Naar de inhoud

SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

SALA familie Sala - Visino - Pognana - Tavernerio - Roveredo - Pusiano
akke.beakke.be

Categorie: 1 KUNSTHANDEL SALA DEN HAAG b SALA WERREL

29-04-1939 Kunsthandel Sala tentoonstelling Toon Kelder

 

 

 

Toon Kelder. Portret van mevr. Kelder. (Foto: A. Dingjan.)

NIEUWE WERKEN DOOR TOON KELDER

Kunsthandel Sala

Kelders vroegste werken sloten zich min of meer aan bij hetgeen men de opvattingen der Bergensche School noemt. Zijn zicht op het leven was toen op romantische wijze realistisch, zijn werktrant voortvarend en pakkend, een schilderen in gemakkelijk breede, eer grove dan fijne plans van doorgaans donkere kleur.

In dit nog niet erg persoonlijke werk, waarin overigens wel een stuwkracht, een gretigheid, een zucht tot expansie te onderkennen viel, heeft men moeite den Kelder der volgende jaren te vatten. Want omstreeks 1930 kwam een kentering, die in de eerste plaats een onverwachte vrij hevige reactie op zichzelf of op een deel van zich zelf geleek.

Uit het oeuvre van meesters als Toorop, Van Gogh, Picasso en anderen kennen wij soortgelijke scherpe wendingen en er was m.i. toen ter tijd geen reden den schilder van cameleontische onverantwoordelijkheid te betichten.

De bedoelde wending was er een naar het verfijnde en verijlde, een tasten naar aanvankelijk bleeke droomgezichten, zeer subjectief, op het voorstellingslooze soms af, en lyrisch ethisch.

De naakten uit dezen tijd schenen te rusten in 'n wolk van kleurdampen, schenen zelf haast verdampt tot een geur van herinneringen, een muziek van verlangens. Koel, teer, iriseerend was het spel van behoedzaam uitgespreide, in elkander overvloeiende tinten van rose en blauw, licht geel en beige, en het zorgzaam streelende van de weleens gladde penseelvoering sloot zich hierbij aan.

Verwante of dezelfde elementen kon men vinden in de schemerig idyllische landschappen, de dralende of dolende ruiters bij maneschijn, de broze onstoffelijke bloemstukken, de speelsch precieuze circussen en de hoofsche, terughoudende portretten. Onmiskenbaar gevoelige evocaties van een aparte en dichterlijke, naar eenigszins over-bewuste, over-gecultiveerde phantasie.

De gevaren van het werk waren duidelijk. Alle belangrijke hoedanigheden ten spijt was de mogelijkheid niet uitgesloten, dat het vervlakken zou tot een misschien wel opmerkelijk en geraffineerd, maar toch te zwevend behaagzuchtig, veraesthetiseerd of beperkt maniërisme.

Kelder heeft geleidelijk deze gevaren overwonnen. Hij heeft vooral in de laatste jaren veel, heel veel, gewonnen aan ernst, diepte en volheid, in zoowel geestelijken als technischen zin en het heeft hem allengs teruggevoerd tot een meer zware, kloeke, concrete en pakkende schilderwijze, ditmaal evenwel in gerijpte vormen en zonder invloeden van buiten af.

Een uitgesproken persoonlijk en aanstonds te herkennen schilderstijl, gul, breed en verfijnd. Aldus vindt men thans in deze kunst niet louter het realistische en niet louter het verdroomde, zij houdt daartusschen een gelukkig midden, of juister, omvat beide levensaspecten.

Er zijn geen sporen meer van het ijle en geparfumeerde, maar wel bleef het romantisch heimwee behouden, de behoefte aan het welige gebaar, het vieren van het licht en donker en de haat tegen alle huisbakkenheid.

Een schilder, die van verf en kleur weet te smullen, nochtans deze niet misbruikt voor louter sensualistische doeleinden, maar steeds op zoek is naar een evenwicht tusschen de zintuigelijke ervaring en de vrije verbeelding, tusschen het picturale en het monumentale, tusschen den schoonen schijn en het innerlijk wezen.

De sterkste werken lijken mij ditmaal het portret van de vrouw van den schilder, het staande en het liggende naakt, het stilleven met kaas en dat met appelen en 'n tros donkere, violetblauwe druiven.

Misschien is het laatste doek wel het fascineerendst van al in de kleur (het vreemde lokkende groen van een tweetal appels, oplichtend uit het donker, het rijke blauwviolet van de druiven, en daar tegenaan gezet een gesmoord gloeiend, diep terracotta accent van 'n mandarijn).

Coloristisch mogen we vooral ook het kleine Combat de Cavalerie (nr. 11) niet over 't hoofd zien, dat in dit opzicht bijzonder suggestief is. Het staande naakt werd vloeiend en onmiddellijker geschilderd dan gewoonlijk bij Kelder, het liggende is meer zwaar, langzaam verdroomd, een weidsch, doorwrocht stuk.

De verfbehandeling in zulke uitingen toont die voortdurende afwisseling, die rijke levendigheid en vibratie, die bovenal het kenteeken mag heeten van den geïnspireerden, rasechten schilder.

Er zit niets machinaals in het handwerk van dezen bewogen, maar tegelijk steeds doelgerichten en beheerschten kunstenaar, die zijn vak kent als weinigen tegenwoordig. In het voornaam portret van mevrouw Kelder zijn kleur en penseelvoering meer terug gehouden dan in de naakten, ten deele gevolg ongetwijfeld van den eisch der objectiviteit; maar het verfoppervlak is niet minder bewonderenswaardig en het modelé heeft een prachtige fijne soliditeit. Een accent van grandezza in deze steile beeltenis doet het verwant zijn aan den Don Quichot, een van de weinige werken, die reeds eerder bij Van Wisselingh te zien waren.

