Naar de inhoud

SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

SALA familie Sala - Visino - Pognana - Tavernerio - Roveredo - Pusiano
akke.beakke.be

Categorie: 1 KUNSTHANDEL SALA DEN HAAG d SALA WERREL

20-04-1933 Kunsthandel Sala J.H. van Mastenbroek

 

 

 

J. H. VAN MASTENBROEK Bij Sala

Het zal een klein jaar geleden zijn, dat men in Pulchri Van Mastenbroeks Zuiderzee werken zag, en deze tentoonstelling in den kunsthandel Sala bevestigt mijn toen uitgesproken meening, zoowel ten goede, als ten kwade.

Het gevaar van dezen altijd bezigen, altijd ijverigen schilder is, was vooral, zijn te groote vlotheid en zijn tekort aan synthetisch vermogen. Hierdoor weet hij ons wel de bedrijvigheid van een haven met sleepbooten of een drukke kade onder sneeuw te suggereeren, maar de beweeglijkheid vermoeit eer, dan dat ze bevredigt omdat het een en ander compositorisch rammelt. Ge krijgt als het ware een teveel aan onvoldoend verwerkte, niet vast en klaar genoeg gegeven détails, al mag er dan overigens veel in dit werk zijn, dat door de levendige en kundige wijze van zien en doen waardeering vraagt.

Zooals ik echter een vorig maal in mijn bespreking der Zuiderzeestukken opmerkte blijkt Van Mastenbroek zich in te spannen, zijn zwak te overwinnen. Hier is hem dat zeker gelukt in zijn IJsvreugde no. 9, waarin hij veel rustiger en helderder werd, bij behoud van zijn geanimeerden verteltrant. Ook de vormgevingen lijken mij gaver, volkomener in dit doek, en van den vroegeren invloed van Jacob Maris, die duidelijk spreekt uit de aanwezige oudere werken, valt niets meer te bespeuren.

Wel komt thans echter, niet in dit prijselijk IJsgezicht, maar elders bijv. in het groote Wier-maaien te Breezand no. 2, een nieuwe moeilijkheid om den hoek kijken, en dat is het kleurbesef. Hand in hand met het zoeken naar een strakker overzichtelijkheid gaat blijkbaar, begrijpelijkerwijze, een zoeken naar een lichter en helderder kleurwerking. Dit coloriet is echter in het Wiermaaien onvoldoend zuiver, te zoet en plaatjesachtig, zoodat men Van Mastenbroek in overweging zou willen geven, zich coloristisch duchtig rekenschap te geven en zich zelf voorloopig in deze richting niet al te zware opgaven te stellen, gelijk in het bovenbedoeld schilderij.

Zijn kracht zal stellig eer liggen in een gamma van verhelderde grijzen met accenten van rood, geel of bruin, dan in overvloedige blauwen of groenen - kleuren, die trouwens evenals het paars, steeds met groote omzichtigheid gehanteerd moeten worden. De tentoonstelling laat ook verschillende aardige kleine olieverfschetsen zien, genoeglijk en pittig gedaan.

W. Jos, de Gruyter.

het Vaderland 20-04-1933

http://www.vanmastenbroek.com/

 

 

Reageer op dit bericht

30-01-1932 Kunsthandel Sala Strobl den Haag in caricatuur

 

 

 

Heel Den Haag in caricatuur Maandag

a.s. opent in den kunsthandel S. J. Sala een merkwaardige tentoonstelling.

Onder den naam Heel Den Haag in Caricatuur, exposeert de Hongaarsche teekenaar Strobl daar een groot aantal caricaturen van bekende persoonlijkheden op elk gebied.

Strobl - zijn voornaam Stefan gebruikt hij zelden - is geboren te Winga, toentertijd in Hongarije, thans binnen de Roemeensche grenzen gelegen. Hij stamt uit een familie van landgoedbezitters en studeerde aanvankelijk voor architect na als luitenant een groot gedeelte van den oorlog te hebben meegemaakt.

Een tijd lang werkte hij te Boedapest en Weenen als illustrator, hield zich bezig met theater-architectuur en ontwierp decors. In 1923 reisde hij naar Denemarken en werd te Kopenhagen verbonden aan het dagblad Politiken en later aan de sportcourant Idrottsbladet te Stockholm.

