Naar de inhoud

SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

SALA familie Sala - Visino - Pognana - Tavernerio - Roveredo - Pusiano
akke.beakke.be

Categorie: 1 KUNSTHANDEL SALA DEN HAAG a SALA WERREL

28-12-1922 Kunsthandel Sala Reproducties naar Toorop

 

 

 

KUNST EN LETTEREN REPRODUCTIES NAAR WERKEN VAN TOOROP.

Kunsthandel Sala.

De firma v. Ojen en Coret komt lof toe voor deze haast volmaakte reproducties naar teekeningen van Toorop. Het formaat is gewoonlijk kleiner dan dat der origineelen, overigens schijnt mij het verschil tusschen beide zeer gering. En het formaat is groot genoeg om deze reproducties te maken tot zeer suggestieve wandversieringen.

Het woord wandversiering drukt de waarde, welke zulke reproducties hebben kunnen, slecht uit. Het versierende blijft ondergeschikt aan een element van geestelijke verheffing.

Op de sociale beteekenis van zulke goede reproducties behoeft wel niet gesproken te worden. De keus is meest gedaan uit 't Katholieke oeuvre van Toorop. Er zijn er bij, die men liever door andere vervangen had gezien; er zijn er vele van onbetwistbare schoonheid en kracht. J. H.

het Vaderland  28-12-1922 

 

Reageer op dit bericht

17-05-1923 Kunsthandel Sala tentoonstelling Prof J.H. Jurres

 

 

 

Prof. J.  H.  JURRES.

Kunsthandel Sala.

Men ziet zelden zooveel werk van Jurres bijeen en het is niet in des schilders voordeel het vereenigd te zien. Want al heeft zij een fantastisch karakter, rijk aan inhoud kan deze kunst moeilijk genoemd worden. 't Is vrijwel gelijk of men één, dan wel vijf-en-twintig van deze schilderijen beschouwt.

Het innerlijke element der verbeelding ontbreekt. Dit werk doet nooit dramatisch aan, al is 't avontuurlijk. Er zijn geen psychologische en geen visionaire elementen in. Het suggereert niet een historische sfeer, al zijn de motieven aan 't Oude Testament, aan 't oude Carthago, aan den Don Quichotte ontleend. Zijn uitbeelding van den Barmhartigen Samaritaan doet op dezelfde wijze aan als zijn uitbeelding van Falstaff.

Het is altijd de tumultueuze compositie, de sterke werking van licht en donker, de uiterlijke bewogenheid van paarden, krijgsvolk, de vlotte, academisch zeer knappe schilderwijze, de effecten van fraaie kleurigheid en van de lichtcontrasten, die men waardeert. Eigenlijk romantisch is dit werk niet, al staat 't buiten alle werkelijkheid.

De realistische elementen er in zijn ten slotte 't meest overtuigend, vooral waar deze in soberheid zijn uitgedrukt. Ik denk b.v. aan die groote, ons reeds bekende, teekening van Hannon's Olifanien, met een weinig roodbruine kleur verlevendigd. De  kolossaalheid der logge grijze beesten, in de omgeving van een oude ruige architectuur, is vol karakter uitgedrukt. Prof. Jurres is waarschijnlijk meer illustrator dan schilder. Just Havelaar.

het Vaderland  17-05-1923

 

Reageer op dit bericht

22-11-1923 Kunsthandel Sala tentoonstelling M.A.J. Bauer

 

 

 

KUNST EN LETTEREN M.A.J. BAUER

Kunsthandel Sala,

Men kent Bauer en 't is niet noodig veel woorden neer te schrijven over deze tentoonstelling. Ook in het Vaderland mocht ik dit bijzonder, apart staande talent reeds eenige malen karakteriseeren. Het is interessant hier een zeer vroeg werkje van hem te zien, een aquarel naar een variété: het publiek dames, heeren, een kelner, in grijzen schemer op den voorgrond, de sterk verlichte, fantastisch aandoende zangeres op het podium.

