Dat dappere roosje.
Dat dappere roosje; een straaltje zonneschijn,
heeft me veel moois en vrolijkheid verschaft.
Naar haar genoemd zal dit gedichtje ook zijn;
met vrolijke lieve woordjes voor haar afgepast.
Tussen ontelbare bloempjes bleef je; je verheffen.
Waarbij je al mijn gevoelsnaren dan liet trillen,
toen de watergoden; je gevoelig deden treffen,
of ik een kind van me, daar verslagen zag liggen.
Roosje je zieltje is pas net uit het zicht verloren;
ik zag je voor me, al vele onheilsdagen tevoren.
Mijn vingers waren in de aarde aan het zwemmen,
en voelde; net of ik een lief vriendje had verloren.
Heb het belang van je gemis nooit onderschat,
bij het vertrek van de zon begon ik wel te vrezen,
na vertrek van de zon komt er een kouder gezag,
ik kneep en graaide als een angstige kinderhand,
dat er toen wit kippenvel van heeft gekregen.
auteur:Adrie.31.8.2010.©
Dwarrelende blaadjes
Als dwarrelende blaadjes van een boom,
keek er vol verdriet en ontzetting naar;
een rouwkaart, in het zwart mijn naam,
viel nadenkend en dwarrelend op de mat.
Hoorde Kerkklokken luiden het Angelus,
de Pastoor bidden;”Vader bidt voor hem,,
In mezelf wat schuldig bij mezelf te raden,
was het niet, dat andere bij rust genazen.
Zat wat schuldig in mezelf te denken aan;
de vele slapeloze nachtelijke dichters-uren,
kon zo ook niet ongeschonden blijven duren.
Wat ik stilletjes in hoofd en hart wel wist.
Was steeds aan de driftige klop te horen,
als er weer 's nachts een dicht werd geboren.
Maar het zal zo niet lang meer gaan duren,
of de dood doet meer dan alleen wat gluren.
auteur:Adrie.30.8.2010.©
Donderdag 26 augustus 2010
Zich verheffen
Bloemen nu afgerukt door hevige windvlagen,
door de regen geplet en woest stuk geslagen.
Zelfs de tuinkabouter wordt woest weg gerukt,
na jaren ijverig de bloemen te hebben geplukt.
'O, zon; laat de vele bloemen zich verheffen,
zodat mensen voeten ze niet kunnen treffen.
Ook de dichter zijn ogen gaat het ter harte,
dat de weergoden; gieren dagen en nachten.
Ik hoor in de lage landen; al jaar en dag,
steeds oplaaien een heel breed verslag,
over weergoden die de zomer stuk maken.
Maar eens rukt God mij van de stengel af,
en leggen me dan bij; in een duister graf.
Ik keer me dan tot U, Waarachtige Heer,
ook al hekelde U mijn zonden zeker zeer,
bij de Liefde verbleekt elke roos en bloem;
die steeds als vlinders mijn buik doorwoelt.
auteur:Adrie.26.8.2010.©
Donderdag 26 augustus 2010
Een Nachtegaal
Een dagje zonder zonnestraal
Een nachtje zonder ster-geflonker
wat zijn ze donker
Een zomer zonder Nachtegaal
een rozenknop zonder dauwdruppel
Een beek waar geen golfje door huppelt,
Hoe doods en kwijnend is het nu allemaal
Laten wij toch van iedere dag weer;
een juweel van het leven maken..
auteur:Adrie. 26.8.2010©
Mijn excuus, ik wist niet dat de Plechtigheid rondom Geert deze ochtend
plaats zou vinden, juist als ook heel fervent Motorrijder in het verleden,
trok ik me zijn dood ook heel erg aan..dus mijn deelneming...aan ieder..
die hem dierbaar waren..
Eindeloze golven
Was eerst een zee met eindeloze golven,
nu een ziek man die men balanceren laat; maar een leven met strijd vuur en vaart, heeft mijn ziekte nu voor me opgeborgen.
Ben nu een dichter met verloren wilde haren, zwerf nu rond door het onbekende Delftse land. Wacht af; het spannen van politica's snaren, terwijl rechts en links dansen hand in hand.
Als ik nu naar die afwachtende wereld kijk, vraag ik me af,,Hebben we dit nu bereikt? Mensen, u zult later de put moeten delven, als we weer ooit worden mens met ons zelve.
auteur:Adrie.24.8.2010.©
Vanzelfsprekend Wie de dagen van zijn leven als vanzelfsprekend gaat beschouwen loopt de kans de hoop te verliezen. Toon Hermans.
