KRANT: SEBALD SALA DE DAPPERE


|
Sebald Sala de dappere "Wat zegt een naam?" We stellen die vraag ditmaal eens zonder het daarbij behorende scepticisme van Shakespeare. Gewoon omdat we willen weten waarom er in Tilburg toch eigenlijk een straat „Gebr. Salastraat" heet. U kunt ze vinden op het Industrieterrein-Noord, over het kanaal, niet zo ver verwijderd van de Dongenseweg. Er bestaan levende generaties in Tilburg, die het u direct vertellen zullen, maar veel groter is het aantal stadgenoten, dat hier volkomen in het duister tast. Het zal wel iets met industrie te maken hebben. De wat exotisch klinkende naam stamt echter helemaal uit het gelid van de oude Tilburgse geslachten wat nog te meer opvalt als men weet, dat hij o.a. toch ook aan de wollen-stoffen-industrie verbonden is geweest. Hij nam daar een bescheiden plaats in tussen de coryfeeën, die het thans nog niet eens tot een straatnaam gebracht hebben. Dus moet er met de naam Sala nog wel iets anders aan de hand geweest zijn. Op zoek naar bevrediging van onze nieuwsgierigheid, bleek dan ook, dat goed zeventig jaar geleden, n.l. in 1901 de naam Sala in Tilburg op veler lippen heeft gelegen. Dit tengevolge van een op Sebald Sala in een trein gepleegde overval, waarbij Sala zich zó geducht weerde, dat niet hij maar de daders het slachtoffer werden. Er een viel daarbij zelfs een dode doch ook een Komische noot ontbreekt er niet. Sebald Sala circuleerde nadien enige decennia door de Tilburgse historie met een nieuw verworven predikaat: Sala zich zó geducht weerde, werd hij genoemd. Laten we die geschiedenis weer eens te leven wekken! |

|
De overvaller Joseph Vente, gefotografeerd nadat hij dood op de spoorrails was aangetroffen. Van beroep toreador en café-chantentzanger. Rechts de rover Fernand Fau, die voor de rechter verscheen. Fau vertoont verwondingen aan het hoofd. |

|
Foto: Sebald Sala (1850-1912) die zo geducht van zich afsloeg Maandag 10 januari 1972 - HET NIEUWSBLAD VAN HET ZUIDEN -Sebald Sala dreef aan het eind van de tachtiger jaren van de vorige eeuw met zijn broer Louis een bescheiden wollenstoffenfabriek in de Tuinstraat te Tilburg. Op een dag van het jaar 1901 ging hij per trein op reis naar Frankrijk, waar hij, voor zaken, een machinefabriek wilde bezoeken.In de treincoupé kwam hij in contact met twee mede-reizigers, die hem in de loop van de concersatie sigaretten presenteerden. Uit de ons ter beschikking staande summiere overlevering blijkt niet of Sala gronden had om zijn medereizigers te wantrouwen, In ieder geval weigerde hij de sigaretten. Ze zouden „verdovende middelen" bevat hebben. Even later wierpen de onbekenden hem een gechloroformeerde doek over het hoofd met de kennelijke bedoeling hem te verdoven en daarna te beroven. Naar buiten gesmeten bandiet stierf op de rails Nu was Sala voor geen kleintje vervaard. Hij had zijn stevige figuur mee en was ook op de hoogte van de kunst van zelfverdediging. De overvallers waren, dus aan het verkeerde kantoor. Onze stadgenoot, sprong op, greep de aanrander bij de strot en diende hem, volgens de regels der kunst, een fikse scheentrap toe, zodat de man enige tijd nodig had om tot zichzelf te komen. Daarna pakte hij nummer twee in een schoudergreep en smeet hem door het portierrampje de trein uit. Terwijl hij de overgeblevene met een extra portie schoppen tegen de schenen definitief buiten gevecht stelde, trok Sala aan de noodrem. Na het stoppen van de trein kon de overgebleven aanrander in verzekerde bewaring worden gesteld. "En nu moet je ook nog eens langs de rails gaan kijken", adviseerde Sebald. "Ze waren mét z'n tweeën en ik heb er één uit de trein gesmeten". Bij het ingestelde onderzoek werd de bandiet dood aangetroffen. Hij bleek toevallig op een wissel terecht te zijn gekomen en had zware verwondingen aan de rug. Sala was er in het gevecht ook niet geheel zonder kleerscheuren afgekomen. Een bandiet had hem in de ogen geraakt. Bovendien bleek het sensationele gebeuren hem geestelijk te hebben aangegrepen en wel in die zin, dat Sebald voortaan voortdurend in de vrees leefde te worden aangevallen. Hij legde een opvallende argwaan aan de dag. Kwam er een onbekende toevallig wat dicht naast hem lopen dan bestond er groot risico, dat Sebalds vuisten uitschoten om de