Bijna 10 jaar teekende hij caricaturen voor Skandinavische bladen, voor Svenska Dagbladet, Dagens Nyheter, Stockholm Tidningen, Tidens Tegn, Extrabladet e.a. en hield tentoonstellingen van caricaturen.

Nauwelijks tien dagen is hij in onze Residentie en reeds heeft hij het materiaal voor zijn tentoonstelling bijeen. Slechts enkele minuten kijkt hij een gezicht aan, maakt een vluchtigen schetskrabbel, die later gedetailleerd en in kleuren wordt uitgewerkt.

Wie hij in deze luttele dagen alzoo heeft geteekend? Mr. P.J. Reijmer, minister van Waterstaat; mr. T.J. Verschuur, minister van Arbeid, Handel en Nijverheid; oud ministers prof. mr. P.J.M. Aalberse en prof. dr. J.R. Slotemaker de Bruine; A.J.P. de Adlercreutz, gezant van Zweden; jhr. mr. dr. H.A. van Karnebeek, Commissaris der Koningin; luit. generaal H.A. Seyffardt, chef van den Generalen Staf; luit. generaal E.F. Insinger, commandant van het Veldleger; mr. L.E. Visser, raadsheer in den Hoogen Raad; den Burgemeester jhr. mr. dr. L.H.N. Bosch Ridder van Rosenthal; de wethouders W. Drees, mr. H.P. Marchant, F.N.V. Quant, mr. S. de Vries Czn, en M. Vrijenhoek; F. van 't Sant hoofdcommissaris van Politie; L. Hoejenbos, directeur van Maatschappelijk Hulpbetoon; D van Staveren, voorzitter der Centrale Commissie voor de Filmkeuring; de schilders Piet van der Hem, Willem van Konijnenburg en H. van Meegeren; Albert Vogel, voorzitter van den Haagschen Kunstkring; Eduard Veterman, Hein von Essen, Raden Mas Noto Soeroto, Louis van Gasteren, Adolphe Engers, Fie Carelsen, Paul Harden, Friedel Dotza, Alberl May, Herbert Weissbach, Arthur Engers, Joh. F. Buziau, Henri Zeldenrust, Carl Flesch, dr. J. Schoemaker, mr. E.G.S. Bourlier, mr, J.H.G. Bekker, de theater-directeuren H. den Hertog, Hugo Helm en intendant J. Meihuizen, Henri E. Rey, J. Sassen, L.J.A. Kemper J.K.W.F. van Bommel, dr. W.C.A. baron v. Vredenburch, voorzitter der Ver. Nederland-Hongarije, Henri Asselin, tal van Nederlandsche journalisten, Joh. G. Berlott, Menno P. Fischer en mr. G.A. Boon.

Het resultaat zal men van Maandag af in den kunsthandel Sala kunnen zien. Den tentoonstelling blijft geopend tot 13 Februari.

het Vaderland 30-01-1932

 

Reageer op dit bericht

21-10-1937 Kunsthandel Sala G.H. Breitner

 

 

 

G. H. BREITNER

Kunstzalen Sala

IN DEN KUNSTHANDEL SALA, waar men zoo vaak reeds goede werken van onze impressionisten, hetzij Haagsche, hetzij Amsterdamsche, heeft kunnen aantreffen, wordt thans een tentoonstelling van Breitner gehouden.

In hoofdzaak zijn het bladen uit vroege en betrekkelijk vroege schetsboeken, uit het bezit van de weduwe van den schilder, aangevuld evenwel met 'n aantal aquarellen en schilderstukken uit den rijpen tijd en met enkele kleine late werken, die tragisch zwak aandoen in vergelijking tot het overige.

De teekeningen zijn interessant om verschillende redenen. In de eerste plaats, omdat zij een beeld geven van Breitners geleidelijken groei, het zich losmaken van invloeden (Rochussen), de zich wijzigende belangstelling voor onderwerpen en het langzaam overgaan van een teekenachtige in een typisch schilderlijke opvatting en werktrant.

Maar ten tweede ook, omdat uit de vroege krabbels en studies blijkt, hoezeer Breitner aanvankelijk geboeid werd door zijn lectuur en deze tot stof zijner teekeningen koos. De belangstelling voor de werkelijkheid kwam toen pas in de tweede plaats, hetgeen inmiddels; in aanmerking genomen den romantischen inslag van zijn talent, niet onbegrijpelijk is.