Vanzelfsprekend
Wie de dagen van zijn leven
als vanzelfsprekend gaat beschouwen
loopt de kans de hoop te verliezen.
Toon Hermans.
Verscholen zon.
Het was nog weinig zon wat ik zag,
op deze mistige zomer voormiddag.
Liep wat verregend door de stad,
omdat ik buiten mijn dichterblad,
toch niets zinvoller om handen had.
Ook het zonnetje bleef verscholen,
het lijkt of zijn taak is volbracht.
Wat gaan wij doen, gaan wij bidden,
dan blijf ik nog met u in het midden,
als de zon dan nog wat blijft dolen,
wordt hij voor Gods gezicht gebracht.
Maar met al ons bidden en snikken,
laat de zon zijn licht niet blinken,
zijn licht niet ontsteken in U blik,
hij lacht verscholen naar u gesnik.
Geen blik wat ons nu welkom heet,
als u niet uitnodigend tot hem treedt.
Nu weefde de mist een betoverd tooi,
maar de zon zijn licht was zo mooi.
auteur:Adrie.23.8.2010.©
Stille Armoede
Daar is het stil, zo eenzaam en geen enkel ding,
wordt er verwacht dan een betalingsherinnering.
Alles werd ernstig, onzeker, keert zich tegen macht,
ziet er geen deemoed, wel tranen, niets dat lacht.
Alles werd hun heel on eigen, en nu om het even,
want niets verbindt hun nog met hun eerder leven.
Sociale woorden, tekens die hij niet meer verstond,
dat wonderlijk bewegen uit hun vol gegeten mond.
Zacht geeft men seinen van liefde, met hun verdriet,
door het weten van verleden en nu het verschiet.
Dan hopen ze stil te ontvangen, tekens van begrip,
dat hun leven nu wordt een stuurloos zinkend schip,
wat zoekt op de nu onbekende zee zijn eigen koers,
maar hij ziet steeds weer naderen nieuwe rampspoed
Maar hoop nu; dat als een bloem weer gaat bloeien,
in de politiek; weer moreel, herkenning en verstand.
weer mag krijgen het recht een sociaal gezicht,
en bij een ieder weer gaat leven, hun inwendig licht.
auteur:Adrie.22.8.2010.©
Zaterdag 21 augustus 2010
Verbleekte jonkheid
Heerlijk mijmerend was ik rustig ingeslapen,
met een kus op beide wangen werd ik wakker,
zag dat woorden geschreven waren deze nacht,
met mijn pen op het papier wat daar lag.
Keek wat verward de kamer onderzoekend rond,
maar alles had behouden hun vertrouwde schijn,
waren daar waar ze al jaren lagen en stonden,
heel vertrouwd, bekend en aan mij verbonden.
Zelfs mijn bed stond nog leeg, met zijn minnepijn.
Toch stond mijn bed daar toch niet echt alleen,
toen ik met mijn ogen over de wanden dwaalde,
schemerde daar toch steeds u lieve lach door heen.
Maar weet hoe het is; ,,jezelf te overleven”,
steeds weer kijkend door dezelfde ruit.
Blij dat ik weer een gedicht heb geschreven,
denk ook; laat je zien, min me, maak geluid.
Min me, voor mijn jonkheid gaat verbleken,
het leven is mooi en kort; zoals een zomerdag,
en ik nog zoveel samen met je leven kan delen,
liefde die ik later wellicht niet meer geven kan.
auteur:Adrie.21.10.2010.©
Woensdag 18 augustus 2010
Hoge snelheidstrein
Voelde me eerst tevreden gestemd,
nu ik weer wat dichterswoorden zet.
Zie sombere snuiten achter ruiten,
waar mensen wat verdrietig muiten.
Kijk naar Delfland Molens en wieken.
Straks alleen op kalenders en kieken.
Geniet van Defland's krullen en trappen,
die nog steeds het verleden verklappen.
Lees en hoor nu steeds Burgervaders eer,
hij haalde voor de hoge snelheidstrein,
weer een van onze mooiste gevels neer.
Nog even, en dan het einde van geduld,
wordt er weer een water met vuil gevuld.
Niets zal hem van zijn trots weerhouden,
als men het dan, van togen vertellen hoort,
we hebben Delfland zijn waters vermoord.
Toch op een dag die eens komen gaat,
wenen er harten, en valt er menige traan,
uit ogen die verdrietig staan voortaan.
auteur:Adrie.18.8.2019.©
Dromenpad
Ik heb vannacht maar weinig geslapen,
mijn buur had wat anders aan zijn hoofd,
heeft met plagerijen mijn slaap geroofd.
En hoort nu vandaag weer bij de braven.