Het onderwerp is door vele zijner tijdgenooten in die jaren behandeld, door Breitner, door Is. Israëls, door v. Looy o.a. Het is curieus op te merken hoe hier Bauer onbewust reeds het vage, romantische, het tuchtig-fantastische, het ongewone ziet in een zoo "realistisch" gegeven. Hij mist de kracht van uitbeelding, die Breitner in zulke gegevens ontplooide hij mist Is. Israëls bravoure en v. Looy's zwaarder gestemde fantasie; maar hij heeft reeds hier zijn eigen toon zijn teederheid.

Bauer staat dicht bij den ouden Israëls. Over dezen heen wijst hij naar schetsen van Rembrandt heen. Het evocatieve domineert geheel in de nerveuse schetsen, die hij hier overigens toont. Bauer kan prachtig raak zijn in zijn karakteristiek van een feëeriek aandoende figuur uit die verre, middeleeuwsche wereld, die hij in het Oosten terugvond. In dien optocht van kameeldrijvers in een overwelfde ruimte (No. 6); hoe met groote, luchtige lijnen, zwierig en snel het geheel aangeduid. Zie dien jongen prinselijken ruiter, hooghartig omziende naar het tumult (No. 3); in zulke dingen is hij altijd boven het illustratieve uit.

Vergelijk deze schetsen met de composities van een Jarres, die, zoo ge wilt, knapper zijn, althans doorwrochter: maar bij Bauer zijn deze fantasieën zoo veel inniger en zoo veel meer van binnen uit ontstaan, met noodwendigheid. Als hij de pier van Scheveningen, dit wangedrocht van mondainiteit in de majestueuze wereld der zee, uitbeeldt, dan schijnt het nogmaals een droom van het Oosten, dien hij voor ons op toovert.

Het is een genoegen dezen fijnen geest te volgen in de spontane krabbels, in de romantische impressies, in de vele fragmenten en breede aanduidingen, die wij hier van hem te zien krijgen. Zijn talent uit zich den laatsten tijd zuiverder in dit schetswerk, dan in de meer doorgevoerde schilderijen. Just Havelaar.

het Vaderland  22-11-1923

 

Reageer op dit bericht

10-02-1923 Kunsthandel Sala G.H. Breitner

 

 

 

Kunsthandel Sala.

G. H. Breitner.

Men schrijft ons uit Den Haag:

Een Breitner-tentoonstelling schokt de kunstbelangstelling wakker. Toch zijn er onder de ongeveer vijftig nummers, in deze kunsthandel bijeen, vele werken, die wel in breede gouden lijst gevat doch geen volle kunstwerken zijn.

Van Breitner verwacht men niet een glad en stelselmatig voltooid schilderij; zelfs in het eene kleine schilderij, "de Teertuinen te Amsterdam", dat zeer geacheveerd is, missen we het élan, dat Breitnert's arbeid verheft tot het ongewone. Dit al te geacheveerde en braaf voltooide is niet echt Breitner meer.

Doch evenmin kunnen wij de schetsen, welke niets zijn dan de eerste vegen op het doek, als Breitner's erkennen en een zware gouden lijst om zulk een allereersten aanzet heeft iets paskwilligs en wekt verzet tegen een heldenvereering op deze wijze.

Doch er is anders! Allereerst gaat de aandacht naar het groote vrouwelijk naakt, waarvan het bijzondere is, dat deze figuur een menschelijk wezen is, dat leeft en lijdt: niet de schildering als zoodanig, doch de mensch ziet men in dit machtige doek. Van hoe weinig schilders van het naakt is dit te zeggen! En juist dit naaktfiguur is het, dat den geest aangeeft van Breitner's schilderswezen, voor elken leek zelfs in tastbaren vorm.

Breitner is de schilder van den geest. Niet in enghartigen zin, alsof iets doceerends bedoeld ware, doch door zijn kleur. Zijn coloriet zet de schoone tragiek van het zichtbare leven voor ons neer. Zoo als een dichter met woorden en beelden in ons een stemming oproept, doet Breitner het door zijn kleur. Door niets anders. Of het pakhuizen zijn, die als fantomen verrijzen, dan wel een opengesperde achterbuurt, waarvan een gore, witte binnenmuur het intieme leven vertolkt van menschengeslachten, die daar nauw aaneen hebben geleefd en geleden en zijn dood gegaan, hij roept alle menschelijke gevoelens uit hun schuilhoeken - alleen en volledig door de magie van zijn kleur, die Breitners eigen hart binnenste buiten keert.

