projectie van angst
eerder dan
de stem van hun hart
te volgen
staan ze ver van elkaar
zonder handen
elkaar nodig te hebben
projectie van angst
eerder dan
de stem van hun hart
te volgen
staan ze ver van elkaar
zonder handen
elkaar nodig te hebben
in wonderen van geloofme laven aan de bron
bracht met de ervaring
dat helder opwelt
uit troebel water
met haar loop mee
glinsteringen even oud
als de zon
in stille wateren vond
aan de monding
door eigen verwording
een open zee rustig
wordt ingedreven

met zeer zware laarzen
vegen van de regen
in zijn besmeurd gezicht
en een stervende zomer op de rug
struint hij in ’t onpeilbaar slijk
van geëffende velden rond
laatste greintjes
bittere oogst zoekend
waarmee hij zichzelf
tracht te overtuigen
dat hij de winter
door zal komen
de schoonheidde schoonheid
in het doodgewone ontdekken
maakt leven
zo onweerstaanbaar
bruisend
wonderlijk oprecht
naar meer omwentelingenzelfs als de morgen kil gloort
velden schemerig oplichten
akkers onder vallende bladeren
worden bedolven
getroost moet worden
door dauw glinsterend beleven
dat ooit als bloei ontstond
blijf ik hongerig zoeken
naar meer omwentelingen
tot ik ver voorbij de horizon
lentefrisse groei herontdek
het lommerrijkewaag het niet
om met drieste ophef
die scherp schrijnt
het lommerrijke
neer te halen
welke hij
met voortstuwende kracht
boven ons uit
heeft laten groeien
opdat wij
de lichtprikkels van zomer
als bijzonder
hebben kunnen neerschrijven
in het stromen van mijn bloedsoms ben je
een vergezicht
zonder herkenning
dan zo dichtbij
dat jij jezelf
in mij verdicht
in het stromen
van men bloed
de woorden weer voel
dat uit leed
kracht zal groeien
met lichtgefluisterwanneer je me diep
in de ogen kijkt
weerspiegel ik
mijn dromerig dwalen
opgaan
in zicht van beleven
met licht gefluister
leven verder beleven
omklem de hand
die zij jou toesteekt
niemand meer dan jij
verdient een warm
in de handliggend gegeven
want dankzij jou
kent zij leven
wil het verder beleven
andere inzichtenal dartelen laatste vlinders
even speels
als bij prille lente
langsheen asters
die tot nu toe hun kleuren
nog daadwerkelijk openbloeien
witte scherven in een blauwe hemel
roodglorend ochtendlicht
en een kille wind
dwingen me tot uitdagingen
met heel andere inzichten
mis jewanneer ik meen
je zachte stem
in bladgeruis te horen
bij kalme golfslag
je warme lach
in flikkering van sterren
je heldere blik bemerk
ontken ik dood
tot mist me dwingt
de kleur van wade
te onderkennen
waarin je stil
lag opgebaard
zonder houvast
mijn weg
moet verdergaan
verheven
in zichzelf gekeerd
blijft ze rustig staan
tussen wat is geweest
en nog moet geboren worden
tot ze in een moment
van waarheid
de overtuiging vindt
om tot bestaan te komen
verheven de wereld
haar kleuren toont
vol levensdriftnog een laatste keer
zonder schoenen
langs het strand
zon en zee
vonkend rood
als één adem
voelen ondergaan
wegduiken in helmgras
en een aarzelende herfst
uitdagen
tegen de stroom in
vol levensdrift
elkaars naaktheid
beminnen
leven tussen bloemenvraag je niet om vleugels
wijl wind gaan liggen is
wil me niet uitstrekken
in een leegte
met geen enkele betekenis
laat me woelen
in de aarde
leven tussen bloemen
die mij laten groeien
in warm thuisgevoel
houden van
van droom in droom
waarin warme gedachten
met zwoele zuchtjes
en heerlijke kreetjes
het liefdevolle levendig houden
beseffen wij elkander eeuwig
met vermeende kleurenin stille bedding
op golven van gewoonte
wachten tot knisperend verkrullen
is mij een onthuld raadsel
pluk toch open
met vermeende kleuren
zodat het in de palm van je hand
de reden kan neerleggen
vergulde pronkveel liever baad ik mij
in schaduwrijke weelde
van gekerfde stenen
die met sfeervolle zin
voor schoonheid
oude guirlandes aards inkleuren
in plaats van te dwalen
langsheen roemrijke kamers
waar overdadige vergulde pronk
enkel breedsprakige
waarheden van illusies
blijken te zijn
onverwachte valspreekt het zilver geruis
van broze bladeren
door omzichtig licht
nog zomer
toch hoed ik mij reeds
voor onverwachte val
omdat de aarde waarin
hij van ent tot boom opging
reeds de weemoedige geur
van vergankelijkheid
in zich meedraagt

op zoek naar weldadig oponthoud
snelt ze hoogzomerwarrelingen
zomaar voorbij
naar ’t begin van herfst
waar braambessen
haar dorst lessen
zwaluwtrekin treurnis van verlopen tij
rumoeren zij zich samen
om in de kringen
van een wijd hemelruim
boven golven te gaan hangen
op zoek naar waar zon
veel helderder schijnt
vervuld van licht en warmte
tot rust te komen
net zolang tot heimwee
laat verlangen naar herhaling