in een bos zonder wegen

in een bos zonder wegen
de geur van net omgeploegd

niet langer meer de knotwilgen
die met hun in lucht priemende
kale takken de akker
in schemering onderdompelt
maar de geur van net omgeploegd
welke als pure ademtocht opwaait
mee laat glijden in lentefris hoogtij
krijgt de overhand in mijn leven
koesterend

de enkele stenen
die tussen onkruid
hun langzaam leven uiten
bewonder ik
om hun
subtiele diversiteit
één raakt mij
ten volle met zijn eigenheid
koesterend heb ik
hem in mijn hand genomen
op de wind
wanneer ik
er naar verlang
om in je armen
te vallen
waarom me
vleugels geven
om op een wind
te gaan zweven
waarvan men
de kleuren niet voelt
zo verbonden
ergens halverwege
een wereld
die je beleefde
en je eigen droomwereld
vond je ze
twee kleine steentjes
zo verbonden door hun vorm
dat je ze hebt meegenomen
omdat ze voor altijd samenhoren
in die essentie heb je ze gedeeld
met wie je liefde weet
om haar te laten verstaan
dat wat jullie samen hebben
altijd omschrijft
over een bos vol fantasie

wanneer iedere boom
een schaduw werpt
langer dan zijn realiteit
haal ik vogels uit hun slaap
om weg van donkere
stilte te raken
tussen hen in
over een bos vol fantasie
leven te heroveren
in de donkere deining
hou me vast in jouw morgen
wanneer ik op zoek
naar de vlinder
als ziel
in de donkere deining
van een mensenzee
dreig neer te vallen
in een veld vol bloemen
Blodeuwedd

als in betoverend grensgebied
Blodeuwedd
donker en licht
met elkaar verbindt
elfen en aardkinderen
in de vuurrode gloed
van een opkomende zon
samen spelen
dan zal de nieuwe tijd
vlug openbreken
wedergeboorte van leven
een feit zijn
(Blodeuwedd : Keltische bloemengodin)
met vooruitzicht tot openbloeien

terwijl een desolaat
gesculpteerde akker
zich lichtvaardig
ligt te vergapen
tot zomer haar ziel
misschien blootlegt
neemt de berm
het prilgroene
dankbaar aan
als lente met een zucht wind
en een sprankel zon
komt aanwaaien
samen ontwaken

wijl de zon
als gouden koestering
de hemel oplicht
witte wievenslierten
hun parelende taal
over het natte gras uitwervelen
verliezen wij onszelf
in het zintuiglijk genoegen
van samen ontwaken
stilte
meelevend met het drama
dat zich heeft afgespeeld
in Zwitserland
geen gedicht morgen
mijn gedachten gaan uit
naar slachtoffers,
familie en naasten
die getroffen zijn
essentie
door zijn voortdurende verandering
raak ik mee opgetild
in wat wacht om nieuw
herontdekt te worden
steeds weer tot er zich
in verweerd volgroeiing vormt
los van de wereld vol van mysterie
met hem essentie verken
volmondigheid
de stilte van het huis
herinnert haar
hoe ze in het donker
verder met poppen ging spelen
haar gedachten in een zakdoek
nat van tranen verfrommelde
tot volmondigheid toeliet
haar kindzijn te verhalen
in wonderlijke verwachting
samen
wij hebben niet gesproken
enkel elkaars hand vastgenomen
het pad verder afgelopen
op zoek naar onszelf
het samen zwerven
verrijkt ons leven
brengt volkomenheid
in wederzijdse deling
nauw verstrengeld
is sindsdien ons zijn
een droom die blijft
leven tussen bloemen
vraag je niet om vleugels
wijl wind gaan liggen is
wil me niet uitstrekken
in een leegte
met geen enkele betekenis
laat me woelen
in de aarde
leven tussen bloemen
die mij laten groeien
in warm thuisgevoel
zonder toekomst
als bomen en struiken
met ontij aan hun zijde
het bos als een wankele samenhang
zonder hartslag doet kijken
dan is het hel niet langer hemel
die gestalte geeft



hoe zij zich ook richt
naar ’t licht
om zijn glimlach
te zien oplichten
steeds vaker
gaat hij
in de greep
van honger slapen
vermoeid van
’t leven hier
het droomblauwe
aanraken
kleuren terug het beleven
als veeg hoopje mens
telkens zo anders
heb ik je herontdekt
als rijpe rust
in mijn bestaan
het prille dat openbloeit
vanuit ooglijk blank
een dode droom
die ik grijs begraaf
tot wanneer ik als veeg
hoopje mens één met je wordt
vrijuit leven