Hier is een prachtig doek, pakhuizen met roode daken, die tezamen zijn als een kreet van wee tegen de parelend-grijze, de alle kleur absorbeerende zilverlucht. Daar vóór in het doek zijn schuiten, schuitenhuizen aan het water gebouwd; een complex, van noodzakelijke verwardheid, zooals die in een oude buurt langzamerhand is ontstaan. Al de lijzige gedruktheid van dien kleinen rommel wordt opgetrokken in het licht, werd gezien tegen de fiere daken, die vlammen en branden; doch niet in het vulgaire rood van de luministen bij professie. Dit diepe rood van Breitner, op zichzelf in de innigste verdieping van natuuraanschouwing ontstaan, wordt gevoed en in zijn kracht gevormd door het omringende.

Men kan er alle lyriek bij halen, doch men komt neer op de waarheid, dat het Breitners gevoelskracht is, die zich uit in een sterken, aangeboren coloristischen zin. Deze twee begaafdheden vormen het genie.

Doch zien wij verder! Een paardenspel is bij de verzameling. Licht van toets heeft Breitner de drie circusnimfen op de zware paardenruggen gezet en in een fantasie die als op een wolk aandrijft zien we de dames rijden. De cadans van het lichte, elegante huppen van zware beesten trekt als een vleug aan ons voorbij en we wachten op een volgend oogenblik van langs rijden. In wolken van rokjes, in wolken van kunstlicht-nevel en wolken van levensdroom glijdt het langs: het ééne, korte oogenblik van een kleine levens-buitensporigheid.

Hoe moet al het lage van intrige en leugen, waarmee men in het leven te maken krijgt, gruwel zijn geweest voor den man, die zóó leven kon in een illusie, die een illusie zag in dit kermisbeeld en als schoon kon aanvaarden.

de NRC 10-02-1923

 

Reageer op dit bericht

13-02-1924 Kunsthandel Sala tentoonstelling Jan Eland

 

 

 

JAN ELAND

Kunsthandel Sala.

Eland exposeert een reeks geteekende koppen. Hij tracht in strenge lijnen een gelaatsexpressie synthetisch uit te drukken. De neiging, deze koppen zeer groot te teekenen versterkt nog de bedoeling niet portretten te willen geven, maar veralgemeende voorstellingen, van de afgunst, de aandacht, de meditatie, enz.

Waar de concrete realiteit dichter benaderd blijft, is soms een verwantschap op te merken met de felle portretteekeningen van v. Herwijnen (Zie Boertje, Grijsaard), hoewel Eland diens psychologische kracht nog mist. Tegenover het vroegere werk, dat wij van Eland zagen, is een neiging tot versobering en concentratie op te merken.

Toch werd de verleiding der geniale pose nog niet voldoende overwonnen. Er blijft een intellectueele forceering in dit werk, zich uitend in de dorheid en slapte van lijnen, in de leegheid en levenloosheid der uitbeelding.

Een enkel, klein, gemoedelijk-realistisch damesportretje, dat den heer Eland zelf wellicht vrij onbelangrijk voorkomt, zou hem een goede aansporing kunnen zijn. Want wie het groote wil, moet beginnen deemoedig te zijn. En de synthese is niet anders mogelijk dan als een overwinning op de analyse.

Eland's bedoeling in een enkelen kop een verhevigde, veralgemeende karakteristiek saam te vatten rechtvaardigt zich het best in den grooten Fakirkop. Hier inderdaad is iets bereikt. Hier heeft de lijn uitbeeldende kracht 13-02-1924 verkregen. Iets als een barre woestijnsfeer is ongetwijfeld in dezen kameelachtigen ascetenkop gesuggereerd.

Just Havelaar.

het Vaderland 13-02-1924

 

Reageer op dit bericht

22-11-1924 Van Gogh in bruikleen gegeven door kunsthandelaar Sala

 

 

 

In het verslag over de lezing van dr. Knuttel in het Museum voor Moderne Kunst in de Zeestraat zijn eenige drukfouten blijven staan, die de lezer zelf verbeterd zal hebben.

