Gaslamp


|
Gaslamp
|
SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA
Gaslamp

|
Gaslamp
|
Recensie door C.K. Musch (De spiegel)
|
Recensie door C.K. Musch
In haar studie laat Sabine Melchior-Bonnet zien wat de geschiedenis van de spiegel is. Het is niet verwonderlijk dat de (Franse) auteur daarbij vooral te rade gaat bij Franse bronnen. De techniek van spiegels maken is heel lang een Venetiaans geheim geweest. Toen aan het hof een grotere behoefte ontstond aan spiegels leidde dat tot dusdanige tekorten op de toenmalige betalingsbalans, dat Frankrijk na een aanvankelijk importverbod, besloot zelf een spiegelindustrie op te zetten. Daarvoor werd geen middel geschuwd, tot en met het via head-hunters letterlijk wegkapen van Italiaanse spiegelmakers. Die werden overigens dusdanig in de watten gelegd, dat de Fransen hun geheime procédé niet leerden en er pas na jaren in slaagden die eigen spiegelindustrie op te zetten. Daarvan was trouwens de vorst de grootste klant. Louis XIV gaf alleen al aan zijn 'bij-paleizen' meer dan 350.000 pond uit voor spiegels, in een tijd dat het (hoge!) jaarsalaris van een specialistische arbeider in de spiegelfabriek rond de 425 pond bedroeg. Spiegels waren van een luxe namelijk een noodzakelijkheid geworden. Aan het Franse hof ontstond de verfijnde en gestileerde cultuur waar de Franse revolutie eerst een einde aan maakte. De gestileerde en hoofse gebaren, die zozeer de omgangsvormen aan het hof bepaalden, moesten immers worden geoefend, totdat ze tot een tweede natuur waren geworden. Zoals balletdanseressen aan de barre hun dans instuderen, zo studeerden Franse hovelingen de voorgeschreven gebaren in voor spiegels, zodanig dat ze zichzelf aan alle kanten konden waarnemen. Toen in de dagen van de revolutie een bekende edelvrouwe werd opgepakt, bestond haar bagage uit een spiegel en een paar nieuwe slippers. Haar zelfbeeld was immers haar enige bezit. En tot op de weg naar het schavot bleef zo de uiterlijke schijn het leven dicteren.
In haar studie maakt Sabine Melchior-Bonnet melding van de psycho-analyticus René Major die eens een patiënte had die zich zelf alleen in een spiegel herkende als die gebroken was. Spiegels vertellen ons dus wie we zijn.
Spiegels laten dan wel zien wie we zijn, maar daarvoor wordt het beeld omgekeerd. We zien een natuurgetrouw beeld van onszelf, maar dan wel het tegendeel. Wat links is wordt rechts en omgekeerd. Het is in dat verband trouwens geheimzinnig dat onder en boven niet ook worden omgedraaid. We zijn op een intuïtieve en instinctieve manier gewend geraakt aan die omkering. In New York werkt een Nederlandse kunstenaar die spiegels ontwerpt die het beeld zonder die vertrouwde omkering laten zien. Links blijft links en rechts blijft rechts. Mensen die zichzelf op die manier voor het eerst echt waarnemen in een spiegel raken wat ontregeld. Is dat nu een desoriëntatie omdat links en rechts niet verwisselen, of is het omdat je jezelf voor het eerst echt waarneemt, zoals je bent, zonder enige vertekening.
In 1999 publiceerde C. Daniel Bateson de resultaten van een onderzoek over de herkomst van onze morele motieven (zie Filosofie Magazine, aug. 2000). Daarin blijken spiegels een cruciale rol te kunnen spelen. De proefpersonen in het onderzoek moesten leuke en saaie taken verdelen. Aan de leuke taken was ook nog een beloning verbonden. Er golden geen regels voor de verdeling; ze mochten zelf het distributie-systeem maken. Wel werd meegedeeld dat opgooien van een munt het eerlijkste systeem is en er werd dan ook een munt beschikbaar gesteld. Van de veertig proefpersonen besluiten twaalf om niet met de munt te werken. Daarvan geven er tien zich zelf aldoor de leuke taak. Van de achtentwintig die wel kiezen voor de eerlijkheid van het muntensysteem blijkt de meerderheid het lot voortdurend een handje te helpen. Er zijn slechts vier proefpersonen die een saaie taak toebedeeld krijgen; aanzienlijk minder dan de statistische veertien die je zou mogen verwachten. Uit de vraaggesprekken na afloop bleek dat de proefpersonen die het lot een handje helpen er ook niet echt mee zitten, terwijl ze bovendien aangaven dat volgens hen eerlijk te werk is gegaan. Strategisch zelfbedrog wordt dat genoemd. Pas als de proefpersonen voor een spiegel worden geplaatst wordt de uitslag eerlijk en worden saaie en leuke taken evenredig verdeeld. Strategisch zelfbedrog werkt dus niet bij zelfwaarneming, zou je mogen concluderen. Die zelfwaarneming overigens, werkt nog het beste als tevoren een morele norm als standaard is neergezet.