Releveeren we tot slot nieuwe portretten van Stotijn en van Koeberg, en van de diverse bloemstukken speciaal de heldere, klankrijke anemonen en de tropisch geheimzinnige, forsch en warm voorgedragen orchideeën. Een verheugende tentoonstelling, die tot 20 Mei duurt

Jos. de Gruyter.

het Vaderland 29-04-1939

 

Reageer op dit bericht

24-03-1937 Kunsthandel Sala Jan Ingenhoes

 

 

 

JAN INGENHOES

Kunsthandel Sala

Jan Ingenhoes heeft niet minder dan 47 stillevens geëxposeerd en die stillevens zijn vrijwel alle in een gedempten toon gehouden; geen helle kleur, die u er uit roept. Bovendien vinden wil er tal van zelfde voorwerpen op. En als versiering zijn op tafeltjes enz. ook tinnen voorwerpen te pronk gezet. Men begrijpt hieruit de sfeer van de expositie.

Men bewondert de kunde en nauwkeurigheid van dezen schilder, die ons geen detail onthoudt, niets aan onze fantasie overlaat. Van een citroen schildert hij elke oneffenheid en op het waas van blauwe pruimen vergeet hij zelfs niet de vingervlekken af te beelden. Tin, koper, tegels, glas, vruchten, bloemen eieren, boeken en doodskoppen alles is met even groote nauwgezetheid op het doek gebracht.

In zijn werk is zonder twijfel een vooruitgang te constateeren, maar nog moet men niet bij het bekijken van zijn schilderijen aan doeken van andere stillevenschilders denken.

Denk niet aan Floris Verster, die ook zeer uitvoerig kon zijn, maar nooit koel was; niet aan Paul Arntzenius, waarvan ik pas in de Dalton H.B.S. fraai werk zag. Doet men dat, dan voelt men het minder bewogene in de schilderijen van Ingenhoes en men denkt aan Arps.

Toch is Ingenhoes niet enkel fotograaf in kleuren; hij is wel degelijk - ik schreef het reeds - een kundig schilder. Van de hier geëxposeerde werken vestig ik de aandacht op no. 28, Keulsch potje met tinnen bord, twee eieren en een mandje met tomaten tegen een grijs fond. Verdienstelijk is no. 23 appels; no. 17 een tak duindoorn, opgehangen tegen een blanken muur en een ongenummerd, oningelijst doek van leege flesschen, die ongetwijfeld goed geschilderd zijn. De tentoonstelling sluit 30 Maart. 'sGr.

het Vaderland 24-03-1937

 

Reageer op dit bericht

14-05-1938 Een unieke tentoonstelling.

 

 

 

Een unieke tentoonstelling bij Hamdorff.

Werk van overleden Gooische Meesters. LAREN.

De tentoonstelling die Zondag voor het publiek geopend zal worden in de Kunstzaal van Hotel Hamdorff, van werk van overleden Gooische meesters, zal voor velen een openbaring zijn. Door de goede zorgen van Jaap Dooyewaard, David Schulman en L. van Kesteren is hier een collectie schilderijen bijeengebracht en op mooie wijze gehangen, die men wellicht nooit meer in Laren bijeen zal kunnen zien.

Van JOZEF ISRAëLS is aanwezig een der mooiste interieurs die deze grootmeester, die Laren ontdekte, ooit gemaakt heeft. Het is het schilderij ‘Open huus'; als tweede werk van Jozef Israëls is er een zelfportret uit z'n laatsten tijd, meesterlijk van toon en expressie, waarlijk een schepping. (Beide schilderijen zijn afgestaan door het Stedelijk Museum, van welker directie voor deze tentoonstelling de grootste medewerking is verkregen).

Het is ook gelukt van ANTON MAUVE een buitengewoon mooi schilderij te verkrijgen: „Opkomende bui" (eigen dom van den kunsthandel Sala in Den Haag) en een kudde Schapen gehoed door een herderin in een boomgaard (uit het Stedelijk Museum). De stemming in het eerste schilderij is zeldzaam getroffen en in het tweede valt op, hoe buitengewoon goedbestudeerd de schapen geschilderd zijn.

Na Mauve noemen we ALBERT NEUHUYS, die met vier schilderijen vertegenwoordigd is : Moeder en Kind, een treffende expressie van de moederzorg en "De Enkhuizer Courant", allerfijnst van toon; een waar meesterwerk. Beide werken zijn uit het Stedelijk Museum. Het kleine "gouden schilderijtje" Moeder en Kinderen is een waar juweeltje en een aandoenlijk blond Portretje is dat wat de schilder maakte van de dochter van wijlen Jan Hamdorff: Martha. Deze schilder is wel prachtig vertegenwoordigd.

Van J.S.H. KEVER is er het magistrale zelfportret uit het Sted. Museum en het prachtige schilderij Pioenrozen, uit de gemeentelijke verzameling van Laren. Bijzonder mooi is het schilderij van Kever van een Larensche Boerendeel, een merkwaardig licht schilderij, in het bezit van den kunsthandel Buffa.

JAN VETH ontbreekt ook niet. De commissie is van hem alleen machtig kunnen worden het deftige portret van mevrouw G. van den Brink (de moeder van den heer P.N. van den Brink alhier). Een imponeerend schilderij van deze vrouw in oudLarensch costuum.

Van WALLY MOES is er een schilderij, zeldzaam mooi van kleur en van expressie: Moeder en Kind, eveneens uit het Sted. Museum. Het schilderij Huizer Vrouw is van een klassieke schoonheid, kennelijk geïnspireerd op de oude Hollandsche meesters.

Een waar juweel is het schilderij van TONY OFFERMANS, een Vrouw die kool snijdt in den tuin. Van kleur en licht is dit een allerfijnst doek. Een mooi gaaf schilderij is ook Moeder en Kind.

Van ARINA HUGENHOLTZ hangt er één schilderij. Hei met paarden en wagen, waaruit blijkt dat de schilderes waardig was een leerling te zijn van den door haar zoozeer vereerden leermeester Anton Mauve.

Een typisch Larensch tafereeltje biedt het prachtige stemmingsvolle schilderijtje van H. VALKENBURG: Vrouwtje in den moestuin. Men valt op deze tentoonstelling van de eene verrassing in de andere, maar een bijzondere verrassing zijn wel de twee kleine schilderijtjes van EVERT PIETERS, die prachtig van toon zijn.

