden. Maar toen ikzelf zover was gekomen, ontdekte ik dat er nog een tweede reden was. De dame die de kassa bediende had namelijk uit een grote doos bonbons een stuk karton gesneden en dat voor zich neergezet. Er stond op: "We zijn met liefde gemaakt, behandel ons a.u.b. ook zo.' Met die simpele boodschap had ze de geïrriteerde stemming omgetoverd. Iedereen glimlachte vriendelijk. Zo'n boodschap hebben we vaker nodig."
"Wij zijn met liefde gemaakt, behandel ons a.u.b. ook zo!'
De zeventiende-eeuwse priester-dichter Angelus Silesius zegde: "Niets of niemand is schoner dan ik, want God, de schoonheid zelf, is immers op mij verliefd.'(...) Een oude joodse spreuk zegt: acht uzelf niet gering, want God acht u niet gering. Als ik dat toch doe, dan stem ik niet met God overeen, dan stokt een hapert het tussen God en mij. 'Acht uzelf niet gering, want God acht u niet gering."
Piet ven Breemen in Het gaat om de liefde, Lannoo, Tielt 1999. Parels gevonden tijdens de geestelijke lezing in de ochtend.
Hoe vergeven? Vergeven om te genezen. Genezen om te vergeven
Het valt mij op dat Tim Guénard uit eigen ervaring heeft geleerd dat vergiffenis schenken niet gebeurt zonder moeite. Jean Monbourquette schreef er een boek over, namelijk Comment pardonner. Pardonner pour guérir. Guérir pour pardonner, Novalis en Centurion, 1992. Het boek werd in het Nederlands vertaald bij De Goede Pers Averbode onder de titel: Hoe vergeven?Vergeven om te genezen. Genezen om te vergeven. Op de kaft lezen wij: Vergiffenis schenken is bijzonder moeilijk. Wij ervaren het allemaal. Dit boek wil een praktische gids zijn van de kunst om vergeving te schenken. De kracht van het boek zit in het feit dat psychologie, spiritualiteit en gevoelsleven harmonieus met elkaar verweven zijn. De taal is eenvoudig en levendig. De Nationale Raad voor Gezinspastoraal heeft op basis van dit boek zelfhulpgroepen of groeigroepen rond vergeving gesticht en begeleid die ook ter plaatse.
Het grootste deel van het boek begeleidt de lezer langs twaalf etappes om tot vergeving te kunnen komen.
Na de zes getuigenissen van Tim Guénard wil ik afsluiten met een bijbeltekst, nl. 1 Petrus 3, 15 - 16:
"Wees altijd bereid tot verantwoording aan alwie u rekenschap vraagt van de hoop die in u leeft. Maar verdedig u met zachtmoedigheid en gepaste eerbied, en zorg dat uw geweten zuiver is."
De zes getuigenissen werden gedistilleerd uit het boek het boek van Tim Guénard, Plus fort que la haine, Presse de la Renaissance, Paris, 1999. Van dezelfd auteur: Tagueurs d' espérance, Presse de la Renaissence, Paris, 2002
Het zou de moeite waard zijn dat de lezers van deze getuigenissen mij laten weten of zij er zich door aangesproken weten. Misschien kunnen wij een uitgever warm maken om de boeken van Tim Guénard te laten vertalen. Graag jullie reacties!
De woorden van Tim Guénard verdienen het met aandacht gelezen te worden. Het zijn woorden die moeten bezinken!
" Vergiffenis schenken betekent niet vergeten. Het bestaat erin in vrede te leren leven met de beledigingen. Dat is heel moeilijk te realiseren, vooral als de wonde gans je wezen heeft doorboord, als er lidtekens in je lichaam zijn achtergebleven. Het is een tatouage tot de dood. Onlangs moest ik een operatie ondergaan: de slagen die ik van mijn vader heb moeten incasseren hebben onherstelbare fysische schade toegebracht. De pijn wordt soms opnieuw wakker en met haar de herinnering. Om te kunnen vergeven moet men zich kunnen herinneren. Wij moeten de wonde niet verdonkermanen, niet begraven, maar integendeel, haar aan het daglicht brengen, in het volle licht.