Dupliceren, zoals een spiegel doet, is een onzeker makend métier.De wetenschap begint te ontdekken dat zelfs bij de 100% kopieën die we klonen noemen, minieme afwijkingen van het origineel zijn te constateren. Het genetisch materiaal verandert bij het maken van een exacte kopie. Mogelijk is de echte les dat we geen exacte kopieën kunnen maken.
Waarom een recensie van een boek over spiegels op een site over managementboeken zult u zich afvragen. Welnu, het boek van Melchior-Bonnet is een schitterende metafoor voor coaches en hun cliënten. Voor coaches is immers de vraag waar de vertekening zit in de spiegel die zij hun cliënten voorhouden. In de gecoach te spiegelt de coach immers zichzelf. Wie een spiegel wil zijn voor anderen, moet zelf zo doorzichtig zijn als kristal. Het motto van Delphi: "Ken U zelve" is dan ook een lijfspreuk voor coaches. In dat verband spreekt de laatste illustratie in het boek van Sabine Melchior-Bonnet boekdelen. In een portret van Edward James met de titel La Reproduction Interdit van de schilder Magritte, zien we de figuur met de rug naar ons toe voor een spiegel staan. De figuur ziet niet zijn gezicht, maar zijn eigen achterkant. De les voor coaches is natuurlijk dat als zij de ander een spiegel voorhouden, zij zelf vooral hun eigen achterkant zien. C.K. Musch is zelfstandig bestuursadviseur te Rhenen. Hij is moderator van de Comeniusleergang van de Universiteit Groningen.
|
Poortersbriefje

|
Poorters Wat is een poorter? Voordelen van het poorterschap Poorterboek: bron voor genealogie Poorterbriefjes Vlamingen in Amsterdam Geo-informatie http://gemeentearchief.amsterdam.nl/home.nl.html
|
Het gemak dient de mens. Over poepen en piesen

|
Het gemak dient de mens. |
Nog eenmaal: verzamel uwen mest
|
Theorie en praktijk van de ‘Kwestie der Faecaliën' in de 19e eeuw
Myriam Daru
Ene natie, die haren mest laat verloren gaan, is het verwonderlijk, dat zij klaagt over de honger? Het Nederlandsche volk is in dezen gelijk dan den goudsmit, die de stukjes, welke van de voorwerpen worden afgefeild en op de grond nedervallen niet verzamelt maar verwaarloost. (...) Nog eenmaal: verzamel dan uwen mest, treed in overleg met de plaatselijke besturen om voor haar al het vuil te verzamelen en breng alles over uw land. (...)
Poep als gevaar Het idee dat rioleringsnetwerken zijn aangelegd als direct gevolg van de angst voor terugkerende cholera-epidemieën en het voor de tijd van de bacteriologie leggen van een eenduidig oorzakelijk verband tussen de poep van choleralijders en de de verspreiding van de ziekte is een opvatting die niet door archiefonderzoek wordt bevestigd. Er waren rond 1850 verschillende met elkaar concurrerende verklaringsmodellen voor cholera. De Engelse epidemioloog Simon (1816-1904) meldde in 1856 in zijn Report (...) on cholera epidemics vertwijfeld: "Under the specific influence which determines an epidemic period, fecalised drinking and fecalised air equally may breed and convey the poison."
In Nederland was er na de epidemie van 1866 een onderzoekscommissie ingesteld.
Het rapport van deze commissie tot onderzoek van drinkwater, in l868 uitgegeven, vermeldt een geval van verspreiding van cholera in Groningen dat praktisch dezelfde kenmerken vertoont als het beroemde onderzoek van John Snow over de Londense Broadstreet pomp uit 1848, waarin het verband tussen de hendel van een waterpomp en de verspreiding van cholera werd aange toond.
Wensbeelden en praktijk. Het beeld van de door grote volumes water onschadelijk, onzichtbaar en geurloos gemaakte poep en de perfect centraal georganiseerde netwerken dat Chadwick en de zijnen voor ogen stond correspondeerde aan het einde van de 19e eeuw niet met de werkelijkheid. De besturen van veel Europese steden schrokken voor de investeringskosten die een dergelijke infrastructuur met zich meebracht. In Nederlandse steden zijn vaak halve maatregelen genomen en zijn riolen ad hoc aangelegd zonder dat er sprake was van een samenhangend systeem. Een voorwaarde voor de systematische afvoer van faecaliën via riolen was de algemene aanwezigheid van water en de aanschaf van wc's, iets dat zich in Nederland in een veel trager tempo doorzette dan in de grote steden van Engeland en Duitsland. Europese hygiënisten waren verdeeld over de gevaren van spoelsystemen. In Nederland waren zij vaak voorstanders van het Liernurstelsel, omdat het zorgde voor een gescheiden afvoer en niet ongecontroleerd terechtkwam in het water of in de bodem. Als tweede keus vonden zij het tonnenstelsel een aanvaardbaar compromis. Het verschil tussen het tonnenstelsel en de tot dan gangbare pacht van de faecaliënophaal was de regelmaat en de betrouwbaarheid die de gemeentebesturen van een centraal en gemeentelijk georganiseerde dienst verwachtten.
