Naar de inhoud

SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

SALA familie Sala - Visino - Pognana - Tavernerio - Roveredo - Pusiano
akke.beakke.be
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Recensie door C.K. Musch (De spiegel)

 

Recensie door C.K. Musch


In de 19e eeuw werd een type spiegel populair waarin je jezelf van top tot teen kon zien. Het was een menshoge spiegel, die om een horizontale as draaide. De naam van deze spiegel luidde psychè. En in alle eenvoud ligt hierin de betekenis van de spiegel besloten. Spiegels bieden een zodanig kijkje op ons zelf, dat we de term niet alleen in metaforische zin zijn gaan gebruiken maar spiegels als het ware naar ons zelf, namelijk onze ziel, noemen.

 

In haar studie laat Sabine Melchior-Bonnet zien wat de geschiedenis van de spiegel is. Het is niet verwonderlijk dat de (Franse) auteur daarbij vooral te rade gaat bij Franse bronnen. De techniek van spiegels maken is heel lang een Venetiaans geheim geweest. Toen aan het hof een grotere behoefte ontstond aan spiegels leidde dat tot dusdanige tekorten op de toenmalige betalingsbalans, dat Frankrijk na een aanvankelijk importverbod, besloot zelf een spiegelindustrie op te zetten. Daarvoor werd geen middel geschuwd, tot en met het via head-hunters letterlijk wegkapen van Italiaanse spiegelmakers. Die werden overigens dusdanig in de watten gelegd, dat de Fransen hun geheime procédé niet leerden en er pas na jaren in slaagden die eigen spiegelindustrie op te zetten. Daarvan was trouwens de vorst de grootste klant. Louis XIV gaf alleen al aan zijn 'bij-paleizen' meer dan 350.000 pond uit voor spiegels, in een tijd dat het (hoge!) jaarsalaris van een specialistische arbeider in de spiegelfabriek rond de 425 pond bedroeg.

Spiegels waren van een luxe namelijk een noodzakelijkheid geworden. Aan het Franse hof ontstond de verfijnde en gestileerde cultuur waar de Franse revolutie eerst een einde aan maakte. De gestileerde en hoofse gebaren, die zozeer de omgangsvormen aan het hof bepaalden, moesten immers worden geoefend, totdat ze tot een tweede natuur waren geworden. Zoals balletdanseressen aan de barre hun dans instuderen, zo studeerden Franse hovelingen de voorgeschreven gebaren in voor spiegels, zodanig dat ze zichzelf aan alle kanten konden waarnemen. Toen in de dagen van de revolutie een bekende edelvrouwe werd opgepakt, bestond haar bagage uit een spiegel en een paar nieuwe slippers. Haar zelfbeeld was immers haar enige bezit. En tot op de weg naar het schavot bleef zo de uiterlijke schijn het leven dicteren.

 

In haar studie maakt Sabine Melchior-Bonnet melding van de psycho-analyticus René Major die eens een patiënte had die zich zelf alleen in een spiegel herkende als die gebroken was. Spiegels vertellen ons dus wie we zijn.

 

Spiegels laten dan wel zien wie we zijn, maar daarvoor wordt het beeld omgekeerd. We zien een natuurgetrouw beeld van onszelf, maar dan wel het tegendeel. Wat links is wordt rechts en omgekeerd. Het is in dat verband trouwens geheimzinnig dat onder en boven niet ook worden omgedraaid. We zijn op een intuïtieve en instinctieve manier gewend geraakt aan die omkering. In New York werkt een Nederlandse kunstenaar die spiegels ontwerpt die het beeld zonder die vertrouwde omkering laten zien. Links blijft links en rechts blijft rechts. Mensen die zichzelf op die manier voor het eerst echt waarnemen in een spiegel raken wat ontregeld. Is dat nu een desoriëntatie omdat links en rechts niet verwisselen, of is het omdat je jezelf voor het eerst echt waarneemt, zoals je bent, zonder enige vertekening.

 

