Naar de inhoud

SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

SALA familie Sala - Visino - Pognana - Tavernerio - Roveredo - Pusiano
akke.beakke.be
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Groepsfoto ter ere van de 80e verjaardag van ons moeder

 

 

Ter ere van de 80e verjaardag van ons moeder

 

Eerste rij zittend v.l.n.r.

 

1 Catharina Johanna Maria Schretlen (To) Geb 16-05-1902 Leiden Ovl …

2 Ilse Helena Ferdinande Coellen Geb 21-07-1910 Remagen Duitsland Ovl 09-04-1983 Veghel

Geh met Joannes Henricus Sala (Jan) Geb 02-08-1904 Eindhoven Stratum Ovl 15-08-1974 Veghel

3 Henrica Cornelia van Houten Geb 00-00-1884 Gorinchem Ovl 12-09-1972 Leiden 

Geh met Hendrikus Dominicus Sala Geb 16-08-1868 Ovl 05-05-1935 Leiden

4 Leonardus Hendrikus Sala (Leonard) Geb 23-02-1870 Leiden Ovl 10-11-1949 Oegstgeest

Geh met …

5 Mevr. Schretlen

6 Dominicus Johannes Sala (Minic) Geb 15-11-1873 Leiden Ovl 29-09-1954 's Gravenhage

Geh met Johanna Elisabeth van Houten Geb 16-12-1876 Gorcum Ovl 03-10-1941 's Gravenhage

7 Hortense Schretlen

Geh met Sala …

 

Staand v.l.n.r.

 

1 Joannes Henricus Sala (Jan) Geb 02-08-1904 Eindhoven Stratum Ovl 15-08-1974 Veghel

Geh met Ilse Helena Ferdinande Coellen Geb 21-07-1910 Remagen Duitsland Ovl 09-04-1983 Veghel

2 Ria Schretlen

3 Jan Sala uit Leiden Johannes Antonius Sala (Jan) Geb 13-08-1918 Leiden Ovl 25-06-2002 Leiden

4 met verloofde Francisca Hendrika van Noort (Cis) Geb 21-03-1912 Leiden Ovl 25-07-2001 Leiden

5 Simon Sala- Simon Johannes Sala Geb 19-04-1877 's Gravenhage Ovl 08-06-1952 Bergen Binnen NH

Geh met Henriëtte Marie Waterreus Geb 18-06-1898 's Gravenhage Ovl 11-07-1991 's Gravenhage

6 Lien Schretlen

7 Gerard Sala Gerardus Johannes Sala Geb 04-09-1875 Leiden Ovl 13-01-1960 Oegstgeest Bgr 18-01-1960 's Gravenhage

8 Geh met Adriana Elisabeth Maria (Jeanne) Nijdam Geb 06-02-1890 Delft Ovl 14-10-1982's Gravenhage

Reageer op dit bericht

Sebaldus Josephus Johannes Sala.

 

Het geheugen van Tilburg

Ververstraat Tilburg

De straat, lopende in zuidelijke richting, van de Oude Kerkstraat, tot de Primus Van Gilsstraat.

Stadsdeel: Oud Zuid Wijknaam: Oude Dijk
Deze straatnaam werd in 1881 officieel door de gemeenteraad vastgesteld, lopende van de Van Gils-straat naar de fabriek van Gebr. Kieckens. Deze wollenstoffenfabriek /ververij was aanvankelijk de firma Kieckens en Sala (Gebr. Salastraat). Na korte tijd zijn de gebroeders Sala een eigen fabriek begonnen. Over de fabriek van Kieckens is weinig bekend. Over de personen zijn we beter geïnformeerd. Franciscus Bernardus Gerardus Kieckens, was heel en vroedmeester (geb. Breda 14 december 1823, overl. Tilburg 19 oktober 1887) woonde vanaf ongeveer 1872 met zijn vrouw Adriana Catharina van de Eeden (geb. Breda 28 oktober 1822, overl. Tilburg 10 november 1890) en vier kinderen in de woning van de voormalige intendant van koning Willem II, J.N. Frankenhoff, aan de Paleisstraat.

