genegenheid
uit de troebele stroom
heeft het zich
als zeldzaam mooi ontplooid
bloesemend bewustzijn
bekoort mijn innerlijke
zo diep
dat er zelfs meer
dan sympathie
ontspringt
genegenheiduit de troebele stroom
heeft het zich
als zeldzaam mooi ontplooid
bloesemend bewustzijn
bekoort mijn innerlijke
zo diep
dat er zelfs meer
dan sympathie
ontspringt
een samen verdergaan
terwijl de groet
me warmte
toezwaait
ontdek ik
dat die weelde
veel te snel voorbij gaat
voel ik mij genoopt
me aan het overkomen
met een babbel vast te klampen
zodat er geen begin en einde
maar een samen
verdergaan bestaat
na winters loslaten
al zucht de akker zich
warm wakker
in de modder
toch is het wachten
tot hij zich uittrekt
in pril groen
om te weten dat hij
in verder aankleden
bloeiend zal opstaan
witte wolkenstippensensationeel
hoe witte wolkenstippen
in ’t blauwe
me zin geven
in zweven
vlinderend
laat bewegen
in een ontspoord
fantasietje
door de wind bemind
het starre kijken
wanneer donkere dromen
je overdag misleiden
het starre kijken
om een uitweg schreit
dan wil ik jou neerschrijven
zodat je in wakkere ogenblikken
het verleden steeds
kunt terugvinden
berkensapwijn (tanka)frêle brandnetels
herinneren me eraan
sapstroom van de berk
heel snel te onderscheppen
voor de takken gaan knoppen
te rotsvast
jarenlang
lag alles
te rotsvast
om er tegenaan
te gaan
tot ik besefte
dat het verliezen
kon verrijken
en eindelijk
ging klieven
tot ik ze wegkeek
in de drukte
bekroop me de angst
om te spreken
tot ik ze wegkeek
alleen met mezelf
de woorden
in inhoud
liet verder bewegen
de hazelaar
zelfs al blijft
’s morgens de rijm nog
tussen zijn takken hangen
met de lange
zacht slingerende slierten
bleekgeel goud
durft hij d’ expositie
winteremotie
in vraag stellen
het houden van
hard
loop ik weg
uit de eenzaamheid
om in mijn alleen zijn
het houden van
te vinden
schokschoudert zedraaierig in het hoofd
schokschoudert ze
de hoest weg
kruipt in haar ademnood
sidderend samen
met koortsige wanen
die haar zieltogend lijf
veranderend verder draagt
naar morgen
vergaap ik mijVooraleer
een grijsgekleurde hemel
godvergeten oogt
vergaap ik mij
een laatste maal
aan late zonnestralen
die mijn hart verwarmen
en het leven
intens omarmen
strelend voelen
pas wanneer wij
in een nacht
zonder licht
durven zoenen
strelend voelen
opgewonden raken
in het naar elkaar
toegroeien
onze drang ontdekken
om samen
de weg verder
te ontdekken
zullen wij
in het moment
het genot van
openbloeien kennen
in haar haastwanneer de wereld
zich uitstrekt
het slapende
zich roert
laat ze
in haar haast
de vele wegen zien
om te lopen
tot de nacht
haar snelheid
met rust
zal toedekken
zonder strikken en linten
onderscheidend
en beklijvend terzelfdertijd
als de geest helpt
met verder aankleden
zelfs zonder strikken en linten
iedereen het nakijken geeft
Vallend over leven

je leek nog even
de maan aan te raken
in je vermeende eeuwigheid
tot de wind
je ging omarmen
en ik je heel diep zag gaan
vallend over leven
ging liggen samen
met mijn herinneringen
in oneindigheid
een lentedag zo lieflijk zacht
verglijdt in de nacht
schemer neemt het goud mee
terwijl ik baad vol tederheid
in d’ oneindigheid
van zilveren schijn
In het drieste weer
wanneer wij
in het drieste weer
dreigden verloren te lopen
een gordijn van regen
ons blind maakte
voor de schoonheid van leven
dan lieten wij
ons wegzinken
in zomerse herinneringen
waar zelfs onweer
de warmte niet verdreef
in ruimte en tijdtoen een gloed
van stralen
me overspoelde
ging ik
stilzwijgend
in mijn schaduw zitten
om helemaal overgeleverd
aan ruimte en tijd te genieten
van etherische schoonheid
als vuur en waterwanneer wij
als vuur en water
tegenover elkaar staan
in aantrekken
en afweren
ware emoties leren
zullen wij het in elkaar overgaan
samen beleven en toch
de kracht van zijn weten