Van E. VAN BEEVER treffen de drie aanwezige werken door de groote beschaafdheid en het technisch meesterschap waarop deze kunst steunt. Vol prachtige stemming is de Larensche Deel; de Larensche Boerin is in een donkeren toon gehouden, boeiend en klassiek in wezen, verbluffend van techniek.

Een der onbetwistbare hoogtepunten der tentoonstelling is het portret van een Belgisch meisje, geschilderd door FRANS DEUTMAN. Dit schilderij is waarschijnlijk gemaakt kort na zijn academietijd. Het is een meesterwerk van eersten rang en de heer J. Siedenburg te Bussum mag zich gelukkig prijzen het in bezit te hebben.

Van A. BROEDELET is er een klein schilderijtje vol devotie en teerheid van een Bruidje met gebedenboek en sluier, en een verdroomd schilderijtje van een Larensch Meisje.

Een hoogtepunt van de expositie wordt ook gevormd door het schilderij van H.T. DE COURT ONDERWATER, Huizer vrouw voor spiegel; het deftige zwart en wit maken dit schilderij, ondanks dat het een beeld geeft op den rug gezien, van het grootste belang. Het is deftig en uiterst boeiend. Het portret Larensche Vrouw is prachtig van licht en expressie en klassiek van wezen.

WIGGERS is vertegenwoordigd met een wonderlijk landschap met opkomende maan, zeldzaam zuiver van atmosfeer. Van AUGUST LEGRAS is een Marokkaansch schilderij, waarin de Oostersche sfeer zeer raak is getroffen met de felle tegenstellingen van licht en schaduw.

Met HART NIBBRIG komt men bij een schildersfiguur die zich los gemaakt heeft van de Haagsche School. Hij is vertegenwoordigd door den expressieven Kop van een Larenschen Boer en een typisch violet landschap, Gezicht op den Brink. Ook hij was een schilder van beteekenis.

Van PROF. DERKINDEREN hangt op deze tentoonstelling een geniale schets voor het groote schilderij de Processie, dat in het Stedelijk Museum te Amsterdam hangt.

De pas overleden Larensche schilder S. BOSCH REITZ is vertegenwoordigd met een groot doek, voorstellende het uitgaan van het oude R.K, Kerkje te Laren. Een typisch gestyleerd schilderij, vol karakter.

Twee allerfijnste bloemstukken, wonderen van kleur en atmosfeer, en wat de steenen en glazen potten betreft van een volmaakte stofuitdrukking, zijn gehangen van F.G.W. OLDEWELT.

Van VAN REGTEREN ALTENA zijn twee karakteristieke schilderijen aanwezig, een kop van een boer en van een boerenvrouw, waarin de psychologische expressie treft.

Twee vreemdelingen. Er zijn op deze expositie twee vreemdelingen, die langen tijd in Laren hebben gewerkt. Daar is van den uitnemenden Noorsch-Amerikaanschen schilder M. BORGORD, die een speciale studie maakte van het schilderen van het Larensche boeren type, een zeldzaam goed schilderij aanwezig van zulk een type. Een bijzonder sterk staaltje van het kunnen van dezen schilder, die zijn opleiding in Parijs heeft gehad.

Van den Amerikaan C. SNIJDER is een schilderij gehangen van een Huizer Meisje, dat fijn van toon is, mooi van uitdrukking en zeer knap van penseelvoering. Het doet Frans Hals-achtig aan.

Tot de echte Larineezen terugkeerende komen we bij mejuffrouw CHR. VAN DER WILLIGEN, de Larensche bloemenschilderes van wie een mooi waterverf bloemstuk aanwezig is. WILLEM STEELINK toont zich in zijn schilderij Schapen in een Beukenlaan een talentvol volgeling van Anton Mauve.

Ook aan de nog maar kort geleden overleden Gooische schilders heeft de commissie aandacht geschonken. Van M. DE GROOT is er een bloemstuk; van G. DE BOER een zeer goed, mystiek schilderijtje Tuinfeest; van L. VAN DER TONGE een stilleven met gevogelte, dat stamt uit zijn laatsten tijd en behoort tot het beste, wat deze schilder maakte; en van WILLEM VAN SCHAIK een van die prachtige kleinere schilderijtjes, waarvan men ook op de tentoonstelling in de O.L.B verleden week voorbeelden heeft kunnen zien.

Voorts zijn enkele zeer mooie bronzen beeldhouwwerkjes van Eduard Jacobs tentoongesteld. Deze zijn uit het gemeentelijk bezit van Laren.

De eerste jury. In de gang naar de tentoonstellingszaal is een groote origineele teekening opgehangen welke 25 jaar geleden door WILLY SLUITER werd gemaakt van de eerste jury, die bestond uit: Jan Hamdorff, J.H. Kever, L. van der Tonge, Prof. Wolter, Willy Sluiter en Hart Nibbrig. Een meesterlijke teekening, thans van, bijzondere historische beteekenis.

Uit het bovenstaande moge blijken, dat de nu ingerichte tentoonstelling een indrukwekkend beeld geeft van wat de Gooische schilders uit de periode van een kwart eeuw geleden presteerden. Zoo'n collectie komt wellicht nooit weer bijeen. Men verzuime vooral niet, haar te gaan zien.  T.

Nieuwe Bussumsche Courant 14-05-1938    

 

Reageer op dit bericht

18-09-1938 Kunsthandel Sala P.J.C. Gabriel

 

 

 

P. J. C. GABRIEL

Kunsthandel Sala

Paul Jozeph Constantin Gabriël is een te goede bekende, dan dat men deze tentoonstelling op het Noordeinde 96 verrassend zou kunnen noemen; met dat al blijkt zij zeker de moeite van het zien, waard en vooral interessant door de aanwezigheid van 'n aantal vroege stukken. In 't meerendeel dier vroege uitingen herkent men zonder veel moeite het handschrift, zoo niet de visie, van den lateren Gabriël, speciaal in het nauwkeurige, gewogene, volledige der opvatting en in de puntig of sierlijk teekenende wijze waarop onderdeelen zijn vastgelegd.