Een verborgen wonde ontsteekt en begint zijn vergif in het lichaam en de geest te verspreiden. Zij moet kunnen bekeken worden, beluisterd, om een bron van leven te kunnen worden. Ik mag getuigen dat er geen verwondingen zijn die, weliswaar langzaam, op de lange duur dikwijls, door de liefde niet kunnen geheeld worden. Tot mijn zestien jaar heb ik er dikwijls over gedroomd dat ik mijn moeder nog eens zou ontmoeten, dat zij mij zou komen opzoeken en mij bij haar thuis opnemen. Daarna heb ik de onverdraagelijke gedachte moeten aanvaarden dat ik verlaten werd door degene die mij in haar schoot had gedragen. Ik heb toen besloten dat het misschien beter was dat ik haar nog ooit zou terugzien.
Het is nochtans gebeurd. Onverwacht dan nog. Na mijn huwelijk werden wij bij een tante uitgenodigd voor een familiebijeenkomst. Zij had mij er niet bijgezegd dat ook mijn moeder zou aanwezig zijn. Plots sta ik oog in oog met haar, een vrouw, bruin van tint, jong en mooi. Zij maakte geen enkele beweging naar mij toe. Haar gelaat bleeft bewegingloos.
Ik heb haar tegemoet gegaan en ik heb haar gezegd: - Mijn enige droom is dat ik van jou een kus zou krijgen... Bijna onzichtbaar week zij achteruit. - of je hand op mijn schouder, als je dat liever doet. Een enkel gebaar zou volstaan. - Jij bent net als je vader... Alleen de eer telt en niets anders dan de eer! Ik heb enkele ogenblikken gewacht naar dat gebaar van haar dat nooit zou komen. Toen ben ik er stilletjes van onder gemuist. Ik was bijna buiten toen mijn moeder mij op de trap terugriep. Zij heeft toen gevraagd: - Heb je je papa vergeven? - Ja, ik heb hem vergeven? Zij heeft zich onmiddellijk afgesloten. Haar gelaat was vertrokken, verhard. Zij kon ongetwijfeld niet aanvaarden dat ik deze man had vergeven die mij in mijn lichaam had gebroken. Zij kon niet aanvaarden dat ik hen beiden op hetzelfde niveau van de vergiffenis zou plaatsen. Zij heeft nog gezegd: - Ja, jij bent net zoals je vader. Jij zult een slechte echtgenoot en een slechte vader worden.
Er zijn woorden die harder aankomen dan vuistslagen. Woorden als vergif van de wanhoop en de fataliteit. Mijn moeder woog de zwaarte van haar woorden niet af. Er zijn andere vrouwen, zoals mijn echtgenote, om mij te zuiveren van dat vergif, die mij verzorgd hebben met engelengeduld, en dat dag na dag.
Dank zijn Martine kan ik vandaag dingen zeggen die ooit ondenkbaar waren, zoals: de vreugde die wij elke dag mogen ontvangen van onze vier kinderen, heb ik ook aan mijn moeder te danken. Zij heeft mij immers het leven geschonken. Een onschatbaar geschenk!
Vandaag weer ik mij elke dag opnieuw om een goede vader te zijn en een goede echtgenoot en...een goede zoon, zoals de Vader. Onze kinderen zijn mijn wortels geworden. Bij hen word ik, de gekwetste mens,ontvangen als bij genezingen. Als onze kinderen mij vader noemen, voel ik een rilling langs mijn ruggegraat lopen. Een niet uit te drukken gevoel is dat! Ik wil er nooit aan wennen dat zij mij vader noemen! Het is het mooiste dat er op aarde bestaat. Ik denk terug aan al die 'mijn papa's' die ik heb moeten missen. Ik zeg nu dank voor de 'mijn papa's' van onze kinderen. Ik vertrouw aan God de Vader alle kinderen toe die niemand hebben om 'mijn papa' tegen te zeggen."