vermeende belager op een afstand te houden. De bij dit artikel afgedrukte foto's troffen wij aan in het Personeelsorgaan van Int. Flavors and Fragrances J.P.F. Nederland N.V., waarvan een afdeling gevestigd is aan de Gebr. Salastraat in onze stad. Aan dit blad ontleenden wij ook enige gegevens. De overige zijn afkomstig uit het Tiburgse Gemeentearchief. Het bewijs De overval-affaire heeft haar einde gevonden in een rechtszitting, waarin Sala als getuige optrad. Daar hij genoeg van alleen reizen had, liet hij zich op deze tocht door een „beschermer" vergezellen. De gearresteerde boef werd tot levenslang veroordeeld. Tijdens de rechtszitting speelde zich een komisch tafereel af. De beklaagde bleef namelijk hardnekkig ontkennen bij de overval betrokken te zijn geweest. Sala adviseerde toen de rechter zelfbewust: „Laat hem eens zijn linkerbroekspijp opstropen. Als hij geen blauwe plekken op zijn schenen heeft dan is hij het niet!" Ofschoon de man-in-kwestie niet veel voor een demonstratie voelde kon hij daaraan onder dwang van de rechter niet ontkomen. En zie: het bewuste been bleek een fraaie staalkaart van blauwe plekken te vertonen. „Dit is de historie, waardoor Sala beroemd werd. Zo is het gebeurd omdat hij (Sala) het zelf aan mijn vader heeft verteld", zo besloot een Goirkenaar zijn geschiedenis. Hij vertelde daarin ook dat Sala een vaste „buurter" bij zijn vader was. Die had dus de geschiedenis waarvan ook wel een afwijkende lezing gegeven werd, uit de eerste hand. Zo vernamen wij uit die andere bron, dat de bandieten poogden Sala een jutenzak over het hoofd te trekken, welke op de brede rand van zijn panamahoed bleef hangen. Dat Sebald een van de bandieten een vinger zou hebben afgebeten; dat beiden zelf uit de trein zouden gesprongen zijn en dat Sala voor een diamanthandelaar was aangezien. Vragen Laten we het houden op de geschiedenis van de zoon van Goirkenaar al blijven ook hier tal van vraagtekens over. We missen node meer gedetailleerde en controleerbare aanduidingen zoals plaats, uur, dag en datum. Er blijkt niet uit of de overval plaatsvond op Nederlands, Belgisch of Frans gebied. Evenmin vernemen we iets over plaats of land van de rechtszitting. Wel lezen wij, dat Sebald in Parijs „gehuldigd werd voor zijn moedige daad". Namen en zelfs foto's van de misdadigers zijn wél tot ons gekomen. Degene, die dood op de wissel werd aangetroffen was Joseph Vente voor wie als beroep toreador en café-chantentzanger genoemd wordt. Aangezien wij er in Nederland geen toreadors op na houten, wijst dit niet naar een Nederlander. De Franse naam Fernand Fau van de veroordeelde doet dit evenmin. Wat er aan details ook te kort mag komen en of er door mondelinge overlevering versieringen werden aangebracht, de grote lijn van de hele historie kan niet geloochend worden. |

|
Maandag 10 januari 1972 - HET NIEUWSBLAD VAN HET ZUIDEN Geslacht Sala De affaire heeft destijds ook aandacht buiten Tilburg getrokken. Zelfs de geïllustreerde pers met name „De Prins" besteedde er in 1901 aandacht aan. We waren echter niet in de gelegenheid het bewuste nummer van dit blad te raadplegen. Wél vonden we enige bijzonderheden over het geslacht Sala. Deze familie is van Italiaanse oorsprong, afkomstig uit Vesino in het gebied van Como. In het begin van de 19de eeuw vestigde zich een Jean Baptiste Sala, die met een Antwerpse getrouwd was, in het Brabantse dorpje Lith aan de Maas. Al zal men in zo'n klein dorp de eerste tijd wel wat vreemd tegen de Italiaan hebben aangekeken, het gezin raakte er goed ingeburgerd. Misschien heeft de Antwerpse echtgenote daartoe ook wel een steentje bijgedragen. Hun zoon Louis Joseph bracht het tot rijksontvanger zodat hij dus de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten. In 1848 trouwde deze met Helena Boeracker de dochter van een bierbrouwer. Fabrikanten Twee zoons uit dit huwelijk waren Louis en Sebald, die we later als de Tilburgse gebroeders Sala zullen ontmoeten. Zij bekwaamden zich beide te Aken in de fabricage van wollen stoffen en toen ze meenden de knepen van het vak wel onder de knie te hebben, stichtten zij te Tilburg een fabriek aan de Tuinstraat. In het begin deden ze samen met twee zwagers van Sebald, de gebroeders Kieckens. Later gingen de compagnons uit elkaar. Zowel