Van in de oudste tijden vierden de christenen de geboorte van Johannes de Doper. Hij had de grootse roeping om de mensen voor te bereiden op de komst van de Verlosser.
Geen simpele opdracht … want van nature gaan mensen andere wegen, dan die wegen die tot verlossing, diepe vreugde en volkomen leven leiden.
Johannes heeft die opdracht echt ter harte genomen, met een totale overgave en toewijding, en letterlijk totterdood: de trouw aan zijn profetische taak heeft hem het leven gekost.
Toen ik nog in de moederschoot was,
heeft de Heer mij geroepen,
nog voor mijn geboorte heeft Hij mijn naam genoemd.
Hij heeft mijn mond zo scherp als een zwaard gemaakt,
en mij in de schaduw van zijn hand geborgen;
Hij heeft van mij een gladgeslepen pijl gemaakt,
en mij in zijn koker opgeborgen.
Hij sprak tot mij:
`U bent mijn dienstknecht, Israël,
door u toon Ik mijn heerlijkheid.’
(Jesaja 49,1-2)
Voor Elisabet was de tijd gekomen
dat ze moest bevallen,
en ze baarde een zoon.
Haar buren en haar familie hoorden
hoe barmhartig de Heer voor haar was geweest,
en ze deelden in haar vreugde.
(Lucas 1,57-58)
GEROEPEN OM PROFEET TE ZIJN
In mijn kinderjaren was het woord 'roeping' een vertrouwd begrip. Toen ik op het eind van de basisschool aangaf priester te willen worden, werd dat verstaan als roeping. Er was bij mijn vader enige weerstand, maar een jaar later, 13 jaar oud, ging ik naar Nijmegen, naar het seminarie. Wat 45 jaar geleden volstrekt normaal was, ervaren we nu als zeldzaam of vreemd. In hoog kerkelijke kringen hoor je wel zeggen: God roept wel, maar de mensen van nu horen het niet en geven geen antwoord. Ik heb geen reden om aan het eerste te twijfelen: God roept ook nu mensen. Maar dat wij doof zijn voor Gods stem en niet antwoorden gaat er bij mij niet in. Roeping hebben we te zeer beperkt tot het religieuze leven en het priesterschap.
Van deze verenging is geen sprake in de lezingen die we hoorden. De dienaar van de HEER, die in de eerste lezing aan het woord is, zegt, dat hij al in de schoot van zijn moeder door de HEER is geroepen. Hij was er dus nog vroeger bij dan ik destijds. Verderop in de lezing nuanceert hij dit met de woorden: die mij al in de moederschoot gevormd heeft tot zijn dienaar. God grijpt niet in, laat staan dat God kinderen roept. De spreker in de eerste lezing heeft de invloed van God op zijn leven ervaren en zo sterk gevoeld, dat zijn hele bestaan erdoor geraakt is, vanaf het prille begin. Hij heeft ervaren, dat God zich in hem wil laten zien. Hij deed zijn best dit uit te dragen, heeft al zijn krachten hiervoor gebruikt, maar het was voor niets, het heeft geen zin gehad. Blijkbaar wordt hij tegengewerkt, loopt het niet als gedacht of gedroomd. Roeping betekent dus niet, dat je levensweg al tot in de details vastligt. Dit biedt hoop aan ons hier, met name aan hen die ervaren, dat hun weg niet over rozen gaat en daardoor gaan twijfelen aan God. De dienaar horen we niet zeggen: waarom moet mij dit overkomen, waar blijft God nu. Hij blijft dicht bij zichzelf: ik heb mijn best gedaan, en het heeft niets uitgehaald. Hij is dusdanig geraakt door God, dat hij niet gaat twijfelen, en het vertrouwen uitspreekt dat God hem niet laat vallen, al heeft hij geen idee hóe de HEER hem recht zal doen, hem zal belonen. En dan ervaart hij opnieuw de invloed van God op zijn leven. Dat hij Israël bij elkaar en bij God zal brengen is nog maar het begin. Het perspectief van God is veel groter: tot een licht voor alle volken zal ik je maken opdat de redding die ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt. Het zal u niet verbazen, dat Jezus later vereenzelvigd is met deze dienaar van de HEER.
Ook Johannes is er vroeg bij als het gaat om roeping. Destijds was het een schande voor een getrouwde vrouw om kinderloos te blijven; zij werd om die reden door de omgeving veracht. Dit overkomt ook Elisabet, zo is in het voorafgaande verteld.