Aan het begin van de eeuw waren gemeenten nog geneigd dergelijke diensten als een taak voor particuliere ondernemers te beschouwen. Na 1850 ontwikkelden zich in de gemeenten nieuwe organisatievormen om het hoofd te bieden aan de problemen van verstedelijking. Een groot aantal gemeentelijke reinigingsdiensten is dan ook ontstaan met als hoofdtaak de ophaal en de verwerking van poep door middel van het tonnenstelsel en het leeghalen van beerputten en daarnaast de ophaal van droog afval en de stadsreiniging. Hoezeer men op de ophaalsystemen studeerde, het lukte niet om lekkages en stankverspreiding uit te roeien. De ironische uitdrukking ‘Boldootkar' spreekt wat dat betreft boekdelen. Het gevolg was dat de ophalers zich begaven binnen het privé-domein van burgers. In sommige gemeenten moesten mensen in aller vroegte met hun tonnetjes naar de karren komen. De ene gemeente zorgde voor een goed onderhoud van de tonnen, de andere minder. Dat betekende dat de faecaliën weleens in open emmers naar de ophaalwagen klotsten en dat na een ophaalbeurt de nodige sporen achterbleven, iets wat niet alleen esthetisch maar ook hygiënisch bezwaarlijk was. Soms moest het poep-tonnetje dagenlang op het balkon van een huurwoning staan, waar het ook weleens omviel. Niet precies wat de hygiënisten voor ogen had gestaan. Bij de aanleg van nieuwe wijken voor welgestelde burgers rond de eeuwwisseling is lang niet altijd een rioleringsstelsel aangelegd. Een voorbeeld is de wijk 't Zand bij het station van Den Bosch, waar bij alle huizen septic tanks (met waterdicht metselwerk) gebouwd werden. Riolen dienden alleen om overloop in geval van nood naar het dichtsbijzijnde open water te leiden. Zo kon in de huizen het nodige sanitaire comfort aanwezig zijn zonder centraal rioleringssysteem. Tegelijk bleven de eigenaren de volledige controle houden op het door hun huishouden geproduceerde beer. Bouwverordeningen konden pas de verplichting waterclosets in te bouwen opnemen toen de wc's ook daadwerkelijk op de riolering konden worden aangesloten. In de bouwverordening van Amsterdam kwam deze verplichting pas in 1935 te staan. Ook bij het Liernurstelsel was er een kloof tussen de ideaalbeelden van de uitvinder en de werkelijkheid. Liernur klaagde altijd over het onbegrip, zowel bij bewoners als bij bestuurders. De smalle buizen van het Liernurstelsel raakten verstopt wanneer bewoners de meest uiteenlopende vaste afval in de closets gooiden. Het gebruik van Liernurstelsel eiste (te veel) discipline van de bewoners. Het was gebaseerd op ‘pure poep' en urine. Elke toevoeging en vooral het in de pot gooien van veel schrob- en spoelwater verstoorde het systeem. Het Liernurcloset had ook het nadeel dat er altijd een hoeveelheid uitwerpselen bleef staan. Het vertrouwen dat Liernur stelde in de combinatie van ventilatie en een eigen syfon-ontwerp om de geur te neutraliseren kwam niet overeen met de waarneming van bewoners. Toen de opmars van waterleiding en waterclosets onstuitbaar bleek, moest hij wel aanpassingen invoeren. Zijn latere ontwerpen hielden wel rekening met hybride closets, maar het doek viel toch vrij snel over zijn ingenieus maar ingewikkeld systeem. Liernur en de hygiënistische voorstanders van tonnensystemen werden door invloedrijke en machtige gezondheidstechnici als Durand-Claye in Parijs en Hobrecht in Berlijn omschreven als vijanden van de moderniteit. Zowel Durand-Claye als Hobrecht kregen hun zin. Achteraf lijkt het erop dat de oorlog om de riolen (in Frankrijk spreekt men van ‘la bataille du tout-à-l'égout') door de tegenstanders van waterverspilling en van watervervuiling al snel is verloren, maar voor de plaatselijke overheden in kleinere steden en in dorpen viel het niet mee om het model van de metropolen te volgen.
|
Wet tot regeling van het Nederlandsche Muntwezen
|
De maat- en gewichtstelsels die gedurende 17de eeuw in de Republiek werden gebruikt waren heel verschillend van het huidige metrieke stelsel welke pas aan het begin van de 19de eeuw in Nederland werd ingevoerd. Ook het toen gebruikte muntsysteem was anders en zelfs de tijdrekening kon toen voor hoofdbrekens zorgen. Amsterdam - pond 494.09040 gr. Den Haag - pond 469.728 gr.
|
Maat- en gewichtstelsels die gedurende 17de eeuw
|
De maat- en gewichtstelsels die gedurende 17de eeuw in de Republiek werden gebruikt waren heel verschillend van het huidige metrieke stelsel welke pas aan het begin van de 19de eeuw in Nederland werd ingevoerd. Ook het toen gebruikte muntsysteem was anders en zelfs de tijdrekening kon toen voor hoofdbrekens zorgen. Amsterdam - pond 494.09040 gr. Den Haag - pond 469.728 gr.
|