In 1999 publiceerde C. Daniel Bateson de resultaten van een onderzoek over de herkomst van onze morele motieven (zie Filosofie Magazine, aug. 2000). Daarin blijken spiegels een cruciale rol te kunnen spelen. De proefpersonen in het onderzoek moesten leuke en saaie taken verdelen. Aan de leuke taken was ook nog een beloning verbonden. Er golden geen regels voor de verdeling; ze mochten zelf het distributie-systeem maken. Wel werd meegedeeld dat opgooien van een munt het eerlijkste systeem is en er werd dan ook een munt beschikbaar gesteld. Van de veertig proefpersonen besluiten twaalf om niet met de munt te werken. Daarvan geven er tien zich zelf aldoor de leuke taak. Van de achtentwintig die wel kiezen voor de eerlijkheid van het muntensysteem blijkt de meerderheid het lot voortdurend een handje te helpen. Er zijn slechts vier proefpersonen die een saaie taak toebedeeld krijgen; aanzienlijk minder dan de statistische veertien die je zou mogen verwachten. Uit de vraaggesprekken na afloop bleek dat de proefpersonen die het lot een handje helpen er ook niet echt mee zitten, terwijl ze bovendien aangaven dat volgens hen eerlijk te werk is gegaan. Strategisch zelfbedrog wordt dat genoemd. Pas als de proefpersonen voor een spiegel worden geplaatst wordt de uitslag eerlijk en worden saaie en leuke taken evenredig verdeeld. Strategisch zelfbedrog werkt dus niet bij zelfwaarneming, zou je mogen concluderen. Die zelfwaarneming overigens, werkt nog het beste als tevoren een morele norm als standaard is neergezet.
Dit leert dat naast de zelfwaarneming ook normbepaling van buiten noodzakelijk is om morele hypocrisie (ook als vorm van strategisch zelfbedrog) te voorkomen. We kunnen niet zonder de spiegel. Wij zijn als de edelvrouwe op weg naar het schavot, voortdurend gehouden om onszelf waar te nemen om op het goede pad te kunnen blijven.

 

Dupliceren, zoals een spiegel doet, is een onzeker makend métier.De wetenschap begint te ontdekken dat zelfs bij de 100% kopieën die we klonen noemen, minieme afwijkingen van het origineel zijn te constateren. Het genetisch materiaal verandert bij het maken van een exacte kopie. Mogelijk is de echte les dat we geen exacte kopieën kunnen maken.

 

Waarom een recensie van een boek over spiegels op een site over managementboeken zult u zich afvragen. Welnu, het boek van Melchior-Bonnet is een schitterende metafoor voor coaches en hun cliënten. Voor coaches is immers de vraag waar de vertekening zit in de spiegel die zij hun cliënten voorhouden. In de gecoach te spiegelt de coach immers zichzelf. Wie een spiegel wil zijn voor anderen, moet zelf zo doorzichtig zijn als kristal. Het motto van Delphi: "Ken U zelve" is dan ook een lijfspreuk voor coaches. In dat verband spreekt de laatste illustratie in het boek van Sabine Melchior-Bonnet boekdelen. In een portret van Edward James met de titel La Reproduction Interdit van de schilder Magritte, zien we de figuur met de rug naar ons toe voor een spiegel staan. De figuur ziet niet zijn gezicht, maar zijn eigen achterkant. De les voor coaches is natuurlijk dat als zij de ander een spiegel voorhouden, zij zelf vooral hun eigen achterkant zien.

C.K. Musch is zelfstandig bestuursadviseur te Rhenen. Hij is moderator van de Comeniusleergang van de Universiteit Groningen.

 

Reageer op dit bericht

In de voetsporen van Van Gogh

 

In de voetsporen van Van Gogh wandeling bij De Haagse School

 

Detail

 

U loopt het Noordeinde helemaal uit. Aan uw linkerhand, op nummer 96 staat het zogenaamde Marishuis, zo verbouwd in 1916 voor kunsthandelaar S.J. Sala, met in de gevel stenen reliëfs met de koppen van Jacob, Willem en Matthijs Maris.

In tegenstelling tot Vincent, had Jacob Maris een goed contact met de Heer Tersteeg van kunsthandel Goupil en verdiende goed. Toch had de medaille ook een keerzijde, want Tersteeg had Jacob en Matthijs vast in de greep van een contract en met name Matthijs leed eronder dat hij in zijn kunst niet zichzelf kon zijn, maar werd gedwongen "om voor het centje" werk te maken waar hij eigenlijk niet achter stond. Uiteindelijk zou hij er ook aan onder door gaan. Het ontlokte aan Vincent deze ontroerende passage in een brief aan Theo, waarin, lijkt het, hij zich als een verwante geest beschouwt : "Als men Thijs Maris niet te beroerd en te melankoliek gemaakt had om te werken, misschien had hij iets verbazends gevonden.

Ik denk zo dikwijls aan die kerel, Theo, want wat is zijn werk wonderbaar. Het is dromerij, maar wat een meester!" (brief 408)

 

Zie bijlage volledig pdf document

Bijlagen
Reageer op dit bericht

Poortersbriefje

 

Poorters

Wat is een poorter?
Vanaf circa 1531 konden inwoners van Amsterdam poorter worden. Poorters hadden meer rechten dan andere inwoners. Poorter werd je door geboorte of door huwelijk of door betaling als je van buiten Amsterdam kwam. Alle poorters werden ingeschreven in poorterboeken en bij inschrijving kreeg een poorter een briefje waarmee hij kon aantonen dat hij poorter was.

