Naar de inhoud

SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

SALA familie Sala - Visino - Pognana - Tavernerio - Roveredo - Pusiano
akke.beakke.be

De Sjees antimonie-rozenobel-ducatengoud

 

De Sjees.

 

Alsof het een arreslee was, stond de bak van de sjees op schragen, getild van zijn hooge en ranke wielen die naast elkaâr den muur van de werkplaats aanleunden. Een leêge glaskist stond er als een tafeltje bij, waar al de spullen uitgestald op lagen voor het vergulden noodig.

 

Jakob van Genderen, tot een vast knechtje geworden, als altijd het boveneinde van zijn glazenmakers-diamant met de gruizer uit zijn borstzak toonend, had de arbeid van de baas moeten overnemen omdat die op karwei moest werken. Sinds den dag dat de oude baas was uitgedragen, was alles bij het oude gebleven en als er niets in den weg kwam, zou het zoo blijven, tot ook de jonge juffrouw trouwde, dan kwam de jonge baas er wonen met zijn gezin en zou de oude juffrouw Geesterage zich inkoopen in een goed Hofje.

 

‘Wanneer bij geval, Jonkheer van Swieringa,' had de baas gezegd, ‘naar zijn sjeesje mocht kommen kijken, zal jij hem wel weêr te woord staan.'

 

De sjees was er reeds een paar maanden; de wielen hadden eenige nieuwe spaken en velgen gekregen en stonden reeds te wachten op de laatste lak. Nu was de sjees zelf aan de beurt, waarvan het lofwerk hier en daar met de gutsbeitel was opgestoken geworden of van eenige nieuwe krullen voorzien. Het werk moest voor Paardenmarkt afgeleverd worden en al zaten nu de buren buiten de krant te lezen en was het een vroege kermis geweest, het kon toch lang voor Kerstfeest wel eens sneeuwen gaan, dan moest het rijtuig als ar kunnen dienen.

 

Het onderstel en de omlijsting van de bak was donker olijfgroen geschilderd en afgezet met vergulde biezen en strepen, op de hoogsels der ornamentatie. De naven en de voorneuzen van de spaken waren ook gebeeldhouwd en het afzetten daarvan moest met oordeel geschieden, opdat het bij het draaien als zonnetjes wezen zou. Het was een geduldwerk en vorderde niet gauw. Wanneer het olijfgroen goed hard en glad was, was het gewenscht het op de ornamenten vooral, eerst dun met eiwit te bestrijken, wat later weggewasschen worden kon en dan het overtollig verguldsel wegnam meteen, want bladgoud kleeft op een adem en op de vochte druk van een vinger. Eerst werden dan de biezen, strepen en streepjes er op getrokken of gepenseeld met gele verf waarin een weinig standolie was gedaan voor het hechten van het dunne bladgoud, niet te veel, want als de verf te geil is, wordt het goud mat. Rijke menschen vragen daar niet naar, die hadden het maar voor het bestellen; je schoot partijtje op na partijtje en daarom duurde het lang.

 

Er waren drie soorten bladgoud: antimonie-, rozenobel- en ducatengoud; rozenobel was het warmst, ducatengoud het koelste en beproefdste.

 

Bij zijn voorzichtig bewegen kon Jakob, zooals hij bij het ouder worden werd genoemd of enkel van Genderen, niet laten, telkens naar de zwierige sjeesbak te zien met zijn ombuigende, gegolfde paneelen. Aan die paneelen mocht nooit iets worden gedaan, ze werden wat dof geslepen en dan opnieuw gelakt. Door de algeheele bewondering die het knechtje voor schilderijen had, moest hij er telkens naar oogen; al wist hij door de vriendschap met meester Juulsen en door de eerste lessen in het kunstschilderen die hij Zondagsmiddags in zijn ‘atelier' van hem was begonnen te krijgen en door zijn liefde voor de natuur die hij van hem leerde en door het graag willen blijven volgen van de teekenlessen aan de Burgeravondschool, na het eindexamen, dat de paneelen geen práchtige schilderijen waren, het was zoo zoet om er naar te zien, diep achter de vernis, als bij bloemblaadjes achter glas geplakt. Op het eene zijpaneel zaten figuren te visschen en werd gejaagd in de verte; op het andere reden ze schaatsen en werd geärd en het groote, uitgezette achterpaneel stelde een landschap voor, waarop een heer uit vroeger dagen aan de voeten zat van een dame tegen een glooiïng en met een witte hond aan haar zijde.

 

Rond de standplaats der sjeesbak lagen op den steenen vloer de snippers papier van de boekblaadjes waar tusschen het bladgoud ligt besloten en plat wordt gehouden; ze daalden onder de verguldende handen van den werkman weêr neêr als sneeuw. De voordeur mocht niet open om het dadelijke waaien en rimpelen van het vliesje goud, zooals de gevoelige blaadjes deden van de ‘electroscoop' in Physica.

 

Bladgoud wordt in heele boekjes verkocht, is duur, en de oude baas bewaarde het boven in zijn kabinet. Voor dit werk werd zoo een boekje en het liefst met de scherpe schaar van de juffrouw, in smalle bundeltjes gedeeld en dan geklemd in het eikenhouten goudpersje, om stuk voor stuk er uit genomen te worden. De reepjes mochten niet te smal zijn, want anders dekten zij de verf niet en waren ze te lang, dan knipte je de bundeltjes nog eens door. Het knechtje hield telkens zoo een bundeltje boven de gele verf, hij asemde soms op de verf om te zien of ze droog genoeg was, natte verf beslaat niet, wachtte tot het optrok, blies een reepje bladgoud, dat bij het buigen van het bundeltje niet los wou, even vrij; dan liet hij het onderst papiertje vallen, belegde de verf met het bloote vliesje, liet weêr een reepje vallen en zoo vervolgens tot al het goud besteed was. Dan nam hij de zachte, volle das-penseel, drukte en dobde het verguldsel voorzichtig aan, stofte het aandachtig af en dan stond het er dikwijls al scherp op, of het dadelijk met goud was gebeurd.

 

In de weêrschijn van de straat werkte zoo het knechtje met zijn donker-rooie haar om alles te vergulden wat hij gisteren met verf had geteekend. Wanneer een bundeltje was verbruikt, maakte hij de kurk uit het krammetje van de goudpers los, nam een ander bundeltje, drukte de veerende kurk weêr in de sluiting en kon dan weêr niet laten naar de bloemige korf te zien die de sjeesbak leek. Voor twaalven kon het gedaan zijn, want dan moest weêr een volgend partijtje voor morgen klaar gemaakt worden.

