groen
langstelig
schoot zij op
knopte het bijzondere
aan mij gegeven
tot een licht roze lelie
waar vanuit de kern
spikkeltjes rood
stuifmeeldraden lang
de kracht
van onze vriendschap
explodeert
“voor Cor en Nel”

groen
langstelig
schoot zij op
knopte het bijzondere
aan mij gegeven
tot een licht roze lelie
waar vanuit de kern
spikkeltjes rood
stuifmeeldraden lang
de kracht
van onze vriendschap
explodeert
“voor Cor en Nel”
een nieuwe windeen nieuwe wind
met lange uithalen
en onstuimige klanken
verhaalt hij
zijn gevoel van heerlijkheid
een zweven met de geur
van schoonheid mee
in een wervelende stroom
van leven
op zoek
naar diepe innerlijkheid
ik rimpel haarals ik neig
naar eenzaamheid
rimpel ik haar waterzacht
in mijn hart
schenk haar
mijn verlangen
die ze weerspiegelt
in zilveren schijn
om mij
het middelpunt
van verbeeldingskracht
te laten zijn
schone bij nachteenkel midden
nachtelijke oneindigheid
zal ze moeite doen om
haar schoonheid heel even
te laten opbloeien
net omdat velen
het dagdagelijkse
’s anderendaags
reeds zijn vergeten
twee dartele vlindershun fladderende dweeppartij
die glans van vleugels vrijlaat
weerlicht welig de verleiding
om midden wolken naarstig
op zoek te gaan naar dat wat
als hemels wordt omgeschreven
als kern van gewin
waarom met eenzaamheid
als enig gezelschap
het zichtbaar mooie overzien
in plaats van met klaarblijkelijke
gedachtegangen het geurende
als kern van gewin mee te nemen
behoefte aanbehoefte aan een verademing
vol verhoopte rust
die heerlijk kil aanvoelt
wanneer dat
wat hoogzomer
wordt genoemd
met dorre tussenkomst
de golving van cirkelgang
ontkracht
opstaanmorgen zoent
na donker wroeten
minnestreelt
in warme ochtendgloed
zacht en teder
langs haar naakte beeld
waait de tijd lieflijk
naar werkelijkheid
geloofwanneer ik jou
zie opgaan
als schakel
tussen hemel en aarde
blijf ik bidden dat ik
mag blijven ervaren
tussen hoop en vrees
vechten tegen tranen

na hoogtepunten en piekmomenten
feiten die je hebben gemaakt
tot wie je bent
een strever
die geen tot daar
meer kent
dwingt ’t uitgeputte je
naar waar vermoeden
zich uitzaait
om als
doodgewone ziel
niet meer te doen
dan wachten op bloei
die uiterste
voldoening schenkt
breekt fragmenteneen onvolmaaktheid
in de tijd
laat zich niet verstoren
zelfs niet door dromen
strekt zich uit
tot blinde vlek
breekt fragmenten
vertekent en overdrijft
verloochent in verwarring
het leven
om duistere plannen
verder in te weven
ging jij groeienGing jij groeien
desondanks dorre bossen
stille velden
schemerdonker
die zelfs vlinders misleidt
ging jij groeien
om mij te laten overkomen
een schoonheid
die bloeiend onze waarheid droeg
chaoslaten dagen mij verdwalen
na de nacht zal de morgen
mijn zo eigen inzicht gloren
pronkendtussen hoog
wuivend gras
zie ik haar groeien
van broze knop
tot zwaai-stille
wondere schepping
die nacht en ontij
pronkend overwaast
met flitsen eigen zielmidden grijs
moedwillige berusting
haal ik met flitsen eigen ziel
het blauw van de hemel
om dwaalwegen te vinden
die me een inkijk bieden
in een wondere toekomst
met bloeiende bloemen
onvoltooid tegenwoordige tijdomdat omkijken
teren is op herinneringen
verder zien enkel dromen biedt
hou ik me staande
in onvoltooid
tegenwoordige tijd
een wereld die volop
laat genieten van op handen
zijnde echtheden

sinds ik niet langer schichtig
maar wijd open ogend
jou in ’t gelaat heb gekeken
weet dat het jouw donkerte is
dat klaarte overschaduwt
smeek ik je mee te gaan naar
een aanzijn dat continue
stroming van licht biedt
een nieuwe oogsttoen ik tussen de schimmige
schemeringen van bomen
een tintelweelde
van opgeroepen leven
als een balsem van troost
op mijn lichaam voelde
beoogde ik
een nieuwe oogst
een klankvast liedhet is het klankvast lied
van vogels
in donkergroene kronen
dat me uit de grijs
golvende belevingen
van mijn eigen morgen helpen

als stilte me
zodanig overvleugeld
dat ik enkel jou
dicht bij mij
hoor ademhalen
wakker ik je aan
tot een “ogen”blik
met diep inzicht
welke ons volkomen
met elkaar verbindt