Naar de inhoud

SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

SALA familie Sala - Visino - Pognana - Tavernerio - Roveredo - Pusiano
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 15 juli 2011

01-03-1960 LEIDSE SCHILDERKUNST

 

 

Op ons verzoek schreef de heer J. N. v. Wessem, directeur van Leidens Stedelijk Museum ,"De Lakenhal", een beknopt overzicht van „honderd jaar Leidse schilders", waarin de voornaamste facetten van de achter ons liggende eeuw zijn samengevat.

Leiden heeft in de geschiedenis der vaderlandse schilderkunst een grote naam, zowel in de overgang van Gotiek naar Renaissance als in de zeventiende eeuw. Om slechts enkele namen te noemen: Cornelis Engebrechtsz en zijn vermaarde leerling Lucas van Leijden, later gevolgd door Van Swanenburch, waarna een glorieus hoogtepunt volgt met reputaties als Rembrandt, Van Goyen en Jan Steen. Na de typisch-Leidse „fijn-schilders" Gerard Dou, Brekelenkam en Frans van Mieris bepaalde een latere generatie van de familie Van Mieris in sterke mate de kunst van de achttiende eeuw.

Bijgaand artikel van de heer Van Wessem behandelt de daarop gevolgde periode tot in onze dagen.

LEIDSE SCHILDERKUNST

Toen het eerste nummer van het Leidsch Dagblad werd bezorgd in 1860, woonde de belangrijkste schilder van die dagen, A. H. Bakker Korff, sedert 4 jaar in het Turfdragersgildehuis aan de in 1908 afgebroken Paardensteeg, waar hij zijn verrukkelijke kleine meesterwerken schilderde. Er waren wel meer kunstenaars in die dagen, die soortgelijke onderwerpen, interieurs met het intieme leven van hun tijd kozen, maar geen enkele wist op de wijze van Bakker Korff het delicate met het cynische te verenigen. Van karakter driftig en pessimistisch, van voorkomen hoffelijk, bescheiden en eenzelvig, met een groot gevoel voor humor en een scherp waarnemingsvermogen, blijft hij vooral door de subtiele afstemming van de kleur en de nooit falende tekening onze bewondering vragen.

Zijn vroegste werken tonen een sterk romantische inslag, als onderwerpen koos hij toen momenten uit de vaderlandse geschiedenis of de mythologie, aanvankelijk vrij ruw geschilderd met een vet-bruin als dragende kleur. Nadat hij enige jaren het schilderen er geheel aan gegeven had, hervatte hij zijn loopbaan in 1856 en vanaf die tijd ontstond de reeks werken, die hem terecht beroemd heeft gemaakt. -Zijn bijna 10 jaar oudere tijdgenoot J. L. Cornet bleef de romantiek zijn leven lang trouw, ook toen, naar vooral Haagse voorbeelden, het gevoelige afwegen van de kleur het van de tekenachtige stijl ging winnen.

In zijn onderwerpen (Paulus Potter tekende naar de natuur, en het fraaie „schildersatelier") en in zijn techniek, zette hij de traditie, smaakvol en gereserveerd, met een grote kundigheid, voort. -Behalve als schilder is Cornet een stuwende kracht geweest bij de heropleving van het Leidse schilder- en tekengenootschap Ars Aemula Naturae, dat vanaf 1860 weer een geringe jaarlijkse bijdrage van het gemeentebestuur ontving, nadat de letterkundige J. Kneppelhout een jaar tevoren 2 vertrekken aan de Pieterskerkgracht ter beschikking had gesteld, waardoor weer regelmatig lessen gegeven konden worden.

Bakker Korff en Cornet waren verreweg de belangrijkste Leidse schilders 100 jaar geleden. Zij sloten aan bij de algemeen geldende tendenties van hun tijd, en tegelijkertijd aan de nog levende traditie van de Leidse fijnschilders uit de Gouden Eeuw, die vooral door de Van Mierissen en Van der Mij in de 18-de eeuw levend was gehouden.

Hun tijdgenoot, G. J. Bos, was een veel bescheidener talent, die in zijn beste werken toch een poëtische gevoeligheid bereikte en een beeld van het Leiden van zijn tijd voor ons vast wist te houden, zoals het sympathieke paneeltje van de Beestenmarkt laat zien. Van veel minder talent geeft J. C. Greive blijk, die aan de ontwikkeling van zijn tijd geen deel had, en wiens werken alleen archivalische waarde bezitten.