In Rotterdam geboren op 28 oktober 1466 - het kan ook 1469 zijn - zal Erasmus na een bewogen leven sterven in Bazel bij zijn drukker Johann Froben, in de nacht van 11 op 12 juli 1536. Zijn laatste woorden sprak hij in het Nederlands: 'Lieve God!' Het jaar voordien had hij zijn dierbare vriend Thomas More verloren, toen die op last van Hendrik VIII in de Tower was onthoofd. Toen Erasmus in 1516 het Nieuwe Testament kritisch uitgaf - in het Grieks, met een eigen Latijnse vertaling - voegde hij er vijf voorwoorden bij. Eén daarvan heet 'Paraclesis' of opwekking. Daaruit volgend uittreksel, zijn vereerde Origenis waardig:
Als men ons, christenen, een afdruk van Christus'voet kon tonen, welke vormen van aanbidding zou dat niet teweegbrengen! Waarom niet eerder zijn levend, ademend beeld vereren in zijn boeken ( = evangelies)? Als men de tuniek van Christus tentoonstelde, naar welke plaats op aarde zouden we niet willen vliegen om die te omarmen? En als en als zijn persoonlijke zaken zou tentoonstellen, dan nog zou niets met méér kracht en waarheid de Christus tonen dan zijn Evangelies. (...) Die geschriften geven u het levend beeld weer van zijn heilige geest, ze geven u Christus in persoon weer terwijl hij aan het spreken is, aan het genezen, aan het sterven, aan het herboren worden met heel zijn tegenwoordigheid. Als u hem met uw (lichamelijke) ogen waarnam, zou u hem minder goed zien!
Enige jaren later zal hij een vrijere Latijnse vertaling ( 'parafrase') o.a. van het Matteüsevangelie uitgeven. In de inleiding beschrijft hij prachtig de actuele impact van de evangelies op een echte leerling van Christus. Die werking werd reeds opgeroepen in de net aangehaalde woorden, vooral in dat geheimzinnige 'aan het herborenworden met heel zijn tegenwoordigheid'. Meteen zal blijken dat Erasmus het boek in dienst ziet van wat er actueel tussen Christus en zijn leerling ('ons') gebeurt:
Niets wordt in het Evangelie verteld, dat niet ieder van ons aanbelangt. Niets gebeurt daar, dat niet dagelijks in ons leven gebeurt: weliswaar op een meer geheime, maarook op een echtere wijze. Christus wordt in ons geboren en de Herodessen ontbreken niet om de nog zwakke zuigeling naar het leven te staan. Hij groeit en wordt ouder. Hij geneest elke soort ziekte, als men maar met vertrouwen zjnhulp inroept. De melaatsen stoot hij niet af, ook de bezetenen niet, noch wie aan onreine bloedvloeiing lijdt of blind of kreupel is. Er is geen ondeugde zo lelijk, zo ongeneeslijk, of hij kan ze wegnemen als we oprecht tot hem zeggen: 'Jezus, zoon van David, ontferm u!' en 'Heer, als gij wilt, kunt gij mij reinigen'.
Pater Surinzal meer dan een eeuw later schrijven dathet van groot belang is 'ons Jezus Christus te herinneren en ons van zijn tegenwoordigheid bewust te zijn'. Met zijn uitgave van het Nieuwe Testament wilde Erasmus niet 'geleerd doen' maar ons helpen 'ons Jezus Christus te herinneren'. En met zijn talrijke edities van kerkvaders - voor hem de bijbelverklaarders bij uitstek - wilde hij de christenheid helpen meer bewust te worden van Christus'tegenwoordigheid. Ook zijn eigen parafrases hadden geen ander doel. Erasmus, de prins van de humanisten, was een Christus'vriend - zoals Thoma a Kempis en Ignatius van Loyola...
Uit het driemaandelijks tijdschrift OUDE ABDIJ DRONGEN, april 1005, n°19, p.17 - 18. Op onze links kan je met de Oude Abdij contact opnemen.
Het getuigenis van Tim Guérin zijn teksten om met aandacht te lezen. Teksten om te degusteren. Teksten om op te kauwen!
"In het Evangelie zegt Jezus niet tegen de overspelige vrouw, die de farizeeën willen laten stenigen: "Ik vergeef je je nachten vol zonde." Hij zwijgt. Hij schrijft in het zand.
Ik ben vlug weggegaan, vol van wroeging.Ik heb geprobeerd om de kloof tussen ons te dichten door hem postkaarten te sturen. Misschien is dat idee van de postkaarten stom. Maar de eenvoudige woordjes, waarin ik mijn geluk van het leven uitdrukte, de medeplichtige oogknip van hier of daar, het waren enkele ogenblikken van geluk die ik, in de vlucht, met hem deelde.
Na enkele jaren vernam ik dat hij had opgehouden te drinken. Voor deze grote alcoholieker was dat een grote overwinning. Ik begon mijn vader te bewonderen.