Buur naderde vannacht stil deur en ruit,
half mijn droom trommelde hij me er uit,
de slaap werd weer tot droom geweven,
en slapen doet mij de energie weer geven.
zal nooit deugd en braafheid misprijzen,
maar vermoeid uit gedachten gegleden,
had ik net pas voor half de slaap gepakt,
naar mijn niet terug te keren dromenpad
en behoort hij nu tot onbekend verleden.
auteur:Adrie.17.8.2010.©
Een mooie vlinder
Een mooie vlinder fladdert voor me weg,
over enkele heesters en buurmans heg.
Maar telkens als mijn blik haar wil vangen,
lijkt het; of een mistgordijn wordt gespannen.
Zie een lachje om haar kleine mondje spelen,
vraag of het gordijn kan worden opgeheven,
veel zeggend lacht ze naar me, wat verheven,
het vragen zat, dichter; dat kun je vergeten.
Voorwaar je schoonheid bracht me tot dichten,
je lieve vleugeltjes lijkend; gemaakt van satijn;
was zo bewogen, ik dacht dit moet mijn dicht zijn.
Maar mijn lot; dwingt me in mijn dicht te schikken.
Je lacht naar mij, met je lieve speldenprikken,
maar blijf wel met mijn kijker op je richten,
auteur: Adrie.16.8.2010.©
Gevlochten groen
De zomer zal weer snel het groene bos gaan sluiten,
het verwelken van groen is dan niet meer te stuiten.
Ook stopt de groei van kruiden, bessen en bramen.
Mijn lief zet nu al de rozen hoog voor de ramen.
Onmachtig om de winter mijn heftig woord te geven,
maar de winter verliest bij mij dan snel aan betekenis.
Maar zal me ook weer niet gaan opsluiten in duisternis.
Zal je wel gaan missen; je stralen en het zomerse leven.
Prachtig, door de natuur in de kruinen gevlochten groen,
zat dan als in de kruinen gevlochten door toverzangen,
hij wilde dan ook alle gevoelens treffen met zijn groet.
auteur:Adrie.15.8.2010.©
Zaterdag 14 augustus 2010
Ontsluierde geheimen
Delft zijn vele stille waters zijn rustgevend,
alles is nu in mijn gedachte weer om het even.
Wat ik in mijn dromen vannacht ondernam,
geef ik nu de vrije loop over Delft zijn waters.
Bedenk de tranen die ik waarom ook vergoot,
het is pijn die steeds aan je blijft knagen,
mijn hoop, liefhebben en zeurende vragen,
zijn nu toch van alle nut en zin ontbloot;
en zonder schikken, en weer herschikken,
weg gooien, zeuren ze door tot je dood.
Geluk mijmert niet; vragen niet noch gissen,
geen peilen, waar kennelijk geen bodem ligt;
geen open ogen, voor gesloten geheimenissen;
ze ontsluieren immers nooit in je aangezicht.
auteur:Adrie.14.8.2010.©
Een gezamenlijke weg
Als door god gekozen, leiden we samen een weg,
al was mijn hoofd nog gevuld met allerlei vragen,
teveel vragen, mensen en oordelen in opgeslagen,
die door ons ingeslagen weg niet konden behagen.
Hebben verschillen; maar ook onze liefde allebei;
maar het was ook onze dicht en schilderkunst.
En van de Dichters; was onze voorkeur en smaak,
weer dezelfde dichter die we onze voorkeur gunde.
We spraken ook veel over ons vroeger huisgezin,
ook over vullen van lege magen van pleegkinderen.
Ook nu natuurlijk over het missen van zonneschijn;
die zich nu moeilijk achter de grijze wolken laat vinden.
We spraken over onze verschillende levenswegen,
maar werden steeds door de reden weer afgebroken.
Zeg; waren we vroeger reeds al alleen geweest,
dan hadden we elkaar beslist al eerder gesproken.
auteur:Adrie.13.8.2010.©
Donderdag 12 augustus 2010
Mijn Bescherm-engel
Wordt wakker onder het kraaien van een haan,
later gevolgd door klokken die 10 uren slaan.
Zie bleek zonlicht, door een wolkendek omsloten,
de regen die niet had gevloeid, maar vol gegoten.
De blijmoedigheid kwam vandaag weer aan bij mij,
en sprak me in een droom al toe, ik blijf aan je zij.
Zag in die droom een rouwstoet over de dijk gaan;
maar mijn Bescherm-engel liet de stoet op hol slaan.
Ja, ook allen; schuw, sluw, arm of heel rijk,
ook voor hun zal eens de statie trekken over de dijk.