 

 

 

Op de hoek Paleisstraat - Bisschop Zwijsenstraat stond de voormalige woning van de intendant van koning Willem II J. N. Frankenhoff. In 1935 werd hierin het natuurhistorisch en Volkenkundig missiemuseum ondergebracht. Dit fraaie pand, dat in dezelfde stijl werd gebouwd als het paleis, werd in 1965 gesloopt ten behoeve van de nieuwbouw van het kantongerecht (op 16 februari 1970 geopend ). Foto september 1960

 
 

Achter dit pand bevond zich een wol- en lakenververij van Frankenhoff; ongeveer in het verlengde van de huidige Ververstraat.

Zijn dochter Angelina Johanna Adriana Kieckens (geb. Tilburg 2 september 1849, overl. aldaar 2 oktober 1925) was getrouwd met Sebaldus Josephus Johannes Sala. Haar ene broer, Ferdinand Franciscus Carolus Kieckens, wordt in het adresboek van 1879 omschreven als fabrikant in wollen stoffen, Paleisstraat M 116, firma Kieckens en Sala. Dit is zijn ouderlijk huis. Ferdinand werd geboren te Tilburg op 2 augustus 1853 en was omstreeks 1885 getrouwd met Hendrika Bouwina van Munster (geb. Groningen 9 augustus 1854, overl. Tilburg 12 september 1903). Hij vertrok op 21 februari 1908 naar Hilvarenbeek. De andere broer was Carolus Franciscus Ferdinandus Kieckens, geb. Tilburg 9 juli 1862. Hij trouwde op 29 juli 1902 met Anna Maria Paulina Horsten (geb. Tilburg 20 februari 1865) en overleed te Tilburg op 23 september 1927. In 1835 kocht kroonprins Willem van Arnolda Castelijns (geb. Tilburg 1877), de weduwe van Johannes Mathias Frankenhoff (geb. te Monschau, overleden Tilburg, 4 januari 1822), enkele huizen, enkele percelen grond en de lakenververij. Ter vervanging van deze laatste liet kroonprins Willem een nieuwe ververij bouwen. In 1840 kreeg Johannes Nicolaas Frankenhoff  (Tilburg 12 september 1805 – Tilburg 25 januari 1862) een vergunning tot daarstelling van een stoomwerktuig voor het zuiveren en droogen van geverwde wollen stoffen in een locaal toebehoorende aan zijnen koninklijken hoogheid den prins veldmaarschalk. In 1853 had de ververij een stoommachine van 4 pk voor zestien blauwkuipen, twee verfketels, twee pleskommen en één indigomolen. Er werkten toen veertien volwassenen.

In 1862 werd door de weduwe van Johannes Nicolaas Frankenhoff, Anna Theresia Lombarts (geb. te Tilburg 25 februari 1807, overleden te Tilburg op 17 april 1875) een nieuwe ververij gebouwd aan de provinciale weg naar Hilvarenbeek. Na het overlijden van Anna Frankenhoff-Lombarts kwam de ververij in handen van Everardus Lombarts (Lombartsstraat), die de ververij in 1878 verkocht aan de firma Franken-Van Brunschot. Na de sloop van de oude ververij van Frankenhoff bouwde Kieckens hier, evenwijdig aan de Paleisstraat(ring), zijn wollenstoffenfabriek. In 1874 kreeg de firma Kieckens en Sala vergunning voor het plaatsen van een stoomketel. Na de opheffing van het bedrijf (inmiddels de fa. Gebr. Kieckens geheten) in 1891 waren hier achtereenvolgens kinderwagenfabriek Cools en rijwielfabriek Van der Schoot gevestigd. Het laatst bekende adres was Prinses Sophiastraat 21. De fabriek is omstreeks 1968 gesloopt.

Bron: Ronald Peeters, De straten van Tilburg (1987)  Rob van Putten. 