In 1990 vernam ik per toeval zijn overlijden. Toen ik op straat een oom van mij en zijn zoon passeerde, herkende hij mij onmiddellijk. Hij sprak mij aan: - Wel Tim, nu moet je toch gelukkig zijn? - Gelukkig...ja! Waarom zeg je me dat? - Je weet toch dat je vader overleden is? Het was alsof ik een vuistslag op mijn voorhoofd kreeg. Mijn adem werd afgesneden. Stilte. Breuk. - Nee...Is dat al lang geleden? - Nauwelijk drie maanden geleden. Mijn neef was eveneens vriendelijk voor mij. Hij wist wat mijn vader mij had aangedaan. Hij voegde eraan toe: - Ah, die smeerlap.
Ik neem het mijn neef niet kwalijk. Hij weet niet dat God een plaats in mijn leven heeft gekregen en alles onderste boven heeft gekeerd, van het begin tot het einde. Maar ik neem het God wel kwalijk dat hij zo weinig omzichtig te werk ging toen hij mijn vader wegnam.
De vergiffenis is geen toverstok. Er zijn twee soorten vergiffenis: die van het willen en die van het kunnen. Men zou bijvoorbeeld wel willen vergeven maar men kan het niet. Als men het kan, wanneer het hoofd en het hart er eindelijk in slagen van het eens te worden, dan blijft de herinnering, die pijnlijke dingen terug aan de oppervlakte brengt, herinneringen die verwarren en de haat weer aanwakkeren. Het is niet de gemakkelijkste vorm van vergiffenis schenken. Wij hebben er heel veel tijd voor nodig.
Tien jaar lang heb ik elke morgen aan Martine gevraagd: "Hou jij nog altijd van mij?" Ik kon in haar liefde niet geloven. Mijn genezing gebeurde op de duur, na een lange termijn. Men moet er heel veel tijd voor hebben. Ik heb het geluk gehad waarachtige mensen te mogen ontmoeten. Zij hebben van mij gehouden met de littekens en kwetsuren uit mijn verleden. Zij hebben het aangedurf mij met mijn verschillen te aanvaarden, ook als er opnieuw stuiptrekkingen van de gekwetste mens te zien waren. Zij hebben mijn lijden beluisterd en zij hebben niet opgehouden van mij te houden na de vele onweren. Nu mag ik zeggen dat ik een herinnering mag koesteren mij aanvaard te weten.
Het verleden wordt soms wakker geschud door een klank, een woord, een geluid, een gebaar, door een plaats die men onverwacht terugziet... Een kleinigheid volstaat opdat de herinneringen naar boven dringen, mij ondersteboven werpen, mij kwetsen. Zij herinneren er mij aan dat het nog altijd gevoelig ligt, dat ik nog altijd pijn heb. Ik zal waarschijnlijk nooit tot volledige rust en vrede met mezelf komen. Ik zal telkens opnieuw moeten beginnen met vergiffenis schenken, telkens opnieuw, telkens opnieuw. Zijn dat de zeventig maal zeventig maal waarover Jezus sprak?"
"Dank zij Sylvie en Frédéric zoek ik nu naar het positieve in mijn vader. Ik word er mij van bewust dat het dank zij hem is dat ik bokskampioen ben geworden. Het geluk dat ik vandaag mag genieten heb ik gedeeltelijk aan hem te danken. Op zekere dag passeer ik in de stad een beeldschoon meisje, vergezeld door een jongen. Ik ben nauwelijks die twee voorbij, als ik in hen mijn halfzuster en haar broer herken. Ik besluit dit meisje aan te spreken want zij heeft mij nooit een strobreed in de weg gelegd toen wij klein waren. Ik ga recht tegenover haar staan en vraag haar zonder omwegen: - Weet je wie ik ben? Zij denkt even na en richt zich dan onmiddellijk naar haar broer: - Ik herken hem, het is de zoon van papa. Ben ontroerd door de diepe affectie die in het woordje 'papa' meeklinkt. Als zij met zoveel liefde van deze man houdt, kan hij niet slecht zijn. Hij moet zelfs een buitengewone vader voor zijn kinderen uit het tweede huwelijk geweest zijn. Ik verneem terloops dat hij mijn beddegoed met de handen waste toen ik klein was. Mijn vader sloeg mij, maar hij waste mijn beddegoed met de handen!