Schitterende synthese van beheersing en hartstocht

De volgende generatie leverde de grootste Leidse schilder van de afgelopen eeuw op, één van de grootsten van zijn tijd: Floris Verster, die in 1861 werd geboren. Zijn werk en leven waren nauw aan Leiden verbonden en zijn typerend voor de aristocratische, overgevoelige en zelfbewuste kunstenaar, waarvan wij het type in dezelfde generatie ook in andere kunstuitingen ontmoeten. Zijn vroegste opleiding ontving hij van G. J. Bos. Aanvankelijk zien wij invloeden in zijn werk van de Haagse School en van Breitner, van wie hij in 1878/79 op Ars les kreeg. Tot 1895 ontplooit zijn talent zich fel in grote formaten en aangrijpende kleuren. Hoewel hij zich al spoedig tot stilstaande motieven voelde aangetrokken, woedt door zijn vroege werk een diepe onrust. Daarop volgt de periode die gekenmerkt wordt door de wonderlijk-tere waskrijttekeningen.

Na 7903 bereikt hij een schitterende synthese tussen beheersing en hartstocht, en verrijkt hij onze kunst met stillevens, die tot de mooiste van deze eeuw behoren.

Verster reisde weinig en bijna al zijn werken ontstonden in het atelier van Groenoord, waar hij sinds 1891 woonde. Afgezonderd en naast de actualiteit heeft hij geleefd, vereenzaamd is hij gestorven, maar in zijn werken blijven de beste kwaliteiten van onze schilderscultuur leven.

Zijn zwager Menso Kamerlingh Onnes toonde een gelijkgerichtheid in zijn artistieke streven, hoezeer beider karakters ook verschilden. Kamerlingh Onnes was levendiger dan Verster en hij genoot zeer van zijn reizen. Zijn portretten zijn scherp waargenomen, zijn grote composities (zoals het portret van zijn zuster uit 1888) zijn kundig van opzet, gevoelig van sentiment en oorspronkelijk van toon. Maar het zuiverst heeft hij zich uitgesproken in zijn aquarellen van stillevens en bloemen.

In de sfeer van '80, waartoe deze beide kunstenaars gerekend moeten worden, hoorde ook de gevoelige Maurits van der Valk thuis, die in Amsterdam vooral in de eerste jaren van de Nieuwe Gids een grote rol heeft gespeeld, maar die in dit overzicht niet gemist kan worden, omdat hij van 1909 tot 1919 in Leiden, heeft geweend en hier zuivere schilderijen en gevoelige, meesterlijke etsen heeft gemaakt.

Drie jaren jonger dan Verster is Willem van der Nat. die vooral bekend is geworden door de vaak herhaalde motieven met schapen en kalveren. Hij zag scherp maar zijn weergave was niet altijd zuiver en zelden kreeg zijn werk een grote allure. Tot zijn beste werken behoren zijn stadsgezichten zoals de Vlietbrug bij sneeuw. Vooral lokaal heeft zijn werk een goede naam. -Man van naam: H.P. Bremmer

In het hele land heeft H. P. Bremmer, in Leiden in 1871 geboren, veel meer van zich doen spreken, vooral als pedagoog en verzamelaar en als beschermheer van een aantal kunstenaars, die zijn theorie in praktijk brachten. Hij had een bijzonder scherp oog voor oude en moderne kunst, en het mooiste monument dat hij gebouwd heeft is de kern van de wereldberoemde verzameling Kröller-Müller op de Hoge Veluwe. Hij was zijn loopbaan begonnen als schilder met o.a. pointillistische werken, waaruit meer geduld dan creativiteit spreekt. Reeds vanaf 1896 verdrongen zijn vormende activiteiten zijn eigen scheppingen.

Tot de schilders, die hij sterk protegeerde (en wier verdiensten hij en zijn bewonderaars de neiging hadden te overschatten) hoorden o.a. H. A. van Daalhof, die in zijn jeugd een tijdlang in Leiden gewoond heeft, en de geboren Leidenaar Jan Vijlbrief, die talentvol was, maar die door zijn vroege dood (hij stierf 27 jaar oud) niet tot ontwikkeling is kunnen komen. Een van de bekendst figuren rondom Bremmer, Dirk Nijland, heeft tijdens de tweede wereldoorlog een tijdlang in Leiden gewoond.

Leidsch Dagblad 01-03-1960

 

 

 

 

Iets Jonger dan Bremmer is Anthony Coert die op 20-jarige leeftijd van Goedereede naar Leiden kwam, waar hij zijn eerste onderricht in de tekenkunst ontving. Na een tijd in den Haag gewoond te hebben, vestigde hij in 1908 zich voorgoed in Leiden, vanaf die tijd vertoonde zijn werk invloeden van Verster. Vanaf 1921 tot zijn vertrek naar Tunis in 1937 was hij als onderdirecteur en later als directeur verbonden aan de Lakenhal. Hierdoor werd zijn artistieke ontwikkeling afgeremd, omdat zijn activiteit geheel op het museum gericht was. Hij heeft voornamelijk landschappen en stadsgezichten geschilderd met een gevoelige vereenvoudiging van de vorm. Ontroerend is de Leidse gracht die hij in 1938/39 in Tunis schilderde.