Kenmerkend voor Gabriêls schrift is bijv. de fijn lyrische studie van boomen, nr. 20, en kenmerkend voor zijn zuiverheid en compleetheid het groote Boschlandschap, dat men vroeger al eens in deze vertrekken heeft kunnen bewonderen.

Maar ik zou, als ik 't niet wist, stellig het jeugdigste werk op de tentoonstelling niet toeschrijven aan dezen meester der Haagsche School, die, terloops opgemerkt, een aparte plaats heeft in het impressionistische kader van zijn tijd en nauwelijks tot de impressionisten valt te rekenen.

Een ongedateerd wintergezicht op circa twintigjarigen leeftijd geschilderd onder kennelijken invloed van Schelfhout. Knap is het zeker, vooral in de weergave van de lucht, maar in zijn romantische zakelijkheid toch tevens conventioneel en met ‘n bijsmaakje van het twijfelachtige der kleur eener oleographie. Juist dat laatste is verdwenen uit het boven gereleveerd Boschlandschap, dat meer sober en tegelijk rijker en zuiverder is van coloriet en dat heel ferm en gevoelig werd voorgedragen, bij alle uitvoerigheid ook ruim en statig werd gehouden. De tegenwoordige "nieuwzakelijken" zouden van dit doek een en ander kunnen leeren.

Weer later van dagteekening zal het Landschap met plas aan den wand hiertegenover zijn (nr. 4), waaruit de toenemende neiging tot een samenvattende, groengrijzige toonkleur spreekt. Het aantrekkelijke korenveldje ernaast wijkt nogal af van Gabriëls gewone doen, maar de meeste werken toonen een geleidelijke en duidelijke, logische ontwikkeling, die gaat van het uitvoerig gladde, illustratieve of panorama-achtige Wintergezicht tot aan een subtiel, tegelijk strak en vloeiend geschilderd en tonalistisch fraai gebonden stemmingsbeeld als nr.41. Zomermorgen in de achterzaal.

In zijn lateren tijd is Gabriël bovenal schilder van de eenvoudigste gegevens en van de open ruimten en wijkende verten, schilder van de polders en de groote plassen, voor wien de recht overeind staande molen of palingfuik, het opschietende riet of 'n visschend figuurtje in een boot een middel beteekende, om de horizontale uitgestrektheid en onbepaaldheid van het landschap door het kantig bepaalde, vertikale accent een grootere suggestie te verleenen.

Impressionist is hij slechts voor zoover dit begrip vereenigbaar is met de zeer kalme stemming, de nauwlettende aandacht, de min of meer beschouwelijke gesteldheid van zijn werk. De schok van het moment, de gloed of bezetenheid der kleur en het verlekkerd zijn op de smeuïge verf wordt bij hem niet gevonden. Schilderde hij soms in een vrij zware pâte of een donker gamma (zie het prachtig klein paneeltje van violen), vaker werkte hij in lichte grijzen en in een dun aangebracht, welhaast onstoffelijke materie.

Het komt mij dan ook voor, dat Gabriël het meest bewondering vraagt in zijn aquarellen, waarvan een uitstekend specimen in Pulchri te genieten viel en waarvan ook deze tentoonstelling mooie voorbeelden toont, men lette in 't bijzonder op nr. 8. met de ophaalbrug. Een reeks van werken in zwart en wit doet tevens beseffen, hoe vaardig en gemakkelijk hij het krijt hanteerde.

Jos. de Gruyter.

het Vaderland 18-09-1938

 

Reageer op dit bericht

23-11-1938 Kunsthandel Sala Bijzondere werken van Breitner

 

 

 

Werken van leden der Hollandsche Teeken Mij

KUNSTHANDEL SALA

Bijzondere werken van Breitner

De kunsthandelaar D. Sala is een man, die nog leeft in de tijden van de Haagsche school. Veel van die schilders heeft hij in zijn jonge jaren gekend en vooral voor het werk van G. H. Breitner heeft hij een groote bewondering.

Nu zal men dadelijk kunnen opmerken, dat Breitner, strikt genomen, niet tot de Haagsche school behoort. Immers is hij een Rotterdammer, die ten slotte de groote schilder van het wordend Amsterdam is geworden. Maar hij was aanvankelijk toch verwant aan Jacob Maris en Willem de Zwart, wel een typische Hagenaar en leerling van Jacob Maris, vertoonde weer overeenkomsten met Breitner.

Zoo kan men zeggen, dat de schilderijen, welke de heer Sala bijeen heeft gebracht als "werken van leden der Hollandsche Teekenmaatschappij" de Haagsche school vertegenwoordigen en de Breitners beslaan er de grootste plaats in. Dit uit een bewuste voorkeur van den eigenaar voor het werk van dien meester.

Breitner is de schilder van het wordend Amsterdam, van paarden en figuur. Hij ziet Amsterdam levend, met zijn grachten en straten, met zijn huizen en oude ophaalbrug, maar ook met zijn heistellingen en locomobielen. Breitner ziet de hoofdstad in actie, in zijn uitbreiding, in zijn vreugde van Hartjesdag. als de vrouwen zich tooien met kleurige mutsen en roode sjerpen.

Maar hij kan ook een ruiter op een paard plaatsen, stevig en vastberaden en een heele cavalerie - een donker doek - voor ons opstellen. Dat alles doet hij sterk en forsch, met een zekerheid, die verbluft doet staan. Die zekerheid van opzet, van kleur en van psychologie, vindt men vereenigd in de twee vrouwefiguren in de sneeuw, een groot, machtig werk van 150x100 cm. Hoe uitstekend zijn deze wezens getypeerd en hoe raak zijn de oogen. Tegen het wit van de sneeuw komen de kleuren van mantels en rood-bruinen rok der grootste vrouw met het lichte bont scherp uit. Maar toch is alles een eenheid gebleven. Dit is een werk, dat in een onzer musea behoort.

Van Willem de Zwart, den colorist, staat een innig stilleven voor het raam, rijp van kleur en binnen vindt men van hem een boerderij met varkens, een schilderij vermoedelijk uit den tijd, toen hij in Loosduinen woonde.