Ik heb mijn vader opgezocht. Zoals in de parabel van het Evangelie wooonde hij in een tent ten noorden van Parijs. Ik heb aan de deur gebeld. Hij heeft de deur open gedaan. Ik herkende hem onmiddellijk. Er waren nochtans vele jaren verlopen sedert onze laatste ontmoeting. Hij liep nog helemaal niet gebogen. Hij heeft mij in stilte bekeken. Zonder verbazing. Hij heeft geen enkele zin gezegd, zoals: 'Kijk, eindelijk ben je daar, na zovele jaren!' of 'Maak dat je wegkomt, ik heb je nooit kunnen verdragen!', of ook niet: 'Mijn lief kind, vergeef mij.' Nee, hij heeft niets gezegd. Zijn ogen hebben voor hem gesproken. Ik ben onmiddellijk ter zake gekomen, waarschijnlijk ook door de zenuwen: - Ik ben christen geworden, ik vergeef je alles. Wij beginnen het leven met een schone lei. Ik beging toen de grootste stommiteit van mijn leven. Ik voelde dadelijk dat hij verstarde. Zijn ogen traanden en zijn blik verduisterde. Hij heeft zich geplooid alsof hij een slag in zijn maag kreeg. Ik stuurde de man terug in de hel van zijn verleden, een verleden dat hij wanhopig probeerde te vergeten. Ik was een smeerlap, een egoïst die maar aan één ding dacht, van zichzelf voldoening te verschaffen. Mezelf een gloednieuw geweten te bezorgen.
Mijn vader heeft het geluk niet gehad een vrouw te hebben zoals ik en en kinderen zoals die wij gekregen hebben. Dikwijls heb ik mij afgevraagd: Waarom? Waarom heb ik dat geluk gehad en hij niet? Ongetwijfeld probeerde hij te ontsnappen aan de klauwen van de wroeging en de aan de verschrikkelijke herinnering van zijn onwaardigheid. Hij heeft geprobeerd te doen wat in zijn mogelijkheden lag door een goede en rechtvaardige vader te worden voor zijn andere kinderen. Hij kon het nog altijd niet zichzelf vergeven. Hij veroordeelde zichzelf met ongenadige strengheid.
En ik, na jaren afwezigheid, ben ik voor hem verschenen. Ik heb hem de vergiffenis door zijn strot geramd, als een veroordeling en een straf. Het hart kan vergiffenis schenken terwijl de mond nog moet gesloten blijven."
"Haast niemand die het opmerkte, maar de tiara is sinds veertiendagen uit het pauselijk wapenschild verwijderd. De nieuwe paus, Benedictus XVI, liet de pauselijke kroon weg uit zijn nieuwe wapenschild en verkoos de bisschoppelijke mijter. De tiara, de driedubbele kroon, was eeuwenlang het symbool van de pauselijke oppermacht. Vanaf de elfde eeuw droegen petrus'opvolgers die rijk versierde hoofddeksel als vorsten. Pausen werden er mee gekroond en overal zag men de driedubbele kroon pronken op het pauselijk zegel. Al veertig jaar dragen pausen geen kroon meer. In 1964 had Paulus VI zijn tiara reeds afgelegd en laten verkopen om het geld aan de armen te geven. Zijn opvolger, Joannes-Paulus I weigerde omnog als een vorst gekroond te worden, werd dus louter als bisschop van Rome aangesteld. Sindsdien verdween ook de sedia Gestatoria, de draagstoel waarop de pausen plaatsnamen en men hen als pasja's ronddroeg. Al deze symbolen van macht behoren dus tot het verleden."
Erik De Smet, Zonder tiara, in Kerk en Leven, 11 mei 2005, p. 6.
"Het scheelde niet veel of ik had mijn vader doorgeslagen. Al deed ik het niet opzettelijk. Het gebeurde in het begin van mijn ontmoeting met God. Pater Thomas Philippe was begonnen mij zijn transfusies van de vergiffenis toe te dienen. Ik voelde mij een hele vent. Ik had nog niet alle geweldadige gewoonten afgezworen.
Op een zaterdagavond schuimden wij met mijn bende de bals op het platteland af. Op een bepaald ogenblik besloten wij de avond te eindigen in een nachtcafé van de streek. Bij het binnenkomen en nadat mijn ogen gewend waren aan het halve duister, herkende ik twee van mijn halfbroers. Zij zaten op de hoek van bar. Daar de herinneringen niet zo prettig waren, gaf ik er de voorkeur aan terug te keren. Voor mijn maten leek het alsof de biezen wilde pakken. Eén van mijn maten veroorzaakt, echt ongewild, ruzie. Het geruzie wordt heel vlug vechten. Plots staan mijn bendeleden tegenover de rest van de zaal. In alle hoeken wordt er gevochten.