Vakmanschap en visie.

Geheel en al Leids lijn de werken van de gebroeders Chris en Loran van der Windt (hoewel zij in Brussel zijn geboren) en A. J. van Driesten. Historisch zijn zij te plaatsen als voortzetters van de Haagse Schaal (Van Driesten heeft veel aan Theophile de Bock te danken). maar het meest kenmerkende is de eerlijkheid, de zuivere blik en de grote vertrouwdheid met hun onderwerpen (vooral landschappen in de buurt van Leiden), waarmee hun werk is opgebouwd.

De vroeggestorven Loran heeft in stillevens met forse kleurstelling het duidelijkst de nieuwe tendenties aangevoeld. Zijn broer en Van Driesten zijn hun leven lang zichzelf trouw gebleven. Hun grooet vakmanschap en persoonlijke visie vonden in het vertrouwde landschap genoeg bronnen om hun kunst levend te houden. Hun  werk is, zoals dat van Van der Nat, in Leidse verzamelingen zeer geliefd.

Door de kunsthandels van Tersteeg en Sala en door de aandachtige beschouwingen van de criticus Karel de Boer is het ver daarbuiten bekend geraakt. In zijn zelfportret heeft Chris een boeiend document humain achtergelaten, zijn etsen tonen een delicaat aspect van zijn talent. van driesten weet te boeien door zijn zuivere toon en het weglaten van ieder effectbejag.

Zijn deze drie kunstenaars geheel en al Leids, hun tijdgenoot M.J.B. Jungmann is een geboren Rotterdammer. Hij heeft lange tijd in Noordwijk gewoond en is nu in Leiden gevestigd. Deze merkwaardige man, die een unieke verzameling heeft opgebouwd, schilderde prachtige stillevens, die praktisch onbekend zijn, maar een beter lot verdienen.

De 20 jaar later geboren Lode Sengers, was eveneens Rotterdammer van geboorte, maar ook hij heeft geruime tijd, tot zijn vroege dood, in Leiden gewoond. Behalve als graficus (illustrator) is hij vooral als monumentaal kunstenaar werkzaam geweest in een tijd, dat de bouwkunst de decoratie slechts schoorvoetend toeliet. Zijn steeds slechter wordende gezondhied heeft de spirituele kunstenaar belemmerd tot volledige ontplooiing te komen.

De in 1911 in Velp geboren Pieter Geraedts woont sinds jaar en dag in Warmond. Zijn vader Wynand had in katholieke kringen een goede naam als kerkschilder. De zoon nam deze reputatie over, maar ontwikkelde een eigen stijl, vooral als glazenier. Zijn gemakkelijke talent om grote composities te beheersen verleend ook aan zijn vrije werk een persoonlijke charme.

Knap psycholoog -

H.H. Kamerlingh Onnes, de ongekunstelde verbeelder van "gewone" taferelen die niet triviaal zijn, niet gewild naïef, is niet alleen de zoon van een Leids schilder, maar woont sinds enige jaren weer vlakbij onze stad. hij hoort tot de Leidse kunst, al zou het alleen maar zijn door het intieme karakter van zijn werk, hij stoort zich niet aan richtingen en "ismen" maar zijn werl bezit een grote waarde door de hoge kwaliteit en de subtiele weergave. In zijn portretten (o.a. van Leidse hoogleraren) toont hij zich een van de knapste psychologen onder onze schilders.

Hij is wel het tegendeel van de gedreven Tinus van Doorn, die een tijdlang in Oegstgeest heeft gewoond en die voor alles naar vrijheid zocht. Zijn gefolterde geest zocht bevrijding in idyllische landschappen en geschilderde droomgezichten, die zijn eenzaamheid niet konden overwinnen. In de tot symbool geworden vormen, die door zijn innerlijke spanningen getekend waren en zijn lichtende kleuren vertolkte hij zijn nostagie naar het verloren paradijs.

Bij de jongere generatie, die na de bevrijding aan het woord is gekomen, viel aanvankelijk de begaafde Will H. Tweehuysen het meest op met gevoelige portretten en lyrische stillevens. de opbouw werd sterker, de vormentaal gevoeliger, de lessen van zijn leermeesters Rozendaal en Citroen verwerkte hij op persoonlijke wijze, zijn Franse reizen verwijdden zijn horizon. Maar ook hij bleef zijn inspiratie vooral zoeken in wat voor de hand lag, zijn onmiddelijke omgeving. De sfeervan het oude Leiden (de begraafplaats bij de Zijlpoort en Oud Hortuszicht) wist hij zuiver weer te geven. Zijn vormkracht blijkt ook uitmuntend geschikt voor het vervullen van monumentale opdrachten.