Voordelen van het poorterschap
Alleen poorters konden ambten bekleden bij de stedelijke overheid of lid worden van een gilde - een voorwaarde voor het uitoefenen van de meeste beroepen. Kinderen van poorters die wees werden mochten in het Burgerweeshuis worden opgenomen. Andere wezen gingen naar minder goede weeshuizen van kerken en liefdadigheidsinstellingen.

Poorterboek: bron voor genealogie
De poorterboeken bevatten duizenden namen van Amsterdammers. Op de studiezaal van het Gemeentearchief staan indexen op persoonsnamen, beroepen en plaatsen van herkomst. De poorterboeken dateren van 1531 tot 1811. De serie is helaas niet helemaal compleet.

Poorterbriefjes
Er zijn niet veel poorterbriefjes bewaard. In de schatkamer ligt het briefje van een molenaar uit Loosdrecht, die poorter werd door huwelijk met een poortersdochter uit Amsterdam en het briefje van een Carl Sommers. Als luitenant van het korps huzaren hoefde hij niet te betalen.

Vlamingen in Amsterdam
Het poorterboek in de Schatkamer ligt open op een pagina uit 1586, het jaar nadat de Spanjaarden Antwerpen veroverden. Op deze 2 bladzijden staan 15 inschrijvingen; 4 nieuwe poorters kwamen uit Antwerpen; en 7 uit de rest van Vlaanderen. Van de nieuwe poorters in Amsterdam was van 1585 tot 1589 54 % afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden.

Geo-informatie
In de poorterboeken staat bij de inschrijving van een poorter van buiten Amsterdam zijn plaats van herkomst vermeld. Op de studiezaal staat een zoeksysteem op de plaatsnamen. U vindt hierin de hedendaagse spelling van de plaatsnaam (als hij nog bestaat) en waar de plaats ligt of gelegen heeft.

http://gemeentearchief.amsterdam.nl/home.nl.html

 

Reageer op dit bericht

Geschiedenis van de Straatlantaarn

 

 

Straatlantaarn

 

Geschiedenis

 

In 1505 voerde de gemeente Amsterdam de verplichting in om na negen uur ’s avonds op straat een lantaarntje mee te dragen. Dit kan worden gezien als de voorloper van de openbare straatverlichting, maar de straatverlichting zoals wij die nu kennen dateert van later datum.

 

Als eerste stad begon Den Haag op 14 december 1570 met het aanbrengen van 33 straatlantaarns in de binnenstad. Dit aantal bleef decennia lang gelijk. Amsterdam volgde bijna 100 jaar later in 1669 met het aanbrengen van straatverlichting, onder leiding van Jan van der Heijden. Na een jaar waren daar al 1800 lantaarns geplaatst of opgehangen.

 

Aan het eind van de 18e eeuw werkten Jan Pieter Minckeleers, Philippe Lebon en William Murdoch onafhankelijk van elkaar aan een lamp die op gas kon branden in plaats van petroleum, wat tot dan toe naast kaarsen de belangrijkste vorm van verlichting was. Maar al deze lampen moesten elke avond één voor één door een lantaarnopsteker worden aangestoken. Met de komst van elektriciteit was het niet meer dan een schakelaar omzetten; een enorme luxe voor die tijd. In 1884 was Timişoara (stad in toenmalig Oostenrijk-Hongarije, thans Roemenië) de eerste Europese stad met elektrische straatverlichting.

 

Later gingen veel steden over op tijdschakelaars. Per wijk gingen de lichten automatisch aan of uit.

 

Tegenwoordig wordt gedetecteerd of de zon voldoende licht geeft. Als de zon onder is, gaan de lichten aan, en als de zon opkomt, gaan de lichten uit.

 

In 2005 is er in Ede een proef gestart met lantaarnpalen die voorzien zijn van leds als lichtbron.

 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Straatverlichting

 

1570, het prille begin

 

De geschiedenis van de openbare verlichting in Den Haag begint op 14 december 1570. Toen nam het stadsbestuur van 's-Gravenhage tijdens een vergadering in het stadhuis aan de Groenmarkt, het besluit Den Haag openbare verlichting te geven.

 

Het staat nergens met zoveel worden geschreven maar het kan haast niet anders of het besluit om de stad te verlichten werd genomen om de onveiligheid bij donker tegen te gaan. Den Haag was toen geen welvarende gemeenschap meer, zoals een eeuw tevoren.

 

33 Lantaarns op straat lijkt niet veel maar daarbij moet de toenmalige omvang van Den Haag wel meegerekend worden. Den Haag telde in die tijd zo'n duizend huizen. Vaste, dagelijks door de overheid verzorgde straatverlichting was er vóór 1570 niet.

