Zaterdag 14 augustus 2010
Ontsluierde geheimen
Delft zijn vele stille waters zijn rustgevend,
alles is nu in mijn gedachte weer om het even.
Wat ik in mijn dromen vannacht ondernam,
geef ik nu de vrije loop over Delft zijn waters.
Bedenk de tranen die ik waarom ook vergoot,
het is pijn die steeds aan je blijft knagen,
mijn hoop, liefhebben en zeurende vragen,
zijn nu toch van alle nut en zin ontbloot;
en zonder schikken, en weer herschikken,
weg gooien, zeuren ze door tot je dood.
Geluk mijmert niet; vragen niet noch gissen,
geen peilen, waar kennelijk geen bodem ligt;
geen open ogen, voor gesloten geheimenissen;
ze ontsluieren immers nooit in je aangezicht.
auteur:Adrie.14.8.2010.©
Donderdag 12 augustus 2010
Mijn Bescherm-engel
Wordt wakker onder het kraaien van een haan,
later gevolgd door klokken die 10 uren slaan.
Zie bleek zonlicht, door een wolkendek omsloten,
de regen die niet had gevloeid, maar vol gegoten.
De blijmoedigheid kwam vandaag weer aan bij mij,
en sprak me in een droom al toe, ik blijf aan je zij.
Zag in die droom een rouwstoet over de dijk gaan;
maar mijn Bescherm-engel liet de stoet op hol slaan.
Ja, ook allen; schuw, sluw, arm of heel rijk,
ook voor hun zal eens de statie trekken over de dijk.
Het geluid van de regen vult de kamer heel gestaag,
en het zou net als gister, weer zonnig zijn vandaag.
Ik weet ,,Het leven is vluchtig, de Eeuwigheid lang”,
maar bedacht, ben na mijn lessen niet meer bang.
Nieuwsgierigheid, maakt dat ik naar een blik verlang,
ondanks jonkheid; ben ik voor de eeuwigheid niet bang.
Men vraagt mij wel eens, waar komt die moed vandaan,
ach ik begin met een dicht, zang en lach elke dag,
en merk steeds dat ik hieruit put, die moed en kracht.
auteur:Adrie.12.2011.©
Woensdag 11 augustus 2010
Een vissersbootje
Op het strand en weide is het nog erg stil,
de maan verspreid wat mager zijn licht.
Het is meer dan fris, het is nu kil en koud.
Mis nu al het zonnetje zijn warme gloed.
Hoe gierig speelt nu in dit na-zomerseizoen,
door het ritselend riet nu het licht der maan.
Hoor brullend en kwakend een brulkikker gaan,
zacht vliedt een eend haar kroost in het groen.
Zie in het mager maanlicht op de stromen,
een vissersboot door het riet aankomen,
Hij tuurt, gluurt, fluistert en luistert,
met zijn aandacht aan zijn vis gekluisterd.
Zie een wild zielig spartelend flitsend visje,
wat onmachtig door het riet heen schiet.
Hoor een mooie nachtegaal, zingen zo schoon,
vol gratie, voor de dichter, God en zijn zoon.
Soms voelt het leven als droefenis en pijn,
duizenden dingen lijken je dan te bedreigen,
dan zou je angstig naar de hemel willen reiken.
Dan huil ik maar eens uit van tijd tot tijd.
auteur:Adrie.11.8.2010.©
Donderdag 5 augustus 2010
Zwart beschenen
Vanuit macht lijkt nu ieder ding,
voor eeuwig te zijn verdwenen.
Alles wat me hier ter harte ging,
wordt weer met zwart beschenen.
Uw brieven zijn nu nog zwarter,
dan de ooit gedroomde nacht.
Ik zal je missen boven het strand,
zee-meeuwen pikkend uit je hand.
Nu voelt alles scherp en stekend,
zoals de smid zijn vonkenregen.
Brieven hebben een knauw gegeven,
wordt je nu in je Ambt verheven?
Zwart nu de Hemel rullig je strand,
stil als U het duinrijk voor me sluit,
maar lief laat het zonnetje me er uit.
Ik zal je missen mijn mooie Delfse land.
auteur:Adrie.5.8.2010.©