Deze doorstane verachting heeft er niet toe geleid, dat zij ging twijfelen aan zichzelf of aan God. Ook dit is hoopvol voor ons, hier en nu. Het feit dat God niet ingrijpt, en je veracht wordt door mensen om je heen vreet aan je vertrouwen, maar wil dus niet zeggen, dat je niet deugt, of dat God niets met je te maken wil hebben. God werkt niet volgens de plannen en dromen van mensen, maar op Gods eigen wijze. Dit vertrouwen blijft in Elisabet leven. Mijns inziens is dit een zuiverder vorm van roeping dan mijn idealen destijds als kind. Wanneer zij een kind krijgt ervaart zij en haar omgeving dit als een genade van God. Of de omgeving begrijpt wat zij hiermee zeggen valt te bezien, zo blijkt bij de naamgeving. Wat Johannes betekent weten de meeste van ons niet, maar wist men toen wel; Johannes betekent: de HEER is genadig, barmhartig. Met andere woorden: precies de naam die bij dit kind past. Wanneer Zacharias weer gaat praten komt men pas echt onder de indruk: men weet opeens geen raad meer met wat hier gebeurd is. Men gaat erover nadenken en zichzelf vragen stellen. Dat is en blijft ook voor ons een zinnige bezigheid: niet te snel oordelen of conclusies trekken, maar stil durven staan, de tijd nemen voor wat je meemaakt, je overkomen is. Het is dé weg naar wijsheid en vertrouwen.
Johannes heeft de trekken van de dienaar van de HEER uit de eerste lezing. Buiten dorp en stad, in de woestijn, laat hij de Geest van God op zich inwerken. Het maakt hem sterk, in de zin van: een diep geworteld vertrouwen in zichzelf en voor wie hij staat: de Barmhartige. Hij doet zijn naam eer aan door met woord en daad het goede nieuws dat God genadig en barmhartig is te verkondigen. Van mensen aan wie hij dit goede nieuws verkondigt vraagt hij, dat zij niet volledig opgaan in hun bezigheden, en zich openstellen voor deze God, zich omkeren, tot inkeer, tot zichzelf komen. Moeilijk is dit voor ons, om jezelf niet te verliezen in je bezigheden, plannen en dromen; moeilijk was dit ook toen. Johannes ondervindt veel tegenslag en wordt uiteindelijk door een gril van Herodes onthoofd. En God grijpt niet in, of beter gezegd: God handelt niet naar onze verwachtingen maar op Gods wijze.
Ruimte in je laten voor deze God en diens genade, en je, als je God ervaart in je leven, aan God toevertrouwen is niet gemakkelijk. Het leven van de dienaar van de HEER laat ons dit zien, net als het leven van Johannes en later dat van Jezus. Gods genade en barmhartigheid zijn kostbaar. Er wordt een eigen bijdrage gevraagd, het kan je veel, zelfs het leven kosten. Gods barmhartigheid uitdragen betekent immers niet alleen, dat je in het reine komt met jezelf, maar ook met al die mensen temidden van wie je leeft, vrienden en vreemden. Zowel het een als het ander kan zwaar en zenuwslopend zijn. Ik hoef dat jullie niet te vertellen; velen kunnen hiervan uit eigen ervaring getuigen.
Johannes zocht de woestijn om zijn vertrouwen in God te sterken. Zijn voorbeeld moge ons de kracht geven open te blijven staan, ook als de woestijn met zijn ontberingen onverwacht in ons eigen leven toeslaat. Zijn voorbeeld kan ons de moed geven om, bewust van de ontberingen die wachten, toch deze woestijn in te gaan, als we daarin een mens zien ploeteren. In woestijnsituaties een mens nabij zijn, in woestijnsituaties een mens nabij voelen doet jou, doet anderen de kostbare genade van God ervaren. Daartoe wordt elk van ons geroepen.
Vandaag vieren we de 11de zondag door het jaar. Zomaar een zondag in een reeks van vele gewone zondagen, niets bijzonders, geen speciaal feest. Een gewone zondag door het jaar, op de overgang van lente naar zomer. Bomen en struiken staan volop in het blad, op de velden zien we de vele gewassen, weilanden kleuren groen van het gras, en geel en wit van de boterbloemen en de madeliefjes. Vele tuinperken liggen er betoverend bij.