 

1670, het ontwerp voor de Haagse straatlantaarn

 

De verdere ontwikkeling van de straatverlichting heeft de eerste honderd jaar na 1570 vrijwel stilgestaan. In ieder geval was het aantal lantaarns in 1638 nog niet toegenomen, want een stedelijke rekening uit dat jaar vermeldt dat de man die "voor het ontsteecken van 33 lantaernen, doorgaens door de Haeghe" verzorgde, van de Magistraat een nieuwjaarsfooi had gekregen van 42 stuivers.

 

Notulen van 23 januari 1673 vermelden dat Jan van der Heyden 93 gulden heeft ontvangen voor het maken van een ontwerp voor de Haagse straatlantaarn. Toch duurde het nog tot 1679 voor de driehonderd bij Van der Heyden bestelde lantaarns in Den Haag waren geplaatst. Deze lampen brandden op olie.

 

1780, het tijdperk van de gaslampen

 

De Nederlander Jan Pieter Minckelers ontdekte rond 1780 dat steenkoolgas niet alleen prima geschikt was om luchtballons te vullen maar ook zeer brandbaar was. De sceptici van zijn vinding overtuigde hij van zijn gelijk door zijn collegezaal aan de universiteit van Maastricht in 1785 met behulp van lichtgas uit steenkool, te verlichten. Als de tijd er rijp voor is, vinden vergelijkbare uitvindingen vaak op meer plaatsen tegelijk plaats. De opmars van de gasverlichting, ten koste van de olielampen was onstuitbaar.

 

In Den Haag had men het Binnenhof gekozen als plaats voor een eerste experiment. Op 2 januari 1820 werden de gaslichten ontstoken en de bewondering was groot. Helaas duurde dit eerste experiment maar een dag of tien, want spoedig ontstond er een schoorsteenbrandje boven de 'gas-stookplaats', die zich in een van de kelders van de Ridderzaal bevond.

 

1844, de gemeente gaat uitbesteden

 

Op den duur begon de gemeente wat te voelen voor het uitbesteden van de verlichting. Er werd een dertigjarig experimenteel contract afgesloten met de fabriek en vennootschap Goldsmid en Co. Verder verbond Goldsmid zich om buizen te leggen, lantaarnpalen te plaatsen en de stad te verlichten met 880 gaslantaarns, namelijk 280 eerste klas lichten (met 14 kaarsen) en 600 van de tweede klas (8 kaarsen). Daarnaast moest op 1 januari 1846 de gehele straatverlichting, met uitzondering van Scheveningen, zijn overgegaan op gas.

 

1853, klachten en overname

 

In 1853 werd er een Bond van (ontevreden) Haagse Gasverbruikers opgericht. In maart 1853 somde hij zijn klachten tegen het gas uit de fabriek van Goldsmid op. "Het Haagse gas had vergeleken met andere gasleveranciers in den lande: weinig lichtkracht, grote consumptie, hoge prijzen en een onbegrijpelijk slechte constructie van de waaijerbek".

 

Naar aanleiding van de klachten van deze bond zetten B&W een studiecommissie aan het werk. De raad besloot op 20 februari 1872 om de gasleverantie na 1 januari 1875, de datum waarop het contract met Goldsmid afliep, in gemeentelijke handen te nemen.

 

Na de opkomst van de elektriciteit waren de dagen van het gaslicht echter snel geteld. Reeds tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het proces versneld door de gasrantsoenering, waartoe de kolenschaarste gedwongen had.

 

Omdat bovendien de opwekking van elektriciteit minder kolen kostte dan gas stoken, werd het besluit genomen in principe alle gaslichten geleidelijk te vervangen door elektrisch licht. Ondanks de opmars van de elektriciteit kende Den Haag in 1905 nog steeds drie openbare olielantaarns uit de achttiende eeuw. Pas in 1910 werd de laatste olielantaarn opgeruimd.

 

 

 

Reageer op dit bericht

Bodeman en Dijsselhof

Bodeman, Willem

geb. Amsterdam 1806 - overl. Bussem 1880
"Bergachtig landschap met riviergezicht en enkele figuren op een zandweg"
Gesign. L.O.: Bodeman
Olieverf op doek, afm. 58 x 78 cm.
Herk.: Kunsthandel D.Sala & Zn., Leiden
Dijsselhof, G.W. geb.1866- overl. 1924
Bouwput Amsterdam
25 x 19 cm
Olieverf op paneel/Gesigneerd met monogram r.o.
Provenance: Kunsthandel D. Sala & zn., Leiden.
Klik foto voor vergroting

 

Reageer op dit bericht

Het gemak dient de mens. Over poepen en piesen

 

Het gemak dient de mens.
Naar aanleiding van de;
Expositie kamerpotten, mei 1982 de dorpshoeve, Schipluiden.