Eén echter moeten wij hier herstellen. De van Gogh was niet in bruikleen gegeven door een houthandelaar, maar door den kunsthandelaar Sala in het Noordeinde alhier.

Dezelfde lezingen, die dr. Knuttel op 13 en 20 November gehouden heeft zal hij 27 November en 4 December herhalen en, wanneer er voldoende belangstelling blijft bestaan,11 en 18 December ten derde male, 8 en 15 Januari 22 en 20. Januari enz. De rondleidingen zijn belangrijk en we twijfelen er niet aan of velen zullen er gebruik van maken.

het Vaderland  22-11-1924 

 

 

Reageer op dit bericht

07-11-1924 Kunsthandel Sala tentoonstelling Piet van Wijngaardt

 

 

 

KUNST EN LETTEREN PIET VAN WIJNGAARDT.

Kunsthandel Sala, alhier.

v. Wijngaardt is een vruchtbaar schilder. In Utrecht is thans een groote tentoonstelling van zijn werk; tegelijk kon de heer Sala een belangrijke v. Wijngaardt-expositie houden.

Belangrijk, maar niet volledig. Men mist b.v. de figuurstukken die misschien de beste uiting zijn van v. Wijngaardt's lateren tijd. Men ziet hier landschap, doch vooral stilleven. Mijn bedenkingen tegen dit werk blijven dezelfde. Het is dikwijls op effect berekend. Het wil meer zijn, dan 't werkelijk is. De allure is grooter dan de inhoud.

Van Wijngaardt zoekt den grooten vorm en de massale kleurwerking. Deze vorm blijft dikwijls te leeg, de kleur te uiterlijk. Al deze donkerten vormen nog geen tragische sfeer. Er wordt dikwijls met te zwaar geschut gewerkt zonder veel uitwerking. Een groot schilder doet 't omgekeerde; hij is spaarzaam en sober in zijn middelen, rijk in zijn uitwerking; hij geeft met weinig veel. Dit zijn mijn bedenkingen.

Overigen valt dikwijls te waardeeren. Er is hier een groot stilleven met een zwarte pot en de horizontale lijnen van schilderdoeken op den achtergrond; het is een moderne Suze Robertson. Het is een modern impressionisme. Ik erken de grootheid van compositie in vele werken, maar met monumentaliteit heeft deze uiterlijke grootheid niets gemeen.

Van Wijngaardt is een colorist. Hij is het best waar hij zich zeer intoomt. Zijn kleur zelf wint dan aan fijnheid. Hij kan zeer suggestief zijn in zijn bloemen, wanneer zijn vorm gespannen blijft. Een talent, een echt schilder: maar meer concentratie zou dit talent wezenlijker maken.

Just Havelaar.

het Vaderland  07-11-1924 

 

Reageer op dit bericht

12-06-1924 Kunsthandel Sala tentoonstelling Lizzy Ansigh

 

 

 

KUNST EN LETTEREN EXPOSITIE LIZZY ANSINGH.

Kunsthandel Sala.

Het is een gehavende expositie, welke we hier te zien krijgen, want de collectie was eerst bij Frans Buffa en Zonen in Amsterdam tentoongesteld en daar is toen veel verkocht en mee naar huis genomen.

Toch biedt 't restant meer dan genoeg om te bewonderen. Want er valt veel te bewonderen in dit werk; maar een kleine oriëntatie diene toch vooraf te gaan. Lissy Ansingh schildert sedert geruimen tijd poppen. En thans (d.i. op deze expositie) is haar werk in een tweede stadium gekomen.

Vroeger schilderde zij poppen als een stilleven; zooals een ander appels schildert. Zij groepeerde haar poppen geestig, bezat er een goede collectie van; maar al haar figuranten had men - nu hier, dan daar - wel eens in een vitrine zien staan en (zooals het natuurlijk met stillevens gaat) zij bekommerde er zich absoluut niet om, of de poppengroep uit deelen bestond van zéér verschillend formaat en materiaal. Zij schilderde eenvoudig met een diepe aandacht voor kleur en licht, stemming en toon, nadat zij de sujetten had opgesteld. Echt atelierwerk.