De overgang van knop naar blad, de ontluiking van zaad tot vrucht: het gebeurt onder onze ogen, langzaam maar zeker. Zoals we vertrouwen in de groei van zaad en gewas, zo roepen de lezingen ons vandaag op te vertrouwen in de eigen kracht van Gods Woord en in de groei van zijn Rijk,
In die tijd zei Jezus:
‘Het is met het koninkrijk van God
als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde:
hij slaapt en staat weer op,
dag in dag uit,
terwijl het zaad ontkiemt en opschiet,
ook al weet hij niet hoe.
De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort,
eerst de halm, dan de aar,
en dan het rijpe graan in de aar.’
(Marcus 4,26-28)
ZO GROEIT HET RIJK VAN GOD …
Eén van de taken die een pastoor bij zijn aanstelling meekrijgt is de verkondiging van het woord Gods. Op het eerste gezicht een bovenmenselijke, een bijna magische opdracht. Gods woord in zijn mond nemen… Straffer kan toch niet.
Maar het is juist het tegendeel: het woord van God is een eenvoudige parabel die een kind kan verstaan, het is een wonderverhaal of een flard van een gebed. Het wordt ons op een zondag voorgelezen, het krijgt een menselijke verpakking, wordt gebrekkig gecommentarieerd door iemand die zelf moeite heeft om er de rijkdom van te ontdekken.
Het woord van God schijnt zo klein in vergelijking met al die andere boodschappen die de wereld worden ingestuurd. Het woord van God werkt niet met mediatechnieken. Het is niet opdringerig, voert geen reclame.
Het is als een klein onooglijk zaadje. Of het zal ontkiemen hangt alleen af of ons hart er voor openstaat, of ons hart een vruchtbare voedingsbodem is.
Het woord van God wordt niet alleen verkondigd. Het is ook vlees geworden. In Nazareth, een dorpje in Galilea, een uithoek van het Romeinse rijk, een meisje in een grotwoning wordt zwanger. In haar schoot zal het zaadje ontkiemen tot een jongetje, zal opgroeien tot een religieus bewogen mens, met een boodschap zo eenvoudig en zo transparant dat de machthebbers bang worden voor hem. Hij wordt uitgeschakeld, gekruisigd en begraven en als een zaadje in de aarde neergelegd.
Even daarvoor houdt Hij een maaltijd. Hij breekt het brood als een broos gebaar van zelfgave en zegt daarbij: zo wil ik bij jullie blijven. Eeuw na eeuw wordt dit gebaar herhaald tot op vandaag. Een stukje brood wordt als een klein zaadje in onze handpalm gelegd. Vergeleken met de eetcultuur van onze dagen is dit zo miniem, zo petieterig. God dringt zich niet op. Ook hier zal de voedingsbodem van ons hart beslissend zijn of dit zaadje zal ontkiemen.
Zo groeit het rijk van God en niet anders. Heel klein en bescheiden vanuit het hart en de goodwill van de mens. Ook in deze tijd, voor mensen die leven in een megacultuur waarin alles zo groot en zo opvallend mogelijk moet zijn.
Het woord van God blijft dat kleine zaadje. Hij moet wel heel groot zijn dat Hij alle zogezegde grootheid van de wereld kan missen.
'De aarde is niet uit haar baan gedreven toen jouw hartje bleef stilstaan', zei Elsschot toen zijn nichtje stierf. Herken je dat gevoel: dat de sterrenhemel al eeuwenlang onverschillig rondjes draait rond de Poolster... maar dat het fysische en morele kwaad er al even lang is? Ziekten en natuurrampen, wetens en willens bedreven gruweldaden tegen medemensen?
We zijn niet de eersten die onze tanden stukbijten op de vraag naar het kwaad. Getuige de grote denkers die het bestaan van een goede God in een theodicee, een rechtvaardiging van Gods bestaan én goedheid, aannemelijk hebben willen maken.
Bovendien heeft onze voortschrijdende kennis ons 'goddelijke' privileges gegeven die tot voor kort ondenkbaar waren. De medische wetenschap bijvoorbeeld brengt onsterfelijkheid beetje bij beetje dichterbij. Gaan we binnenkort de schepping helemaal naar onze hand kunnen zetten nu ze stilaan haar geheimen prijsgeeft? Kan ze eventueel niet bestaan zonder Maker?