"Als hij te velde was, stond hij laat op. Hij ging dan meteen op zijn 'chaise percée' (kakstoel) zitten, handelde zo zijn brieven af en gaf de bevelen voor die dag uit. Al wie met hem iets had te bespreken, tot generaals en hooggeplaatste persoonlijkheden toe, kreeg daartoe alsdan de gelegenheid.
Te midden van een groot aantal toeschouwers zat hij zo te eten, te praten en orders te geven. Zijn stoelgang was prima en de pot werd ten aanschouwen van het hele gezelschap weggebracht".

Dit schreef de Hertog van Saint-Simon, die aan het hof van Lodewijk XIV leefde in 1706 over een van de opperbevelhebbers van het Franse leger.
Het doen van zijn behoeften, min of meer in het openbaar, was niet abnormaal.
Tot in het midden van de vorige eeuw vond men dat een natuurlijke zaak.
Schilderijen (o,a. van Dan Steen en Pister Bruegel), etsen en gravures (o.a. van Rembrandt), wandtegels en borden met plassende en/of poepende mensen laten dat zien.
In het bovenstaande stukje tekst vinden we die kakstoel (ook kamergemak of stilletje genoemd) vermeld, evenals de pot (kamerpo, nachtspiegel, menselijk meubelstukje enz.)
In de loop van de tijd hebben de mensen tientallen namen aan deze zaken gegeven. Men bedoelde er steeds hetzelfde mee.
Naast deze twee voorwerpen kende men ook nog de privaten of secreten, de 'huisjes', meestal zonder deur, waar men boven een gracht of mestvaalt zijn behoeften kon doen.
Vaak waren deze geschikt voor meerdere personen tegelijk. Ze werden bijvoorbeeld gebruikt om persoonlijke en vertrouwelijke zaken met elkaar te bespreken.

Later deden de privaattonnen hun in¬trede.
De kamerpotten hebben een heel lange geschiedenis.
De Romeinen kenden het gebruik ervan al, en beschikten zelfs over zilveren of gouden exemplaren.
Van de vroege middeleeuwers weten we niet of ze kamerpotten gebruikten; er is niets van teruggevonden.
We kennen dan wel de privaten uit de kastelen, zoals het Muiderslot, waar de behoeften werden gedaan in een boven de gracht uitstekend 'huisje', en naar beneden plonsden.

Later in de Middeleeuwen (in de 14e eeuw) kwamen er aardewerk kamerpotten, die aanvankelijk niet geglazuurd en vrij hoog van model waren.
Ze hadden een nogal smalle bovenkant, men ging er niet op zitten. Men deed staand of half hurkend zijn behoefte.
Pas in de 18e eeuw kwamen de lage brede po's, waarvan het model ook nu nog wel bekend is.
Naast de aardewerk nachtspiegels kwamen er vanaf 1500 ook tinnen modellen voor.
Ook die werden van hoog en smal, in de loop van de tijd, plat en breed.
Ook porceleinen, ijzeren en tenslotte geëmailleerde en plastic po's deden hun intrede in de loop van de eeuwen.
Niet alleen het materiaal en model zorgden voor afwisseling. Er bestonden ook verschillende typen naast elkaar: de gewone po, de heren- en kinderpot¬jes en vanaf de 18e eeuw ook een speciale damespot.
De herenpotjes waren een klein model po. Ze stonden meestal op grijphoogte op een driehoekig plankje boven de bril van het privaat.
Bij het opgraven van de Keenenburg kwamen de scherven van wat zo'n herenpotje bleek te zijn, uit de gracht tevoorschijn.
Het was van geel aardewerk.

Vanaf de 19e eeuw deden de waterclosets hun intrede (in Engeland al in de 18e eeuw). Dat betekende echter niet dat de po verdween.
Wie zat er niet, al was het maar als kind, op een po?
Een vraag die rijst is toch wel, waar bleef men met de inhoud van de pot?
Eeuwenlang goot men die uit het raam op straat leeg (zie gravure aan om¬mezijde), wat het wandelen door een stad tot een avontuurlijke bezigheid kon maken. Totdat de plaatselijke overheid ingreep, en dat lozen van menselijk afval op die manier verbood.
In plaatsen met grachten en sloten liet men alles maar in het water lopen.
Datzelfde grachtwater gebruikten de brouwers weer als grondstof bij de productie van bier.
Als de vervuiling te erg werd, betekende dat uiteindelijk de ondergang van hun bedrijf, zoals bijvoorbeeld in Delft.
De agrarische gebieden maakten dankbaar gebruik van wat potten en secreten opleverden.
Samen met straat en huisvuil vormde het een goede mest voor het land.
Vandaar dat daar de privaten boven de mestvaalt werden gemaakt.
Leiden, en later ook Tilburg kenden een bloeiende wollenstoffenhandel.
In deze steden werd de urine ingezameld bij particulieren en herbergen, omdat ze onmisbaar was bij de lakenproduktie.
En ook in de huishouding bleek het goed van pas te komen.
Vitrage kreeg het gewenste theekleurtje na een bad in een plas. Witter dan wit was toen bepaald geen model.