De vroegste bladen dagteekenen uit 1872, uit den tijd dat hij nog 'n Rotterdamsche jongen van vijftien jaar was. Die van het volgend jaar doen al minder schoolsch onpersoonlijk aan, men moet eens de paardekoppen uit ‘72 met die uit ‘73 vergelijken, welke laatste bezielder en meer heftig, meer Breitnersch zijn. Het paard had hem toen dus al te pakken, aanvankelijk min of meer het romantisch illustratieve paard van het oorlogstafereel of de jachtscène, dat later plaats inruimde voor het reëele militaire paard, en weer later het Amsterdamsche tram- of trekwagenpaard werd.

Daarnevens bleek Breitner reeds vroeg een knap vertolker van de figuur, vooral van de heftig bewegende figuur. De belangstelling voor het stadsbeeld, dat zoowel figuur als paard zou opslokken in een grooter schilderachtig geheel, treedt pas later - na omstreeks 1890 - duidelijk aan den dag. Dan is zijn stijl in stee van illustratief of beschrijvend, al geheel subjectief reageerend geworden op picturale wijze. De snel en raak aanduidende lijn, altijd levend en rijk aan karakter, wordt afgewisseld met den toon, die in een portretje als nr. 65 zelfs de geheimzinnige diepte van 'n Redon heeft.

De mooiste of althans meest virtuose schetsen dateeren uit deze eeuw; men kan er uit opmaken, dat de latere Breitner in den letterlijken zin door zijn indrukken bezeten was. In het vertrek achter treft vooral de aquarel der "Waspitten", drie meiden over 'n grachtbrug gaande, uitstekend van karakteristiek en princelijk van kleur; zulk een werk verliest niets bij terugzien, maar verrast telkens opnieuw en doet den beschouwer glimlachen van genoegen. Men vindt op dit blad geen vierkante centimeter, dat niet sterk bewogen is en verfijnd, beheerscht in de tegelijk forsche en zachte kleur.

Een ander goed stuk is de olieverf van Rustende Cavalerie, lenig en bondig gedaan, op onmiddellijke wijze een visueele impressie vastleggend, toch overwogen van samenstel en gespannen in zijn compositorische lijninrichtingen. Let o.a. op de wijze, waarop het witte paard een verband legt tussen en de lichte lucht - het schel oplichtende van 'n lucht na regenbuien - en de donkere massa van het landschap met silhouetteerende dieren en menschen.

Tot mijn spijt ben ik laat met deze bespreking, maar de tentoonstelling is nog verlengd tot einde volgend21-10-1937 e week. Zij is zeker de moeite waard. Jos. de Gruyter.

het Vaderland 21-10-1937

 

Reageer op dit bericht

26-04-1933 Prins Hendrik bezoekt Kunsthandel Sala

 

 

 

PRINS HENDRIK IN DEN KUNSTHANDEL SALA.

Z.K.H. de Prins, vergezeld van zijn adjudant jhr Laman Trip, bracht hedenochtend een bezoek aan de tentoonstelling van werken van J. H. van Mastenbroek in den Kunsthandel Sala, Noordeinde.

De Prins, die werd rondgeleid door de heeren v. Mastenbroek en Sala bezichtigde eveneens de collectie-Sala

het Vaderland 26-04-1933

 

Reageer op dit bericht

10-10-1933 Kunsthandel Sala H.L. Landmann

 

 

 

H. L. LANDMANN

Kunsthandel Sala

Van dezen jongen kunstenaar moet men in elk geval schrijven, dat hij ernstig kan werken. Dat bewijzen in 't bijzonder een paar groote geaquarelleerde stillevens, de nummers 17 en 19, blijkbaar reeds dateerend van een jaar of tien geleden.

Deze zeer doorwrochte en nauwgezette studies toonen niet enkel een niet aflatende aandacht, maar ook een bepaalde gevoeligheid. Zij zijn niet dood gewerkt en blijken geen mechanische reproducties van de werkelijkheid: er zit liefde in, een zekere schuchtere ontvankelijkheid voor het wonder.

Hoewel van een persoonlijke visie of een persoonlijke wijze van weergave nog geen sprake kan zijn, hebben deze bladen op rustige wijze wel iets ruims, iets bewogens. Zij houden een belofte in.

