17-06-1924 De Lakenhal over het jaar 1923


|
"De Lakenhal" over het jaar 1923. Uit het verslag van den toestand van het Stedelijk Museum "De Lakenhal" over het jaar 1923 blijkt o.m., dat wederom belangrijke aanwinsten vallen te vermelden en van de tentoonstellingsruimte werd gebruik gemaakt voor het houden van verschillende tentoonstellingen en lezingen, die niet nagelaten zullen hebben een gunstigen invloed te oefenen op de bezoekers. Er valt echter niet alleen voorspoed te vermelden en in het bijzonder leed de Commissie een groot verlies door de nieuwe regeling van de werkzaamheden van het college van B. en W., welke medebracht, dat de burgemeester jhr. mr. dr. N. C. de Gijselaar, als voorzitter moest aftreden. Met groote erkentelijkheid betuigt de Commissie hem haar dank voor de groote toewijding, waarmede hij steeds de belangen van het Museum behartigde. Den 10den September werd bericht ontvangen, dat de heer A. L. Reimeringer als zijn opvolger werd aangewezen en 14 September nam jhr. De Gijselaar officieel afscheid. De Commissie begroet in haar nieuwen voorzitter een oud vriend van het Museum, van wiens belangstelling en medewerking als lid gedurende de jaren 1913-1919 zij steeds een aangename herinnering mocht behouden. In plaats van dr. P. A. Driessen, die slechts enkele maanden lid was en wegens vertrek uit deze gemeente bedankte, werd door den Gemeenteraad den 16den April prof. dr. J. A. J. Barge benoemd, De periodiek aftredende leden, de heeren dr. J. A. J. Barge, dr. G. J. Boekenoogen, J. A. van Hamel en B. J. Huurman Dz., werden in September door den Gemeenteraad herbenoemd. In de periodieke aftreding van de door de Commissie aangewezen leden in het bestuur der Vereeniging van Vrienden van "De Lakenhal" werd voorzien door benoeming van dr. P. J. Blok (aftredend) en dr. J. A. J. Barge (in de plaats van wijlen mr. J. A. F. Coebergh. Het Museum als gebouw bleef aan billijke eischen voldoen; slechts bleek het gewenscht om aan de zuidzijde het te sterk invallende zonlicht eenigszins te temperen, In de opstelling der voorwerpen werden slechts enkele onbeteekenende wijzigingen gebracht, als gevolg van de voor de nieuwe aanwinsten vereischte ruimte. Door den adjunct-directeur, den heer A. Coert, werden enkele schilderijen vernist. Tevens werden door hem de aan het Raadhuis uitgeleende schilderijen en een schoorsteenstuk in de Waag nagezien. Door den heer D. de Wild, te 's-Gravenhage, werd het in 1922 aangekochte schilderij van Porcellis geregenereerd. Aan de voor alle diensten voorgeschreven bezuiniging werd tegemoet gekomen door het stoken te beperken en door voor de begrooting 1924 tijdelijk afstand te doen van 20 pCt. van het voor aankoop en onderhoud beschikbaar gestelde bedrag. Deze beperking is voor het Museum des te ingrijpender, daar hierin verschillende geregeld terugkeerende kosten voor onderhoud begrepen zijn, zoodat deze vermindering grootendeels ten laste komt van dat voor uitbreiding der verzamelingen. Het Museum werd in 1923 bezocht door 21.386 personen, waarvan 10.901 belalenden en 10.485 op de vrije Zon- en Feestdagen, met inbegrip van de scholen, die vrijstelling van entree genoten. Hiervan werd gebruik gemaakt door 15 leerlingen van de H. B. S. voor Meisjes te Leiden, 129 leerlingen van openbare scholen aldaar, behoorende tot de klassen van de heeren F. A. Schilthuizen, W. v. d. Laan, H. Lautenbach, H. van Lienden, J. W. v. d. Reyden en A. Uittenbroek, 45 leerlingen van de bijzondere school van A. J. Doorneveld alhier, 18 leerlingen van de bijzondere school van A. Hallema en 38 van de openbare school van E. van Dijk, te 's-Gravenhage, 30 en 22 leerlingen van de openbare scholen van M. v. d. Boon en A. v. Ekeren, te Haarlem, 25 en 22 van de bijzondere scholen var. A, G. Kloeke, aldaar, en B. J. v.d. Meene te Oegstgeest, 31 van de Industrie school Ie Rotterdam, 41 Van de Normaal school van A. Soeteman te 's-Gravenhage, eenige leerlingen van de H. B. S. te Deventer en van het Kennemer lyceum te Bloemendaal en 30 leden van de Knapenvereeniging te 's-Gravendeel. Prof. dr. W, Martin bezocht het Museum met 37 studenten en de door prof. dr. A. W. Nieuwenhuis bij de tentoonstelling van Sumatraansche kunst gehouden academische lezing werd door 74 personen gevolgd. Den 13den April genoot het Museum de onderscheiding van het bezoek van H. M. Koningin Wilhelmina en Z. K. Hoogheid Prins Hendrik met gevolg en den 27sten October werd het bezocht door den Prins van Djocja met gevolg. Den 27sten Januari verleende het gastvrijheid aan 150 leden van het juristencongres voor internationaal oorlogsrecht, aan wie door den Academischen senaat een thee werd aangeboden. Onder de verdere bezoeken van vereenigingen vallen te vermelden die van den Ned. Journalistenkring (60 personen), den R.K. Volksbond (37 personen), de studieclub van het Rotterdamsche politiecorps, de Synode van Waalsche predikanten en de Vereeniging "Oud-Leiden", alhier. Leidsch Dagblad17-06-1924 |

|
