Zomertijd

Zomertijd
Kortgewiekt
Herfst nadert
Stilte en poëzie
Hou nog steeds van jou

Hou nog steeds van jou
Het zachte ruisen van de bomen
een toverachtige, onwerkelijke schemering
de geur van bloeiende bloemen
het brengt mij in vervoering
het laat mij jouw naam noemen
reeds lang vergleden in de nacht
nog steeds tederheid voelen
het samenzijn eens in deze pracht
gevoelens zijn niet vluchtig
ze blijven in een hart heel rustig
In het avondlicht

In het avondlicht
Stralend glimt het licht mijn lichaam
zweeft in goud stil neer
koestert droom in diafragma
verlicht mijn toekomst teer
In de schoot van 't leven
hervind ik werkelijkheid
kom ik mezelf weer tegen
een mens in volle heerlijkheid
Gedragen door mijn vrijheid
loop ik de heuvel op
en 't leidt mij verder vrijer
steeds maar hogerop
Na de storm
Stil levend
Altijd dwalend
Nooit voorbij
Nooit voorbij
Als het zonlicht aan het sterven is
en ik ben uitgebloeid
geen woorden vind
om aan mijn droom te hechten
dan dank ik de avond
om zijn eenzaamheid
want daar leer ik het geheim
dat eindeloze weelde
en verre schijn
steeds weer een hart doet bloeien
Wanneer wij laat nog hopen
Wanneer wij laat nog hopen
Winden mengden onze dromen
edel, lachend, teerbewogen
Alleen jij zag hoe ik in die mallemolen
mijn hart naar jou heb toegebogen
Met ogen gesloten
is het lot ons nagelopen
Het neemt de geur van jou mee
Het neemt de geur van jou mee
In een veld vol rozen en jasmijn
zo onbeholpen kinderlijk verlegen
vertelt mijn hart mij jouw zijn
haast zonder het te weten
Een herinnering gehavend door de tijd
laat ons zoeken naar elkaar, heel even
een droom breekt en verdwijnt
alleen hemelhoog staat je naam geschreven
Een nieuwe dag
Een nieuwe dag
Mijn lach vliegt zeer omslachtig
met roerend teer gekweel
als de dag begint te krieken
de deur uit golvend naar beneen
Sterrenlicht en manestralen
lieten mij met mijn liefde vrijen
ik pluk een nieuwe dag
weet eindelijk wat romantiek vermag
Een nieuw begin

Een nieuw begin
Zodra het licht wordt ga ik weg
oud zeer herinneringen achterlatend
gekerfd in talloze stenen
Het nu, in vertrouwen toelatend,
laat me een toekomst optekenen
in helderwitte woorden
Inhoudelijk verduidelijken zij
mijn doortasende handeling, verwoorden
mijn nieuwe persoonlijkheid
Onopgemerkt holt een gelukkig kind
met me mee
Een hart vol verlangen
Genieten
Rijden op mijn rode fiets

Rijden op mijn rode fiets
Door de stationsstraat
langs de kerkstraat en de peperstraat
hield hij mijn zadel vast
en liet mij rijden op twee wielen
Aan het begin van de kasteeldreef
hing zijn tong uit zijn mond
stonden er zweetparels op zijn voorhoofd
begon hij te puffen en te hijgen
Plots een harde stoot
mijn voetjes vlogen van de pedalen
het enige wat ik deed was sturen
Voorbij een boom, een grote struik,
recht in een bos van brandnetels
durfde niet te wenen, hij keek zo boos
De dag daarna heb ik geoefend, alleen
in de tuin tussen de bloemperken
want nooit of te nimmer in mijn leven
wou ik nog zo'n duw krijgen
Bij nacht

De nacht was zacht en componeerde
ruisende liefdesliederen
met wellend woordeloze refreinen
De klanken vlieden
in crescendo overstegen zielepijnen
traag bewegend in de andere strofen
Dof karmijn werd rode schijn
en in de nacht ontsprongen dromen
die mooie werkelijkheid beloofden
Tot ze verdwenen bij morgenstond
en het dagelijks leven kleurloos opstond
De maan
Stilte
Bang ontwaken
Als alles stilstaat

Als alles stil staat
Mijn stap houdt halt
Alles bladstil
Onbewogen vijvers
Een erbarmend zwijgen
Doortrokken van leegte
Het moeilijkste loslaten
Terwijl ik droom
van leven
(Eerste prijs nationale gedichtendag Gemeente Herzele 2007)
Ik knuffel mijn

Ik knuffel mijn
Na weggeslapen dagen
hebben indringende momenten
mij laten ontwaken
Mijn liefstte, lieve jij
mijn tedere toekomst
zelfs in schaduw blijf je mij nabij
Met zekerheid
omklem ik jouw handen
spreek ik jouw taal
met dezelfde verlangende warmte
Tederwaaiend ontstaan
Sprekende ogen

Sprekende ogen
Stilte blikt zwijgend
getuigt intens verdriet
donkertranende ogen
weerspiegelen duistere fantomen
eens in donkerte opgenomen
Pluk het mooie

Pluk mijn rozen rood
op windstille dagen
nog voor ze ontbladen
in eindeloos dood
Geprangd in mijn armen
geur ik nog leven
koester hun streven
in warm erbarmen
Tussen beschermende bladen
verlang ik hen neer
in immer genieten
de herinnering steeds weer