Ziet men vervolgens het latere werk, dan valt het niet mee. De olieverf-stillevens van den lateren tijd zijn op min of meer academische wijze verdienstelijk, maar toch strikt gezien een grovere herhaling van hetgeen reeds in de aquarel no. 19 werd bereikt. Natuurlijk moet men hierbij de zware eischen, door de olieverftechniek gesteld, niet uit het oog verliezen.

Over het geheel zijn de bloemstukken, waarvan de kleur onzeker blijkt, het minst; het sterkst daarentegen enkele gezichten op binnenhavens enz, men lette speciaal op het schilderij no. 47. Hierin werd een tonalistische fijnheid bereikt, waaraan wellicht Tholens invloed niet vreemd is.

Overal blijkt Landmann het best op dreef, waar hij meer strak teekenend en tonalistisch bepalend, dan coloristisch schilderend te werk ging; daarom verwondert het ook niet, dat sommige, in zilverigen toon gehouden teekeningen het verst reiken en tegelijkertijd het persoonlijkst lijken.

Een teekening als die van een binnenhof met trap te San Gimignano, dit jaar gedaan, opent perspectieven voor een verdere ontwikkeling misschien mede in de richting der lithographie. Het verfijnde, stille en mijmerende, toch tegelijkertijd geserreerde van zoo'n teekening overtuigt mij heel wat meer, dan het overgroote deel der schilderijen. Maar ik moet daar aan toevoegen, dat elders in de teekenigen de blik wel eens te sterk door bijkomstigheden werd afgeleid.

Misschien moet Landmann nog iets strenger met zich zelf zijn?

W. Jos. de Gruyter.

het Vaderland 10-10-1933 

 

Reageer op dit bericht

18-01-1933 Kunsthandel Sala overgeplaatst naar den Haag.

 

 

 

Wijziging 17 Jan.: Firma Sala en Zonen, Leiden, Breestraat 114b en c handel in lijsten, spiegels en kunsthandel. De dd 13 Januari jl. ingeschreven opgave dat de handelszaak is opgeheven, is abusievelijk geschied. Deze opgave had moeten luiden: De handelszaak van de Firma D. Sala en Zonen, is dd 28 Dec. 1932 overgeplaatst naar den Haag, Noordeinde 28a.

Nieuwe Leidsche courant 18-01-1933

 

Reageer op dit bericht

26-04-1952 S.J. Sala schenkt schilderij van Suse Robertsen aan de Lakenhal

 

 

 

Aanwinsten voor de Lakenhal

De heer S. J. Sala, voorheen wonend te 's-Gravenhage, thans te Bergen, die de vorige week zijn 75ste verjaardag vierde, heeft reeds herhaalde malen door een aantal schenkingen blijk gegeven van een warme belangstelling voor de Lakenhal.

Onlangs schonk hij een buitengewoon fraai schilderij van Suse Robertsen, voorstellende "Buurtje", alsmede een typisch maanlandschap van Jacob Maris, terwijl het museum van dezelfde zijde enige tijd geleden een omvangrijk duinlandschap van Willem Tholen in bruikleen mocht ontvangen.

Samen met zijn vroegere schenkingen, waaronder de Koningskinderen van Thijs Maris, en enige andere schilderijen uit de Haagse School, zijn deze aanwisten thans tentoongesteld in een aparte zaal, welke tijdelijk vanwege de Verster tentoonstelling vrij kwam.

In dezelfde zaal is tevens een aantal portretten opgehangen afkomstig van het onlangs verworven legaat Challand. Hiertoe behoren o.m. vier bijzonder fraaie familieportretten door de Haarlemse schilder Cornelis Kruseman.

Nieuwe Leidsche Courant 26-04-1952

 

Reageer op dit bericht

03-09-1932 Breitner en Boete voor de Residentiebode

 

 

 

BREITNER EN DE RESIDENTIEBODE

Het blad tot betaling van schadevergoeding veroordeeld.

Eenigen tijd geleden hebben we medegedeeld, dat de rechtbank hier ter stede de Residentiebode had veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan den kunsthandelaar Sala, wegens haar artikel over de uitstalling van een Naakt van Breitner, dat ze in haar nummer van 4 Mei 1931 had, welke naaktstudie van zulk een kunstwaarde is, dat ze in 1929 op een Breitner tentoonstelling in het Gemeente-Museum voor Moderne Kunst heeft gehangen.

