hunkerend naakt
er bestaat
alleen nog maar
een wereld
met weghaastend wit
een rugliggend
hunkerend naakt
die tracht de maan
te misleiden
om in het pikkedonker
eindelijk de geneugten
van begeerte
te leren
weten
hunkerend naakt
er bestaat
alleen nog maar
een wereld
met weghaastend wit
een rugliggend
hunkerend naakt
die tracht de maan
te misleiden
om in het pikkedonker
eindelijk de geneugten
van begeerte
te leren
weten
met vonkend licht
mag ik zien
hoe de zon
het landschap
wast en betast
haar ziel
met vonkend licht
wit glinsterend
blootlegt
genieten van zo’n
zeldzaam mooie dag
vooraleer ze terug
achter de horizon wegzinkt
in zoete extase
het duister
wekt verbeelding
tekent een schaduw
die zich schroomvallig en teder
rondom mij beweegt
zo zacht spelend
bezit van mij neemt
dat ik
in zoete extase
het leven verder zweef
in onvergankelijk droomzicht
het verlangen
om met gebroken vleugel
verder te vliegen
doet haar
boven ’t grijze
uitrekken
stroomopwaarts
verder reizen
in onvergankelijk droomzicht
een misstreveneen misstreven
om met kwast en verf
het volmaakte
van realiteit
vast te leggen
hoe hard
ze het ook probeerde
er was enkel
haar eigen wereld
die op het doek verscheen
groen ademhalen
poederwitte schoonheid
gevleugeld levenwanneer een gouden gloed
boven ’t verstilde
gaat zweven
gevleugeld leven
heel teder
uit zijn schuilplaats lokt
die zoekend naar bessen
elkaar kwetterend
weten te overtreffen
dan blijf ik
reeds voor de dag begint
stilstaan om te kijken
wat voor moois
zomertijd
heeft uitgebroed
in een volmaakt ogenblik
wanneer een klare maan
en glinsterende sterren
mij een winterse
morgen verraden
dan weiger ik in te slapen
tot ik zie
hoe weerbarstige kou
zich vastzet op bomen
die ijzig wit
lijken open te dromen
in een volmaakt ogenblik
wolkjes kan ademen
die magie
kortstondig verstrengeld
met de dageraad
een rood vonkende hemel
het begint te dagen
waarom
een rood vonkende hemel
mij laat rillen
in ’t beleven
hij draagt immers
een teder verhaal
als herinnering mee
waar het hoogoplaaiende
tot liefde vergleed
in eigen ritme
kerst zal ingetogen zijn
in een trilling
van licht
blinkt de wereld
zijn winterse schijn
laat klaagzangen
zwijgen
verzinken in
stilte
kerst zal
ingetogen zijn
fascinerende kronkelsblijf mij
halverwege ontmoeten
nog groen in onzekerheid
geniet
van wat niet
uitgesproken wordt
maar door
fascinerende kronkels
wordt verwoord
in plaats van
te dicht bijeen
begeerte te vergeten
hard rennendzigzaggend
door ogenschijnlijk
wil ik mezelf
niet kwijt
wring mij
in de kijker
om hard rennend
warmtesporen op te wekken
rode vlekken
die als flitsend vuurwerk
mijn verwachtingen
blootleggen
anorexia
wanneer zij
de tijd verhongert
tot doodse dagen
kan ik alleen maar smeken
haar emoties
uit te schreeuwen
in plaats van
ze op te vreten
te purgeren
zich vel over been
ten Grave te
laten dragen
wezenloos
in zijn hopeloos
verwaaien
vliegen vogels
wezenloos
tegen het grijze
kijkt de horizon
verloren en
tracht de wind
zijn schaduw
te hervinden
waar
enkel nog
de droom
van een zaailing
valt te beklijven
in laatste bloei
verdiepend in een glimp
van iele kleuren
richt zij zich
in laatste bloei zodanig op
dat het verruimde zicht
haar vrij
het licht laat ademen
tot het schimmenschijnsel
van een winternacht
het leven tergend traag
doet ineenkrimpen
verdiep ik mij graag
wanneer bij
de eerste stralen
van de dageraad
diamanten
worden rondgestrooid
die met ontegenzeggelijk
vele facetten
me kristalhelder
tegen sprankelen
verdiep ik mij graag
in de schoonheid
en laat me doelbewust
door winterse kracht
omhelzen
blijvende verbondenheid
daar waar eens
twee werelden
elkaar aanraakten
ik alleen achterbleef
omdat eigen benen
niet de jouwe bleken
bemerk ik in ’t verstilde
van vergeet-mij-nietjes
onze blijvende verbondenheid
in zacht vergaan
waren zij
door onstuimigheid
heel even
het noorden kwijt
bij klare maan
zullen zij
in zacht vergaan
hun koers verder varen
met eigen verbeelding
hij laat zichzelf
niet vergeten
houdt zich
bij haar levend
door met
eigen uitbeelding
naar hun onlosmakelijke
verbondenheid te verwijzen
zwaar zuchtend
hulstig mooi