Ik ben Everaert Albert, en gebruik soms ook wel de schuilnaam Awbeir (Eeklo's voor Albert).
Ik ben een man en woon in Eeklo (Belgiƫ) en mijn beroep is ...bloggen.
Ik ben geboren op 11/02/1948 en ben nu dus 77 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: mijn blog, foto's, computer, fietsen...
Karel Naudts weigerde naar Duitsland te gaan werken en werd op 27 november 1942 opgeëist om bij Krüpp in Magdeburg tewerkgesteld te worden. Hij werd daar opgeleid om als mecanicien een hoogtechnologische machine te bedienen. Hij verbleef toen in een kamp in Schützenhaus in de omgeving van Magdeburg.
Toen hij in april 1943 naar huis mocht komen, trouwde hij met Rachel Buysse uit de Hospitaalstraat, met wie hij reeds van voor de oorlog kennis had. Het jonge paar ging wonen in de Hospitaalstraat 39. Weer in Schützenhaus werd hij door een Duitsgezinde werkmakker overgedragen, omdat hij weigerde de Hitlergroet te brengen. Hij werd opgepakt en naar een strafkamp gebracht waar hij drie weken onder het strengste regime verbleef. Hij kreeg daar zoveel slagen, dat hij niets anders voelde dan pijn en eigenlijk nog maar alleen wilde doodgaan. Op sterven na dood werd hij naar de Krankenstube in Schützenhaus overgebracht en vandaar naar een kliniek waar een Duitse professor hem invalide verklaarde. In februari 1944 werd hij zwaar ziek op de trein gezet, hij woog geen 40 kg meer, en hoe hij thuisgekomen is, weet Karel nog steeds niet. Hij was onherkenbaar en werkonbekwaam. Op 11 februari 1944 werd zijn zoon Etienne geboren.
Karel wilde niet meer terug naar Duitsland en dook onder bij zijn schoonouders Over d’IJzers. Veel moeite om de ‘invalide’ op te sporen hebben de Duitsers niet gedaan. Hij kwam die moeilijke periode door dank zij de hulp van dokter Bafort die hem steeds gratis behandelde.
In het voorjaar van 1944 sloot Karel zich aan bij het Geheim Leger, de sectie van commandant Van Hecke, waarvan ook zijn vader Kamiel en zijn broer Marijn lid waren. Bij de bevrijding van Eeklo in september 1944 droeg hij het uniform van de Witte Brigade en werd hij gewapend ingezet voor de bewaking van de grenzen in de polderstreek.
Karel Naudts bleef werkonbekwaam tot 1950 en ging daarna weer als spinner aan de slag bij L’Isle Adam in de Slachthuisstraat waar ook zijn vrouw als twijnster werkte. In die periode begon hij weer te slachten en zo kwam er geld in het laadje om in 1949-1950 een eigen huis te bouwen in de Moeie.
Na de sluiting van de I’Isle Adam in het begin van de jaren zeventig, kon Karel nog enkele jaren aan de slag als chauffeur van de wasserij in de Eeklose kliniek.
Het slachten ging door tot de jaren 1982-83. Toen werd de reglementering op het thuisslachten strenger en was er veel minder werk. Hij verhuisde naar de Weverstraat om in goede omstandigheden zijn zieke vrouw te kunnen verzorgen.
In 1986 ging Karel met pensioen. Sinds 1988 is hij weduwnaar. Karel Naudts blikt met weemoed naar de tijd van toen. Het was een gezellige tijd, er heerste solidariteit onder de mensen, je moest werken voor de kost, maar dat maakte de mensen gelukkig. Hij geeft iedereen de raad: “Het leven is kort, geniet ervan en houd van elkander, meer moet dat niet zijn. Gelukkig zijn met hetgeen dat ge meemaakt, want het is van korte duur.”
Maandag is Jacky 't Jolyn overleden. Jacky was een bekend en geliefd persoon tot ver buiten Eeklo. Deze foto nam ik in 2017 t.g.v. de opening van de tentoonstelling Roger De Vlaeminck 70. Jacky was jarenlang de derny gangmaker waar Roger
honderden kilometers achter getraind heeft.
Dit bericht schreef ik in het begin van de maand maar nu heb ik eens in mijn foto's zitten zoeken en vond deze.
Zoals hierboven al gezegd zien we Jacky hier als gangmaker voor Roger De Vlaeminck.
En hier zien we de piepjonge Jacky op zijn eerste 'koersfiets'. Toen al gebeten door de wielermicrobe....
Tamboer was een bekende volkszanger die ook regelmatig op de Eeklose markt kwam zingen. Hij werd geboren in Eeklo op 15 december 1892 en overleed in Adegem op 10 mei 1974.