 

Uit de mond des koetsiers van jonkheer van Swieringa wisten ze dat de sjees een geschenk moest vormen voor freule Miranda. Jakob zag van zelf bij zijn arbeid soms het aanzienlijke meisje, zooals ze in haar dogkar of panjee reed door de groote straat, rechtop zelf sturend en bleek als marmer. Het ging weêr heen en kwam terug en altijd ongenaakbaar, het streng gezichtje en altijd overbogen door de groote veêr van haar hoed. Wie had van alle meisjes zulk een fijne neus, hij zag het soms zoo duidelijk of zag hij het in de spiegelingen van de sjees.

 

Het was in de werkplaats stil; in de achterwinkel was Tinus aan het verfmalen. Jakob had even naar den kalkmuur gekeken, waar hij met houtskool van allerlei op teekende, tot den pleistervoet toe van een vroegere godin, die door hem was nageärceerd op school voor het eindexamen en dat de baas liet staan en toonde aan de andere knechts of aan bezoekers. Daar had hij ook neuzen op geteekend en niemand wist dat het de neus verbeelden moest van freule Miranda.

 

Het knechtje verguldde door, het weêr was droog en dan ging ook het drogen van de verf sneller. Na de schaft stond hij aan de wrijfsteen naast Tinus die hortte aan de maalstok, om zijn paletje weêr in orde te maken voor het verder afzetten van de sjees. Hij had de afkeer die hij in den beginne had gevoeld voor den grauwen jongen wel niet geheel verloren, doch maakte zich niet meer zoo dadelijk driftig tegen hem en snauwde hem niet meer af. Tinus had zich aan hem gehecht, vroeg bijna nooit wat aan de baas of aan andere knechts, kwam met zijn vragen bij hem. Wanneer de jongen hem aankeek voelde Jakob zich week worden, al bleef hij het een schuw wezen vinden. Tinus, zei de baas, stond bij Jakob in de gunst en hij wilde hem leeren. Tinus was met twee vingers te weinig aan zijn linkerhand geboren, maar draaide de stok van de molen er even goed mee als met zijn rechter. Hij had een hondje, dat hij dikwijls meebracht en dat soms uren lang voor de winkeldeuren kon liggen wachten, kwispelde zoodra hij hem zag, tot zijn baas uit vrees voor de juffrouw die het een smerige hond vond, het verjaagde, dan droop het beest af, dwaalde in de buurt, zoop aan een goot, hunkerde bij de slagers voor de deur, maar was om twaalf uur weêr voor de winkel aanwezig. Tinus sprak ook een weinig gebrekkig, dat kwam er niet op aan, hij hoefde geen dominee te worden en het was gelukkig niet zijn rechterhand. Zijn vader werkte aan de spoor, daar konden zij hem niet gebruiken; hij deed al zijn boodschappen goed en was een poosje van te voren bij een apotheker in dienst geweest om drankjes rond te brengen.

 

Het knechtje had wat van dezelfde goud-gele verf getemperd en op het paletje gezet, hij haalde zijn trekkerpenseelen uit de olie, deed toen wat terpentijn in de tinctuurdop, gaf Tinus zijn werk op en ging naar de voorwinkel. Daar was het dadelijk aangenamer en veel voller. Jakob nam zijn steenen pijpje met de golvende lijn van de hoorn des overvloeds uit het voorstuk van de sjees en stopte het halfvol. Meester Juulsen rookte ook een kromme, lange houten pijp, met een groote dop aan een kettinkje voor het storten van de asch. Meester Juulsen had allerlei pijpen en allerlei sigaren op het bovenste plankje van zijn kleêrenkast, hij had een sigarenpijp van hoorn, waarbij de rook door zeven stralen ging als orgelpijpjes naast elkander; hij vond het rooken voor jonge menschen nadeelig, maar 't smaakte hem toch maar lekker; hij rook naar de tabak, schilders ruiken altijd naar de verf en daardoor merkte je dat niet zoo meteen.

 

Toen Jakob bij het einde der cursus aan de avondschool niet van de derde naar de vierde klasse was overgegaan, ofschoon hem wel de prijs voor het handteekenen toegekend was geworden, had meester Juulsen gezegd: ‘als jij, bij dit en dat, je best niet doet, trek ik mijn hand van je af.' Hij was toen erg verschrokken, maar je wou toch ook wel eens spelen .... Hij had verscheien maal de lessen verzuimd; ze hadden ergens een onbewaakte handkar genomen, die naderhand weêr op zijn eigen plaats gezet en daar was om de beurt een jongen in gaan liggen; dan duwden de anderen en schreeuwden langs de straat; ‘ze léven nog!' alsof het visch was; dan trappelde gelijktijdig de jongen in de kar om zich te laten hooren en schelden ze in het donker bij de menschen aan; daardoor ging je dan niet over ....

 

Het volgende leerjaar was hij wél overgegaan, had alle prijzen behaald op éen na, van de ‘Wiskunde', waar hij vast op had gerekend, want hij hield van de Wiskunde veel. Jakob had zijn ‘vuurslag' met tonder weêr in zijn onderste vestzak geborgen en stond zijn rook uit te blazen. Wat was het toch plezierig te kunnen doen wat je wou en altijd te kunnen teekenen. Meester Juulsen had Zondag gezegd: zij die gelooven haasten niet; meester Juulsen schilderde fijn, geen mensch kon zoo fijn schilderen, zijn hand beefde nooit, al steunde hij zijn hand altijd op een schilderstokje wanneer hij schilderde, want hij schilderde alleen wanneer hij goed gestemd was. Hij had van hem nog een aparte prijs gekregen: ‘Penseel en beitel,' en toen het eindexamen gelukkig was afgelegd, had hij aan hem zijn fotografie ten geschenke gegeven, waarop hij had geschreven: ‘aan mijn zeer geliefden leerling Jakob van Genderen.'

 

Bij de lessen in de Staathuishoudkunde gebruikten ze in de vierde klas het boekje van van Tellegen en bij het eindexamen was de burgemeester zelf in de klas tegenwoordig geweest en had vragen gesteld. Bij een vraag had toen Jakob geantwoord: ‘de koning staat boven dit alles en is aan niemand verantwoording schuldig.' Toen had de burgemeester raar opgekeken en hij was er met glans door gekomen. Alleen had de Directeur gesproken, gezegd: zijn opstel was goed maar zijn schrift nog niet deugde en dat was waar, want hij schreef een veel minder mooie letter dan sommigen en had daar genoeg saggerijn van. Zuster Door had bij de fotografie gehuild en zij kende de man niet eens, groote menschen moeten niet huilen, huilen maakt een aangezicht leelijk.