Jacob Maris, de oudste der drie broers, is met drie werken vertegenwoordigd. Het eene is een klein schilderij uit 1872, een schuur, waarop een duif; een vrouw er voor en wat boomen vormen den achtergrond. Romantisch is een grooter landschap met maan.

Het derde werk is een kleurige studie van een visscher met rechts het portret van Thijs Maris met hoogen hoed. Draait men dit schilderij om, dan ziet men potloodsehetsen door Thijs, rake figuurtjes en koppen. Een vroege Thijs Maris, een 1856 gedateerd schilderij uit Wolfhezen, toont, dat de toen 17-jarige schilder een buitengewoon talent had. Hoe goed van kleur is dit heuvellandschap gedaan.

Van den jongste der Marissen, Willem, hangen hier twee werken, die hem doen kennen als den erkenden schilder van eenden bij een plas en een grooter doek van twee koeien bij het water, levend werk vol bekoorlijkheid het eerste en krachtig van opzet het tweede.

P.J.C. Gabriël blijft een fijnvoelend schilder, die telkens bekoort met zijn landschappen en waterpartijen vol atmospheer.

Stemming heeft Th. de Bock bereikt in zijn groot doek van boomen aan het water en zeer fijn van toets zijn de bloemen in een groene vaas, welke op een tafel staat, door J.S. Kever. Een zeer bekoorlijk schilderij.

Van Isaac Israëls vindt men hier twee werken uit Indië: danseressen op een rij zittend en den in een mooien toon van zwarten en bruinen geschilderden gamelangspeler. Dit laatste werk vooral is een bijzonder staal van zijn kunst.

Rest mij nog te vermelden een fijn werkje van den Franschen schilder Signoret uit 1891. een landschap met boomen en twee varkens. De tentoonstelling sluit 30 November. Afbeelding: Vrouwen in de sneeuw, van G. H. Breitner.

het Vaderland 23-11-1938

 

Reageer op dit bericht

08-12-1939 Kunsthandel Sala tentoonstelling Patty Heyningen

 

 

 

Patty van Heyningen

KUNSTHANDEL SALA

Opmerkelijk is deze tentoonstelling van een vijftienjarige zeker, al wordt zij niet met zooveel paukengeroffel aangekondigd als de exposities van sommige internationaal befaamde "wonderkinderen", al loopt het derhalve niet storm bij den heer Sala en al vindt men er geen onkies stalletje bij den ingang voor den verkoop van prentbriefkaarten van gereproduceerde meesterstukken.

Wat ons inmiddels verheugd, zoals de gezonde argeloosheid van het getoonde kan verheugen. Een "wonderkind" in den gebruikelijke zin van 't woord is Patty van Heyningen niet. Haar voortbrenging heeft niets van het weliswaar verassende, maar tevens argwaan wekkende mediamieke van bijv. Roswitha Bitterlichs werk. Het toont een aangename levendige afwisseling in de keuze der onderwerpen, al bepalen deze zich voornamelijk tot stillevens, het toont mede afwisseling in de kleurstelling en de wijze van schilderen, maar het is kennelijk van A tot Z product van één en dezelfde, voor natuurindrukken ontvankelijke opgewekt daadlustige en weinig samengestelde mentaliteit.

Wie tuk is op occulte verklaringen van artistieke vroegrijpheid, komt dus op deze tentoonstelling bedrogen uit. Het werk benadert soms dat van den eveneens zeer vroegrijpen inmiddels eenige jaren geleden reeds (in 1932) gestorven Patrick Bakker, wiens nagelaten schilderijen en teekeningen men o.a. in den kunsthandel Goudstikker en het Museum Boymans heeft kunnen zien. "Pattys" werk toont echter niet het imaginatief kleurvermogen en de geestelijke spanningen die men al in de vroegere uitingen van "Pat" kon waarnemen en die zijn werk uit de laatste jaren voor zijn dood een soms nagenoeg visionair accent verleenden; eerstgenoemde houdt zich veel meer, men mag wel zeggen geheel en al, aan 'n trouwhartig, Nederlands realisme of impressionisme.

Maar in het wezenlijk picturale der instelling, in de frissche spontane onbevangenheid van het reageeren op zichtbare verschijningsvormen, in het gevoel voor ruimte en atmospheer en vooral in het wonderlijk gemak van schilderen, het handig vlotte raak en fiks neerzetten van de verf, hebben deze beiden ontegenzeglijk iets gemeen.

Patrick Bakker ving op negenjarigen leeftijd aan met schilderen; Patty van Heyningen blijkt nog vroeger van wal te zijn gestoken, men vindt althans op de expositie een luchtige kleine schets van een boerin buiten, die blijkens den catalogus - en het klinkt aannemelijk - werd gemaakt toen zij zes was.

Het feit dat een grootvader schilder van beroep is zal uiteraard van invloed zijn geweest op dit vroege beginnen en hieraan zal ook ten deele moeten worden toegeschreven, dat het aanwezige niet een zoekend of overmoedig karakter heeft, maar ondanks kleine schommelingen een bepaalde gelijkmatigheid aan den dag legt en den indruk wekt van 'n rustig, geanimeerd, verzekerd op zijn doel afgaan.

Overigens is het werk der jeugdige exposante hoe aantrekkelijk en vaardig in verschillende gevallen - zie bijv. het open stilleven met azalea nr. 5, en het gulle, met tinnen kandelaar, nr. 7 - nog niet ontwikkeld genoeg in een persoonlijken zin, om met zekerheid te voorspellen wat er eventueel uit zal groeien.

Dat zij door moet gaan met schilderen, spreekt m.i. vanzelf; dat zij veel mee heeft gekregen van wat anderen zich slechts met moeite kunnen eigen maken, is eveneens duidelijk.

Wanneer Patty van Heyningen zich later geheel aan het schilderen geeft, zal zij wat dieper op haar gegevens moeten ingaan, haar doeken eens langduriger moeten vasthouden; aldus kan zij een vergeeflijke neiging tot te groote vlotheid van doen kunnen overwinnen, en incidenteel zal het werk er waarschijnlijk persoonlijker door worden.