Hoe kan een kleine sterveling zoals ik iedere dag, in alle naïviteit, nog een praatje komen maken met God? Door al die paradoxen is Hij zwaar onder vuur komen te liggen. Met pure redeneerkunst kom ik er niet uit, maar ik blijf Hem opzoeken. Er is toch de kleurrijke vlinder die als een zacht uitnodigend gebaar naast mij neerstrijkt op de leuning van de bank? En de inzet en solidariteit van meevoelende mensen die het kwaad van antwoord blijven dienen? Ik spring resoluut in de bres voor de 'lijdende Metgezel' die niet te beroerd is geweest om als kwetsbare sterveling al onze menselijke problemen tot de zijne te maken. Sindsdien is er geen 'helaas' zonder 'en toch'. Ik wil blijven gehoor geven aan Zijn appél om evenveel liefde voor mijn medemensen op te brengen als Hij voor mij heeft overgehad. Grenzeloos veel dus.
(Anne-Mie Van de Walle)
(Bron: Catechesehuis, Tussendoor: ‘Maakt geloven gelukkig?’, augustus 2017)
Jezus heeft al heel wat wonderen verricht, zelfs op de sabbat de verschrompelde hand van een man genezen. Daarom zijn veel mensen nieuwsgierig naar de Man die zulke wonderen verricht. En waar Hij komt, stroomt dan ook een grote menigte bij elkaar om Hem te zien, om naar Hem te luisteren. Maar niet iedereen is zo enthousiast, zeker de Farizeeën niet: zij ergeren zich aan Hem, zij zoeken naar middelen om Hem de mond te snoeren.
Dit is ook zijn familie ter ore gekomen en zij willen wel eens poolshoogte gaan nemen. Zij willen Hem overhalen om terug naar huis te komen, weg van de wetgeleerden, terug naar de anonimiteit van gewone, kleine mensen. Maar het is Jezus niet te doen om wonderen, om aanzien of macht, maar om zijn opdracht om Gods Boodschap te verkondigen, waar te maken: om duidelijk te maken dat God elke mens graag ziet en hoopt dat wij dit ook zouden doen. Zó en op geen enkele andere manier worden en zijn wij familie van Jezus, van God.
(Bron: Dominicanen)
Jezus ging naar huis
en weer stroomde er zoveel volk samen
dat ze niet eens gelegenheid hadden om te eten.
Toen zijn verwanten dit hoorden
trokken ze erop uit om Hem mee te nemen,
want men zei dat Hij niet meer bij zijn verstand was.
De schriftgeleerden die uit Jerusalem gekomen waren
zeiden dat Beëlzebul in Hem huisde
en dat Hij door de vorst der duivels
de duivels uitdreef.
(Marcus 3, 20-22)
EEN LEVEN LANG KIEZEN …
In de evangelietekst van vandaag hoorden wij de zwaarste beschuldiging ooit tegen Jezus geuit. De verblindheid van zijn tegenstanders ging zover dat zij Hem verweten gebruik te maken van duivelse, kwade machten. Jezus was nochtans Gods goedheid zelf. Heel zijn optreden was er juist op gericht het kwade te bestrijden. Door zijn kracht stonden gekwetste en zieke mensen weer op, genezen, bevrijd. Zijn voortdurende strijd tegen alle vormen van het kwaad werd het teken dat het Rijk van Gods liefde groeide en dat Hij handelde in naam van de goede God. Jezus was onverdeelde goedheid.
Niet bij Hem, wel bij ons, mensen, vinden wij die mengeling van goed en kwaad. Zoals Paulus het zegt : ‘Het goede dat wij willen doen, doen wij niet. En het kwade dat wij niet willen doen, doen wij toch’. Soms kennen wij zelfs momenten van grote zwakheid, waarbij wij de indruk hebben dat het kwaad bij ons volledig binnendringt en als een tiran gaat heersen over ons hart. Dat wordt op dat moment dan heel vlug een gesloten burcht, waar wij liefst niemand anders meer binnenlaten. Maar wij mogen het toch weten: de liefde, die wij dan hebben buitengesloten, wacht geduldig onder de muren van onze versterkte stad. Tot het moment komt - een moment van nederigheid en vreugde - waarop wij de ophaalbrug weer neerlaten en de liefde weer binnenlaten in ons leven. Dan nodigt zijzelf ons uit met haar mee te strijden om de muren af te breken waarmee wij onszelf hadden opgesloten en geïsoleerd van de anderen. Dat niet meer het vaandel van het kwaad, maar de standaard van de liefde weer wappert op onze stad, betekent een heerlijke, bevrijdende ervaring, zowel voor ons als voor diegenen die met ons begaan zijn.