 

Al rookend drentelde het knechtje de bak eens om en moest weêr aan een bloemkorf denken en aan de schulprand der hoed van Aal de vischvrouw en zoo was hij vanzelf aan een nieuw partijtje begonnen.

 

De schoolkinderen kwamen hard naar huis geloopen en hij had den beminde van juffrouw Gonna, den onderwijzer met zijn hooge hoed op, het deurtje aan de overkant zien binnengaan, waar hij in de kost lag. Jakob was toen naar Tinus gegaan of die hem noodig had en de klok had boven al vijf geslagen, toen hij weêr door iets duisters voor de ramen van zijn penseelwerk opzag en jonkheer Swieringa in eigen persoon door de glazen heen zag staan. Jakob kledderde zijn penseel op het paletje neêr, maakte de deur gauw open, trok meer dan dat hij nam, zijn pet af en liet die naast zich vallen en merkte toen dat mijnheer Swieringa zoo pas uit de societeit kwam.

 

Voetstoots kwam hij binnen, peutte zijn stok verder en stond zoo voor de glazen wat te wiebelen. Hij droeg zijn hooge lichtgrijze hoed met een breeë rouwband, droeg lichtgrijze lange handschoenen ook, die niet dicht bij de polsen waren. Hij had de bocht van zijn horlogeketting zwaar op zijn vest met hoekjes boven zijn holle buik en aan de hoornen haak van zijn sterke stok goud ook was; knorrig keek hij en slaperig, half naar beneden en half naar de sjees en had wat paarse adertjes in zijn treurig grijs gezicht.

 

‘Is dat loeder,' vroeg hij met een knoop er bovenop, maar zonder veel zijn stem te verheffen, ‘nou nog niet klaar?'

‘Néen, mijnheer,' had Jakob hem ferm en grover pratende te woord gestaan, want je moest soms de menschen goed weten aan te pakken, ‘het is een heel stuk werk, de sjees, en het moet naar uw zin worden, mijnheer.'

Mijnheer Swieringa helde zijn bovenlijf achteruit, steunde rechts op zijn wandelstok, knipperoogde en zei: ‘Zoo!' 

‘Is die baas van jou er niet?' vroeg hij, struntelend de winkel wat verder in.

‘De baas is op karwei, mijnheer,' antwoordde het knechtje.

‘Zóo!' zei weêr mijnheer Swieringa, ‘wat heeft hij daar van noode?'

Hij deed op nieuw een stapje, gevolgd door het knechtje met glinstertjes bladgoud in zijn haar, loende als over de sjees heen en zei: ‘Maak jij me dan dat het eindelijk klaar komt, dat ....'

‘De wielen zijn al bijna klaar, op de laatste lak na, ziet umaar, mijnheer,' ijverde Jakob.

‘Dat zie ik,' zei mijnheer Swieringa, schommelend naar de verte en met zijn hoofd en hoed zijn tevredenheid te kennen gevend: ‘ze zien er goed uit.'

‘De sjees zal door ons op tijd geleverd worden, ik geef er u de heilige verzekering van,' praatte vast het knechtje, ‘het gaat niet gauw, maar goed.'

Heilige verzekering,' knorde mijnheer Swieringa, hij keerde op zijn stok, keek even aan, tilde zijn stok, maar stootte hem weêr dadelijk op den vloer.

‘As jij,' zei hij met een potje-met-blommen weêr, ‘die jonge dame van mij teleurstelt, breek ik je de hals.'

‘Liever niet, mijnheer,' antwoordde haastig het knechtje, omdat hij bijna had moeten lachen.

‘Zoo,' zei weêr mijnheer Swieringa met dezelfde schorrige nadruk, hij draaide zijn dunne hals in zijn liggende boord, hield zijn mond wat los en vroeg:

‘Ben jij die jongen die zoo bliksems mooi kan teekenen?'

‘Om u te dienen, mijnheer,' antwoordde het knechtje blozend en dadelijk gedempter sprekend, zooals een jongen op de slaapzaal wanneer hij hardop droomt, naar een die niemand kan zien dan hij.

‘Zoo,' herhaalde mijnheer Swieringa, ‘dan heb je goeie vooruitzichten;' hij liep voorbij, morrelde aan de klink van de winkeldeur, wiebelde en keek opnieuw zoo om.

‘Wat zeg jij van de schilderijen?' vroeg hij bedoelend de kromme paneelen.

‘Schilderijen behouden hun waarde, mijnheer,' praatte Jakob meester Juulsen na.

‘Zoo,' zei mijnheer Swieringa, ‘maak me die dondersche deur even los; dus reken ik er zeker op en wil je gaarne de verzekering van mijn hoogachting geven.'

Na dit te hebben uitgesproken ging mijnheer Swieringa een beetje krom loopend heen.

 

Het knechtje alleen gebleven in de voorwinkel leek het warm te hebben. Hij bleef naar den grond ook staan kijken, zag zijn pet, raapte die op, ging hem in de voetenschulp van de sjees neêrleggen; hij bracht zijn handen op zijn rug en stond er zoo weêr stijfjes en met zijn knap gekamde kuifje. ‘Ik zeg de baas er niets van,' dacht hij, nam treuzelig zijn penseel van het paletje om het partijtje nog voor donker af te kunnen maken.

 

Bij de najaars-paardenmarkt is altijd een harddraverij. Jakob had zijn opknappertje aangedaan, waardoor zijn broek nog spikkeliger kwam te verschijnen. Hij had met Tinus een uurtje na schafttijd vrij gekregen om naar het harddraven te gaan kijken. Tinus had zijn hondje meegebracht en hij had aan Tinus geraden zijn eigen weg maar te volgen en had aan hem nadrukkelijk gezegd om uiterlijk half zes weêr aan de winkel te zijn. Er was dan altijd veel rechtstreeksch verkeer, veel gerij in de groote straat naar buiten.