De noordwijker H. Bal, die een eigen stijl ontwikkelde met zuivere kleurstelling en subtiele vereenvoudiging van vorm, die ook fraaie monumentale oplossingen heeft gevonden, heeft zich een tijd lang in het Leidse milieu thuisgevoeld. In zijn werk is de beeldhouwkunst een steeds grotere plaats gaan innemen. Als pedagoog oefend hij invloed uit vooral op een aan de universiteit gelieerde groep van docenten en studenten. -

Tot dezelfde generatie behoort Lucia Steinbach, in haar schilderijen niet altijs gelukkig, maar in haar beheerste tekeningen legt zij naast een persoonlijke kijk een groeiende vormbeheersing aan de dag.

Bij de jongste generatie valt op dat er in Leiden zeer persoonlijk, ernstig en gevoelig gewerkt wordt met de natuur als uitgangspunt.

De Jager, Dool, Buurman. v.d. Veer en Jonks zijn namen die nu nog spreken van ontplooiing en ontwikkeling, maar de natuurlijke aanleg, de artistieke intelligentie en de concentratie die zij aan de dag leggen beloven veel voor de toekomst. En het zou mij niet verbazen wanneer uit deze groep een of meer kunstenaars naar voren zullen komen, die landelijk gezien voor onze kunst meer betekenen dan enige Leidse schilder sinds Verster.

Verdienstelijke amateurs

Naast deze schilders, die de kunst als beroep of tenminste als voornaamste bezigheid beschouwen, telt Leiden een groep verdienstelijke amateurs, liefhebbers in de gunstige zin, die hun horizon verruimen door actieve kunstbeoefening, meestal onder deskundige leiding in het oude, nu weer springlevende Ars. voor het kunstzinnig leven van een stad is een dergelijk centrum van onschatbare waarde.

Wanneer we zo 100 jaar Leidse schilderkunst overzien, zullen we in de eerste plaats getroffen worden door de hoogtepunten uit het verleden Verster en Bakker Korff, die iets zeer eigens aan de kunst van die dagen hebben meegegeven, en door de verwachtingen die de jongste generatie wekt. Een tweede markant aspect is de waardering die een aantal van de beste schilders in hun eigen stad heeft genoten.

Vervolgens valt de onderstroom op van gedegen dilettantisme, dat de traditie levend hield, zich baserend op de oude opvattingen van studie, nauwgezetheid en verantwoorde weergave van het geziene. Wanneer men echter een uitgebreide geschiedenis van de Leidse en van de Nederlandse schilderkunst van de afgelopen 100 jaar zou schrijven, zouden beide studies slechts weinig aanrakingspunten hebben. In het gezelschap van de Brabander Van Gogh, de Amsterdammer Breitner, de Amersfoortse Mondriaan, de Amsterdammer Sluyters, rotterdammer Chabot, de Groninger Jan Wiegers en de Haarlemmer Kees Verwey zou alleen de Leidenaar Verster zich met recht thuis voelen.

Vanuit dit gezichtspunt heeft Leiden dus een bescheiden rol gespeeld, aan de andere kant hoeft Leiden niet te bogen op modekoningen die naar enige jaren vergeten zijn. De Leidse kunst heeft in de afgelopen eeuw iets gelijkmatigs, bijna iets degelijks gehad. Het is misschien kenmerkend voor de ontwikkeling van de kunst in de achter ons liggende periode, dat figuren die hun eigen weg koste wat kost hebben gezocht zoals bijvoorbeeld Van der Valk en Tinus van Doorn in het Leidse klimaat niet konden blijven werken, en verder trokken, en dat figuren die hun kunst lieten blijven rustenop de verstaanbare weergave van de werkelijkheid zoals Van der Nat en Van Driesten hier een gunstig klanbord vonden en er tot ontplooiing komen.  

Wanneer de tekenen niet bedriegen en onze kunst zich weer ontwikkelt naar verantwoording van de vorm, respect voor het eigene en handhaving van een levende traditie in leesbare vormen, dan zal, wat tot voor kort het Leidse provincialisme genoemd kon worden, alleen maar winst betekenen.

J.N.VAN WESSEM

Leidsch Dagblad 01-03-1960

 

Reageer op dit bericht

Meer van SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

↑ Terug naar de berichten