Reageer op dit bericht

De Hortus botanicus Leiden

 

 

 

 

De Hortus botanicus Leiden is de oudste, nog bestaande botanische tuin van Nederland en is in 1590 opgericht aan het Rapenburg in Leiden. De tuin is vanaf het begin toegankelijk geweest voor het publiek, iets dat vooral in de zestiende en zeventiende eeuw een uitzondering was.

GeschiedenisNa de stichting van de Universiteit Leiden in 1575 bleek het wenselijk om een 'Hortus Medicus', een tuin waarin studenten geneeskunde geneeskrachtige planten konden bestuderen, aan te leggen. Op 15 maart 1587 deden enkele bewindvoerders van de universiteit aan het gemeentebestuur het verzoek om de onbebouwde grond achter de universiteit ter beschikking te stellen voor de aanleg van de tuin voor het onderwijs in de geneeskunde. Het antwoord van het gemeentebestuur liet lang op zich wachten, maar op 9 februari 1590 werd uiteindelijk de grond van circa 1250 m² aan de universiteit overgedragen. Deze datum wordt algemeen gezien als de stichtingsdatum van de botanische tuin.

 

Hierna werd de zoektocht naar een directeur gestart. Uiteindelijk werd Carolus Clusius in 1592 gevraagd om hoogleraar aan de universiteit en directeur (praefectus horti) van de tuin te worden. In 1593 aanvaardde hij het hoogleraarschap en het directoraat van de tuin. In 1592 al stuurde Ogier Gisleen van Busbeke, Oostenrijks diplomaat, hem tulpenzaden. Ook had Carolus Clusius al in 1592 zaad van 251 plantensoorten vanuit Kreta naar Leiden laten zenden. In 1594 werd vervolgens met de eerste beplanting van de tuin begonnen.

 

Omdat Carolus Clusius bij zijn aanstelling al 67 jaar oud en bovendien invalide was, werd de Delftse apotheker Dirck Outgaertsz. Cluyt aangesteld om als hortulanus de dagelijkse leiding op zich te nemen. Carolus Clusius wilde de tuin laten inrichten met alle tot dan toe bekende soorten uit het plantenrijk. Op dat moment nog onbekende planten als tulpen en in latere tijden tomaat, tabak, maïs en aardappel werden aangeplant en kregen door de botanische tuin hun bekendheid in Noord-Europa. Ook werden er planten aangeplant die door de Vereenigde Oostindische Compagnie naar Europa werden gebracht.

 

Van 1709 tot 1730 was Herman Boerhaave de directeur van de botanische tuin. Onder zijn leiding werd het aantal plantensoorten uitgebreid tot 5846. Onder het directoraat van Adriaan van Royen van 1730-1754 werd het oppervlak van de tuin verdubbeld en reikte de tuin tot aan de stadswal. Hij maakte de komst van Carolus Linnaeus mee die tussen 1735 en 1737 regelmatig de botanische tuin kwam bezichtigen. Van 1754 tot 1786 was David van Royen directeur van de botanische tuin. Van 1752 tot 1814 was Nicolaas Meerburgh eerst als onderknecht en later als hortulanus actief in de botanische tuin. Hij publiceerde boeken met daarin tekeningen van planten die in zijn tijd in de botanische tuin groeiden. Onder het directoraat van Sebald Justinus Brugmans van 1786-1819 kreeg de tuin de grootste oppervlakte in zijn bestaan. Tijdens de Franse bezetting reisde hij naar Parijs om met de machthebbers te overleggen over hun plannen met de universiteit en de botanische tuin. Waarschijnlijk leidde dit ertoe dat de botanische tuin behouden bleef en de universiteit niet werd gesloten zoals wel gebeurde met de Universiteit van Franeker en de Universiteit van Harderwijk. In 1857 werd de botanische tuin gedwongen om grond over te dragen voor de bouw van de Sterrewacht. Hiermee werd een nog jonge Willem Frederik Reinier Suringar geconfronteerd, die op dat moment de plaatsvervanger was van hortusdirecteur Willem Hendrik de Vriese die op reis was.