De tweede dag gebeurde het werk in de keuken. De twee helften werden vakkundig uitgebeend en versneden. De mooiste stukken werden ingezouten en in de kuip gestoken om in de kelder bewaard te worden. De rest werd versneden, gemalen en vaak op smaak gebracht voor gehakt, braadworst, witte worst en droge worst. Bloedworst en hoofdvlakke werd gemaakt, maar ook vaak paté en andere bereidingen. Het vet werd gesmolten tot smout. Veelal werden kleinere porties vlees (een boefkoteletje), worst en smout, die onmiddellijk geconsumeerd moesten worden, aan de buren bezorgd, want als die een zwijntje slachten, kon je ook op een zending (sken) rekenen.
De slachter bleef na afloop eten en mocht ook af en toe eens iets meenemen naar huis. Met slachten verdiende Karel Naudts meer dan met werken in de fabriek, dat was meer dan een bijverdienste!
Bij de eerste mobilisatie in 1939 had Karel Naudts zijn militaire dienstplicht nog niet vervuld, maar toch ging hij uit vrees voor een Duitse inval in België te voet op de vlucht via Kortrijk en Poperinge naar Frankrijk. Na vier dagen was hij terug thuis. Hetzelfde gebeurde in mei 1940, toen vluchtte hij met Ghislain Lippens, een boerenzoon uit de Broeken, te voet naar Frankrijk. Ze werden met de mensenmassa die naar Duinkerke trok, meegesleurd en raakten ingesloten in het Duitse beleg van Duinkerke. Doordat hij goed Frans sprak, kon hij zich voordoen als Fransman. Zo slaagden Karel en zijn vriend erin uit Duitse handen te blijven.
Via De Panne en Oostende, bereikten ze Brugge en na een paar dagen stonden ze terug in Eeklo.
Thuis vond Karel niets en niemand. Zijn ouders waren gevlucht bij een broer, René Van Hulle, in Oosteeklo. Hun huis op Raverschoot was kapotgeschoten, zoals alle huizen op de Eeklose kant van het Schipdonkkanaal in de vroege meidagen door het Belgisch leger. Hij vond onderdak bij een oom in Raverschoot en kon weer aan het werk als spinner bij Van Dammes.
Karel Naudts werd de wittekop van Raverschoot genoemd. Bang was hij niet, voor een weddenschap sprong hij eens van Raverschootbrug in het water van het Schipdonkkanaal, wel zes a zeven meter diep, niemand durfde het hem na te doen.
In januari 1935 verliet het gezin Naudts het café en verhuisde het naar nummer 129 van de Raverschootstraat. In dat jaar begon Karel te werken als spinner bij Van Dammes in De Lieve aan ’t Kaaiken en het jaar daarop, op 2 maart 1936, overleed zijn moeder op 39-jarige leeftijd in het kinderbed.
Op 28 juni 1936 werd de nieuwe Raverschootstraat in gebruik genomen. De oudste verbindingsweg tussen Eeklo en Brugge was nog een aardeweg, modderig in de winter en zandig in de zomer. Het Eeklose stadsbestuur liet van de Desiré Goethalsstraat tot Raverschootbrug een betonweg aanleggen en die werd met veel feestelijkheden ingewijd. Karel werkte mee aan een praalwagen die deelnam aan de stoet. De wagen heette Het plekje bij den molen, dat in 1935 beroemd werd door Willy Derby.
Op de wagen werd het lied gezongen door Albert Van De Voorde.
In het midden van de jaren dertig leerde hij varkens slachten bij Edgard De Loof uit de Desiré Goethalsstraat. Hij ging mee naar de boeren als leerjongen om alles klaar te leggen, te helpen bij het kelen, bloedworst maken, stukken versnijden en de boel nadien opruimen. In 1939 leerde hij de knepen van het vak en begon hij voor eigen rekening te slachten. Hij werkte in de spinnerij bij voorkeur ’s morgens en ging na de middag bij de boeren slachten. Veel mensen, ook dikwijls arbeiders, kweekten in die tijd een varkentje. Burgers en stadsmensen kochten bij de boeren een zwijntje en lieten het daar dan slachten. Een goede tijd voor slachters dus.
De boeren zagen de slachter graag komen, ze betaalden hem vijf frank en het zwijn werd vakkundig geslacht en versneden. Bij zijn aankomst stond de Hoorebeke klaar, een glaasje jenever voor men eraan begon, eentje na het branden en een laatste druppel na het werk. Het slachten gebeurde in twee dagen, de eerste dag werd het varken gekeeld en in twee stukken gesneden. De beestjes (sommige wogen meer dan 200 kg !) werden aan de poten vastgebonden, op hun zij getrokken en in de keel gestoken. Aanvankelijk gebeurde dat zonder verdoving, maar later werden de varkens met een hamerslag of met een pistoolschot verdoofd. Het bloed werd opgevangen in een emmer, waarin iemand moest roeren om het stollen en klonteren van het bloed te vermijden. Dan werd het zwijn gebrand met stro tot alle haar van de huidweggebrand was en werd de huid geschraapt tot die effen en proper was. Daarna werd het varken in twee stukken gesneden en gekapt en in de kelder gelegd om te koelen en op te stijven, vaak werden de twee helften op een ladder gehangen. De ingewanden die niet voor consumptie in aanmerking kwamen, werden in de grond gestoken. De hele klus was na twee uren geklaard. ’s Anderendaags kwam de slachter dan terug om de twee helften te versnijden.