Na het midden van de vorige eeuw begon men alle 'boodschappen' in emmers of tonnen te verzamelen.
Van tijd tot tijd werden deze vaten dan opgehaald.
Wat er daarna met de inhoud gebeurde is niet altijd duidelijk.
Begonnen we ons relaas in Frankrijk, daar willen we ook eindigen.
Lodewijk XIV, de Zonnekoning (1638-1715), voerde verschillende oorlogen tegen de Republiek der Verenigde Nederlanden, en had een vreselijke hekel aan de bewoners van dat land.
Deze vorst nu beschikte in Versailles over 264 kamergemakken, van zeer luxe zetels tot kunstig vermomde stilletjes.
Eén ervan was wel heel bijzonder. Het zag eruit als een klein tafeltje waarop vier dikke, in leer gebonden boeken lagen.
De titel van die boeken? ' Voyage aux Pays-Bas: Reis door de Nederlanden. Men zegt dat het zijn stoelgang bevorderde.

Historische Vereniging Oud-Schipluiden

Reageer op dit bericht

Nog eenmaal: verzamel uwen mest

 

Theorie en praktijk van de ‘Kwestie der Faecaliën' in de 19e eeuw

 

Myriam Daru

 

Ene natie, die haren mest laat verloren gaan, is het verwonderlijk, dat zij klaagt over de honger? Het Nederlandsche volk is in dezen gelijk dan den goudsmit, die de stukjes, welke van de voorwerpen worden afgefeild en op de grond nedervallen niet verzamelt maar verwaarloost. (...) Nog eenmaal: verzamel dan uwen mest, treed in overleg met de plaatselijke besturen om voor haar al het vuil te verzamelen en breng alles over uw land. (...)
Wordt dan zindelijk, neen, hef maar het alleronreinste op en vermeerder tevens den nationalen rijkdom; verbeter tevens den dampkring van uwe verpeste steden, die door cholera worden ontvolkt, door het vuil waardoor gij brood krijgen kunt, indien gij het over het land brengt (Mulder 1854: 69).

 

Poep als gevaar

Het idee dat rioleringsnetwerken zijn aangelegd als direct gevolg van de angst voor terugkerende cholera-epidemieën en het voor de tijd van de bacteriologie leggen van een eenduidig oorzakelijk verband tussen de poep van choleralijders en de de verspreiding van de ziekte is een opvatting die niet door archiefonderzoek wordt bevestigd. Er waren rond 1850 verschillende met elkaar concurrerende verklaringsmodellen voor cholera. De Engelse epidemioloog Simon (1816-1904) meldde in 1856 in zijn Report (...) on cholera epidemics vertwijfeld: "Under the specific influence which determines an epidemic period, fecalised drinking and fecalised air equally may breed and convey the poison."

 

In Nederland was er na de epidemie van 1866 een onderzoekscommissie ingesteld.

 