De in beginsel altijd aanwezige kans, dat dit talent tenslotte tot niets zou komen, op niets zou uitloopen, lijkt mij vrijwel uitgesloten. Twee kleine critische opmerkingen nog: het meestal gevoelige coloriet is een enkel maal aan den bonten kant, d.w.z, meer kleurig dan kleurrijk, en de neiging de achtergronden heel dun te schilderen, de voorwerpen daarentegen te empateeren, hoewel vakkundig niet a priori verwerpelijk, wordt weleens overdreven en zou op den duur in een maniertje kunnen vastloopen.  

Jos. de Gruyter.

het Vaderland 08-12-1939

 

Reageer op dit bericht

03-07-1941 Kunsthandel Sala een nieuwe Kelder

 

 

 

Een nieuwe Kelder. In den kunsthandel Sala.

"Het kunstwerk is geen overrompeling, maar een overreding," zei Plasschaert eens bij de opening eener tentoonstelling van Toon Kelder, jaren geleden nu, "Het moet over ons komen als een langzame dauw over een verwachtend land; als een rijpende regen over groeiende vruchten." De woorden zijn mij bijgebleven vanwege hun algemeene dichterlijke juistheid, - Plasschaert was vaak juist, en altijd dichterlijk - maar gingen zij wel geheel op voor het toenmalige werk van dezen schilder? Waren zij niet een weinig voorbarig?

Hoe dit zij, zij kunnen thans zuiverder gelden dan acht jaren geleden, toen Plasschaert de bewuste expositie inleidde op de hem karakteristieke wijze. Want Kelder overrompelt steeds minder en overreedt steeds meer. Hij groeit steeds meer naar den eenvoud toe, niet naar den schralen eenvoud der geduldige Puriteinen onzer schilderkunst, maar naar den rijpen, warmen, klassieken eenvoud, die meer of minder het kenteeken is en was van alle kunst van beteekenis.

Bij Sala kan men een nieuw naakt van zijn hand zien en het pleit al dadelijk voor deze schilderij, dat zij 't uitstekend uithoudt tusschen twee Breitners en in de omgeving van andere mooie stalen der meesters van de Haagsche School. Het is niet een naakt in etherische tinten en rustend op 'n wolk van kleurdampen, zelf nagenoeg vervluchtigd tot een geur van herinneringen, en een muziek van verlangens, languendo en dolce van stemming, als die uit den tijd toen Plasschaert sprak. Het is ook niet het meer bacchantische naakt in een tinteling, een sproeiing van kleuren en licht, zooals Kelder het wel geschilderd heeft. Het mag veel reëeler en solieder heeten, veel hechter verankerd in de concrete verschijningsvormen van het leven dan de eerste categorie, en terughoudender voornamer bezonkener dan de tweede. Vooral bezonkener, beter dan enige andere term drukt dat woord misschien de richting uit waarin de schilder zich beweegt.

Hij ontlaadt zich minder in reeksen van doeken, hoopt zijn krachten meer op in enkele hoofdwerken, waar kennelijk lang aan gearbeid wordt. De voorstelling wordt beperkt tot weinige gegevens, het kleurenspel vereenvoudigd, en noch in de visie, noch in de uitvoering is er eenige poging gedaan de natuur als het ware opsierenderwijs te verfraaien. De briljance van vroeger, die weleens kunstmatig kon aandoen, heeft plaats gemaakt voor een sobere weligheid, een statigen eenvoud; de techniek heeft een plan bereikt, waarop zij niet langer als zoodanig merkbaar is, niet langer geëtaleerd wordt, maar enkel de innerlijke expressie steunt en draagt, zoodat "vorm" en "inhoud" elkander volledig dekken. Want in het steeds hooger opvoeren van zijn beeldende middelen is Kelder allerminst, als menigeen tegenwoordig, in de techniek gevlucht; deze is hem middel gebleven en niet tot doel geworden, is hem thans zelfs vollediger een middel dan vroeger.

Het doek bij Sala geeft een staande vrouw te zien met opgeheven armen, op het punt zich aan te kleeden. De achtergrond werd rustig gehouden, in breede vlakken gedaan, en de kleuren van het geheel zijn vleeschtinten en grijzen, met een spaarzaam bruin en geel en een suggestie van zilverig blauw in het kleedingstuk boven het hoofd. Een prachtig rijp werk, dat herinneringen kan wekken aan Delacroix, hoewel het stiller is dan de overvloedige, soms dramatisch gestemde naakten van den Franschman. Ongetwijfeld komt in dit stille en zinnende Kelders Nederlandsche aard tot uiting, zijn Fransche oriëntatie in algemeenen zin ten spijt Jos. de Gruyter.

 Kunsthandel Sala 03-07-1941 

 

Reageer op dit bericht

20-11-1936 Kunsthandel Sala tentoonstelling Bernard de Hoog 70 jaar

 

 

 

BERNARD DE HOOG 70 JAAR. BUSSUM. De kunstschilder Bernard de Hoog, die vele jaren in Bussum heeft gewoond, is vandaag 70 jaar. De Hoog is geboren te A'dam en was aanvankelijk voor den handel bestemd.

Tot zijn 20e jaar was hij op kantoor, zijn leermeesters J. v. Essen en J. Huik die in hem in zijn vrijen tijd les in teekenen gaven, wisten zijn familie van zijn talent te overtuigen. Bernard vestigde zich spoedig te Laren, waar hij in de kring van Neuhuys en Kever werd opgenomen.

Zijn binnenhuizen en bloemenstillevens verwierven een uitstekende reputatie; hij heeft talrijke Gooiers in allerlei leeftijden geschilderd; zuigelingen, spelende knapen en meisjes, jongelingen, jonge moeders, oude boerinnen en boeren.

Veel van zijn werk is naar Amerika verkocht. De Hoog heeft van zijn 35e tot 55e jaar te Bussum gewoond aan de Nieuwe Hilversumscheweg. Zijn ruim huis was een middelpunt van vele bewonderaars van kunst en kunstenaars.