 

Jakob wandelde altijd graag door het groote Hek naar buiten en in de Dreef waar meestal de harddraverijen gehouden werden. Hij hield van die bijna kubieke huisjes aan de Vest, waar de barrière met kromme lijnen aan was verbonden, als het hek van een buitenplaats tusschen zijn postamenten; hij hield van hun opgaan uit wal en water en fijne profileering. Ze stonden er gekeerd naar elkander, met de open boog-portaaltjes, het ópstapje, de donkere, grijze zuiltjes en de deurtjes er binnenin, als broertje en zusje, want als er maar éen wachthuisje had gestaan, ware het lang Zoo treffend niet geweest en zouden de vele wet-ontduikende menschen veel gemakkelijker hebben kunnen ontsnappen aan de waakzame oogen van de kommiezen of douanen.

 

Vroeger had er ook een vestingpoort gestaan en daarom praatten oude menschen nog altijd van de Groote houtpoort. Die poort was zwaarder nog geweest dan de Kleine. Was je eenmaal over de Brug, dan was je al eigenlijk buiten, zag je over het Plein, recht in de rechte lanen of dreven, met de Koekamp opzij, met zijn eeuwenoude boomen en kwam je aan het Paviljoen waarin het Museum was van schilderijen. Bij het Paleis of Paviljoen leken de bruggehuisjes te behooren, want dat was ook blokkig verrijzend eenigszins boven de golvende oprit en van dezelfde okergele kleur en mooi vooral wanneer het vochtig najaarsweêr was.

 

Het paleis had paarse, bizondere ruiten en groote afsluithekken ook. Daardoor heen zag je het eerst de groep van de Laokoon, van smart verwrongen en met de slangen worstelend.

Ging je over de kromme oprit naar boven, moest je eerst de steenen dorpelwachter langs en kwam op de gaanderij waar andere pleisterbeelden sierden op hun pedestals en kwam je voor de glazen middendeur die de ingang vormde tegenwoordig. Dan kon je in alle stilte ‘de slag van Waterloo' zien door Pieneman geschilderd en ‘de Barmhartige Samaritaan' en bloemstukken van van Os als meester Juulsen maakte en landschappen van Koekoek en van Schelfhout.

Stond je weêr op de gaanderij dan zag je over de heele Hout en over de Hertenbaan door Zocher aangelegd en daar kon je gerust met Hemelvaartsdag wel een uur staan blijven kijken.

En ging je door de Dreef weêr en langs het Plein, dan stond er wel eens Aal op de kleine steentjes achter haar ben met scharren en zag je tusschen de gele huisjes door. de stad terug, zooals je door de lijst van een schilderij, de voorstelling zag van de schilderij.

 

Meester Juulsen werd kwaad als iemand iets ten ongunste van die ‘oudheden' zei, van al die sta-in-de weg's en vloekte achter zijn groote ezel zittend tegen de doordrijvers en betweters die het stadsgezicht bedierven en niet zouden rusten voor alle grachten waren gedempt. Hij had een booze brief aan Thorbecke geschreven die in de Tweede Kamer had gezegd: dat Kunst geen regeeringszaak was. Jakob hield óok veel van de witte brugleunings, zooals hij van de witte paaltjes hield, die schuin bij de ingang van donkere lanen den grond uitstaken, om 's avonds de weg te wijzen en hij kon van dempen meepraten ook. Want toen de smalle gracht gedempt was, hadden al de scholieren van de stadsscholen en die van het Weeshuis, al hadden die daar nooit mee te maken gehad, mee in de reek mogen loopen en ieder met een vlaggetje in de hand:

 

‘Zij zag tot meenger ongerief

Diens pet in het water rollen,

Ze was een echte knikkerdief

En kaapte bal en tollen.

Maar ze is gedempt, de pet omhoog,

Hoezee, hoezee, de gracht is droog.'

 

Jakob was tusschen de steenen palen doorgestapt met witgeverfde koppen, doorboord van gaten om de kabeltouwen er door te kunnen rijgen. Er lagen al veel dorre blâren; de zon scheen lekker, het weêr hield zich goed. Hij had wel een uur al in de volle Dreef gedrenteld, van de staart naar de kop, van de kop naar de staart van de baan en dikwijls bij het keeren naar de paarse ruiten van het Paleis gekeken. Hij had zoo goed als geen weesjongens gezien, altijd gemakkelijk herkenbaar aan hun rooie en blauwe mouw, ‘eens een wees altijd een wees'; was Tinus ook niet tegen gekomen. Tinus moest zijn hond vasthouden, was zeker naar zijn grootvader gegaan in het Geldelooze Pad. Eigenlijk kon hij van die heele draverij niet veel zien, omdat hij niet bij de lijn was gebleven; wanneer er onstuimig gedrongen werd, snelde hij mee naar het doorbuigend touw en zag dan het scherpe gele of nationaal-gekleurde petje van een pikeur en soms zijn blauwe of wit zijen mouwen uitgespannen, meer hoorend dan ziende het harde gedraaf, het snorren van de tilburrie's en dan was het weêr voor een kwartier gedaan. Soms hoorde hij een echte poehahmaker die schuin oprekkend zoo ver mogelijk was blijven kijken, zeggen: ‘hij hét hem weêr' en wist dan dat pikeur de Boer de winner was. De Boer won het bijna alle jaren en was met al de eerste prijzen in de Rijp er weêr van doorgegaan. De Boer was al een ouwe kerel; wanneer maar je paard goed was en je sjeesje goed gesmeerd, zei de jonge baas. De baan was in de middelste laan van de Dreef, wanneer je op een leêg geworden plekje post had gevat, zag je de afgereden paarden langs de tribune stappen en waar het Bestuur was gezeteld en vele equipages weêr beginnen te rollen. Zonder het eigenlijk te willen, was hij eer de laatste rit, om de prijzen, verreden werd, op weg weêr naar de winkel gegaan, want niets doen maakt je maar moe en al dat gewriemel en gelol van de burgerjongens en meiden verveelde Jakob nu erg.

 

Bij de Brug was hij voet voor voet gaan loopen en was toen langs de leuning nog langzamer blijven gaan, want hij had uit de diepte van de groote straat de sjees aan zien komen van mijnheer Swieringa, die ook in het hoofdbestuur zat van de harddraverij, op haar groote en ranke wielen, freule Miranda hoog-gezeten en achter haar Isabel. Jakob had zijn borst voelen gaan kloppen toen hij het zag. Freule Miranda was al voorbij de inrijpoort van de Manége, had haar hoed met de kromme veêr op, haar streng gezichtje overschaduwend. En hoe ze stuurde. Freule Miranda zat opgeheven, in de veerende sjees te wiegen, geheel in het zwart en als een heer met een staand boordje, nauwsluitend aangekleed en hoe zij de leidsels voor zich in haar strakke handschoenen hield, haar hobbelende, groote, blanke paard bedwong, uit de bloemige bak, opgerezen, van haar nieuw vergulde sjees.

