|
Ingezonden:
In Amsterdam is wel wat bekend over kinderen van Franciscus Xaverius Primowesi en Katrien Amesin en op Google heb ik meer gegevens over de barometerbouwer Primavesi gevonden
Frans zou de vader van jouw jongedame kunnen zijn, waarna haar man het beroep van zijn schoonvader kan hebben geleerd.
(Bedoeld wordt Maria Primavesi maar dat is nog maar de vraag.)
Zoon Jan Jacob Primowees, ged. 3-10-1754, ovl. 19-11-1813 Amsterdam, trouwde 8-9-1780 met Maria Willegers en werd zeeman.
Na zijn huwelijk koos hij een baantje aan de wal en werd als sjouwer in het poortersboek van Amsterdam ingeschreven.
Het poortersboek tekende hij met Jan Primavezi, als Maria overlijdt (3-2-1819) wordt ze weduwe van Jan Wees genoemd.
Hun dochter: Elisabeth Primowees, ged. 26-10-1783, ovl. 27-4-1833 Amsterdam ondertrouwde 20-3-1807 met Georg Fredrik Nootwang, geb. te Bornworf?, ovl. 30-11-1829 Amsterdam.
Georg was bootsman op het corvet 'Ajax', welk corvet in den Helder lag en had toestemming nodig van zijn commandant J.N. Polders. 12-3 was de ondertrouw in den Helder, Elisabeth die Yeliesebeth werd gedoopt, krijgt toestemming van het Aalmoeseniers Weeshuis, mits het huwelijk in Amsterdam wordt gesloten.
Waarom deze toestemming is niet duidelijk, daar haar ouders nog leven.
De juiste huwelijksdatum heb ik niet kunnen vinden, daar er 2 genoemd worden: 19-4 en 7-6.
Het was praktisch onmogelijk de juiste Amsterdamse kerkboeken te vinden.
Met dank aan de inzender ____________________
Paulus Wast (1721-1784) kam als Emigrant der ersten Stunde, im Jahre 1740 in die Niederlande und ging zu Frans Primavesi in die Lehre. Ursprünglich hieß er Paoli Quasti. Später machte er sich in Amsterdam selbständig und passte seinen Namen an die niederländische Namensgebung an (um 1750). Er wurde ebenfalls ein ganz Großer seiner Zunft. Beide Söhne, Paulus und Pieter, führten den Betrieb nach seinem Tod weiter.
Zu nennen wäre noch Jan Paauw (1723?-1803) aus Leiden, der die Instrumente für Peter van Musschenbroek lieferte.
Im Verlauf des 18. Jh. lässt sich in den Niederlanden die Entwicklung des so landestypischen Bakbarometers in mehreren Stufen verfolgen. Vom einfachen, schlichten Gefäßbarometer mit Zinnskala aus den Anfangsjahren (ab 1725), über Instrumente mit mehrteiligen, kunstvoll gestalteten Skalen zur Mitte des Jahrhunderts, bis hin zum Kontra-Bakbarometer mit zusätzlichem Controlleur, ein- oder zweiteiliger, langer Zinnskala und verglaster Türe, in den 80iger Jahren, lässt sich das Design Schritt für Schritt verfolgen.
In der 2. Hälfte des 18. Jh. tauchen dann vermehrt Werkstätten mit italienischen Namen auf. Die zweite Welle der Emigranten hatte aus der Südschweiz und Norditalien kommend, auch die Niederlande erreicht. Viele der Einwanderer beschäftigten sich danach erfolgreich mit der Herstellung der Bakbarometer. Hier einige Namensbeispiele: Reballio in Rotterdam, Sala in Leiden, Primavesi, Stoppani und Peia in Amsterdam, oder Bianchi, Tarroni, Pagani, Solaro und wie sie alle heißen.
http://www.freunde-alter-wetterinstrumente.de/12barges03.htm
|