Wij moeten er ons echter geen illusie over maken. Ook na een overwinning blijft de geest van het kwaad ons bedreigen, niet alleen van buiten, maar ook van binnenuit. Het evangelie van vandaag stelt ons het leven voor als een voortdurende strijd tussen goed en kwaad. En dat is het inderdaad. De dag wat wij die strijd zouden opgeven, zou de ergste nederlaag betekenen en de totale verwoesting van ons huis.
Hoe komt het toch dat het Rijk Gods van de liefde zo dikwijls opnieuw moet worden bevochten en veroverd? Gewoon omdat het leven evolueert, omdat wij veranderen. Wij worden ouder, de kinderen worden groter, of de kleinkinderen komen op ons beroep doen, de economische situatie verslechtert, of onze werksfeer verandert, in ons lichaam ervaren wij kleine ongemakken, wij ontmoeten nieuwe mensen, of diegenen die ons juist tot steun waren, overlijden of verdwijnen, of een nieuwe kans wordt ons geboden. ‘Leven’ betekent onvermijdelijk ‘veranderen en groeien’. Wij evolueren en treden steeds weer nieuwe levensfasen binnen. En de concrete situaties waarin wij terecht komen zijn ongewild telkens nieuwe gevechtsterreinen waar een strijd moet geleverd worden opdat ook dáár de liefde, de dankbaarheid, de vergeving en de openheid, het zou halen van de haat, de veeleisendheid, het egoïsme en het isolement, opdat ook dáár de goedheid sterker zou zijn dan het kwaad.
Misschien lijkt het evangelie van vandaag nogal strijdlustig. Het is in feite zeer realistisch. Ons leven eist inderdaad een voortdurende keuze tegen het kwaad, vóór het goede. Op dat punt bestaat ‘niet kiezen’ eigenlijk niet. Want wie niet kiest, wordt onvermijdelijk meegesleurd en wel steeds naar één kant, nl. naar de kant van zijn gemakzucht en zijn eigenbelang. Echt menselijk leven is er steeds opnieuw voor kiezen in de liefdestroom van God te gaan staan, de liefde in ons hart binnen te laten, is ervoor kiezen niet op onszelf gekeerd, maar verbonden te willen leven met God, de mensen en de wereld.
Jezus wil bij ons vele duivels uitdrijven. Zijn woord van vandaag ‘Wie niet vóór mij is, is tegen mij’ nodigt ons uit tot hernieuwde keuze voor het goede, en dat wel op het punt waar wij nu gekomen zijn, op de plaats waar wij vandaag staan.
Zes jaar was ik leraar in Lokeren. Toen ik in 1976 het college verliet, schreef de 'Superior' in zijn afscheidswoord voor het collegeblad: 'Waar rust was, bracht hij onrust.’ Toen begreep ik het nog niet zo goed, maar ik denk dat hij gelijk had. Een mens moet wat ouder worden om zichzelf te leren kennen. Ook al probeer ik de rust te bewaren, de drang is vaak sterker dan mezelf. Door die onrust die in mij zit, word ik juist getroffen door de beelden die Jezus gebruikte en die de wereld toen en nu nog altijd op zijn kop zetten. Ze spreken mij het meeste aan. Het is ook datgene wat ik in Jezus het meeste bewonder.
Enkele voorbeelden:
'Als je op je linkerwang geslagen wordt, keer dan ook je rechterwang toe. En 'Vergeld geen kwaad met kwaad', integendeel: sla niet terug, want dan kom je in een spiraal van geweld terecht. Dit blijft een ware revolutie tegenover 'Oog om oog, tand om tand' ... de wereld op zijn kop.
Een ander voorbeeld: 'Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste zijn en anderen dienen: In ons denken is dat moeilijk te begrijpen, maar Jezus zet de wereld op zijn kop.
Een derde voorbeeld: 'Als je aalmoezen geeft, mag je rechterhand niet weten wat je linkerhand doet: Hierbij denk ik aan iemand op de parochie die 100 euro wegmoffelde in een briefje van 10, opdat het niet zou opvallen. Hierover zegt Jezus: 'Je Vader in de hemel ziet wel wat in het verborgene gebeurt.’ Ook hier de wereld op zijn kop: je doet iets niet voor het oog van de mensen, maar voor God.
Als ik de woorden van Jezus ter harte neem, verwacht Hij dan niet van mij dat ook ik – waar ik kan – de wereld een beetje op zijn kop zet? En onrust breng waar er rust is.
(Bernard Lenaerts)
Bron: ‘Tussendoor. Hoe Jezus van Nazareth ons inspireert’, mei 2018