 

Freule Miranda leek nog hooger uit de straat op te stijgen; iedereen moest kijken, de heele wereld bleef staan om naar het rijke span te zien, toen ze doorreed tusschen de gele huisjes. Jakob was ook blijven staan, hij had een overvol, gelukkig en toch benauwd gevoel gekregen en had zijn pet afgenomen en niemand anders.

 

Freule Miranda reed niet hard en liet de zweep in den koker staan. Jakob zag haar gezicht op zij nu en haar neus aan profiel. De wielen draaiden, het straalde rond de naaf als een zonnetje, de heele sjees was als een dooie lantaren die aangestoken is geworden. Met opgetilde schouders zag Jakob het aan, hoe freule Miranda haar lippen fijn hield, en over de trotsche hals heenstaarde, recht tusschen de ooren door van de Isabel. De rose bast van het gladde dier, met zijn opgehupte, korte staart als een soort penseel, bewoog zich niet in stappenden gang maar dans-zwevende, haar hoedeveêr geleek te wuiven en toen was Freule Miranda voorbij en rolde de sjees de statige Dreef te gemoet.

 

Het knechtje had zich omgewend of wilde hij volgen, bleef onbesloten staan, naziende; hij drentelde dan om, gaande naar de eenzaamheid van de werkplaats, met gloedende wangen of had hij hard geloopen.

 

http://www.dbnl.org/

Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De Hoeve van Thijs Rijlaarsdam

 

Thijs Rijlaarsdam

 

De Hoeve

 

De Hoeve is een kunsthandel en tevens een groot en bijzonder sfeervol centrum: op de eerste plaats voor schilder- en beeldhouwkunst. Dit multifunctionele centrum is prachtig gelegen aan de rand van het klassieke schildersdorp Nieuwkoop, midden in de ruimte en stilte van Hollands Groene Hart.

 

In 1985 vestigde Thijs Rijlaarsdam in zijn oude boerderij een Galerie voor 19e eeuwse en vroeg 20e eeuwse schilderijen.

 

Boerenzoon bouwde zijn eigen museum in de koeienstal.

 

"Nieuwkoop was geliefde stek van Haagse school"

 

Door THEA DETIGER

 

"Mijn liefde voor het landleven en speciaal voor de polder waarin ik ben opgegroeid, heeft me op het spoor gezet van de Haagse school," zegt Thijs Rijlaarsdam, een boerenzoon uit Nieuwkoop die eigenhandig de koeienstal omtoverde tot een museum voor zijn favoriete schilders. "Weissenbruch, Roelofs, Gabriël en ook Mauve kwamen graag in Noorden en Nieuwkoop schilderen. Hier vonden ze nog de landelijke sfeer die ze zochten en die voor mij zo herkenbaar is. De luchten, het licht op het water en de polder na een regenbui. Het zijn allemaal beelden die ik van jongs af aan ken.

 

Tien jaar geleden nam Thijs (41) de boerderij over van zijn vader. Het eerste wat hij deed was de weidegrond geschikt maken voor land- en tuinbouw en daarna begon hij aan zijn ideaal: een eigen tentoonstel­lingsruimte. Zonder de oor­spronkelijke stijl van de hon­derd jaar oude boerderij aan te tasten, toverde hij eerst de stal om en bouwde vervolgens nog een ‘boerenschuur', die aan al­le museumeisen voldoet. „Mijn volgende projecten zijn een beeldentuin en een educa­tieve ruimte in de oude hooi­berg," zegt Thijs voortvarend. „Maar dat komt pas in de zo­mer."

 

Verzameling

 

Behalve zijn eigen collectie, waaronder schilderijen van de Haagse school maar ook werken van hedendaagse schilders, heeft Thijs tot 30 ja­nuari een grote particuliere verzameling Haagse en Ro­mantische school te leen, die nog nooit in het openbaar te zien is geweest. Daaronder zijn schilderijen van Mesdag, Maris, Leickert, Schelfhout, Mauve, Vreedenburgh, Voerman, Apol, Roelofs en Jozef Iraëls, maar vooral veel werk van J.H. Weissenbruch. "Weissenbruch was helemaal weg van deze streek. In augustus 1875 nodigde de Leidse kunsthandelaar D. Sala hem en de schilders Gabriël, Roelofs, Stortenbeker en Van de Sande Rakhuysen uit voor een boottochtje op de Nieuwkoopse plassen. Ze reageer­den enthousiast, vooral Weissenbruch. Sindsdien kwam hij regelmatig terug om te vis­sen en te schilderen. Hij lo­geerde dan in het pension van moeder Verzijden in Noorden of in de herberg Het Vliegende Paard in Nieuwkoop, waar nu een disco is. De cafédeuren, die destijds door de schilders van de Haagse school werden beschilderd, zijn inmiddels weggehaald." Als hommage aan Weissenbruch heeft Thijs Rijlaarsdam in zijn expositie een oude roeiboot opgesteld (geleend van het Poldermuseum) met daarin de schildersuitrusting waarmee Weissenbruch uit varen ging. In de vitrine erachter zien we tal van kleine schilderijtjes die keurig in de viskoffer pasten. Als Weissenbruch onder het vissen een sfeervol landschap zag, legde hij dat met verf direct vast. Talloze malen heeft hij opgeschreven hoe hij van die tochtjes genoot: in een schuitje zitten schilderen, het water in een oude klomp, een lekker pijpje in de mond, dat is Schildersheerlijkheid.

 

Verrijking

 

Als boerenzoon is Thijs niet met kunst opgegroeid. "Daar was vroeger geen geld voor," zegt hij. "Ik ben wel heel blij dat ik er later mee in aanraking ben geko­men. Het is een heel proces wil je er wat verstand van krijgen. Je moet er zeker tien jaar elke dag mee bezig zijn, voordat je een beetje kunt beoordelen wat goed en niet goed is. Maar ik kan nu uit ervaring zeggen dat kunst je leven enorm ver­rijkt. Ik ben als persoon gevoe­liger geworden en ik heb meer oog voor verhoudingen gekre­gen en meer smaak. Ik let ook meer op kleurgebruik en ben veel perfectionistischer geworden dan vroeger."