Nog is het atelierwerk en nog toonen de nieuwe schilderijen in hun werkelijk prachtig coloriet de tonen, die in haar werkplaats heerschten; maar het zijn geen stillevens meer. En het zijn óók geen samengezochte poppen meer, die elkeen wel eens ergens geëtaleerd zag; het zijn wezens uit een wonderlijke marionettenwereld - half pop, half mensch - merkwaardige karikaturen, die wel een héél mooie eigen makelij gekregen hebben.

En zij uiten twee hoofdzaken: Lizzy Ansingh's sterk gevoel voor humor en haar 19e eeuwsch sentiment. Dit laatste is iets eigenaardigs; ik geloof, dat het een traditie is, een bijna kinderlijk geloof in voorgangsters als Thérèse Schwartze, Suze Robertsen, e.a., die zij niet navolgt, maar toch eenigszins tot voorbeeld stelt. Lizzy Ansingh was het, die in de Haagsche Dameskroniek indertijd een serie jeugdherinneringen schreef, welke volkomen 19e euwsch waren.

En nu kunnen vele harer schilderijen deze fijne verhaaltjes illustreeren. Men vindt weer de lachwekkende pruderie terug, het malle uit-den-band springen, de opgeprikte deftigheid; allerlei waarom men voor een dertig jaar graag lachte en fijntjes spotte.

En haar poppen, die een béétje mensch zijn en erg graag heelemaal mensch zouden wïllen zijn, als de schilderes het hun toestond, maar die 't niet halen kunnen en niettemin méér dan pop geworden zijn, voeren hier allerlei situaties op, die de vorige generatie zoo bij uitstek grappig vond: De donderende en bliksemende oud-Indischgast, het kind, dat zich kort haar geknipt heeft (al Is dat dan ook iets nieuws, dat doet hier niets toe), tot grooter ergernis der puriteinsche tantes, enz. enz. En over deze situaties giet Lizzy Ansingh haar atelier-licht, zij doezelt haar bewogen achtergrond met snelle vegen glad en discht een prachtig schilderij op, dat in zijn volkomen halslachtigheid een beetje sfinxsachtig is.

Het zijn schilderijen geworden, die uitermate puzzelen. Maar er is één doek bij: Favorite, dat een uitgang toelaat uit 't labyrinth en naar een mogelijk (en hopelijk) volgend stadium toe. Ook hier een quasi-nonchalante, picturaal-teere achtergrond, maar op den voorgrond: poppen, diie geévolueerd zijn tot wezens uit een fabelwereld, waarbij geen 19e  eeuwsche humor, hoe fijn ook, kleineert, waarbij alléén de degelijke (ook: geestelijk gezond-degelijke) schildertechniek dwars zit.

Ik wil me niet vermeten, een raad te geven, maar mag wél de hoop. uitspreken, dat Lizzy Ansingh voor haar nieuwe poppen-fantasieën een andere techniek zal kiezen, waarbij niet de atelier-stemming en de tere vaagheid van onbestemde achtergronden voorop staan.

Het dacht me 't best te teekenen en decoratief te werken, "in te kleuren" en zelf scherp te realiseeren, waar die kleine gorgonen leven en wat die toeschouwer eigenlijk ziet! Als men directrice is zulk een nooit geziene troupe, moet men de decors toch kiezen! L. W.

het Vaderland 12-06-1924 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Lizzy_Ansingh

http://aboutmax.nl/people/search/Lizzy+Ansingh

http://www.collectiegelderland.nl/verhalen/lizzy-ansingh

 

Reageer op dit bericht

17-06-1924 De Lakenhal over het jaar 1923

 

 

"De Lakenhal" over het jaar 1923.

Uit het verslag van den toestand van het Stedelijk Museum "De Lakenhal" over het jaar 1923 blijkt o.m., dat wederom belangrijke aanwinsten vallen te vermelden en van de tentoonstellingsruimte werd gebruik gemaakt voor het houden van verschillende tentoonstellingen en lezingen, die niet nagelaten zullen hebben een gunstigen invloed te oefenen op de bezoekers.