de Sala's als de Kieckens produceerden nadien onder eigen naam. Om enig idee van de omvang van het bedrijf van de Sala's te krijgen: In de tachtiger jaren werkten daar 40 mannen, 8 vrouwen, 4 jongens en 2 meisjes. Dus een personeelsbezetting van 54 man, waarmee de fabriek tot de kleine bedrijven gerekend moest worden. Men stelle daar maar eens de grote bedrijven naast zoals H. Eras en Zn. (500 man), Pollet en Zn. (317) en L.V. Ledeboer en Zn. (316). De Sala's werkten met een stoomketel Van 35 paardekrachten. Afgebrand Op een plattegrond van Tilburg van 1890, die o.a. alle Tilburgse wollenstoffenfabrieken uit die tijd vermeldt, vinden wij die van Gebrs. Sala bij de Nieuwe Dijk (Mgr. Zwijsenstraat) vermeld. Het bedrijf van Gebrs. Kieckens staat daar bij de Tuinstraat aangegeven. Een adresboek van 1889 noemt Gebr. Sala wollenstóffenfabriekanten. Hun bedrijf was echter op 14 augustus 1887 tot de grond toe afgebrand. Alleen vier geblakerde muren bleven overeind. De inhoud van de brandkast bleek later ongedeerd. Na de brand verscheen in de Nieuwe Tilburgse Courant een aantal advertenties, waarin Charles Marsé, Willem II-straat 1011, in dikke letters o.a. met „brandvrije brandkasten" adverteerde. Naar een verslagje van de brand zochten we echter tevergeefs in beide Tilburgse kranten. Mogelijk is deze brandcatastrofe de ondergang van de fabriek geweest. Sala was dan slachtoffer van het vuur, dat hij als lid van Tilburgs vrijwillige brandweer, voor anderen zo vaak had bestreden. En branden deed het in die tijd in Tilburg dikwijls daar bedrijven en huizen met een verlichting van olielampen waren uitgerust. In dit kader lijkt ons vermeldenswaard de door Sebald Sala aan de dag gelegde activiteit en kracht toen het bedrijf van de firma Bijvoet in brand stond. -Bijvoet, die de wanhoop nabij was, legde de brandweer uit, dat zijn ijzeren geldkist nog op de bovenverdieping stond. Maar hoe kreeg men er die uit nadat de tegen een muur geplaatste ladder te kort bleek om een raam te bereiken. Sala, zich bewust van zijn sterkte, die hem later in de trein zo goed van pas zou komen, bedacht zich niet lang. Hij ging „bok staan" met de ladder op zijn schouders. Toen konden twee brandweerlieden naar boven klimmen en zij keerden veilig met de zware, ijzeren kist op de begane grond terug. Op 't Goirke Dat Sebald Sala op 't Goirke ging „buurten" zoals boven gereleveerd kan kloppen. Hij woonde namelijk op 't Goirke en wel in het herenhuis vlak bij het Julianaparkje op de hoek van de huidige Pater Rutterstraat. Het gaat hier om het huis waarin rond 1900 de familie Jo van Dijk-van Roessel woonde. Later is het witte pand van weleer verbouwd tot twee woningen. Sebald Sala is twee maal getrouwd geweest, het laatst met een dochter van Van Wesel. In het begin van 1900 ontmoeten wij de gebroeders Sala in een geheel nieuwe branche nl. als sigarenfabrikanten. Zij krijgen op 21 november 1908 een vergunning (Hinderwet) voor de oprichting van een sigarenfabriek met drogerij aan Stedekestraat. Het betrof hier een gebouw, dat reeds vroeger voor hetzelfde doel was gebruikt. Volgens een inschrijving in het handelsregister op 7 juni 1910 en ook blijkens briefhoofden van latere ...ren, is de firma naar de Alléenhouderstraat verhuisd. Blijkens: een briefhoofd was toen de firma „sociaal" ingericht voor exportverpakking". Haar telegramadres luidde;"Salaco". Een adresboek van 1922 vermeldt Sala en Co nog steeds als sigarenfabribrikanten. Op 16 juni 1924 blijkt in het Handelsregister kennis gegeven, dat de zaak in 1923 was opgeheven. Nog één naam Nu wilden we toch ook nog eens weten of de naam Sala buiten de straatnaam van het industrieterrein helemaal uit Tilburg verdwenen is. Dat is niet het geval. In het Tilburgse adresboek 1968-'69 komt hij nog één keer voor in gezelschap van nóg exotischer namen, waarvan men het bestaan in Tilburg niet kon bevroeden en die er meestal zo uitzien. We noteerden: Saher Sahin, Said. Saïd (dus mét en zonder trema boven de i). Sakar. Salahessi en een uit het gelid springende Salakpry. Tilburg is een internationale stad geworden. Maar daar was het niet om begonnen. Het ging om „Sala, de dappere" en de beantwoording van de vraag: Wat schuilt achter de naam van een straat het Industrieterrein-Noord? PIERRE VAN B |

