winterslaap
zong hij eens
een zomers lied
koude snijdt
nu winterdiep
zo tergend traag
hij verglijdt
in winterslaap
die verademing draagt
winterslaap
zong hij eens
een zomers lied
koude snijdt
nu winterdiep
zo tergend traag
hij verglijdt
in winterslaap
die verademing draagt
toen we gisteren samen wandelden
we wandelden traag
hadden helemaal geen haast
zelfs de wind op kousenvoeten
raakte onze stilte niet
en toen wij op een bank gingen zitten
de bladeren als zomerse herinnering
in zachte vleugelstrijd
naar beneden zagen dwarrelen
deden ons zelfs niet vitten
want de oogst
aan rust en schoonheid
die we deze namiddag binnenhaalden
zou ons de hele winter
niet meer verlaten
een laatste zomers gevoel
weet dat ze hard proberen
een laatste zomers gevoel
mee te geven
wanneer ze hun purperen bloemkronen
verlangend openen
laten genieten
van een laatste zoemende bij
die onzeker
hun nectar aanraakt
tot de dag aan ’t licht verzaakt
en zij sidderend kil
in mantelpakjes van wit
met een laatste hoofdknik
als zilveren lichtjes
voor winter zwichten
in de stroom van fantasiehaar droom
blijft roerloos
weerbarstig aan het leven
in de stroom
van fantasie hangen
tot zij hem als regenboog
naar beneden haalt
beseft dat er ook
aardse schoonheid bestaat
als je het toelaat
genieten van de tijd
wanneer ik mij
tussen wolk en aarde waan
rust in mijn leven ervaar
zal ik terug
bij mezelf ontwaken
beseffen dat
genieten van de tijd
zoveel belangrijker is
dan hem
voor te willen zijn
aards kleurenpalet
wanneer de bladeren
in stilte omlaag wemelen
zo intens teder
een bewogen spel
met mij spelen
dat ik in de ban rakend
van het najaar
niet merk dat herfst
het aards kleurenpalet
verkreukelend laat verdwijnen
achtergebleven leegte
naar eenzaamheid leidt
waar licht niet langer
de wereld siert
maar schaduw hoogtij viert
als de meidoorn bloeit
nabij de meidoorn
waarvan de donkerrode bessen
een gebroken hart
weten te lijmen
wil ik bewijzen
dat wij
zelfs in herfststilte
kunnen genieten van warmte
als we maar
dicht tegen elkaar aanvleien
ik ben wie ik ben
nooit meer
van de buitenwereld afgesloten
ramen wijd open
laat ik het licht
in alle hoeken binnenstromen
want dankzij mijn ventje
die mij liet zien
waai ik mijn weg
met een eigen lied
niet langer ontheemd en verweesd
maar vol met liefde
moeder natuur
wanneer ze praat
onder de kleine stukjes
ruw landschap
van de trambaan
als zachte hand
langs mijn gezicht strijkt
wanneer ik langs
geheime plekjes trek
in het licht
van de wijde hemel
haar energie
laat zien
ontdek ik bij haar
mijn eigen stukje magie
dat mijn gevoel
van verbondenheid verklaart
de herinnering van alleen
gevoelens leidden mij
van een groene wei
langs zacht glooiende heuvels
naar de uitgestrektheid
van de zee
doch de stilte
die daar heerste
toen de avondmaan verscheen
versterkte eenzaamheid
steeds meer
enkel de herinnering
van alleen
nam ik terug mee
wanneer ik met intens verlangen
naar jou ben teruggekeerd
wervelwindend
til me op
draai me wervelwindend rond
tot in hogere sferen
zodat ik jouw turbulente spel
hemels kan beleven
en raakt het
ooit uitgeraasd
weet dan dat
alom verspreide bloemblaadjes
het genot van ons liefdesspel
zullen verraden
verlangenwanneer niks
haar nog kan raken
enkel haar eigen gedachten
die zich richten naar verlangen
en leven in verwachting