Er valt echter niet alleen voorspoed te vermelden en in het bijzonder leed de Commissie een groot verlies door de nieuwe regeling van de werkzaamheden van het college van B. en W., welke medebracht, dat de burgemeester jhr. mr. dr. N. C. de Gijselaar, als voorzitter moest aftreden. Met groote erkentelijkheid betuigt de Commissie hem haar dank voor de groote toewijding, waarmede hij steeds de belangen van het Museum behartigde.

Den 10den September werd bericht ontvangen, dat de heer A. L. Reimeringer als zijn opvolger werd aangewezen en 14 September nam jhr. De Gijselaar officieel afscheid.

De Commissie begroet in haar nieuwen voorzitter een oud vriend van het Museum, van wiens belangstelling en medewerking als lid gedurende de jaren 1913-1919 zij steeds een aangename herinnering mocht behouden.

In plaats van dr. P. A. Driessen, die slechts enkele maanden lid was en wegens vertrek uit deze gemeente bedankte, werd door den Gemeenteraad den 16den April prof. dr. J. A. J. Barge benoemd, De periodiek aftredende leden, de heeren dr. J. A. J. Barge, dr. G. J. Boekenoogen, J. A. van Hamel en B. J. Huurman Dz., werden in September door den Gemeenteraad herbenoemd.

In de periodieke aftreding van de door de Commissie aangewezen leden in het bestuur der Vereeniging van Vrienden van "De Lakenhal" werd voorzien door benoeming van dr. P. J. Blok (aftredend) en dr. J. A. J. Barge (in de plaats van wijlen mr. J. A. F. Coebergh.

Het Museum als gebouw bleef aan billijke eischen voldoen; slechts bleek het gewenscht om aan de zuidzijde het te sterk invallende zonlicht eenigszins te temperen, In de opstelling der voorwerpen werden slechts enkele onbeteekenende wijzigingen gebracht, als gevolg van de voor de nieuwe aanwinsten vereischte ruimte.

Door den adjunct-directeur, den heer A. Coert, werden enkele schilderijen vernist. Tevens werden door hem de aan het Raadhuis uitgeleende schilderijen en een schoorsteenstuk in de Waag nagezien. Door den heer D. de Wild, te 's-Gravenhage, werd het in 1922 aangekochte schilderij van Porcellis geregenereerd.

Aan de voor alle diensten voorgeschreven bezuiniging werd tegemoet gekomen door het stoken te beperken en door voor de begrooting 1924 tijdelijk afstand te doen van 20 pCt. van het voor aankoop en onderhoud beschikbaar gestelde bedrag. Deze beperking is voor het Museum des te ingrijpender, daar hierin verschillende geregeld terugkeerende kosten voor onderhoud begrepen zijn, zoodat deze vermindering grootendeels ten laste komt van dat voor uitbreiding der verzamelingen.

Het Museum werd in 1923 bezocht door 21.386 personen, waarvan 10.901 belalenden en 10.485 op de vrije Zon- en Feestdagen, met inbegrip van de scholen, die vrijstelling van entree genoten.

Hiervan werd gebruik gemaakt door 15 leerlingen van de H. B. S. voor Meisjes te Leiden, 129 leerlingen van openbare scholen aldaar, behoorende tot de klassen van de heeren F. A. Schilthuizen, W. v. d. Laan, H. Lautenbach, H. van Lienden, J. W. v. d. Reyden en A. Uittenbroek, 45 leerlingen van de bijzondere school van A. J. Doorneveld alhier, 18 leerlingen van de bijzondere school van A. Hallema en 38 van de openbare school van E. van Dijk, te 's-Gravenhage, 30 en 22 leerlingen van de openbare scholen van M. v. d. Boon en A. v. Ekeren, te Haarlem, 25 en 22 van de bijzondere scholen var. A, G. Kloeke, aldaar, en B. J. v.d. Meene te Oegstgeest, 31 van de Industrie school Ie Rotterdam, 41 Van de Normaal school van A. Soeteman te 's-Gravenhage, eenige leerlingen van de H. B. S. te Deventer en van het Kennemer lyceum te Bloemendaal en 30 leden van de Knapenvereeniging te 's-Gravendeel. Prof. dr. W, Martin bezocht het Museum met 37 studenten en de door prof. dr. A. W. Nieuwenhuis bij de tentoonstelling van Sumatraansche kunst gehouden academische lezing werd door 74 personen gevolgd.