Door het Museum werden tentoonstellingen georganiseerd van schilderijen van prof. J. H. Jurres, 5 Januari, van G. H. Breitner, 7 Maart, van den Amerikaanschen schilder W. H. Singer Jr., 9 Mei en van Jan Toorop, 17 November. In December volgde een tentoonstelling van kantwerk uit een bekende particuliere verzameling en van slotenmakerswerk uit die van dr. Molhuysen, te 'sGravenhage. Bij de tentoonstelling van Breitner werd de welwillende medewerking ondervonden van den heer J. Siedenburg (firma Buffa), te Amsterdam, en den heer S. J. Sala, te 's Gravenhage. De tentoonstelling werd in tegenwoordigheid van den meester door den voorzitter geopend. Droevig stemt de gedachte, dat dit de laatste maal was, dat den meester in het openbaar eene hulde kon gebracht worden voor zijn werk. De werken van Singer werden door den heer J. Siedenburg ter tentoonstelling afgestaan. Het glanspunt vormde de schitterende verzameling van werken van J. Toorop, die gedurende eenige weken hier gastvrijheid genoot. Ook aan te Leiden gevestigde kunstvereenigingen werd de gelegenheid gegeven om in het Museum tentoonstellingen en lezingen te houden. De Leidsche kunstkring opende den 12den Februari een tentoonstelling van schilderijen van Piet van Wijngaardt, gevolgd door een van batikwerk van Ragnhild d'Ailly in September en in aansluiting daarmede van werken uit den kunsthandel van den heer Du Bois, te Haarlem. "De Sphinx" opende het seizoen met een tentoonstelling van graphische kunsten prof. dr. A. W. Nieuwenhuis verbond aan zijn academische voordracht op 23 April een tentoonstelling van Sumatraansche kunst. Op uitnoodiging van den Leidschen kunstkring, „De Sphinx" en de vereeniging "Kunst voor de Kunst" hield dr. H. P. Berlage hier 1 November een lezing met lichtbeelden over de crisis in de Bouwkunst. Gaarne verleende de Commissie ook haar medewerking, waar die yoor liefdadig doel werd gevraagd. Op verzoek van de Kunstgroep Bilthoven werd in Jan. en Febr. de gelegenheid gegeven om vrijwillig een hooger entrée-geld te betalen ten bate van de steunbehoevende kunstenaars, waardoor een bate van f 107.04, na aftrek der kosten, aan het comité kon toegezonden worden. Aan de op uitnoodiging hiervan alhier gevormde commissie werd de tentoonstellingszaal beschikbaar gesteld voor een tentoonstelling van kunstwerken, met hieraan verbonden verloting en een lezing door den heer W. A. van Konijnenburg. Als resultaat hiervan kon de plaatselijke commissie een voordeelig saldo boeken van ruim 2300 gulden, hetwelk door haar werd aangewend voor aankoop van werken van kunstenaars uit Leiden en omgeving, welke daarna ter beschikking werden gesteld van de groep Bilthoven. Aan tentoonstellingen buiten Leiden werd deelgenomen door tijdelijk het bekende gezicht op Leiden door J. van Goyen (Catal). Schilderijen No. 73), dat in 1903 werd aangekocht met steun van de Vereeniging "Rembrandt", af te staan voor de tentoonstelling te Amsterdam, gehouden bij het 40-jarig bestaan dier zoo verdienstelijke vereeniging. De belangrijkste aanwinst vormde het uit het legaat van mevr. Du Rieu-Sautijn Kluit aangekochte schitterende stuk van den Leidschen meester W. van de Velde, den oude, een penteekening-schilderij op paneel, voorstellende het uitzeilen van de vloot uit een der Hollandsche zeegaten. Het stuk is van een zeer fijne en levendige teekening. Onder de geschenken valt in de eerste plaats te noemen een buste in gips van Rembrandt, vervaardigd door Toon Dupuis en door den meester aan het museum geschonken. Het is een vrije navolging van de in 1906 alhier onthulde, door T. Dupuis vervaardigde buste. Deze was oorspronkelijk toegezegd bij de opening van het museum en is als zoodanig reeds vermeld. De buste is door den heer A, Coert kunstmatig gebronst en is daarna als een hulde aan Leiden's grooten zoon opgesteld op het punt, waar de drie kunstzalen samenkomen. Een zeer belangrijk aanbod werd gedaan door prof. mr. W. van der Vlugt, die de fraaie kamerbetimmering in de achterzaal van het vroeger door hem bewoonde huis aan de Hooigracht ter beschikking van de Commissie stelde, op voorwaarde, dat het uitbreken, het overbrengen en weder geheel inrichten van de kamer aan de Hooigracht op kosten van het museum zoude geschieden. Aangezien ook aan het opstellen en pasklaar maken van de betimmering voor het museum groote onkosten verbonden zijn meende de Commissie, onder groote erkentelijkheid voor het welwillend aanbod, dit niet te mogen aanvaarden, zoolang er geen zekerheid bestond dat de betimmering ook in het museum plaatsing kon vinden. De onderhandelingen hierover leidden tot een andere toezegging, waardoor de kans bestaat, dat onder bepaalde omstandigheden alsnog van het aanbod kan worden gebruik gemaakt. In bruikleen werd o.a. ontvangen: Van Z.Exc. den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, door bemiddeling van prof. dr. W. Martin: een schilderij van A. H. Bakker Korff, "La Fille du héros", op doek. Dit schilderij is afkomstig uit het legaat mevr. Rose-Molewater. Leidsch Dagblad 17-06-1924 |