Het rapport van deze commissie tot onderzoek van drinkwater, in l868 uitgegeven, vermeldt een geval van verspreiding van cholera in Groningen dat praktisch dezelfde kenmerken vertoont als het beroemde onderzoek van John Snow over de Londense Broadstreet pomp uit 1848, waarin het verband tussen de hendel van een waterpomp en de verspreiding van cholera werd aange toond.
Het rapport stelt vast: Talrijk zijn ook de waarnemingen van belangrijke verbreiding van cholera bij het gebruik van water dat in het algemeen ‘slecht' of ‘onzuiver' wordt verklaard, zonder dat blijkt dat het met excreta van choleralijders of met rioolstoffen was bedeeld.
De invloedrijke bodemtheorie van de Duitse hygiënist Max von Pettenkofer had ook na de ontdekkingen van Koch nog aanhangers. Het verklaringsmodel van Von Pettenkofer kon leiden tot andere beslissingen bij het kiezen van een systeem van verwijdering van faecaliën, want hij beweerde dat de gifstof aanwezig in de faecaliën van choleralijders slechts in heel specifieke omstandigheden kon bijdragen tot verspreiding van de ziekte. Bestuurders en algemeen publiek hadden tot de doorbraak van de bacteriologie in het laatste decennium van de 19e eeuw en zelfs daarna niet met een eenduidig wetenschappelijk gefundeerd beeld van het gevaar van poep te maken en geen reden om van bestaande attitudes af te wijken. De keuze was niet afhankelijk van de medische wetenschap. Dat kon ondanks het gebrek aan kennis betekenen dat een Utrechtse choleracommissie in 1874 verbood om de potten met ontlastingen en braaksel van patiënten in grachten leeg te gooien en vroegen om deze te ontsmetten. Men moest wel maatregelen treffen ondanks de onzekerheid. De Duitse stedenbouwkundige en gezondheidstechnicus James Hobrecht meldde bijvoorbeeld in 1883 dat hij niet van plan was de beschrijving van de etiologie van epidemische ziekten af te wachten om te besluiten een gemengd rioleringssysteem in Berlijn aan te leggen. Binnen een dergelijke onzeker beeld van de gevaren van poep waren zeer verschillende maatregelen mogelijk, waarvan de aanleg van een gecentraliseerd rioleringsnetwerk slechts één was, zeker niet de meest goedkope, en ook niet de oplossing die de meeste Nederlandse hygiënisten voorstonden, omdat zij een ernstige vervuiling van bodem en water voorzagen. Als gemeentebesturen geneigd waren centrale rioleringsnetwerken aan te leggen, was dat om andere redenen dan het toegeven aan de wensen van hun gezondheidscommissies die zij weleens als hygiëne-doordrammers kenschetsen. Rioleringen hoorden bij de moderne uitrusting van een stad. Waterzuiveringsinstallaties waren daarbij niet de eerste prioriteit, omdat onder bestuurders en ingenieurs de overtuiging heerste dat er voldoende verdunning plaats zou vinden als rioolvocht gemengd werd met grote hoeveelheden water. De laatste cholera-angst en -controverse over het gevaar van faecaliënwoedde in de jaren 1892-1893 in Hamburg, waar de aanwezigheid van een uitgebreid centraal rioleringssysteem de laatste grote West-Europese cholera-epidemie van de 19e eeuw niet verhinderd had. De onbehandelde inhoud van de riolering kwam terecht in de Elbe en in de haven. Tegenstanders van de bouw van een zuiveringsinstallatie riepen tot 1892 dat mensen zonder zichtbare gezondheidsgevolgen in het vervuilde water zwommen en zelf ervan dronken. Maar de analyse van Evans (1987) heeft aangetoond dat de controverse vooral ging over de tekortkomingen van de overheid bij het voorkomen en bestrijden van de epidemie. In 1893, accepteerden politieke activisten vrij snel de theorie van Koch (ongezuiverd water, ongezonde woningen en slechte hygiëne als oorzaken van de epidemie) en richtten hun pijlen op de maatschappelijke ongelijkheid en het ondemocratische bestuur. De kwestie der faecaliën verdween uit de kern van de discussie, vervangen door algemenere politieke vraagstukken.

 

Wensbeelden en praktijk.

Het beeld van de door grote volumes water onschadelijk, onzichtbaar en geurloos gemaakte poep en de perfect centraal georganiseerde netwerken dat Chadwick en de zijnen voor ogen stond correspondeerde aan het einde van de 19e eeuw niet met de werkelijkheid. De besturen van veel Europese steden schrokken voor de investeringskosten die een dergelijke infrastructuur met zich meebracht. In Nederlandse steden zijn vaak halve maatregelen genomen en zijn riolen ad hoc aangelegd zonder dat er sprake was van een samenhangend systeem. Een voorwaarde voor de systematische afvoer van faecaliën via riolen was de algemene aanwezigheid van water en de aanschaf van wc's, iets dat zich in Nederland in een veel trager tempo doorzette dan in de grote steden van Engeland en Duitsland. Europese hygiënisten waren verdeeld over de gevaren van spoelsystemen. In Nederland waren zij vaak voorstanders van het Liernurstelsel, omdat het zorgde voor een gescheiden afvoer en niet ongecontroleerd terechtkwam in het water of in de bodem. Als tweede keus vonden zij het tonnenstelsel een aanvaardbaar compromis. Het verschil tussen het tonnenstelsel en de tot dan gangbare pacht van de faecaliënophaal was de regelmaat en de betrouwbaarheid die de gemeentebesturen van een centraal en gemeentelijk georganiseerde dienst verwachtten.