Den 13den April genoot het Museum de onderscheiding van het bezoek van H. M. Koningin Wilhelmina en Z. K. Hoogheid Prins Hendrik met gevolg en den 27sten October werd het bezocht door den Prins van Djocja met gevolg.

Den 27sten Januari verleende het gastvrijheid aan 150 leden van het juristencongres voor internationaal oorlogsrecht, aan wie door den Academischen senaat een thee werd aangeboden. Onder de verdere bezoeken van vereenigingen vallen te vermelden die van den Ned. Journalistenkring (60 personen), den R.K. Volksbond (37 personen), de studieclub van het Rotterdamsche politiecorps, de Synode van Waalsche predikanten en de Vereeniging "Oud-Leiden", alhier.

Leidsch Dagblad17-06-1924

 

 

 

Door het Museum werden tentoonstellingen georganiseerd van schilderijen van prof. J. H. Jurres, 5 Januari, van G. H. Breitner, 7 Maart, van den Amerikaanschen schilder W. H. Singer Jr., 9 Mei en van Jan Toorop, 17 November. In December volgde een tentoonstelling van kantwerk uit een bekende particuliere verzameling en van slotenmakerswerk uit die van dr. Molhuysen, te 'sGravenhage.

Bij de tentoonstelling van Breitner werd de welwillende medewerking ondervonden van den heer J. Siedenburg (firma Buffa), te Amsterdam, en den heer S. J. Sala, te 's Gravenhage.

De tentoonstelling werd in tegenwoordigheid van den meester door den voorzitter geopend. Droevig stemt de gedachte, dat dit de laatste maal was, dat den meester in het openbaar eene hulde kon gebracht worden voor zijn werk. De werken van Singer werden door den heer J. Siedenburg ter tentoonstelling afgestaan.

Het glanspunt vormde de schitterende verzameling van werken van J. Toorop, die gedurende eenige weken hier gastvrijheid genoot.

Ook aan te Leiden gevestigde kunstvereenigingen werd de gelegenheid gegeven om in het Museum tentoonstellingen en lezingen te houden.

De Leidsche kunstkring opende den 12den Februari een tentoonstelling van schilderijen van Piet van Wijngaardt, gevolgd door een van batikwerk van Ragnhild d'Ailly in September en in aansluiting daarmede van werken uit den kunsthandel van den heer Du Bois, te Haarlem. "De Sphinx" opende het seizoen met een tentoonstelling van graphische kunsten prof. dr. A. W. Nieuwenhuis verbond aan zijn academische voordracht op 23 April een tentoonstelling van Sumatraansche kunst.

Op uitnoodiging van den Leidschen kunstkring, „De Sphinx" en de vereeniging "Kunst voor de Kunst" hield dr. H. P. Berlage hier 1 November een lezing met lichtbeelden over de crisis in de Bouwkunst. Gaarne verleende de Commissie ook haar medewerking, waar die yoor liefdadig doel werd gevraagd.

Op verzoek van de Kunstgroep Bilthoven werd in Jan. en Febr. de gelegenheid gegeven om vrijwillig een hooger entrée-geld te betalen ten bate van de steunbehoevende kunstenaars, waardoor een bate van f 107.04, na aftrek der kosten, aan het comité kon toegezonden worden.

Aan de op uitnoodiging hiervan alhier gevormde commissie werd de tentoonstellingszaal beschikbaar gesteld voor een tentoonstelling van kunstwerken, met hieraan verbonden verloting en een lezing door den heer W. A. van Konijnenburg. Als resultaat hiervan kon de plaatselijke commissie een voordeelig saldo boeken van ruim 2300 gulden, hetwelk door haar werd aangewend voor aankoop van werken van kunstenaars uit Leiden en omgeving, welke daarna ter beschikking werden gesteld van de groep Bilthoven.

