poederwitte schoonheid

poederwitte schoonheid
gevleugeld levenwanneer een gouden gloed
boven ’t verstilde
gaat zweven
gevleugeld leven
heel teder
uit zijn schuilplaats lokt
die zoekend naar bessen
elkaar kwetterend
weten te overtreffen
dan blijf ik
reeds voor de dag begint
stilstaan om te kijken
wat voor moois
zomertijd
heeft uitgebroed
in een volmaakt ogenblik
wanneer een klare maan
en glinsterende sterren
mij een winterse
morgen verraden
dan weiger ik in te slapen
tot ik zie
hoe weerbarstige kou
zich vastzet op bomen
die ijzig wit
lijken open te dromen
in een volmaakt ogenblik
wolkjes kan ademen
die magie
kortstondig verstrengeld
met de dageraad
een rood vonkende hemel
het begint te dagen
waarom
een rood vonkende hemel
mij laat rillen
in ’t beleven
hij draagt immers
een teder verhaal
als herinnering mee
waar het hoogoplaaiende
tot liefde vergleed
in eigen ritme
kerst zal ingetogen zijn
in een trilling
van licht
blinkt de wereld
zijn winterse schijn
laat klaagzangen
zwijgen
verzinken in
stilte
kerst zal
ingetogen zijn
fascinerende kronkelsblijf mij
halverwege ontmoeten
nog groen in onzekerheid
geniet
van wat niet
uitgesproken wordt
maar door
fascinerende kronkels
wordt verwoord
in plaats van
te dicht bijeen
begeerte te vergeten
hard rennendzigzaggend
door ogenschijnlijk
wil ik mezelf
niet kwijt
wring mij
in de kijker
om hard rennend
warmtesporen op te wekken
rode vlekken
die als flitsend vuurwerk
mijn verwachtingen
blootleggen
anorexia
wanneer zij
de tijd verhongert
tot doodse dagen
kan ik alleen maar smeken
haar emoties
uit te schreeuwen
in plaats van
ze op te vreten
te purgeren
zich vel over been
ten Grave te
laten dragen
wezenloos
in zijn hopeloos
verwaaien
vliegen vogels
wezenloos
tegen het grijze
kijkt de horizon
verloren en
tracht de wind
zijn schaduw
te hervinden
waar
enkel nog
de droom
van een zaailing
valt te beklijven
in laatste bloei
verdiepend in een glimp
van iele kleuren
richt zij zich
in laatste bloei zodanig op
dat het verruimde zicht
haar vrij
het licht laat ademen
tot het schimmenschijnsel
van een winternacht
het leven tergend traag
doet ineenkrimpen
verdiep ik mij graag
wanneer bij
de eerste stralen
van de dageraad
diamanten
worden rondgestrooid
die met ontegenzeggelijk
vele facetten
me kristalhelder
tegen sprankelen
verdiep ik mij graag
in de schoonheid
en laat me doelbewust
door winterse kracht
omhelzen
blijvende verbondenheid
daar waar eens
twee werelden
elkaar aanraakten
ik alleen achterbleef
omdat eigen benen
niet de jouwe bleken
bemerk ik in ’t verstilde
van vergeet-mij-nietjes
onze blijvende verbondenheid
in zacht vergaan
waren zij
door onstuimigheid
heel even
het noorden kwijt
bij klare maan
zullen zij
in zacht vergaan
hun koers verder varen
met eigen verbeelding
hij laat zichzelf
niet vergeten
houdt zich
bij haar levend
door met
eigen uitbeelding
naar hun onlosmakelijke
verbondenheid te verwijzen
zwaar zuchtend
hulstig mooi
tot de wind
word verdergedreven
weet me
bij volle maan
gedragen
door het mysterie
naar een wereld
waar ik spelend
met verbeelding
word verder gedreven
naar een intimiteit
zoveel mooier
dan de woorden
die men eraan besteedt
schitterende dromen
zelfs ontkroont
pogen ze
in hun wanhoop
hoger te klimmen
om achter
de grijze wolkenstroom
schitterende dromen
onder ogen te zien