wanneer de ziel
hartverlangen
ontvlucht
is het omdat
noch dag noch uur
haar heeft geleerd
hoe zoet
’t licht in ogen
kan blinken

wanneer de ziel
hartverlangen
ontvlucht
is het omdat
noch dag noch uur
haar heeft geleerd
hoe zoet
’t licht in ogen
kan blinken
binnenkamers
tot jij mij ziet
en zal bewonen
draag ik
donkere fluisteringen
binnenkamers
weliswaar gestaald
door waar maanlicht
zo zeer geduldig mee
zielroerend
wanneer mijn nacht
alle licht uitdoet
om duisternis in te ademen
ontdek hoe zoet
lucht kan zijn
hoe fleem ik me
in dit welbehagen
zielroerend neer
met open bloei
in goddelijk zicht

heerlijk hoe lente zweeft
tussen de boomgaarden
oeroude appelbomen
bloeiende lentekronen geeft
weiden omzoomd
met wit kantwerk
van walstro
akkers in voorjaarsgroen steekt
seringen helpt
in hun drang naar uitbreken
om tuinen zoet
te laten geuren
met warme zonnestralen
mij overhaalt
te aarden
in goddelijk zicht
in absurditeit van beperktheid
wanneer een zee
van verklaringen
haar aard opengooit
eindeloze golven
een anderszijn praalt
waarom in absurditeit
van beperktheid reizen
door alleen naar
de einder te staren
die je hemel verkleint
wezenlijk alleen

het is geen voorzienigheid
die hem als
vreemde eend in de bijt
dwingt te groeien
enkel eigen hunkering
om zich te onthechten
aan het gebondene
wezenlijk alleen
het gave licht
van de maan
te vangen



omdat voel
gevoed moet worden
laat ik mij
door wijdse
warmte verwennen
zover ’t oog
’t hart laat kijken
met een vlinderkusje
voel je diep in mij
wiegend gedragen
door mijn hartenklop
mijn kleine verborgen schat
slechts heel af en toe
maak ik je
met een vlinderkusje
liefdevol wakker
droom jij maar zacht
oogsten
verbloemd
hou me vast
in dromerige waarheid
waar het grijze wordt verbloemd
met speelse schaduwen
die een altoos jeugdige
onbevangenheid tentoonspreiden
schepping
in je schaduw
ontdek ik de zin
om schepping
als uniek te zien
zo warm en dichtbij
nog heel lang
zullen wij buitelen
in de nieuwe getijden
van onze gedachtengang
uit schemer en duister
zijn ze in komen en keren
zo zwierig mooi opgerezen
dat ze nu goudfonkelen
in onze tijd
zo warm en dichtbij
in lichtend mooi verlangen
in een notedop

toen je me ging helpen
alle zeilen bij te zetten
om de eindeloos
onuitputtelijke
uitgestrekte beweging
van intense schoonheid
in een notedop te vangen
is het ons
samen overkomen
verdoken poel

het is eentonigheid
die de met groene droes
verdoken poel open drupt
tot een oord van begoocheling
net zolang zonlicht
door de wolken breekt
in volle heerlijkheid
subtiliteit verrijst
hoogtijgolvende beweging

hoe verlang ik
naar zachte deining
die het zieldiepe
weerspiegelt
temidden van een hoogtij
golvende beweging
welke me op zuchten
doet roeien
va ' va
zelfs al blijft
het stille gevoel overeind
er heel alleen te zijn
toch leg ik ieder jaar
op het wezenloos versteende
een rode roos neer
omdat ik hem
op de ons gekende weg terug
telkens weer welkom mag heten
ontwaken

toen ik in haar
verkwikkend rode blik
me samen met de bloemen
uit de slaap wist opgetild
waande ik
mij een vlinder
die zich dronken nipte
aan geurend lentelicht
zielsvertrouwd
![bosanemonen verkleind].jpg](http://3.media.hyves-static.net/1484421930/16/p7hB/0/img1484421930.jpeg)
waar bomen zich
in prilgroen verheffen
vogels hun lied
als een zacht wiegelied zingen
bosanemonen ons ruiselende
sprookjes verhalen
daar willen we verpozen
minnenkozend
elkaar een droom aanreiken
zo zielsvertrouwd
dat niets of niemand ons er
ooit nog kan weghalen
almachtigheid
diep in mezelf
ben ik de zin
van leven
gaan zoeken
nadat almachtigheid
zodanig
mijn zijn
heeft beheerst
dat ik
de weg
naar de hemel
heb opgegeven