

omdat voel
gevoed moet worden
laat ik mij
door wijdse
warmte verwennen
zover ’t oog
’t hart laat kijken


omdat voel
gevoed moet worden
laat ik mij
door wijdse
warmte verwennen
zover ’t oog
’t hart laat kijken
met een vlinderkusje
voel je diep in mij
wiegend gedragen
door mijn hartenklop
mijn kleine verborgen schat
slechts heel af en toe
maak ik je
met een vlinderkusje
liefdevol wakker
droom jij maar zacht
oogsten
verbloemd
hou me vast
in dromerige waarheid
waar het grijze wordt verbloemd
met speelse schaduwen
die een altoos jeugdige
onbevangenheid tentoonspreiden
schepping
in je schaduw
ontdek ik de zin
om schepping
als uniek te zien
zo warm en dichtbij
nog heel lang
zullen wij buitelen
in de nieuwe getijden
van onze gedachtengang
uit schemer en duister
zijn ze in komen en keren
zo zwierig mooi opgerezen
dat ze nu goudfonkelen
in onze tijd
zo warm en dichtbij
in lichtend mooi verlangen
in een notedop

toen je me ging helpen
alle zeilen bij te zetten
om de eindeloos
onuitputtelijke
uitgestrekte beweging
van intense schoonheid
in een notedop te vangen
is het ons
samen overkomen
verdoken poel

het is eentonigheid
die de met groene droes
verdoken poel open drupt
tot een oord van begoocheling
net zolang zonlicht
door de wolken breekt
in volle heerlijkheid
subtiliteit verrijst
hoogtijgolvende beweging

hoe verlang ik
naar zachte deining
die het zieldiepe
weerspiegelt
temidden van een hoogtij
golvende beweging
welke me op zuchten
doet roeien
va ' va
zelfs al blijft
het stille gevoel overeind
er heel alleen te zijn
toch leg ik ieder jaar
op het wezenloos versteende
een rode roos neer
omdat ik hem
op de ons gekende weg terug
telkens weer welkom mag heten
ontwaken

toen ik in haar
verkwikkend rode blik
me samen met de bloemen
uit de slaap wist opgetild
waande ik
mij een vlinder
die zich dronken nipte
aan geurend lentelicht
zielsvertrouwd
![bosanemonen verkleind].jpg](http://3.media.hyves-static.net/1484421930/16/p7hB/0/img1484421930.jpeg)
waar bomen zich
in prilgroen verheffen
vogels hun lied
als een zacht wiegelied zingen
bosanemonen ons ruiselende
sprookjes verhalen
daar willen we verpozen
minnenkozend
elkaar een droom aanreiken
zo zielsvertrouwd
dat niets of niemand ons er
ooit nog kan weghalen
almachtigheid
diep in mezelf
ben ik de zin
van leven
gaan zoeken
nadat almachtigheid
zodanig
mijn zijn
heeft beheerst
dat ik
de weg
naar de hemel
heb opgegeven
in een bos zonder wegen
de geur van net omgeploegd

niet langer meer de knotwilgen
die met hun in lucht priemende
kale takken de akker
in schemering onderdompelt
maar de geur van net omgeploegd
welke als pure ademtocht opwaait
mee laat glijden in lentefris hoogtij
krijgt de overhand in mijn leven
koesterend

de enkele stenen
die tussen onkruid
hun langzaam leven uiten
bewonder ik
om hun
subtiele diversiteit
één raakt mij
ten volle met zijn eigenheid
koesterend heb ik
hem in mijn hand genomen
op de wind
wanneer ik
er naar verlang
om in je armen
te vallen
waarom me
vleugels geven
om op een wind
te gaan zweven
waarvan men
de kleuren niet voelt
zo verbonden
ergens halverwege
een wereld
die je beleefde
en je eigen droomwereld
vond je ze
twee kleine steentjes
zo verbonden door hun vorm
dat je ze hebt meegenomen
omdat ze voor altijd samenhoren
in die essentie heb je ze gedeeld
met wie je liefde weet
om haar te laten verstaan
dat wat jullie samen hebben
altijd omschrijft
over een bos vol fantasie

wanneer iedere boom
een schaduw werpt
langer dan zijn realiteit
haal ik vogels uit hun slaap
om weg van donkere
stilte te raken
tussen hen in
over een bos vol fantasie
leven te heroveren
in de donkere deining
hou me vast in jouw morgen
wanneer ik op zoek
naar de vlinder
als ziel
in de donkere deining
van een mensenzee
dreig neer te vallen