Het blad had eerst een "protest" geschreven tegen dit schilderij "dat ergernis verwekt", welk artikel, om de onwaarheid ervan aan te toonen, de kunsthandelaar naast het schilderij hing, wat het blad beantwoordde met een artikeltje, waarin het schreef:

Katholieken zullen zich herinneren de waarschuwing: Koopt niet in winkels waar zedenkwetsende artikelen worden uitgestald. Winkeliers die het publiek ergeren, moeten dan maar in hun zaken ondervinden, dat het publiek niet op zulk een brutale wijze met zich laat spotten.

De kunsthandelaar eischte veroordeeling van den hoofdredacteur Bruysten tot betaling van f 2500 of zooveel minder als de rechtbank mocht billijk oordeelen, omdat het artikel hem in zijn goeden naam als kunsthandelaar had gekwetst en er schade voor hem uit voortvloeide.

We hebben nu het vonnis gezien en dit overweegt, dat, daar gedaagde in het eerste stelde:

Wij weten wel, dat "men" zich in zulk een geval op de "kunst" beroept, blijkt, dat hij zelf meende te kunnen verwachten de mogelijkheid, dat de eischer zijn oordeel niet als juist zou onderschrijven, en dat hij dan ook volkomen miskende de van ouds bekende waarheid, dat wie kaatst den bal moet verwachten, toen hij zich ergerde aan de vrijmoedigheid van den eischer om met gedaagdes oordeel den spot te drijven en het stukje, uitgeknipt, naast het tentoongestelde schilderij op te hangen.

En het vervolgt: 

overwegende, dat het tweede stuk van den gedaagde was, volgens hem zelven, de reactie op, den hoon, den schrijver van het vorige artikeltje door die laatste handeling aangedaan; dat nu even goed als de gedaagde het recht heeft om zijn oordeel als het eenig juiste aan te merken, den eischer het recht toekomt het met den gedaagde niet eens te zijn, maar den gedaagde zeker niet het recht toekomt om den eischer zijn oordeel als het juiste op te dringen en in geval deze zich niet daarnaar wenscht te gedragen, zich tegenover dezen uit te laten als geschied is in het tweede artikel; dat toch daarin onder inroeping van de autoriteit van een katholiek priester de zaak van den eischer wordt aangeduid als te hebben een etalage, welke de gerechte ergernis van velen (katholieken en anderen) wekt en eischers winkel als een, waarin zedekwetsende    artikelen worden uitgestald, wordt gequalificeerd, terwijl dan de katholieken worden aangespoord in dien winkel niet te koopen, opdat de winkelier in zijn zaken zou ondervinden, dat het publiek niet op brutale wijze met zich Iaat spotten.

Dergelijke uitlatingen, ingegeven door de reactie op den hoon, den schrijver van het eerste artikeltje aangedaan, brengen, zegt het vonnis, duidelijk naar voren de bedoeling om den eischer in zijn zaken, in zijn debiet te doen gevoelen de gevolgen van het feit, dat hij zich niet aan het subjectieve oordeel van de Residentiebode heeft willen onderwerpen en leveren, als zijnde in strijd met de zorgvuldigheid, welke men in het verkeer ook ten opzichte van andermans zaken moet in acht nemen, op een onrechtmatige daad, welke den eischer schade moet hebben toegebracht, zeker waar zij werden geuit door een blad, dat vooral onder de katholieken, gezag heeft als de Residentiebode, en waar dit blad zijn meening nog als juist ondersteunt met een beroep op een dienaar der katholieke kerk.

Uit den aard der zaak kan de schade, den eischer in zijn debiet berokkend, nooit met zekerheid worden bepaald, maar er waren voldoende gegevens om het bedrag naar billijkheid te kunnen beoordeelen en daarom is het bedrag bepaald op f 600.

Vandaar dat het vonnis den hoofdredacteur van het katholieke blad heeft veroordeeld om den heer Sala te betalen f 600 met de rente over dit bedrag, berekend tegen 5 pct. per jaar van den dag der dagvaarding af tot dien der voldoening en hem tevens heeft veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van den heer Sala ten bedrage van f 165.

Het Vaderland  03-09-1932

 

Reageer op dit bericht

Meer van SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

↑ Terug naar de berichten