 

Aan het begin van de eeuw waren gemeenten nog geneigd dergelijke diensten als een taak voor particuliere ondernemers te beschouwen. Na 1850 ontwikkelden zich in de gemeenten nieuwe organisatievormen om het hoofd te bieden aan de problemen van verstedelijking. Een groot aantal gemeentelijke reinigingsdiensten is dan ook ontstaan met als hoofdtaak de ophaal en de verwerking van poep door middel van het tonnenstelsel en het leeghalen van beerputten en daarnaast de ophaal van droog afval en de stadsreiniging. Hoezeer men op de ophaalsystemen studeerde, het lukte niet om lekkages en stankverspreiding uit te roeien. De ironische uitdrukking ‘Boldootkar' spreekt wat dat betreft boekdelen. Het gevolg was dat de ophalers zich begaven binnen het privé-domein van burgers. In sommige gemeenten moesten mensen in aller vroegte met hun tonnetjes naar de karren komen. De ene gemeente zorgde voor een goed onderhoud van de tonnen, de andere minder. Dat betekende dat de faecaliën weleens in open emmers naar de ophaalwagen klotsten en dat na een ophaalbeurt de nodige sporen achterbleven, iets wat niet alleen esthetisch maar ook hygiënisch bezwaarlijk was. Soms moest het poep-tonnetje dagenlang op het balkon van een huurwoning staan, waar het ook weleens omviel. Niet precies wat de hygiënisten voor ogen had gestaan. Bij de aanleg van nieuwe wijken voor welgestelde burgers rond de eeuwwisseling is lang niet altijd een rioleringsstelsel aangelegd. Een voorbeeld is de wijk 't Zand bij het station van Den Bosch, waar bij alle huizen septic tanks (met waterdicht metselwerk) gebouwd werden. Riolen dienden alleen om overloop in geval van nood naar het dichtsbijzijnde open water te leiden. Zo kon in de huizen het nodige sanitaire comfort aanwezig zijn zonder centraal rioleringssysteem. Tegelijk bleven de eigenaren de volledige controle houden op het door hun huishouden geproduceerde beer. Bouwverordeningen konden pas de verplichting waterclosets in te bouwen opnemen toen de wc's ook daadwerkelijk op de riolering konden worden aangesloten. In de bouwverordening van Amsterdam kwam deze verplichting pas in 1935 te staan. Ook bij het Liernurstelsel was er een kloof tussen de ideaalbeelden van de uitvinder en de werkelijkheid. Liernur klaagde altijd over het onbegrip, zowel bij bewoners als bij bestuurders. De smalle buizen van het Liernurstelsel raakten verstopt wanneer bewoners de meest uiteenlopende vaste afval in de closets gooiden. Het gebruik van Liernurstelsel eiste (te veel) discipline van de bewoners. Het was gebaseerd op ‘pure poep' en urine. Elke toevoeging en vooral het in de pot gooien van veel schrob- en spoelwater verstoorde het systeem. Het Liernurcloset had ook het nadeel dat er altijd een hoeveelheid uitwerpselen bleef staan. Het vertrouwen dat Liernur stelde in de combinatie van ventilatie en een eigen syfon-ontwerp om de geur te neutraliseren kwam niet overeen met de waarneming van bewoners. Toen de opmars van waterleiding en waterclosets onstuitbaar bleek, moest hij wel aanpassingen invoeren. Zijn latere ontwerpen hielden wel rekening met hybride closets, maar het doek viel toch vrij snel over zijn ingenieus maar ingewikkeld systeem. Liernur en de hygiënistische voorstanders van tonnensystemen werden door invloedrijke en machtige gezondheidstechnici als Durand-Claye in Parijs en Hobrecht in Berlijn omschreven als vijanden van de moderniteit. Zowel Durand-Claye als Hobrecht kregen hun zin. Achteraf lijkt het erop dat de oorlog om de riolen (in Frankrijk spreekt men van ‘la bataille du tout-à-l'égout') door de tegenstanders van waterverspilling en van watervervuiling al snel is verloren, maar voor de plaatselijke overheden in kleinere steden en in dorpen viel het niet mee om het model van de metropolen te volgen.

 

Reageer op dit bericht

Wet tot regeling van het Nederlandsche Muntwezen

 

De maat- en gewichtstelsels die gedurende 17de eeuw in de Republiek werden gebruikt waren heel verschillend van het huidige metrieke stelsel welke pas aan het begin van de 19de eeuw in Nederland werd ingevoerd.

Ook het toen gebruikte muntsysteem was anders en zelfs de tijdrekening kon toen voor hoofdbrekens zorgen.

Amsterdam - pond 494.09040 gr.

Den Haag - pond 469.728 gr.

 

Reageer op dit bericht

Maat- en gewichtstelsels die gedurende 17de eeuw

 

De maat- en gewichtstelsels die gedurende 17de eeuw in de Republiek werden gebruikt waren heel verschillend van het huidige metrieke stelsel welke pas aan het begin van de 19de eeuw in Nederland werd ingevoerd.

Ook het toen gebruikte muntsysteem was anders en zelfs de tijdrekening kon toen voor hoofdbrekens zorgen.

Amsterdam - pond 494.09040 gr.

Den Haag - pond 469.728 gr.

 

Reageer op dit bericht

Meer van SALA - FAMILIE SALA - FAMIGLIA SALA - FAMILLE SALA

↑ Terug naar de berichten