inlevend
als de geur van hooi
door de avond wervelt
houden we op
reizigers te zijn
vlijen ons neer
in doorluchtig duister
dat zich gehecht heeft
aan natuurs zachtheid
om inlevend het beleven
als alomvattend vast te houden
inlevend
als de geur van hooi
door de avond wervelt
houden we op
reizigers te zijn
vlijen ons neer
in doorluchtig duister
dat zich gehecht heeft
aan natuurs zachtheid
om inlevend het beleven
als alomvattend vast te houden
in eigen wondere zekerheid
midden monotoon geluid
dat tot in de diepste hoeken
woord en weerwoord fluistert
zit zij vol twijfel
een kind van god te wezen
tot gekleurd licht binnenkringelt
grijze stenen en bleke
lijven wegwimpelt
oog in oog met schervende
beelden haar gelaat oplicht
in eigen wondere zekerheid
zichzelf en geloof weervindt
rustig rijzend
net zoals je wortels
die steeds dieper
de weg van het water volgen
langsheen talrijke bronnen
op zoek naar monding
groei je
bovengronds
zo rustig rijzend uit
tot volmaakt wezen
op zoek naar je hemel
boven bezorgdheid
met zachte schijn
in gevoel van beweging
die liefde louter
puur omschrijft
halen wij populieren
uit hun schaduwen
opdat ze net als ons
boven bezorgdheid
zouden uitgroeien
orde scheppend in chaos
sterk komen te staan
in aards
wezenlijk verhaal

zoeter
dan de zwoelste zomer
bloei ik bloemen
voor je open
omdat ik je
als zinderende vlinder
licht als wind
wil blijven zien
gewoontegetrouw
dag in dag uit
van je wil blijven houden
mijn spring-in-‘t-veld lief
met wijdopen hart
zo veelzijdig fascinerend
komt het vanzelf tot leven
een explosie van innerlijk streven
dat in een oogwenk
zijn eigen weg gaat
met wijdopen hart
de ziel een stem geeft
ongetemd leven

Ongetemd leven
hongerend naar aarde
wil ik boomstammen aaien
ritselend blaren horen vallen
vleugjes geur van allerhande
bloeiende bloemen opvangen
ongeremd kinderlijk speels
me helemaal overgeven
aan ongetemd leven
tijd vergeten
gelukkig wezen
een vlugge vlinder
wieg me stil
verzwijg mijn tranen
wieg me stil
draag verhopend
hoop mee
wanneer ik wakker lig

door de zon getroffen
weerlicht de fine-fleur
van ’t Breivelds’ park
openlijk haar glorie
een stonde maar
want echter later
werpt ze zich verder
als enkel steen
zwaartepunt
van wat is geweest
vleugelkrachtin een kronkelweg
van ervaren
horen hoe de einder
geluid weer toetst
brengt me vleugelkracht
bij eb
mij in herhaalde herhaling
midden noodweer
in rimpelend beleven achterlaten
maakt het zo moeilijk
mezelf keer op keer
weer te vinden
als liefde vonkt
levensbenieuwd
verdrink ik
in lichtsprinkels
met zachte haast
ademloos
tranen barend
om in diepe nasleep
ogenblank
tot rust te komen
gegrond geaard
wording gewaar
die hartslag vraagt
zo ben ik gegrond geaard
zelfbewust van bloesem
tot vrucht uitgegroeid
eeuwigdurende verworvenheid
binnen een moment van eenheid
snoezelen handen
zachte golfjes van verlangen
in fonkelend water
die dromen levend laat opborrelen
als tijdloos rijke bron
gegroeide eigenheid
de einder vol van bereik
wanneer ik zie hoe zij
gegroeide eigenheid
als voldragen bloei
in de zon weerschijnen
geen enkele vlinder misleidt
a walk to always remember
als rode wijn
omvangrijk
in nasleep van extreem
kringelen plassen
zich door druppels regen
als omvangrijk
steeds wijder open
waar waard en aard
breek- en broosbaar in verdwijnen
om door de onderstroom mee
naar open zee te
worden gedreven
liefde
ergens tussen hemel en aarde
geven om de realiteit
een deel van elkaars leven te zijn
belichaamt de kracht van intimiteit
als ruiker
in zwoele avondlucht
wordt beleven
als herinnering geplukt
om als ruiker
mee te dragen
naar een nieuwe dag
die me verraadt
tijd, de geur
van de nacht loslaat
kracht der bloemen
bloem der ziel