De werken aan de Oude Gentweg naderen het einde. Men heeft nieuwe asfalt gegoten en volgens Willy zal de overweg morgen zaterdag 18 december terug open zijn.
Karel werd naar de stadsschool gestuurd. Daar leerde hij een buurjongen, Simon Pauwels (de latere brandweerman), kennen, het werd een levenslange vriendschap. Dagelijks deden ze de afstand te voet van Raverschootbrug naar de stadsschool in de Garenstraat, dat was 10 km heen en terug iedere dag, ook de zaterdag.
Als kind was Karel gebiologeerd door de Eeklose varkensmarkt op donderdag morgen: die krijsende biggen, de varkensmanden, de boeren, de veehandelaars met hun vrachtwagens, het transport, Gust Carreau en anderen.
Iedere donderdagmorgen ging Karel ernaartoe en blauwde hij de school. Dikwijls werd hij er zwaar voor gestraft op school en thuis door zijn moeder (zonder eten naar bed!), maar niets hielp, hij kon het niet laten. De varkensboeren kenden de curieuze jongen op de duur zo goed dat hij op een goede donderdag een viggen (big) cadeau kreeg. Hij was zo fier toen hij er mee thuis kwam en ook zijn moeder was er gelukkig mee, want hij heeft nadien nooit nog straf gekregen.
Vooral met Raverschootkermis was er veel ambiance in de drie cafés op Raverschoot. Over de brug hield Jules Schoonackers het Stadhuis van Raverschoot open, bekend voor zijn mooie bolbanen. In ’t Schippershuis, café en winkel, uitgebaat door bakker August Houwenhuyse en zijn ndrie dochters Clara, Aline en Germaine. Daar werd gedanst op de muziek van een fonograaf en was het altijd vollen bak. In de herberg bij Kamielken stond een orgel te spelen en was er altijd plezier. Tot in de vroege uurtjes speelde accordeonist Henrietjen Aers ten dans en na afloop werd er rondgegaan voor de speelman.
Bij Schoonackers was er prijsbolling en bij Houwenhuyse boogschieting. Karel mocht pijlen rapen en kreeg daar wat speelgeld voor. Toen renners zoals Rik Van Steenbergen, de witte Meersschaut, Fiele De Vlaeminck of André Van Heule in de omtrek koersten, kwamen ze altijd een goeie dag zeggen op Raverschoot.
Karel Naudts werd in Adegem geboren op 28 mei 1921 als tweede zoon van Kamiel Naudts en Martha Van Hulle. Zijn vader had tijdens de eerste wereldoorlog als Belgisch soldaat vier jaar achter de IJzer gelegen en had in november 1918 Eeklo helpen bevrijden. Hij kreeg daarvoor de schitterende medaille van de Vuurkruisen, die Karel uit piëteit voor zijn vader als een familiestuk bewaart.
Kamiel had geen werkzekerheid en hij kon als dagloner na de oorlog maar onregelmatig werken. Hij verhuisde enkele keren in het Meetjesland en besloot in de Noord-Franse steenbakkerijen zijn geluk te beproeven. Kamiel werkte daar als eerste steenzetter.
Uit zijn Franse tijd herinnert Karel zich de genezing van zijn broer Firmin door het water van de fontein van Saint-Josse-sur-Mer. Firmin had een huidziekte die de dokter niet kon genezen. In gezelschap van de pastoor trok het gezin naar het bos van Saint-Josse-sur-Mer. waar de jongen werd ingewreven met het water van de bron, dat bekend stond om zijn geneeskrachtige werking. Na enkele malen waren de huidvlekken verdwenen en was broer Firmin genezen.
Toen ook het werk in de Noord-Franse steenbakkerijen stilviel, keerde Kamiel Naudts in december 1931 met zijn familie naar Eeklo terug.
In Eeklo nam het gezin zijn intrek in de Raverschootstraat 175, het café van Marina Roelands, de weduwe van Leonard Claeys, het derde laatste huis aan de linkerkant voor Raverschootsbrug. Kamiel vond werk bij Standaerts op Balgerhoeke en zijn vrouw baatte de herberg Bij Kamielken uit. Daar rechtover op de rechterkant van de Raverschootstraat stond ’t Schippershuis het café van August Houwenhuyse.
Gisteren werd de pers uitgenodigd voor een eerste kennismaking met het nieuwe restaurant Laan 7. De vroegere uitbaters van Boelare 14, Kim Rutsaert en Elien Bottelberghe hebbennu aan de Leopoldlaan 7 een nieuw prachtig restaurant waar ze zich volledig zullen kunnen uitleven. De opening is voorzien op dinsdag 9 november. De zaak zal open zijn van dinsdag tot zaterdag.
Ook het telefoonnummer blijft hetzelfde: 09 233 75 05. Bekijk nog meer op: www.laan7.be
Op de foto Kim en Elien omringd door schepen Hilde Lampaert en burgemeester Luc Van De Velde.