Door de duisternis weet ik niet goed op wie ik klop. Mijn slagen komen hard aan en de tegenstanders trekken zich terug. De rivaliserende bende vlucht weg met auto's. Als ik hen zie vertrekken overvalt mij een onverklaarbare malaise. ' s Nachts slaap ik niet goed. 's Anderendaag begrijp ik het. Het was mijn vader die ik heb afgerost. Hij heeft zich niet verdedigd. Deze vader, van wie ik droomde hem ooit te kunnen vermoorden, die ik in jaren niet had teruggezien, heb ik op zijn smoel geslagen. Enkele maanden ervoor zou ik het uitgejubeld hebben. Deze kans om wraak te nemen, waar ik zo geweldig naar had verlangd, weiger ik voortaan.
Het verlangen hem vergiffenis te schenken kwam een weinig later en dat dank zij een geschenk van Frédéric. Het geschenk bestond uit vijf lijnen tikwerk. Maar zij hebben mijn hart geopen. Dank zij die lijnen wil ik mijn leven van nul af aan opnieuw beginnen. Maar een leven dat nu gebouwd wordt op liefde en niet op haat.
Ik dank de genade van vergiffenis te kunnen schenken aan Frédéric, maar ook aan enkele woorden van een klein meisje. Het meisje was amper zes jaar oud. Ik heb haar ontmoet in een pleeggezin. Zij werd daar geplaatst omwille van haar vader. Haar vader was een zware dronkaard en die sloeg haar regelmatig. Ik stelde haar voor weg te gaan bij haar vader, maar dat wou ze niet. Zij blijft in hem geloven, zij blijft voor hem hopen. Op zekere dag zegde zij mij: - Ik wil bij mijn vader blijven. Hij is lief als hij niet gedronken heeft.
Deze woroden raakten mij diep. Twee jaar later wordt die man geheelonthouder. De hoop en het geloof van zijn dochter heeft hem gered."
"Deze onverwachte ontmoeting met de Liefde heeft mijn leven ondersteboven gekeerd. Ik leef nu in een groot huis, een huis met veel licht en ruimte, gelegen op de hoogten van Lourdes, samen met mijn echtgenote Martine en onze kinderen: Eglantine, Lionel, Kateri en Timothée. Samen met enkele mensen op doortocht, die bij ons verblijven in afwachting dat zijn zij opnieuw hun weg kunnen hernemen. Deze morgen heb ik mijn bijenkorfen geplaatst op de helling van de berg. Van daaruit komen zij bij andere bloemen en andere geuren. Ik geniet van de bergen die in de opeenvolging van hun glooiingen mij meenemen naar de horizon.
Een bij vliegt rondom mij, zij bromt dicht bij mijn aangezicht, en keert terug naar de bloem die reeds zwaar is van stuifmeel. Haar leven is geregeld als een partituur. Zij speelt de noten van haar erfelijkheid, deze honderdjaren oude bevelen die door de genetische code worden doorgegeven en vastliggen. De bij en geen enkel ander dier kan iets aan zijn geprogrammeerd gedrag veranderen. De mens kan dat wel. De mens heeft de vrijheid om zijn lot om te kere, zowel in goede als in slechte zin. Ikzelf, zoon van een alcoholieker, een verlaten kind, heb het noodlot schaakmat gezet. Ik heb mijn genetische bepaaldheid ongedaan gemaakt. Daar ben ik danig fier op.
Mijn voornaam is Philippe en mijn roepnaam is Tim, want mijn iroquese naam is Timidy. De betekenis van mijn naam is 'heer van de paarden'. Mijn gekwetst geheugen is moeilijker te temmen dan een wilde volbloed. Guénard kan vertaald worden door 'sterk in de hoop'. Ik heb altijd blijven geloven in een mirakel. De hoop heet mij nooit ontbroken,zelfs niet in de diepste duisternis van de nacht. Vandaag wens ik dat vele anderen ook blijven hopen. Ik heb van mijn indiaanse voorouders het ontbreken van de duizeligheid geërfd. Ik vrees maar ene afgrond, de meest angstaanjagende afgrond, de haat ten opzichte van zichzelf. Ik heb maar van één ding schrik, namelijk van niet genoeg te beminnen. Om een man te zijn moet je kloten aan je lijf hebben. Om een liefdevolle man te aijn, moet je er heel grote hebben. Na vele jaren strijd met mijn vader heb ik de strijdbijl begraven, ook wat mezelf en mijn verleden betreft."
