gestrand
ik dacht je
eindeloos
tot ik gestrand
die droom
naast mij
heb neergelegd
gestrand
ik dacht je
eindeloos
tot ik gestrand
die droom
naast mij
heb neergelegd
eigen requiemmidden spelingen van licht
roeren zich
schimmige gedachten
houden rouw levend
bedenken hoe doden
met stille storm
hun grafrede omvormen
tot eigen requiem
nooit gaan de bloemen doodSteeds weer bloeit schoonheid zich open
als een vlaag frisse wind
een golf van jubelend tederheid
zoet sidderende uitzwermende verlangens
zelfs wanneer verloedering zich over de aard
van mijn werkelijkheid tracht uit te spreiden
nooit gaan de bloemen dood
die ik als zomer heb geplant
afscheidals schoonheid
bestaan ademt
en zekerheid tekent
tot ze wordt uitgekleed
sindsdien wordt gezien
lijk een levende herinnering
die in dromend schemer leeft
en nooit meer weerkeert
neem me meesluit me de ogen
neem me
in je zacht golvende beweging
doorheen de stilte mee
tot voorbij
golvende nevelsluiers
naar goudomrande wolken
omdat ik in het licht wil zijn
een keerpuntdaar waar de oude eik
een lange schaduw
over de grond werpt
zetten zij zich neer
luisteren stil
eenzaam bij elkaar
naar wie zijn vleugels
uitslaat
een keerpunt in hun leven
zonder afstandZonder afstand
het is mijn gevoel
van vrij zijn
dat me laat stilstaan
kijken
naar wat ik graag zie
zonder het te willen bezitten
als tijdloze herinnering
midden toekomstverwachtingen
meeneem
zonder afstand
liefdewil door jou
gevonden worden
meevliegen
niet langer
met mijn ogen dicht
om de wereld buiten te houden
maar met een glimlach
en geschitter in mijn blik
genieten van een verhaal
waarin heel veel dromerij
onafgebroken licht over
mijn werkelijkheid verspreidt
het vegehet vege
sluipt narrig
over ’t wezen heen
klaagt met
gejaagde adem
het drukkende neer
laat slechts los
wanneer men
om hondsdagen weent