de aantrekking van het mooie
alleen maar
groter maakt
zal ze met de kracht
die liefde heet
de hele wereld schoonheid
laten meebeleven
kleine fladder mijn
kleine fladder mijn
rust maar nazomerzacht
in mijn gele glimlach
glanzend in hetzelfde licht
beelden wij
in perfecte harmonie
stilleven uit
wetende dat herfst
ons schaduwend
laat verdwijnen
nieuw leven
het huis dat steeds
nacht ademt
waar dromen
als nevelige sluiers
door de kamer dwalen
haal ik steen voor steen neer
laat de fundamenten
nieuw leven dragen
waar open ramen
de geur van ontluikende bloemen
zullen binnenhalen
samen
wanneer de uren
in ons bestaan
langzaam verder glijden
zonder dat wij
het leven
nog intens beleven
zullen wij
de eenzaamheid
samen bewenen
en de warmte
van elkaars handen
als troostend weten
het blote voetenpad
het in groen weggestoken
blote voetenpad
ben ik gisteren
nieuwsgierig doorgelopen
gekriebel van stenen
modder tussen mijn tenen
lieten mijn hele lijf
zinderend genieten van de energie
dat wisselende ondergrond biedt
nazomer
ik zoek een late zon
een wind
die me zacht dwingt
nazomer te bezingen
voor ik samenkrimp
in de doodse stilte
van de winter
mijn vlammend rood
in de diepe voren
tot donker zilver
wordt gesmoord
elfennevel
als eerste zonnestralen
door laaghangende mist breekt
lijkt elfennevel
een paradijselijk verhaal
in mijn leefwereld te baren
zoveel mooier
dan nachtelijke luchtkastelen
waar trollen mij
in bangelijk grijs
laten rondwaren
een vage herinneringhoe breekbaar lijkt de wereld
wanneer een grijze hemel
de dag dicht dwingt
schaduwen uit de aarde
doet opstijgen
die zomertijd verdrijven
sterren verplicht te wemelen
in verlorenheid
die mij laten blijken
dat vandaag
slechts een vage herinnering
is morgen
klaag niet om gemis
de omhelzing
waar ik naar trachtte
kussen waar ik naar smachtte
leg die op mijn graf
en klaag niet om gemis
want weet je
het was ik
die jou miste
de vele avonden die je mij
in leegheid dropte
en ik jou
in de tijd niet terugvond
leven
wanneer de dag nijgt
naar roerloosheid
dan hoef ik alleen
in jouw schoonheid
te verdwijnen
mijn hartenklop
met de jouwe
laten meedrijven
het zachte spreken
strelend beleven
om te weten
dat leven
niet te stuiten is
waait een nieuw getij
in een nieuw getij
waait hij
zomer heen
verkleedt boom en struik
in geel geruis
neemt de geur
van laatbloeiers mee
plukt zuchtend
rijpe vruchten
laat vogels vluchten
in zijn stroming
verplicht mij
tot verloren lopen
in de dansende schaduwen
die bij zijn bewegend spel horen
waar dromen zwevenfantaseer je
niet langer in een wereld
waar dromen zweven
wat ben je met een illusie
dat je leven leidt
waar emoties deinen
in onwerkelijkheid
als je samenzijn
nooit als realiteit
kunt beleven
grijswanneer grijs
het landschap leidt
naar ruige openheid
waar laatste vlinders
fladderen zomersnood
rond verwelkte rozen
leef ik verder in warm weten
dat de bloei is mooi geweest
en ooit terugkeert

wanneer oud verdriet
niet langer
in de nacht staart
ik verlang
naar de zoekende handen
onder ’t bedlaken
die mij met tederheid
naar een passioneel verhaal
weten te dragen
zal ik mij
tussen droom en daad
terug op liefde verlaten
levenwanneer ik ze opraap
kussen ze me zee
strelen me aard
vertellen mij
in voormenselijke taal
een verhaal
dat waadde
door leven en dood
en toch bleef voortbestaan