"Mijn leven is even erg gedeukt als mijn gezicht. Alleen al mijn neus is op 27 plaatsen gebroken geweest. Drieëntwintig werd veroorzaakt door het boksen; vier,door mijn vader. De hevigste slagen heb ik gekregen door degene die mij bij de hand had moeten nemen en zeggen: "Ik hou van je".
Mijn vader was 'iroquois'. Toen mijn moeder mijn vader verliet, heeft de drank hem krankzinnig gemaakt. Hij heeft mij dood willen slaan alvorens het leven het bloedbad heeft voorgezet. Ik heb kunnen overleven door drie dromen: er voor zorgen dat ik werd weggestuurd uit het verbeteringsgesticht waar ik werd geplaatst; bendeleider worden; mijn vader doden. Ik heb die dromen gerealiseerd. Uitgezonderd de derde. Maar het scheelde maar twee vingers... Jarenlang heeft het vuur van de wraak mij in leven gehouden.
In de gevangenis van mijn haat kreeg ik bezoek van mensen die door de liefde werden bewoond. Zij zijn erin geslaagd om mij in mijn hart op de knieën te krijgen. Door degenen die door onze maatschappij worden verworpen, de gebrokenen , de verwrongenen, de gehandicapten, de 'abnormalen', heb ik het leven te danken. En een formidabele les in de liefde. Aan hen wijd ik mijn boek. Zij hebben mij toegelaten opnieuw te gaan leven."
Graag zou ik jullie het boek van Tim Guénard, Plus fort que la haine, Presse de la Renaissance, Paris, 1999, leren kennen. Het is geen roman, geen fictie, maar het levensverhaal van Tim Guénard zelf. Tim Guénard is nu ongeveer 45 jaar, gehuwd en vader van vier kinderen. Hij is imker en vergezelt de karavaan van de tour de France. Hij woont in het Zuid-Westen van Frankrijk, in de omgeving van Lourdes, en hij zorgt er, samen met zijn echtgenote, voor mensen in moeilijkheden. Doorheen zijn autobiografie ontsluiert hij ons de levensweg van een verlaten kind, dat uiteindelijk opnieuw 'thuis' kwam. Hij gebruikt een woordenschat die dikwijls overkomt als vuistslagen, en de gedrongen schrijfstijl openbaart een boodschap vervuld van hoop in de mogelijkheden van de liefde en de vergiffenis voor elke mens, zelfs voor degenen die tot in het diepste van zijn ziel werden gekwetst. Als driejarig jongetje werd hij door zijn moeder vastgebonden aan afsluiting van een bos en alleen achtergelaten in de invallende duisternis. Later werd hij door zijn vader zo mishandeld, zo erg, dat Tim ongeveer twee jaar werd opgenomen in het ziekenhuis. Tijdens die twee jaar ontving hij nooit bezoek. Als groter wordende kerel had hij drie wensen: een bende stichten, ontsnappen uit het verbeteringsgesticht en zijn vader vermoorden. Zij wensen werden werkelijkheid, uitgezonderd de laatste. Toch is Tim 'thuis' gekomen. Hoe? Dat vertellen wij in het volgende bericht.
Heer, onze God, bewaar onze ouders in Uw liefde. Laat hen niet alleen in het donkere dal van ons weggroeien; laat hen niet alleen met de pijn van het niet begrijpen. Bewaar, Heer, het wonder van hun liefde, want die liefde is ons leven en ons licht in een moeilijke wereld.
Heer, laat onze ouders mild zijn, laat ze sterk en stevig zijn, schenk hen overvloedig de genade van Uw trouw. En vooral, Heer, laat hen weten met het hart dat er in ons zoveel leeft waarvoor we geen woorden hebben, en waarover we graag zouden praten: onze waardering, onze dankbaarheid, onze spijt over alles wat hen heeft gekwetst.