 

Tussen 1931 en 1939 kreeg de botanische tuin onder leiding van professor Lourens Baas Becking een groot gedeelte van zijn huidige inrichting. De broeikassen die tussen 1850 en 1890 waren aangelegd, werden gesloopt en tussen 1937 en 1938 vervangen door een groot kassenkomplex, waarvan de Victoriakas deel uitmaakte. In 1931 werd de Clusiustuin aangelegd, een reconstructie van de tuin uit de tijd van Clusius. Deze reconstructie werd niet op zijn oorspronkelijke locatie gehuisvest, de Voortuin. Het was een reconstructie van hoe de botanische tuin er in de tijd van Carolus Clusius uitzag aan de hand van een plattegrond van de originele tuin en een originele lijst van de plantencollectie uit 1594. In 1990 werd de Clusiustuin gerenoveerd, waardoor deze een nog beter beeld gaf van hoe de tuin er in 1594 uitzag. In 2009 werd de Clusiustuin verhuisd naar de Voortuin, waardoor de reconstructie op de oorspronkelijke plek kwam te liggen.

 

Per 1 juli 2006 is Paul Keßler de huidige directeur van de hortus als opvolger van de reeds in maart 2004 gestopte Jan de Koning.

 

Inrichting

 

De botanische tuin bestaat onder meer uit de Voortuin, de Wintertuin, de Von Siebold Gedenktuin, de Oranjerie, de systeemtuin en een tropisch kassencomplex, waaronder de Victoriakas.

 

De Voortuin is het oudste gedeelte van de hortus bij de ingang aan het Rapenburg en bestaat al sinds 1594. Hier staat een Libanonceder die hier in 1990 is geplant ter vervanging van een beuk die hier 160 jaar stond, maar ten prooi is gevallen aan een schimmelziekte en toen in plakken is gesneden die zijn verkocht. Ook staat in de Voortuin de oudste plant van de botanische tuin, een goudenregen die hier in 1601 is geplant en staat er een tulpenboom die hier in 1682 is geplant. In 2009 werd de reconstructie van de tuin zoals die in Clusius' tijd eruit heeft gezien, verhuisd naar de Voortuin. In de Clusiustuin staan planten die rond 1600 in de tijd van Carolus Clusius hier groeiden. Alle planten, hekwerken en prieeltjes staan volgens een plattegrond uit 1594 op hun plaats.

 

De Wintertuin is een koude kas en is het jongste onderdeel van de tuin. De Wintertuin is in 2000 opgeleverd naar een ontwerp van Hubert-Jan Henket en herbergt levende steentjes van het geslacht Conophytum, palmvarens (Cycadales) en vleesetende planten als zonnedauw, vetblad en Sarracenia. In de Wintertuin is ook het bezoekerscentrum met de entreebalie, de hortuswinkel en het café gevestigd.

 

De Von Siebold Gedenktuin is een Japanse tuin en is in 1990 aangelegd als herinnering aan Philipp Franz von Siebold die in Japan planten verzamelde en deze liet transporteren naar de botanische tuin. De tuin wordt omgeven door een rode muur en bij het begin staat een Japans theehuis. In de tuin groeien winterharde planten uit Azië en staat een borstbeeld van Von Siebold.

 

De Oranjerie is een monumentaal gebouw dat tussen 1740 en 1744 is aangelegd naar een ontwerp van Daniël Marot. In de winter herbergt dit gebouw subtropische kuipplanten als laurier, olijfboom en granaatappel die in de zomer buiten staan.

 

De systeemtuin is een tuin waarin planten staan gerangschikt op verwantschap volgens de meest recente wetenschappelijke inzichten.