Het geluid van de regen vult de kamer heel gestaag,
en het zou net als gister, weer zonnig zijn vandaag.
Ik weet ,,Het leven is vluchtig, de Eeuwigheid lang”,
maar bedacht, ben na mijn lessen niet meer bang.
Nieuwsgierigheid, maakt dat ik naar een blik verlang,
ondanks jonkheid; ben ik voor de eeuwigheid niet bang.
Men vraagt mij wel eens, waar komt die moed vandaan,
ach ik begin met een dicht, zang en lach elke dag,
en merk steeds dat ik hieruit put, die moed en kracht.
auteur:Adrie.12.2011.©
Woensdag 11 augustus 2010
Een vissersbootje
Op het strand en weide is het nog erg stil,
de maan verspreid wat mager zijn licht.
Het is meer dan fris, het is nu kil en koud.
Mis nu al het zonnetje zijn warme gloed.
Hoe gierig speelt nu in dit na-zomerseizoen,
door het ritselend riet nu het licht der maan.
Hoor brullend en kwakend een brulkikker gaan,
zacht vliedt een eend haar kroost in het groen.
Zie in het mager maanlicht op de stromen,
een vissersboot door het riet aankomen,
Hij tuurt, gluurt, fluistert en luistert,
met zijn aandacht aan zijn vis gekluisterd.
Zie een wild zielig spartelend flitsend visje,
wat onmachtig door het riet heen schiet.
Hoor een mooie nachtegaal, zingen zo schoon,
vol gratie, voor de dichter, God en zijn zoon.
Soms voelt het leven als droefenis en pijn,
duizenden dingen lijken je dan te bedreigen,
dan zou je angstig naar de hemel willen reiken.
Dan huil ik maar eens uit van tijd tot tijd.
auteur:Adrie.11.8.2010.©
Als een rookwolk
De zomer komt nu weer verder in het verschiet;
zong voor hem al een minnaars en afscheidslied.
Trekt nu weer voort, om andere landen te zien.
Voel me door zijn vertrek; verlaten en verlegen,
wat glimlachend, plooide het zonnetje zijn mond,
terwijl ik weer een dichtgeslagen boek ga lezen.
Maar grijze wolken kleuren nu steeds de hemel,
er is soms maar even een straaltje hoop op zon,
lijkt of het najaar; vroeg kreeg de zon zijn troon.
Wie en waar droegen ze het zonnetje ten grave,
de duinen nu al verlaten; en leeg hun bestaan;
gelijk een rookwolk of schaduw, is de zon vergaan.
auteur:Adrie.9.8.2010.©
Loerend onweer
Ik hield van haar, maar veel te intens,
waren samen; een geheel ander mens.
Werd even het voedsel van wat logen,
die door mijn hart hebben gevlogen.
Mijn liefde kon haar niet boos bekijken,
wilde alleen mijn verdriet verbergen,
was wel bezig mijn warm hart te tergen.
Maar dacht nu; moet alles verloren zijn:
of nu het verdriet in mijn hart gaan etsen.
Zag de dichter maar begreep hem niet,
hij wilde liefde eten maar geen haat.
Wacht nu tot het leven weer ontwaakt,
eet niet uit elke hand die men biedt.
waakt over slangen onder mooie bloemen,
en ziet dat de zon het groen verschroeit,
achter mooie wolken soms onweer loert.
auteur:Adrie.8.8.2010.©
Warm bloed.
Men ziet het zonnetje niet de laatste dagen,
nu we alleen zien de wind zijn lastig plagen.
De heesters van bloem beroofd, kaal en nat.
Ook het roosje spiegelt zich zielig in een plas.
Mensen, gelokt door het zonnetje naar buiten,
kijken nu weer wat meewarrig door de ruiten.
Lief zonnetje, speels stralend door het lover,
waar ben je gebleven met je mooie getover.
Het was heerlijk te zien; hoe men je minde.
Je toverstralen verkwikte, deed hun zo goed.
s'Morgens je oogopslag, drong al bij ze binnen.
Merkte weer hun bronnen van warm bloed.
auteur:Adrie.7.10.2010.©
Kerkklokken
Het is ochtend; hoor de Kerkklokken slaan;
er vallen nu dicht-woorden als sneeuwvlokken.
Snel wordt er pen en papier bij betrokken,
voor dichten die snel op het papier ontstaan.
Ik kon mijn pen, papier en ogen niet geloven,
zo was ik voor dit plotselinge geluk beducht.
Maar wat mijn ogen meenamen in hun vlucht,
dat zou ik mij en de lezer niet laten ontroven.
Schudde onmacht af; om tot woorden te raken.
