Zo lijkt de zomer nu toch van ons vergleden, met al onze herinneringen naar het verleden. Zoek een andere mooie tijd te doen herleven, die weer betekenis gaat geven aan het heden, weer net zo mooi als we in de zomer deden.
Zie op papier spatten van mijn schrijverspen, nog gemaakt in die mooie voorbije zomertijd. als echo of erfenis van zomer-liefdes die tijd. Waarin ik ook aan het stille kabbelde water, al mij geheimen toevertrouwde zonder spijt.
Zie de bomen nu verdorren in dit seizoen, nog even, dan glinsteren ze van witte rijp, in ruil voor de kleuren van het frisse groen. Ook dan weer de strijd van wind en regen, wie van de twee zal weer de winnaar zijn?
Zag hoe het lieve roosje aan mijn voeten brak de wind hoorde niet welke woordjes ze sprak. Diep in mijn hart waar je nu ook mag begeven, het mag najaar zijn; doch je blijft bij me leven.
Ik tracht nu niet; het zielenpijn te verbergen, ook schroom ik niet om mijn hart te ontbloten, wat ook geen mens, nu van me mag vergen.
Liet me zacht zwijgend de onheilstijding dalen, gesproken vanuit een strak gelaat en mond. Niet tot warme lach of teder woord bewogen, het Kabinet had gemeten de harde ondergrond.
Het waren woorden, die dicht of lied wijken deed, gesproken als door een vogel even los uit de kooi, woorden, woorden voor velen hel-diep; wie weet? Zieken en bejaarden konden hun oren niet geloven, zoveel leven dat woorden meenamen in hun vlucht. Zoveel geluk mocht men hun niet eerder ontroven.
Gij sprak deze woorden met uw ingesproken mond, sprak daardoor zonder deemoed of aarzelen uit, door velen toch hun diepste wanhoop aangehoord, maar getoetst aan; deugd, fatsoen en goed besluit??
Geef even mijn gedachte dat hij rusten mag, dat zelfs mijn dichters-lust mij niet plaagt, maar het najaarsweer maakt alles zo zwart, zo woest als wind en regen langs mij vlaagt.
Maar alles wat ik deze Zomer mocht ervaren, aan wat ik zag, mocht schrijven, en onderging; aan moois, feeëriek, een wonderlijk verbazen; houdt de geest nog onrustig van verwondering.