door de zon getroffen
weerlicht de fine-fleur
van ’t Breivelds’ park
openlijk haar glorie
een stonde maar
want echter later
werpt ze zich verder
als enkel steen
zwaartepunt
van wat is geweest
door de zon getroffen
weerlicht de fine-fleur
van ’t Breivelds’ park
openlijk haar glorie
een stonde maar
want echter later
werpt ze zich verder
als enkel steen
zwaartepunt
van wat is geweest
vleugelkrachtin een kronkelweg
van ervaren
horen hoe de einder
geluid weer toetst
brengt me vleugelkracht
bij eb
mij in herhaalde herhaling
midden noodweer
in rimpelend beleven achterlaten
maakt het zo moeilijk
mezelf keer op keer
weer te vinden
als liefde vonkt
levensbenieuwd
verdrink ik
in lichtsprinkels
met zachte haast
ademloos
tranen barend
om in diepe nasleep
ogenblank
tot rust te komen
gegrond geaard
wording gewaar
die hartslag vraagt
zo ben ik gegrond geaard
zelfbewust van bloesem
tot vrucht uitgegroeid
eeuwigdurende verworvenheid
binnen een moment van eenheid
snoezelen handen
zachte golfjes van verlangen
in fonkelend water
die dromen levend laat opborrelen
als tijdloos rijke bron
gegroeide eigenheid
de einder vol van bereik
wanneer ik zie hoe zij
gegroeide eigenheid
als voldragen bloei
in de zon weerschijnen
geen enkele vlinder misleidt
a walk to always remember
als rode wijn
omvangrijk
in nasleep van extreem
kringelen plassen
zich door druppels regen
als omvangrijk
steeds wijder open
waar waard en aard
breek- en broosbaar in verdwijnen
om door de onderstroom mee
naar open zee te
worden gedreven
liefde
ergens tussen hemel en aarde
geven om de realiteit
een deel van elkaars leven te zijn
belichaamt de kracht van intimiteit
als ruiker
in zwoele avondlucht
wordt beleven
als herinnering geplukt
om als ruiker
mee te dragen
naar een nieuwe dag
die me verraadt
tijd, de geur
van de nacht loslaat
kracht der bloemen
bloem der ziel

hoe leef ik hun leven mee
wanneer ze adembenemend
de bres dichten die de wind
tussen hen in tracht te slaan
over elkaar heen
van ’t aardse vrij
als een roes van dromerij
vrij samen vliegen
verschraalde bermen
midden de verschraalde bermen
van vandaag
hebben ik enkel de herinnering
aan gisteren
van wat groeide naar licht
zo de moeite waard was
met ogen aan te raken
met een koud hart
als binnen mijn armen
windvlagen
vuur heeft verwaaid
ril ik de storm
met een koud hart
tot bedaren
het gehavende
vast in mijn hand
tot mijn laatste adem
als leven zelf besluit
de deur achter mij te sluiten
wil ik niet jaren eerder reeds
zijn doodgegaan
maar tot mijn laatste adem
het onbenutte bovenhalen
dat de kille kamer
rijk bevlindert
in verste verte verder
vanuit engelperspectief
vleugels helemaal openplooi
ring na ring

als groene tijden mij
in warme blijken drijven
bloemen en vruchten
in de hand mag dragen
verknocht
aan ’t zoete raak
helder en zonneklaar in weelde
van heerlijke zekerheid baadt
ken ik eindelijk weer zomer