Er is ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag een tentoonstelling in de Kunsthandel Sala in zijn tegenwoordige woonplaats Den Haag geopend.

De Bel 20-11-1936

 

 

Reageer op dit bericht

26-02-1941 Kunsthandel Sala De Zwart Breitner en Anderen

 

 

 

De Zwart, Breitner en anderen

KUNSTHANDEL SALA

Een koeiekop van Willem de Zwart. Een van de boeiendste werken op deze tentoonstelling is de vermoedelijk betrekkelijk vroege studie naar een koeiekop door Willem de Zwart. Het woord studie is hier feitelijk niet op zijn plaats, voor zoover het een voldragen schilderij betreft, dat in gedachte een vergelijking uitlokt met den niet minder grootschen ramskop van omstreeks 1863 door Matthijs Maris, dien men op de Maris-tentoonstelling eenige jaren geleden hier ter stede heeft kunnen bewonderen.

Beide werken zijn breed en gul geschilderd in een rijpe, volle factuur en even verantwoord van bouw als van stofuitdrukking; het verschil ligt hierin dat Thijs Maris' ramskop veel milder is van geestesgesteldheid.

De runderkop bij Sala heeft, in overeenstemming met het afgebeelde dier maar toch mede in overeenstemming met het temperament van den schilder een meer klemmend, hevig en duister aspect. De kop werd drie-kwart genomen, groot in het vlak geplaatst en als het ware van vlakbij gezien; de vuilwitte vacht van voorhoofd en neusrug steekt scherp af tegen den zwarten achtergrond.

Indrukwekkend is de wijze, waarop Willem de Zwart de ingehouden aggressieve kracht van het dier in dit soliede, forsche en degelijke schilderij heeft gesuggereerd. Hoewel de kunstenaar ook andere kanten vertoont treft zijn hevigheid vaak het meest.

Plasschaert vergeleek de "stroomende" lijn zijner teekeningen met die van den hartstochtelijken Vincent. Incidenteel doet ook dit werk aan Van Gogh denken, minder evenwel door de lijn of de structuur, als door de kleur, die verwant is aan die van Van Goghs vroege periode. Er zijn dezelfde diepe grijzen en grijs-zwarten, waar okers en olijf tinten doorheen spelen. Maar er is toch tevens een mate van verwantschap met Vincent in het "boetseerende" van den toets, in het eenigszins getourmenteerde van de teekening en in den indruk van saamgedrongenheid van opgehoopte bedwongen kracht, dien het doek bij den beschouwer wekt.

Aan het schilderij schijnt een anecdote van niet opwekkenden aard verbonden, de moeite van het vermelden waard. De Zwart heeft het klaarblijkelijk geschilderd niet naar een levend dier, maar naar een koeiekop, dien hij bij den slager zag hangen en voor de som van acht gulden verwierf. Het geld zal hij wel geleend hebben, in ieder geval moest hij het zoo snel moge!ijk weer in handen zien te krijgen, en toen hem gevraagd werd wat het schilderij moest opbrengen, berekende hij zijn kosten als volgt: acht gulden voor het model, twee voor de verbruikte verf, in totaal dus tien. Maar degeen, die informeerde, vond den prijs veel te hoog en vertrok! En dus zag de schilder zich genoodzaakt bij een latere gelegenheid nog iets minder te vragen en het werk voor negen gulden uit handen te geven....

Van De Zwart ziet men hier voorts een vrij groot doek met weiland, een vaart, een schuit en bezige menschen, doek, dat in zijn heldere en sterke, haast stootende kleuren een coloristische tegenstelling vormt met het zoo juist besprokene.

Verder o.a. een aquarel en een olieverfwerk naar precies hetzelfde gegeven, "Dekkersduin". Heeft de schilder het laatste naar het eerste gemaakt? In dat geval is het interessant na te gaan, hoe hij daarbij het motief in een geheel andere gemoedsstemming transponeerde; want denkt men bij de aquarel aan een grijzen, wilden dag, het strakkere, tonalistisch minder fijne schilderij spreekt van helder vlak zonlicht.

Van Breitners liefde voor het paard als schilderkunstig motief geeft de tentoonstelling een welsprekend beeld, door de aanwezigheid namelijk van twee superieure aquarellen; teekenend is mede, dat het op de vroegste dezer beide aquarellen soldatenpaarden betreft, op de andere daarentegen Amsterdamsche trekpaarden. In zijn eerste bloeiperiode toch beheerschte het soldatenpaard het grootste deel van Breitners voortbrenging. Gaf hij het meestal weer in felle actie, op het hier getoonde blad werd een moment van ontspanning gekozen: drie cavaleristen zien uit over een heidevlakte en schijnen rustig te beraadslagen of te causeeren.

De technische beheersching van dit werk is onvolprezen. Zooals die ruiters op hun paarden zitten, zoo stevig, ferm en toch gemakkelijk, zoo doelbewust en toch ongeposeerd, zoo werd ook de geheele voorstelling raak neergezet in vrije en breede, toch exacte, beheerschte vlakken; direct, zonder aarzeling, maar ook zonder eenige opgeschroefdheid. Feilloos is de zekerheid van visie en uitvoering, gul en gezond het levensgevoel, sterk en fijn de zachte, voorname kleur, en prachtig de suggestie van wijdheid.

En dit alles schijnt bereikt met de eenvoudigste en meest voor de hand liggende middelen zonder spoor van trucage. Er zijn uiteraard nog verschillende andere Breitners, als de aquarel van een zittenden Neger, verschillende stadsbeelden en, het nagenoeg visionnair, nagenoeg expressionistisch doek van twee vrouwen in de sneeuw.

Melden we tevens een zeer beschaafde Mauve - landschap met ploeger in schemer-stemming - en een gevoelig kopje door Suze Bisschop Robertson, dat aanrakingspunten vertoont met Thijs Maris, met Paula Modersohn en met den lateren Mankes; voorts van de verschillende werken van Willem Maris de coloristisch bijzonder fijn doorgewerkte aquarel van een koe aan den slootkant en van Weissenbruch enkele kleine landschappen.

