3de ZONDAG VAN DE ADVENT
16 DECEMBER 2012
‘VERHEUG U IN DE HEER'
Toen Johannes in de woestijn predikte en doopte, vroegen sommige mensen hem: ‘Wat moeten wij doen?’ Johannes gaf duidelijke, directe antwoorden, Aangepast aan ieders concrete situatie.
Niet iedereen was daar even blij mee: het ging nogal in tegen hun gewoontes. Bekering of ommekeer was dus nodig. Want alleen zo ben je klaar om diegene te ontvangen, ‘die groter en sterker is dan ik’ – aldus Johannes.
Die ‘grotere’ hoopt eens te meer naar onze wereld te mogen komen, in ons en onder ons. Laten ook wij ons klaar maken om Hem te ontvangen.
Eens vroegen de mensen aan Johannes de Doper: `Wat moeten wij dan doen?’ Hij gaf hun ten antwoord: `Wie twee stel kleren heeft, moet delen met iemand die niets heeft, en wie te eten heeft, moet hetzelfde doen.’
Ook tollenaars kwamen zich laten dopen en zeiden: `Meester, wat moeten wij doen?’ Tegen hen zei hij: `Vorder niet meer dan u is voorgeschreven.’
En ook soldaten stelden hem de vraag: `En wij, wat moeten wij doen?’ Tegen hen zei hij: `Pers niemand geld af, ook niet onder valse voorwendsels, maar wees tevreden met uw soldij.’
Het volk leefde in gespannen verwachting, en allen vroegen zich af of Johannes niet de messias was, maar Johannes gaf hun allen ten antwoord:
`Ik doop u met water. Maar er komt iemand die krachtiger is dan ik; ik ben te min om de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen in heilige Geest en vuur. De wan heeft Hij in zijn hand om zijn dorsvloer op te ruimen; het graan verzamelt Hij in zijn schuur, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.’
Zo en op vele andere manieren verkondigde hij met klem aan het volk de goede boodschap.
(Lucas 3,10-18)
‘MET EEN GROOT VERLANGEN’
Kerstmis fonkelt al volop in de straten, maar in de kerk is Johannes de Doper nog steeds op post. En die bakt geen zoete broodjes. In de beste traditie van de oude profeten, houdt hij een donderpreek: de Messias, die vlakbij is, heeft de wan in zijn hand, hij zal zijn dorsvloer eens goed opruimen en het kaf zal hij verbranden. In de kerk is het nog geen feest vandaag. Dat begint pas in de kerstnacht. Tot dan is het leven met een groot verlangen.
Geen zalig afwachten in de zin van: ‘nog even geduld, het zal wel vanzelf goed komen’. Johannes spaart zijn toehoorders niet, hij wijst hen terecht: ‘Breng vruchten voort waaruit bekering blijkt.’ En zonder omwegen geeft hij heel concrete voorbeelden als ze hem vragen: ‘wat moeten wij doen?’
Godsdienst – God dienen – heeft voor Johannes weinig te maken met een zelfzeker en warm gevoel van binnen. ‘Wat denken jullie wel’, zegt hij tegen de massa die naar hem toekwam in de woestijn. ‘Wat denken jullie wel? Wij zijn toch wel goed in Gods ogen. Wij zijn zijn volk, wij zijn uitverkoren, en nu zijn we ook nog door u gedoopt, wat zou er ons kunnen gebeuren?’ ‘Ik doop u wel met water, zegt Johannes, maar er komt iemand die groter is. Hij zal u dopen in heilige geest en vuur’.
Een kindje, dat gedoopt wordt, het is zo mooi en vertederend. Maar dat lieflijke doopsel met water is maar een begin: de echte doop moet dan nog volgen, in heilige Geest en vuur. De doop van Johannes, en ons sacrament van het doopsel, doen ons onszelf bevragen. Wij zijn gedoopt met water, maar leeft zijn Heilige Geest, dat vuur van Jezus ook in ons?
Wij bidden dat wij in deze dagen van de Advent vuriger gaan geloven en meer openstaan voor zijn heilige Geest. Zo kan Hij telkenjare wat meer naar ons, naar onze aarde komen.
Soms zullen wij dagen kennen met dat warm gevoel van binnen. Dan mogen we dankbaar zijn, want dat kan ons helpen. Maar dikwijls zal die steun er niet zijn. Vooral dan – en dat kan dikwijls zijn – zullen wij leven van het verlangen dat het vuur van zijn Geest weer oplaait en in ons mag blijven branden, want ‘dat laaiend vuur, het dove niet!’
Lied voor de Advent
Ik heb mijn hart tot U geheven,
Heer, al mijn hoop zijt Gij.
Ik weet: Gij zult mij niet begeven;
mijn Heiland is nabij.
Al ligt de wereld diep verduisterd,
al drukt de grauwe tijd,
mijn hart heeft met geloof geluisterd,
mijn hart heeft zekerheid.
Mijn hart weet dat ons oud verlangen
weldra vervulling vindt.
Het eeuwig Licht is reeds ontvangen,
de maagd verwacht haar Kind.
Vergeef, Heer, al mijn slechte daden,
zet recht mijn dwarse voet
en leer mij lopen langs uw paden
mijn Heiland tegemoet.
Gerard Wijdeveld




|