Aan tentoonstellingen buiten Leiden werd deelgenomen door tijdelijk het bekende gezicht op Leiden door J. van Goyen (Catal). Schilderijen No. 73), dat in 1903 werd aangekocht met steun van de Vereeniging "Rembrandt", af te staan voor de tentoonstelling te Amsterdam, gehouden bij het 40-jarig bestaan dier zoo verdienstelijke vereeniging.

De belangrijkste aanwinst vormde het uit het legaat van mevr. Du Rieu-Sautijn Kluit aangekochte schitterende stuk van den Leidschen meester W. van de Velde, den oude, een penteekening-schilderij op paneel, voorstellende het uitzeilen van de vloot uit een der Hollandsche zeegaten.

Het stuk is van een zeer fijne en levendige teekening. Onder de geschenken valt in de eerste plaats te noemen een buste in gips van Rembrandt, vervaardigd door Toon Dupuis en door den meester aan het museum geschonken. Het is een vrije navolging van de in 1906 alhier onthulde, door T. Dupuis vervaardigde buste. Deze was oorspronkelijk toegezegd bij de opening van het museum en is als zoodanig reeds vermeld. De buste is door den heer A, Coert kunstmatig gebronst en is daarna als een hulde aan Leiden's grooten zoon opgesteld op het punt, waar de drie kunstzalen samenkomen.

Een zeer belangrijk aanbod werd gedaan door prof. mr. W. van der Vlugt, die de fraaie kamerbetimmering in de achterzaal van het vroeger door hem bewoonde huis aan de Hooigracht ter beschikking van de Commissie stelde, op voorwaarde, dat het uitbreken, het overbrengen en weder geheel inrichten van de kamer aan de Hooigracht op kosten van het museum zoude geschieden.

Aangezien ook aan het opstellen en pasklaar maken van de betimmering voor het museum groote onkosten verbonden zijn meende de Commissie, onder groote erkentelijkheid voor het welwillend aanbod, dit niet te mogen aanvaarden, zoolang er geen zekerheid bestond dat de betimmering ook in het museum plaatsing kon vinden.

De onderhandelingen hierover leidden tot een andere toezegging, waardoor de kans bestaat, dat onder bepaalde omstandigheden alsnog van het aanbod kan worden gebruik gemaakt.

In bruikleen werd o.a. ontvangen: Van Z.Exc. den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, door bemiddeling van prof. dr. W. Martin: een schilderij van A. H. Bakker Korff, "La Fille du héros", op doek. Dit schilderij is afkomstig uit het legaat mevr. Rose-Molewater.

Leidsch Dagblad 17-06-1924

 

Reageer op dit bericht

05-08-1925 Kunsthandel Sala een portret van H.M. Koningin Moeder

 

 

 

KUNST EN LETTEREN. EEN PORTRET VAN H.M. DE KONINGIN-MOEDER.

Kunsthandel Sala.

De Vrint heeft, anderhalf jaar geleden een levensgroot portret geteekend van de Koningin-Moeder, dat thans in den kunsthandel van den heer Sala tentoongesteld wordt. Men vergelijkt 't onwillekeurig met de teekening van Toorop, die zooveel grootscher en sterker was.

Misschien mag van dit werk getuigd worden, dat 't sprekend gelijkt. Het geeft ongetwijfeld een sympathiek en waarschijnlijk een zeer getrouw beeld van de moeder onzer Koningin. En het pleit voor de eerlijkheid van den schilder, dat hij geen hofkoorts op het lijf kreeg bij 't volvoeren dezer opdracht. Hij heeft de grijze vorstin met genegenheid, maar zonder grootspraak, in eenvoud geportretteerd.

Zijn werk nadert zeer dergelijke teekeningen van Bobeldijk: het heeft er de rustige gevoeligheid, doch ook de slappe afronding van. Als er dan toch een nieuw portret der Koningin-Moeder besteld werd, waarom dan niet de opdracht gegund aan een krachtiger persoonlijkheid? Er zijn er genoeg, ook onder onze jongere schilders. Just Havelaar.

het Vaderland 05-08-1925 

 

Reageer op dit bericht

Meer van SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

↑ Terug naar de berichten