Ontspanning dwong, om nog tot dicht te geraken.
Beelden, nu vergezeld van verloren woorden,
zelfs mijn gitaar vroeg weer om zijn acoorden.
Het Delfse land met zijn vele waters en aren,
lag daar windstil tot aan zijn einde uitgestrekt;
ik wilde, dat deze natuur hier bijna zo perfect,
in mijn gedachten waardevol zou kunnen bewaren.
auteur:Adrie.6.8.2010.©
Donderdag 5 augustus 2010
Zwart beschenen
Vanuit macht lijkt nu ieder ding,
voor eeuwig te zijn verdwenen.
Alles wat me hier ter harte ging,
wordt weer met zwart beschenen.
Uw brieven zijn nu nog zwarter,
dan de ooit gedroomde nacht.
Ik zal je missen boven het strand,
zee-meeuwen pikkend uit je hand.
Nu voelt alles scherp en stekend,
zoals de smid zijn vonkenregen.
Brieven hebben een knauw gegeven,
wordt je nu in je Ambt verheven?
Zwart nu de Hemel rullig je strand,
stil als U het duinrijk voor me sluit,
maar lief laat het zonnetje me er uit.
Ik zal je missen mijn mooie Delfse land.
auteur:Adrie.5.8.2010.©
Witte rozen
Met haar witte rozen voor mijn gezicht,
zie ik haar nog zacht naar binnen treden,
sierlijk en luchtig met haar snelle schreden.
Haar ogen heel flonkerend op mij gericht,
mijn ogen dan spiegelend op haar gezicht.
Maar de les zou ik snel moeten dragen,
ook mijn hart wachtte er snel ontluistering.
Richt nu mijn hart op alles wat mooi is,
wil list en bedrog niet zien zegepralen,
vertrapt,en bedrogen mij te zien dwalen,
als je wil, dan wordt ieder einde een begin.
Ik wil nu een andere mooie tijd doen leven,
die weer betekenis aan het leven gaat geven.
Anders dan de dingen die we samen deden,
maar nu reëler dan onze liefdes fantasie.
auteur:Adrie.3.8.2010.©
Voer voor Logen
Men zegt Jongeren niet dat dromen bedriegen,
als zij dan van die mooie dromen voor zich zien,
laten zich als mens door dromen in slaap wiegen.
We hebben dan geduld, omdat ze vaak vervliegen.
Ontnemen hun mooie dromen dan ook liever niet.
Ja, enkele dromen zullen zij de waarheid vinden,
zeker als die dan elkaar met hun fantasie verbind.
Zullen echte vrienden ooit verraders vinden,
als zij hun, het lood aan de vleugels binden,
wat hun dan drukt met de neus in de grond.
De mooiste bloemen aan hun pad ontsproten,
lijkt dan weer dezelfde wildernis als voorheen.
Geliefden die samen eerst van het leven genoten,
zien dan soms plots hun gezamenlijke weg gesloten,
radeloos, en bedrogen zoeken ze dan om zich heen.
Zij sluiten dan verdrietig teleurgesteld de ogen,
en keren zich dan vaak walgend van het leven af,
wat ze dan vaak worden, is voer voor de Logen,
geboren uit pijn, verdriet, en bedrogen dromen.
auteur:Adrie.2.8.2010.©
De pastorietuin
Soms zoek ik naar mooie herinneringen,
om weer vreugd te geven aan het heden.
Mooi was het kinderspel wat wij deden,
dan geboren uit onze rijke kinderfantasie.
De rijk gevulde boomgaard van de Pastorie,
stevig ommuurd met dikke grijze stenen,
als omsluiting van het rijke roomsche leven,
een rijk wat alleen de Pastoor mocht betreden,
iets wat ik in mijn speelse kinderjaren niet zie.
Maar God zat 's avonds aan met ons gezin,
en achter elke deur kon de duivel komen,
die nam ons dan rücksichtslos de hel mee in,
ik weet niet hoe we dan konden ontkomen?
Ik weet niet of het kind zijn ons is ontnomen,
maar eens krijgt ieder einde een nieuw begin,
en steeds in onze herinnering weer opgenomen.
auteur:Adrie.1.8.2010.©
Paarse jurk
Soms zie ik ze wel lopen,
vaak s'avonds op straat,
in een versleten paarse jurk,
jij die eigenlijk niet bestaat.
Of mager in een zwart pak,
krijtstreepvan Bijenkorfsnit,
geleend mijn vaders gelaat,
of tot mijn grote schrik,
zie ik soms in een spiegelruit,
mezelf die daar verder gaat.
auteur:Adrie.1.8.2010.©