Heer, onze God, wij leggen de namen van onze kinderen in uw zegenende handen. Schrijf ze daarin op, vergeet ze niet; laat ze niet verzanden in wat schittert aan de buitenkant. Houdt Gij onze kinderen vast, als wij ze los moeten laten, en zij hun eigen weg door het leven gaan. Dat zij voortstappen op vaste baan en niet de levensstijl verlaten die Gij ons hebt voorgedaan. Wij vragen U niet hen te sparen voor elk leed. Wees Gij hun troost en bemoediging als zij eenzaam zijn en bang. Blijf hen nabij als het donker wordt in hun leven en zij de weg niet meer weten die leidt naar vrede. Reik hun de hand en open hun ogen voor het Beloofde Land, hier en in den hoge. In Uw zegenende handen leggen wij de namen van onze kinderen, Heer, onze God.
Uit Geert dedecker, Altijd Onderweg. Het boek Tobit, een bijbelse reisgids voor mensen van vandaag, Lannoo, Tielt, 1995, p. 78
Bij Luc Versteylen vond ik een prachtige zegen: de Effetazegen!
"Ik zegen je oogjes dat je er veel mensen graag mee zou mogen zien vooral ooit de allerliefste van je leven levenslang
Ik zegen je oortjes dat je er veel lieve woordjes mee moogt horen woorden van bemoediging wanneer je het kwaad hebt, woorden van troost wanneer je verdriet hebt, woorden van bewondering wanneer je het goed gedaan hebt, en dat je er ook mee zou mogen horen het hulpgeroep van de mensen rondom jou, vooral het geluidloze.
Ik zegen je mondje dat er lief mee zou mogen zijn, lief en teder, dat je er woorden van kracht en troost en bewondering mee zou mogen spreken en dat je er veel mee zou mogen lachen ondanks alle pijn en verdriet.
Ik zegen je handjes dat je ze zou mogen sluiten om degenen van wie je houdt, dat je er er meer mensen mee mag genezen dan kwetsen, meer zou mogen strelen dan striemen en dat je ze ook op tijd zou mogen opendoen om het beste weg te geven van jezelf.
Ik zegen je voetjes dat je ermee mag gaan naar de plaatsen waar ge graag naartoe gaat en waar de mensen je graag zien komen, maar dat je er ook mee zou mogen gaan naar de plaatsen waar je niet graag naartoe gaat, maar waar de mensen je nodig hebben.
Ik zegen heel je lichaampje dat het mag uitgroeien tot een teken van tederheid voor heel veel mensen vooral ooit (zoals je ouders) voor de allerliefste van je leven levenslang"
Brief van een jongere aan alle opvoeders van de wereld
Brief van een jongere aan alle opvoeders van de wereld
Geef me niet alles wat ik vraag. Soms vraag ik alleen om te weten hoeveel ik kan krijgen.
Roep niet op mij. Als je roept, heb ik minder respect voor je. Daarbij leer je me ook roepen, en dat wil ik niet.
Geef niet altijd bevelen. Als je mij iets vraagt in plaats van te bevelen, zal ik het vlugger en liever doen.
Doe wat je belooft, om het even of het goed of slechts is. Als je me een beloning belooft of straf, geef zij mij dan.
Vergelijk me met niemand, zeker niet met mijn zus of broer. Als ik beter lijk dan een ander,zal die eronder lijden, en als ik slechter lijk, zal ik eronder lijden.
Laat mij zelf mij eigen weg vinden. Als je alles in mijn plaats doet, zal ik het nooit leren.
Vertel mij geen leugens, en vraag mij ook nooit om te liegen, zelfs niet om uit een probleem te geraken. Bij leugens voel ik mij niet goed; ik verlies dan mijn geloof in wat je zegt.
Wanneer ik iets verkeerds doe, vraag me dan niet steeds naar het 'waarom'. Ik weet dat zelf niet altijd.
Wanneer jij je vergist hebt, geef dit dan toe. Dat zal mijn geloof in jou versterken en het zal me leren mijn eigen vergissingen ook toe te geven.
Leer mij God kennen en liefhebben. Het heeft geen zin erover te leren op school als ik er bij jullie niets van zie.
Wanneer ik je een probleem voorleg, zeg dan niet: 'Ik heb geen tijd voor onbenulligheden' of ' Dat heeft geen belang.' Probeer me te begrijpen en te helpen.
Zie mij graag en zeg het me. Ik heb graag dat je het zegt, ook al vind je dat niet nodig.
Uit: Geert Dedecker, Altijd Onderweg. Het boek Tobit, een bijbelse reisgids voor mensen van vandaag, Lannoo, Tielt, 1995, p.72. Om samen met groter wordende kinderen te lezen en te bespreken