Ook Fantin Latour, Klinkenberg en Toon Kelder zijn vertegenwoordigd; de eerste door een gave en sensitieve naaktfiguur, de laatste o.a. door een expressieve Kruisiging bij maanlicht, rijk aan stemming.

Jos. de Gruyter

het Vaderland 26-02-1941

 

Reageer op dit bericht

12-11-1941 Kunsthandel Sala Toon Kelder

 

 

 

 

MOEDER EN KIND (Foto Ding jan)

Klassieke eenvoud en grootheid

TOON KELDER - KUNSTHANDEL SALA

In zijn beste stukken van thans weet Kelder het innige en het monumentale, het eenvoudige en het weelderige op zeer gelukkige wijze te doen samenvloeien.

Zijn kunst onderscheidde zich reeds lang door een hier te lande ongewone neiging naar het somptueuze, een bij tijden mondain geaccentueerde artisticiteit en een welluidendheid van kleuren, die zich ordenen tot een verzadigde, "Venetiaansche" harmonie. Deze elementen zijn ook te vinden in wat hij thans maakt, maar zij zijn niet langer hoofdzaak. Zij zijn niet het eerste en laatste van wat men ziet en vormen meer een achtergrond, achtergrond van geestelijke samengesteldheid en picturale phantasie, waartegen de klassieke eenvoud en grootheid dezer kunst een verhoogd reliëf krijgen.

Reeds voor het uitbreken van den oorlog kon men een inwaarts- wending in het werk bespeuren en de oorlogsjaren hebben Kelder merkbaar verdiept. Veel is weggevallen van wat kostbaar leek en ook inderdaad zijn waarde had, met dat al niet tot het essentieele - het essentieelste - behoort.

Dit proces zal zich ongetwijfeld nog in de toekomst voortzetten, maar reeds thans is er een menschelijkheid in deze kunst gekomen, die den smaak en zwier van eertijds doen vergeten. De doeken ontstaan ook heel veel langzamer en de drang gaat minder dan vroeger uit naar de groote formaten; de kleine schilderijen zijn niet langer schetsen, coloristische notities of compositorische aanloopen, maar even rijp en bezonken als de hoofdwerken.

Men zie wat het laatste betreft, het luchtige, evenwel heel gave "Renée bellen blazend", het kleine staande naakt, 't doekje der rozen nr. 13 en bovenal het mandje met fruit (nr. 3), prachtig doorwerkt in gedempt glanzende, warme kleuren, die veel van den adel van een Chardin hebben.

Inmiddels zijn twee groote doeken, waarvan er een, het groote naakt, reeds eerder werd besproken, toch nog het belangrijkst. In het andere, een dubbelportret van des Kunstenaars vrouw en dochtertje, is een stilte, een wijding gekomen, zooals wij van dezen schilder nog niet kenden, ook al ging een vroeger getoonde familiegroep eenigszins deze richting uit.

De kleuren zijn blauwig grijs, grijswit, bestorven lila en vleeschtint, tegen donkeren achtergrond; de vormgeving is relatief strak en vast, op niet nadrukkelijke, overal gevoelige bezielde wijze. De moeder snijdt een boterham en de kleine kijkt aandachtig toe.

Het bewegingsmoment van de handen der moeder werd nauwkeurig vastgelegd en kan uit realistisch oogpunt volkomen "verantwoord" heeten, met dat al treft niet een werkelijke actie, maar een haast onwerkelijke rust. Want het gebaar is uitgetild boven de sfeer der dagelijksche bezigheden en verkreeg een ontijdelijke beteekenis, een symbolieke waarde.

Het brood werd niet enkel schilderachtig, maar ook religieus gezien; het is in wezen het bijbelsche brood, noodzakelijk voor de instandhouding van het leven. En de moeder weet het en voelt een vreemde kracht van verantwoording in zich, terwijl zij voortgaat met den nuchteren elken dag weerkeerenden ritus van het snijden in plakjes.

Kelder was nooit eenvoudiger en liefderijker dan in dit schilderij, en in zekeren zin ook nooit meer Nederlandsch, voor zoover het doek onwillekeurig het voorbeeld van den - overigens Zuidelijk beïnvloeden - Vermeer voor den geest roept. Nooit heeft hij de werkelijkheid zoo geheel aanvaard, om haar slechts dienstbaar te maken aan zijn gevoelsinzicht, zijn verbeelding, zijn zin voor harmonie en schoonheid.

Onderdeelen als het kinderkopje en de witte kan zijn verbazend knap geschilderd, maar men vergeet de kunde om der wille van de sfeer, de expressie. De vormen zijn breed en stijlrijk gegeven, geboetseerd door het als gezeefde licht, en de bijna kleurlooze tinten klinken tezamen tot een plechtig, rustig licht-en-donker. De voordracht had ook kunnen blijven steken in de behaaglijke schilderachtigheid indien niet de hunkering naar het essentieele en het volstrekte zoo sterk was geweest.

Dit werk geeft de plaats aan, waar Kelder momenteel "staat", daarom zou men zich in feite kunnen bepalen tot een bespreking van dit schilderij.

Toch willen we nog enkele andere volledigheidshalve releveeren. In de eerste plaats Renée met de bloemen, een uiterst beminnelijk doek - hoevelen konden het schilderen zonder zoet te worden? - voorts het zeestuk en het landschap, met de machtige bewogenheid der luchten en de eenzaamheid der horizonnen, en ten slotte de Don Quichot nr. 4, In zijn spookachtige dramatiek ver uitgaande boven de speelsch ironische of weemoedige vertolkingen van den held van Cervantes verhaal, welke Kelder vroeger heeft geschilderd en die toch ook reeds hun bekoring hadden.

Een tentoonstelling die er zijn mag, om het zwakjes, heel zwakjes, te zeggen. Zij duurt tot 3 December.W. Jos de Gruyter.

het Vaderland 12-11-1941 

 

Reageer op dit bericht

Meer van SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

↑ Terug naar de berichten