 

In het tropische kassencomplex kunnen onder andere Hoya, Aristolochia grandiflora, kruidje-roer-me-niet , Passiflora racemosa, Araceae (tropische aronskelken) waaronder Amorphophallus titanum, tropische varens, tropische orchideeën, Billbergia nutans, Strongylodon macrobotrys en Nepenthes worden aanschouwd. In de Victoriakas kan de imposante reuzenwaterlelie Victoria amazonica worden bezichtigd, die elk jaar opnieuw wordt uitgezaaid en op 8 juli 1872 voor het eerst bloeide in de botanische tuin.

 

Naast het kassencomplex groeit een lotusboom die hier in 1736 is geplant. Naast de lotusboom staat een mannelijke Japanse notenboom (Ginkgo biloba), die hier in 1785 is geplant.

 

Johann Büttikofer (Ranflüh, 9 augustus 1850 - Bern, 24 juni 1927) was een Zwitsers zoöloog. (Zie ook Johann Büttikofer en Carolus Franciscus Sala)

 

was betrokken bij verscheidene wetenschappelijke expedities. Hij bezocht daartoe Liberia van 1879 tot 1882 en van 1886 tot 1887, en Borneo van 1893 tot 1894. Van 1894-1897 was hij curator voor vogels aan het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden en van 1898-1924 was hij directeur van de Diergaarde Blijdorp te Rotterdam. Zijn naam is vereeuwigd in enkele vogelsoorten, zoals Büttikofer frankolijn (Francolinus levanthoides jugularis) en in de Westafrikaanse watergriel (Burrhinus vermiculatus buettikoferi). In 1895 vewrkreeg hij een eredoctoraat van de universiteit van Bern. Büttikofer bekleedde belangrijke functies binnen natuurbeschermingsorganisaties. Zo was hij voorzitter van Vogelbescherming Nederland, destijds nog de Nederlandse vereniging tot bescherming van vogels geheten, tussen 1909 en 1924.

 

In de kassen en de tuin van de Hortus botanicus Leiden worden al meer dan vier eeuwen planten uit alle windstreken verzameld, gekweekt, bewonderd en bestudeerd. Wandel langs eeuwenoude boomreuzen, de monumentale Oranjerie uit 1745 met subtropische kuipplanten en de Von Siebold Gedenktuin in Japanse stijl.

Sinds 1590 worden in de Hortus botanicus Leiden planten uit alle windstreken van de aarde, maar vooral uit Azië, gekweekt. De tropische kassen bieden onderdak aan orchideeën, aronskelken, vleesetende planten en niet te vergeten: de Victoria amazonica. Een reuzenwaterlelie die ’s nachts bloeit. Beleef in de wintermaanden ook even de lente. Ongeveer 3000 felgekleurde Amaryllisbloemen zorgen voor een overweldigende bloemenzee die alvast de zon laat schijnen.

 

Reuzenaronskelk Zie bijlage

De Reuzenaronskelk is een stinker

Een reuzenaronskelk staat maar eens in de 10-15 jaar kort (ongeveer 2 dagen) in bloei. De bestuiving moet, koste wat het kost, slagen. Als hij bloeit, doet de Reuzenaronskelk het ook goed. De plant heeft een enorme bloeiwijze (kolf) die een sterke rottingslucht verspreidt. De geur is tot ver in de omtrek te ruiken. Zweetbijen laten zich erdoor naar de bloeiwijze lokken en zorgen voor de bestuiving.

Reageer op dit bericht

Archiefblok: Firma D. Sala en Zonen Regionaal Archief Leiden

 

Naam archiefblok:

Firma D. Sala en Zonen, kunsthandel en lijstenmakerij te Leiden,

(1855) 1858 - 1943 (1998)

Sala, kunsthandel

Periode: 1858-1943

Omvang: 1,93 meter; 331 inventarisnummers.

Archiefbewaarplaats: Regionaal Archief Leiden

Archiefvormers: •Firma D. Sala en Zonen, 1858 - 1943

Bijlagen
Reageer op dit bericht

Oisterwijk de Blokhut 1945

 

 

Oisterwijk de blokhut 1945

Maria Modesta Gerharda Iding echtgenote van Hermanus Cornelis Sala, met zoontje Herman

 

 

Behalve ansichtkaarten schilderde Dominicus Johannes Sala, vader van Hermanus Cornelis Sala aardige tafereeltjes.

