lichtverworvenheid


toe wees stil met mij
hoor hoe bomen
zachtvloeiend
sierlijk
ingetogen
lichtverworvenheid
prevelen
een waar beeld
van tedere koestering
die wij
door haast
onderwijl
zijn verloren
lichtverworvenheid

toe wees stil met mij
hoor hoe bomen
zachtvloeiend
sierlijk
ingetogen
lichtverworvenheid
prevelen
een waar beeld
van tedere koestering
die wij
door haast
onderwijl
zijn verloren
als vlinder
mijn hart neergelegd
in volkomen licht
op een bed
van zacht gras heb ik
mijn hart neergelegd
opdat het zich
door de strelingen
van bewegend leven
gekoesterd weet
zonder eindeloos gedroom
verder kan
ten dode
met een witgekerfde bast die
zich veel te expressief vertoont
bladerloze dooreengeleefde
naar beneden hangende takken
in elkaar gegroeide wortels die
doodvermoeid de diepte zoeken
zo houdt hij mij een spiegel voor
van eigen sterven
verliefd zijn

nog voor hij zich
in wijd verbreide
groene tooi
krachtig opengooit
word ik door zoet
zacht bloeiende bloemen
verleid tot weerschijn
zo eigen aan verliefd zijn
klaprozen

meegedragen
naar hartje zomer
zo voelt het
wanneer wij in
bloeiende bermen
rode klaprozen ontdekken
die met weloverwogen gebaren
onze brandende passie
natrillend verhalen
leren leven
laat ze diepwortelend
in eigen aard
zichzelf verheffen
tussen hemel
en aarde
schoonheid geven
ons leren
zonder beperking
te leven
zacht zand
door ogenblikken
als ademruimte
vast te houden
zacht zand
warm onder mijn
voeten aan te voelen
leer ik mezelf
weer weten
geen handen

omdat hij
zijn ogen
zou bedekken
die uitdrukken
hoe wel omlijnd
zijn voel
in beslotenheid is
heeft men
hem
geen handen gegeven
zacht kiemend
liefde
ingebed
kolkt en stroomt
ten volle waarachtig
het lichaamsbewuste
gewaarzijn
die mij
de kern leert weten
van waaruit ik
onvoorwaardelijke liefde
durf geven en nemen
zonder het minste
greintje twijfel
de bekende weg
kwijt te raken
tortelend
in gods handen
onder een hemel
die sterren ruimte geeft
om met oneindigheid te spelen
leg ik mij stil in
Gods handen neer
met het oog op een morgen
waar voorjaarslicht
middels zijn voorzienigheid
mij zal leiden langsheen
wonderlijke werkelijkheid
als geboekstaafd

wanneer gelukzalig
zeldzaam ervaren
gewoonweg ineens
mijn pad weet te kruisen
zal ik het volgaarne
diep in de zakken van
mijn jas gaan opbergen
om hen jaren later
één voor één
als geboekstaafd
naast me neer te leggen
het lente wezen
vertroosting
elkaar vertroosting gevend
gaan ze
verder dan de hemel
hij alleen weer
om stenen van weleer
op te rapen
die in warme greep hem
ver voorbij
de zichtrand laat zien
geluk

wanneer de ziel
hartverlangen
ontvlucht
is het omdat
noch dag noch uur
haar heeft geleerd
hoe zoet
’t licht in ogen
kan blinken
binnenkamers
tot jij mij ziet
en zal bewonen
draag ik
donkere fluisteringen
binnenkamers
weliswaar gestaald
door waar maanlicht
zo zeer geduldig mee
zielroerend
wanneer mijn nacht
alle licht uitdoet
om duisternis in te ademen
ontdek hoe zoet
lucht kan zijn
hoe fleem ik me
in dit welbehagen
zielroerend neer
met open bloei