 

Naast de forsythiateelt (Rijlaarsdam heeft 50.000 struiken staan) verdient hij aardig aan zijn schilderijen. Maar verkoop is niet zijn voornaamste doel. "Ik wil zo veel mogelijk mensen laten meegenieten en in aanraking brengen met kunst. Er hangen hier totaal meer dan 200 schilderijen, die iedereen gratis kan komen bewonderen."

 

De speciale tentoonstelling van schilders uit de Haagse en Romantische school is van Tweede Kerstdag tot 30 januari te zien bij: hoeve Rijlaarsdam, Nieuwveenseweg 59, Nieuwkoop, t/m 1 januari dagelijks 10-17 uur, daarna do t/m za 10-17 uur, zo en feestdagen 13-17 uur

 

http://www.rijlaarsdam.nl/nl/front.html

 

 

Reageer op dit bericht

Uit Woensels verleden 22-11-1952

 

Eindhovens Nieuws 22-11-1952

 

Uit Woensels verleden.

 

De afgravingen in de voorbije zomer bij de nieuwe tunnel, die de Fellenoord met de Demer moet verbinden, hebben niet dat gebracht, wat ik mij er van had voorgesteld. De naam (toponiem) Hemelrijken zou volgens dr. Lindemans duiden op een oude begraafplaats. Alles wees daarop n.l. de hoge zandrug in de nabijheid van een water en de naam, het klopte allemaal volgens Heembeoefenaars. Bij vroegere gravingen waren door N.v.d. Water daar al potjes gevonden en volgens zijn uitleggingen leken deze wonderwel op kleine Frankische urnen, doch om vast te stellen welke mensen hier begraven waren moest ik zo'n potje hebben. De wetenschapsmensen vragen bewijzen; voordien is alles nog maar hypothese. Over medewerking had ik niet te klagen, doch speurwerk ter plaatse waar men met een machine graaft is moeilijk. Iedere dag ging ik kijken en er kwam nogal wat materiaal voor de dag uit de jaren 13 à 1400. Ook enige scherven Pingsdorfer (zeer bijzonder) uit de jaren rond 1000 en het onderstuk van een grote pot, die vermoedelijk wel 70 cm. hoog is geweest en door een deskundige werd vastgesteld als zijnde laat Frankisch, dus rond het jaar 800. Dat alles vond men op de plek door mij aangewezen. Was er nu niets bij, dat op urnen geleek? zult u vragen. Ja toch wel, maar het liep me niet mee. Een der mannen had een potje gevonden zoals door mij beschreven en had het even opzij gezet. Jammer genoeg vergat hij het na zijn dagtaak mee te nemen naar de opzichterswagen. Toen ik des-anderen-daags op de stortplaats kwam, wilde hij het potje ophalen, doch er lagen nog slechts enige scherven, die wel van urnen konden geweest zijn, doch dit was niet met zekerheid vast te stellen. Het is bij dit ene geval gebleven. Al de andere zullen indertijd wel uitgegraven zijn, want toen heeft v.d. Water er enige tientallen weggeworpen, slechts één had hij thuis voor de schouw gezet. Iemand heeft het rond 1943 meegenomen. Deze kwam grondwerk bestellen, zag het potje, interesseerde zich er voor en kreeg het mee. Ik hoop, dat deze heer mijn artikel zal lezen en de goedheid heeft mij even te berichten, dat hij in het bezit is van dat potje. Hij mag het gerust behouden, het gaat mij er om even vast te stellen, wat het is. Zou het een urn zijn, dan hebben wij de oudste begraafplaats van Eindhoven gevonden of beter gezegd van Woensel, daar deze plaats ouder is. De bedoeling van deze speurderij is, om als straks onze nieuwe archivaris of bibliothecaris in opdracht van ons Gemeentebestuur een nieuwe Eindhovense geschiedenis schrijft, onze Heemvereniging aan hem zoveel mogelijk bouwstenen wil verschaffen. Nu nog iets anders. Velen uit Woensel kennen het "Slotje" aan de Frankrijkstraat 10, schuin tegenover de Runstraat. Een oude Woenselse dame, die tegenwoordig in Putny-Londen woont en daar ook het Eindhovens dagblad leest, schrijft mij, dat in haar jeugd, dat moet zeker 70 jaar geleden zijn, bij laag water in de zomer, in de grachten van het "Slotje" de zware fundamenten te zien waren van een gebouw dat vroeger daar gestaan moet hebben. Deze gracht werd gevoed door de Zoei. In een vorig artikel heb ik verklaard, dat de Kattestraat haar naam dankt aan het feit, dat deze een verhoogde weg is geweest door land, dat dikwijls onder water stond. In het boek "Oud Eindhoven"is dit tegengesproken: er was geen water, doch hier is het bewijs. Dat "Slotje" nu was vroeger bewoond door dr. Lungen en voordien door de familie Tengnagel de Raedt. Weet mogelijk iemand nog iets meer van dit oude gebouw, waarvan de fundamenten nog wel aanwezig zullen zijn? Men heeft de gracht door gebrek aan water dichtgegooid. Deze zaak begint mij te interesseren.

 

Zoals ik al eens geschreven heb, begon bij de Frankrijkstraat het grote Domeingoed, dat zich uitstrekte tussen de Oude Bossebaan en de Postdijk en eindigde tegen het water bij de Demer. De Kronehoef en Kronehoefstraat zijn er nog naar genoemd. Bij zo'n grote hoeve stond dikwijls een herehuizing en deze was omringd door een gracht. De boerderij zelve lag ook in het water. Vele oud-Woenselnaren weten nog dat daar de Wetering lag en dat er een loop liep van deze boerderij die bij de smederij van M.v.d. Ven aan de Boschdijk deze weg passeerde en zo langs de Bussels bij Philips glasfabriek in de Wijntgraaf uitkwam. De naam Wijntgraaf is een verbastering van Dwijngraaf, zijnde een sloot, die men onder dwang heeft gegraven.

 

Omtrent dit domeingoed is nog weinig bekend. Wel echter, dat in de grote weide, die lag vanaf het oude Eindhoven, en zo Fellenoord, Kruisstraat, St. Antoniuskerek, Lijmbeekstraat, in November 1813 de Kozakken hebben gebivakkeerd. Deze kwamen ons toen verlossen van het Franse juk. Eindhoven heeft in die dagen heel wat voor hen moeten opbrengen, maar dat was de vrijheid wel waard.