 

Oisterwijk de blokhut 1945

Voorstellende Maria Modesta Gerharda Iding, echtgenote van Hermanus Cornelis Sala, met zoontje Herman

Reageer op dit bericht

Johann Büttikofer en Carolus Franciscus Sala.

Johann Büttikofer en Carolus Franciscus Sala.

 

Op instigatie van Prof. Schlegel van het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie ondernam zijn pupil Büttikofer twee reizen naar Liberia om alhier zoölogisch materiaal te verzamelen. Carolus Franciscus Sala werd hem toegewezen als reisgezel op de eerste reis van 1879-1882. Beide werden geplaagd door tegenspoed en ziekte (malaria), Carolus Franciscus overleed op 10 juni 1881 in Robertsport en werd daar op een missiestation begraven.

 

Büttikofer schreef diverse artikelen over zijn reizen en Liberia. In 1890 culmineerde dit in zijn "Reisebilder aus Liberia" in twee delen, uitgegeven door E.J. Brill te Leiden. Dit werk werd alom geprezen, en het blijft nog altijd één van de meest indrukwekkende monografieën over dit land. Van 1897 tot 1924 was Büttikofer directeur van de diergaarde "Blijdorp" in Rotterdam. Hij overleed in Bern op 24 juni 1927.

    

Oproep

 

Oproep in het kader van de vertaling (Duits-Engels) en annotatie van Büttikofers "Reisebilder aus Liberia" op initiatief van de Amerikaan Dr. Phillip Robinson en de Nederlander Drs. Henk Dop.

                       

Is het u bekend of er nog een nalatenschap in de familie bewaard is gebleven van Carolus Franciscus, in het bijzonder mogelijke notitieboeken?

 

Reacties aan of E- mail de blogbeheerder

                       

De notitieboeken van Büttikofer zijn helaas bij een brand in een opslagplaats voor inboedels in Zwitserland verloren gegaan.

 

"Laatste deel van hoofdstuk 10 van Band I van de "Reisebilder aus Liberia", voorlopige vertaling door H. Dop en P.T.R. Robinson, waarschijnlijk te publiceren in 2012."

 

Passage uit hoofdstuk 10 van Band I van de "Reisebilder" waarin Büttikofer de laatste dagen van Carolus Franciscus beschrijft.

 

Here I found friend Sala in a sorrowful condition. A chronic dysentery from which he had already been suffering for a long time, had severely weakened him; he was moreover completely covered with abscesses and had almost lost his hearing. I could soon free him of the latter suffering by injecting of a mild solution of alum into his ear canals, but for the rest his condition grew worse rather than better.


 

 


 

Portret van Carolus Franciscus Sala
Bron: Band I van de "Reisebilder" blz. 215

 

 

 

Portret van Carolus Franciscus Sala

Bron: Band I van de "Reisebilder" blz. 215

 

In order to provide him with some more comfort, and especially better food and care, I decided to relocate to Robertsport. This relocation had become appropriate anyway, because the swamps around Buluma were filling up with water from the now returning rains, making the hunt increasingly more difficult. We left our station on April 20th and sailed down to Robertsport in a large rowing boat. Here, several days before, I had rented a new, wooden house from Mr. Watson, and which was situated on the slope of the hill where the mission station lies.

 

After we had moved into our new home, Sala grew weaker with each passing day, and soon could no longer leave the house. Both Mr. Veldkamp, who had a bed brought up for him, and the then principal agent of the Hamburg Factory, Mr. R. Schmidt, as well as the missionary Rev. Grubb and his wife, did whatever they could in order to make the condition of my poor companion more bearable. However, as this condition only grew worse and worse, I decided to have him brought to Monrovia on board the already long awaited Dutch brig “Elisa Susanna”, hoping that the sea journey might do him some good. From Monrovia he could then have returned to Europe at the very first opportunity.