 

Zie hier een lijstje van wat het onze voorouders gekost heeft:13563 vaten haver, 501000 pond stro, 25000 takkenbossen, 164 karren hout, 133 koeien, 3175 kannen, dat waren liters jenever enz. Zij dronken de jenever uit bierglazen en daar zij gewend waren aan sterke Russische Wodka, vermengden zij onze jenever met peper, die zij daarvoor in beslag namen. Zij kampeerden in het stro rond de houtvuren, zoals dat in die dagen gewoon was. Van onze huismoeders hadden zij vlug geleerd hoe zij spekstruif (pannekoek) moesten bakken en zo had iedere kozak aan de zadelknop een struifpan hangen, die hij zo terloops had meegenomen waar hij ze vond.

 

Zou deze gebeurtenis niet in een naam ter plaatse bewaard kunnen blijven? De stad Antwerpen heeft er een hele wijk naar genoemd nl. Moskou en het is niet de enige plaats die dat gedaan heeft.

 

A.v. Lieshout

Reageer op dit bericht

D. Sala & Zonen Briefhoofd

Breedestraat no 231 - 234
D. Sala & Zonen
Hofleveranciers van B. M. den Koning
Fabriek
Van spiegels en vergulde lijsten
Consoles en ornamenten voor Salons
Gefoelied Spiegelglas
En spiegelglas voor vensterramen
Vergulde
Zwarte en geelhouten
Machinale lijsten, Batons, Bagetten
Galeries en andere
Raamgarnituren voor behangers
1861 - 1866

Reageer op dit bericht

Waar woonde Nicolaas Beets in Leiden?

 

Nicolaas Beets - Leiden - dinsdag 26 aug. (1834)

 

Nicolaas Beets 1814-1903 Zaterdag 6 januari 1962 - De Leidse Courant

 

De Leidse Courant schreef een jaar geleden, dat Nicolaas Beets als student in Leiden heeft gewoond op Breestraat 114c, in het pand, waarin thans Feye Brinks gevestigd is. Dit met een gedenksteen in het diepst van haar gedachten.

 

De schrijver van deze bewering heeft achteraf het gevoel, dat hij een schot in de ruimte heeft gelost. De bewijzen voor zijn stelling zijn inmiddels in de mist verdwenen. Toen hij dus zeer onlangs, naar aanleiding van een "hulde aan Pieter Bas" met daarbij de auteur Godfried Bomans, op het geheugen citerend als woonhuis van Nicolaas Beets wederom de zaak Breestraat 114 c aanwees, meende hij, overigens niet geheel ten onrechte een "bewezen zaak" te memoreren.

 

De vriendelijke reacties van belangstellende lezers waren echter verpletterend. Zij noemden andere nummers: 124, of: het huis waarin thans de banketbakker Dupuis onder dak is, de Beestenmarkt 57 bij van Dijk.

 

Om bij dit laatste te beginnen: Beets heeft inderdaad een blauwe maandag tegenover de vrijdagse lammetjes gewoond, is er waarschijnlijk weggeblaat en heeft al spoedig een kamer aan de Breestraat tegenover de Ketelboetersteeg betrokken. Hij schrijft in zijn dagboek, dat door zijn kleinzoon dr. H.E. van Gelder is uitgegeven en toegelicht (in de "Ooievaar-reeks" van uitgever Daamen), het volgende.

 

Leiden-dinsdag 26 aug. (1834)

 

"Herwaarts gekomen is er geen ander gezelschap dan Walter Scott; zijn heerlijke Ivanhoe. Andere kamer gehuurd, Breestraat van 't Hull (tegenover de Ketelboetersteeg)'.

 

Dit was het gegeven; schrijver dezes, die zijn reputatie van doorgaans betrouwbare bron moest verdedigen ging op onderzoek uit.

 

Helaas kwam de ontknoping ál te spoedig. Hij had gehoopt een boeiende detectieve-roman te doorlopen met aan het slot de klap op de vuurpijl. Deze kwam echter zo snel, dat er geen aardigheid aan was. Hoe zouden Geoffrey Gill en Sherlock Holmes zich voelen, als zij op pagina twee al een schokje in hun achterhoofd krijgen, omdat de moordenaar zich vrijwillig komt aanmelden?

 

Om verder aan alle twijfels een eind te maken: Nicolaas Beets, alias Hildebrand, schrijver van de "Camera Obscura", woonde inderdaad in het huis, dat thans Breestraat 114c is, en waarin Feye Brinks zijn sieraden verkoopt.

 

Triomf te gevoelen zou onrecht doen aan de vriendelijke lezers die reageerden, zoals mevr. H.D. Sala-van Houten, lid van de bekende Sala-familie, en de heer C.J. Wesselingte Leiden, die om het zoeken te vergemakkelijken enige boeken over Nicolaas Beets in bruikleen afstond.

 

Bij mevrouw Sala brachten wij een genoeglijk koffie-uurtje door temidden van oude archieven en we leerden, dat toen Beets op de Breestraat woonde, aldaar ook al de Sala's waren gevestigd als lijstenmakers en kunstverkopers; zij waren hofleveranciers, zoals bevestigd werd op de gedenkwaardige dag, waarop H.K.H. prinses Juliana etsen van Leiden kwam kopen voor de paranymphen van haar ere-promotie.

 

Uit de vergeelde papieren kwam een briefhoofd voor de dag met de groep huizen aan de Breestraat tussen de Korenbrugsteeg en de Koorlammersteeg, toen nog Choor Lammersteeg geschreven. Laten we dit krullenrijke geval, hierbij afgedrukt, eens bestuderen. De Breestraat is in die dagen (tweede helft van de 19e eeuw) nog een eerbiedwaardige woonstraat, nog niet het winkelcentrum, dat zij in de twintigste eeuw is geworden. Bijna over de gehele breedte van deze gevelrij was de familie Sala gevestigd, onder wie ook de instrumentenmaker, Anton Sala, die woonde in het huis dat later is verkocht aan de bloemist Kors, thans Breestraat 112. Hij was de vleugelspeler in deze brede linie van Sala-bezittingen. Andere uiterste is Breestraat nummer 116, waarin thans kapsalon Van Zoelen gevestigd is. Daartussen de nummers 144a, thans banketbakkerij 114b, thans herenmode-magazijn A.H. Klaassens en 114c Feye Brinks, juwelier. Mevrouw Sala wees ons in het briefhoofd het tweede huis van links (in de heldere kleur) aan. Het is moeilijk vast te stellen, welke zaak thans in dit pand gevestigd is. Waarschijnlijk de banketbakker op nummer 114. Om "het moeilijk te maken" is er nl. de oude nummering 231-234 maar dit juist zijn de kronkelwegen die de wandeling van de speurder zo aangenaam maken.

 

Verlaten wij mevrouw Sala, niet nadat wij vele anecdoten in ruil voor onze belangstelling hebben ontvangen; blijde verhalen over het oude Haagse Schouw, over de Italiaanse herkomst van de Sala's, die al in de tweede helft van de achttiende eeuw zich in Leiden vestigden, over de ontploffing van het kruitschip, die ook de bezittingen aan de Breestraat beschadigde en over de brand van het stadhuis, die haar nog in het geheugen ligt alsof het gisteren gebeurd ware.

 

Verkeerde de heer C.J. Wesseling in de mening, dat het huis gezocht moet worden op Breestraat 122, het juiste antwoord werd gegeven door een employé van het kadaster, die een serie lichtingen deed, welke de krant op enige rijksdaalders kwamen te staan; men ziet, de redactie kijkt niet op een dubbeltje.

 

Natuurlijk was hier de enig-juiste vraag: kunt u in de oude archieven opzoeken welke huis Van 't Hull bezat omstreeks 1834. De vraag was snel gesteld, het antwoord niet eenvoudig. Men dient bewondering te hebben voor het geduld, waarmede de kadaster-medewerker steeds weer in de zolderkasten dook. Maar het resultaat bleek verbluffend.

 

De brandstoffenhandelaar Dries Jansen van 't Hull bleek zich inderdaad (onder nummer 223) in het Leidse kadaster op te houden. Zorgvuldige meting bracht aan het licht, dat het pand van Van 't Hull gelegen was op een afstand van 14 meter van de Choor Lammensteeg. Dit is nu het pand van Feye Brinks. Om alle twijfel uit de weg te ruimen werd nagegaan in welke handen het pand van Van 't Hull later is overgegaan. Dit blijkt Anton Brinks te zijn, die thans in het kadaster van Leiden berust onder nummer 1842.

 

De zaak is hiermede dus rond; de plot ten einde. Volgde nog op een zonnige achtermiddag, waarop men de Breestraat op haar voordeligst zag, een uitmeten met voetstappen die de onderzoeker tot verbazing van de voorbijgangers en een kleedjes-kloppende mevrouw steeds weer bracht voor het pand van Brinks.

 

Van hier dus stelde Hildebrand op de tweede verdieping vast, "dat de Breestraat nog immer breed was".

 

Dit zal dus ook de plaats moeten zijn, waar Leiden een beroemde logé zal eren met een gedenksteen. We hebben al een plaatsje op het oog.

 

B.H.F.

Reageer op dit bericht

Nederlands Hervormde Kerk Wilhelminaplein Haarlem

 

 

 

Nederlands Hervormde Kerk Wilhelminaplein Haarlem

 

Uit de brief van de Archivaris van Haarlem, Mw. Y.S.M. de Haan

 

Het bovengenoemde Registre Civique geeft als geboortedatum van Daniël Dollé: 9-1-1775, en als zijn beroep: schildersknecht. Volgens zijn overlijdensakte (dd. 13-11-1812) is hij geboren te Batavia. Op 3-4-1795 is hij gedoopt in de Evangelisch Lutherse kerk te Haarlem.

 

Reageer op dit bericht

R.K. Kerk Spaarne Haarlem

 

 

 

 

Elisabeth Gerard geb. 20-01-1764 Lunville Frankrijk deed haar eerste Communie in de RK Kerk "De Klaveren" (nu Kerk van OLVr Rozenkrans en H Dominicus Spaarne Haarlem)

 

Plaats: Haarlem

Straat: Spaarne

 

Omschrijving: R.K. Kerk

 

Bijzonderheden: Poststempel 1904

 

Zie brief van het Rooms Katholiek Parochiaal Armbestuur Haarlem, den 18 Aug. 1909

 

Reageer op dit bericht

Koning-straat Haarlem






Koningstraat Haarlem

 

Jan van Maas (Jan Huibertszoon) en Maria Petronella Sala woonden in de Koningstraat.

 

Dit blijkt uit de huwelijksakte (15-03-1854 Haarlem) van zoon Johannes en zijn eerste vrouw Henrieka luns en uit de huwelijksakte van dochter Maria met Hendricus Franciscus Hellemink.

 

Reageer op dit bericht

Haarlem Ripperdapark 1903

  

Plaats: Haarlem

Straat: Ripperdapark

Stempel 1903

 

Carel Sala is geboren op 27-12-1853 om 20:00 Ripperdapark in Haarlem, zoon van Dominicus Sala en Cornelia Steenken.

Bij de aangifte van de geboorte van Carel waren de volgende getuigen aanwezig: Jan Dekker (geb. 1790), Carolus Sala (geb. 1801) en Dominicus Sala (1806-1860).

Carel is overleden op 30-12-1935 in Haarlem, 82 jaar oud. Hij is begraven op 02-01-1936 te Haarlem

 

 

 

Reageer op dit bericht

Haarlem Barteljorisstraat



 

 

Plaats: Haarlem

Straat: Barteljorisstraat

 

Op den negen en twintigsten Maart des ochtends, ten half vier uren,

binnen deze Gemeente, in het Huis gelegen in de Battenjorisstraat,

is overleden Charles Sala oud vijf en veertig jaren,

Winkelier geb: Pontanjo in Italien,

zijnde de man van Elisabeth Gerard.

(Tekst uit akte overlijden)

 

 

 

 

Reageer op dit bericht

Haarlem Barteljorisstraat 1901




Plaats: Haarlem

Straat: Barteljorisstraat

 

Stempel 1901

Op den negen en twintigsten Maart des ochtends, ten half vier uren,

binnen deze Gemeente, in het Huis gelegen in de Battenjorisstraat,

is overleden Charles Sala oud vijf en veertig jaren,

Winkelier geb: Pontanjo in Italien,

zijnde de man van Elisabeth Gerard.

(Tekst uit akte overlijden)

 

 

 

 

Reageer op dit bericht

Haarlem de Gierstraat



Haarlem

Gierstraat

 

Stempel 1902

In het jaar Een duizend agt honderd veertien den veertienden der maand September, zijn voor ons Ambtenaar van den Burgelijken stand der gemeente van Haarlem gecompareerd,

Jan van Maas, jonge man, oud Circa twintig jaren, Kleermaker, geboren te Haarlem, woond in de Gierstraat, minderjarigen Zoon van Huibert van Maas.

 

Reageer op dit bericht

Meer van SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

↑ Terug naar de berichten