 

On June 3rd the anxiously awaited vessel finally arrived, and Captain van Duyn immediately stated his willingness to honour my request. However, during the nine days that the ship lay at anchor, the condition of the patient deteriorated surprisingly rapidly and an alarming apathy came over him, and on the evening before the day that had been set for departure, on the 10th of June, with everything ready for the journey, death relieved him from his suffering.

 

Right away, the kind missionaries offered to provide my dead friend with a final resting-place in their own cemetery, and made the necessary preparations. From the brig, as well as from the European factories which remained closed all day, the Dutch and German flags flew at half mast. All of the Europeans in Robertsport, as well as Captain van Duyn and two Dutchmen who had only just arrived on the coast on this same ship, Mr. Velthuis and Mr. Hamstra (the latter died 14 days later in Grand Bassa), took part in the funeral procession. Arrived at the mission station, the coffin was carried into the church. The missionaries Grubb and Mc. Nabb performed the funeral service, and the mission children chanted songs or mourning. Several moments later the grave was closed over my poor companion who had suffered so much for our undertaking, and had lived through such sad episodes.

Reageer op dit bericht

Napoleon - De buskruitramp Leiden 12 januari 1807

 

De buskruitramp Leiden 12 januari 1807

Aan het einde van de achttiende eeuw trekken Franse troepen samen voor de poorten van de straatarme stad Leiden.

Op 12 januari 1807 ontploft met een daverende knal, die in Leeuwarden te horen is, een schip geladen met kruit, dat afgemeerd ligt aan het Steenschuur. Er zijn vele doden en gewonden.

Koning Lodewijk Napoleon maakt zich in Leiden populair door zijn zorg voor de gewonden en zijn inzet voor de wederopbouw van het getroffen gebied.

Op de ruïne moeten een nieuw academiegebouw en een kazerne verrijzen. Door geldgebrek komt van deze plannen niets terecht.

Het enige dat Lodewijk Napoleon achterlaat, is het nieuwe classicistische interieur van de Lodewijkskerk, één van de grootste architectuurprojecten uit deze periode in Nederland.

Reageer op dit bericht

Familie Sala en de buskruitramp Leiden 12 januari 1807

 

Dominicus Sala en Maria Magdalena met hun jonge gezin (de 20 jarige dochter Maria Magdalena is dan de oudste en de 4 jarige zoon Carolus Antonius de jongste) maken de daverende klap van het kruidschip en de nasleep ervan, van zeer nabij mee. Ze wonen (Nobel of Breedestraat) zo dicht bij de rampplek dat ook zij wellicht schade ondervinden. De rode stip geeft de woonplaats van de familie Sala aan tijdens de ramp.

Reageer op dit bericht

Rapport aan den Koning (cholera 1866) - Het drinkwater in Nederland (1867)

 

Rapport aan den Koning (cholera 1866)

 

Rapport aan den Koning, van de commissie tot onderzoek van drinkwater in verband met de verspreiding van cholera en tot aanwijzing der middelen ter voorziening in zuiver drinkwater (1868) (PDF, 86 MB) vormt de aanzet tot de Nederlandse drinkwatervoorziening.

Het rapport (400 blz.) geeft ook een overzicht van de cholera-epidemie van 1866 waarbij bijna 20.000 doden te betreuren waren.

Vanuit TU Delft maakte dr. L.C. Levoir en dr. W.C.H. Staring deel uit van deze commissie.

 

Het drinkwater in Nederland (1867)

 

Het drinkwater in Nederland (PDF, 9,8 MB)

is de oudste (?) publicatie (of collegediktaat ?) over drinkwater van de TU Delft.

De auteur is de geoloog Vogelsang, de uitgever is Waltman Jr.

 

Download PDF: http://www.tudelft.nl/live/pagina.jsp?id=4fd87e4b-346e-4292-b2a0-88f723dccb03

 

Reageer op dit bericht

Meer van SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

↑ Terug naar de berichten