wakkere dromer
als de zon opgaat
glinstert het water
met vele kleuren
haar tot wakkere dromer
die niet meer nodig heeft
om alles mooier te zien
wat dagdagelijkse
werkelijkheid biedt
wakkere dromerals de zon opgaat
glinstert het water
met vele kleuren
haar tot wakkere dromer
die niet meer nodig heeft
om alles mooier te zien
wat dagdagelijkse
werkelijkheid biedt
midden licht en luchtmee met zichzelf
is ze dieper
de tunnel ingelopen
om hem eigenhandig
te slopen
midden licht en lucht
geschiedenis te herschrijven
zonder het koud te krijgen
een kleurrijk verhaal met open einde
waar zij haarzelf
midden bloemen en vlinders
heeft verwoord
klaar voor verre reizen
in vonkjes eigen waarheidniet langer torst ze
haar schaduw
als zware last
maar neemt hem
in continue stroming
licht mee
om vol passie
in vonkjes eigen waarheid
op te branden
ontwakenals de dag
mijn ogen wrijft
het morgenlicht
zacht trilt
verhul ik mij
in zuiver ijl
geniet nog even
van mijn droom
tot jouw schaduw
me verder leidt
ik smacht
naar onze werkelijkheid
wees mijn ogen
help me
het dieper kleuren
van de herfst
te verdichten
voor bladeren
als één grote verwarring
naar beneden vallen
laat je gaan
zelfs al is het doodstil
in jou van binnen
wees mijn ogen
breng het licht
weer over mij
laat de nacht
aan ons voorbijgaan
kleur de tijd
immer bij
zielsvol
als stilte boven ons uitstijgt
jouw omarming mijn lichaam
rust laat kennen
zielsvol ben
van jouw
koesterende aanwezigheid
sluimer ik na jaren droomvrees
in beschermend weten
zacht in

kijk me diep
in d’ogen
leer me je dromen
licht als de zon
waar schaduwen
de aarde zacht raken
te doorgronden
zodat verborgen tranen
gaan stromen
met open blik
je tegemoet kan komen
omdat ik houd
enige ene
eenzame ziel
met gave
van vergetelheid
jou geef ik
de open vlakte
met desolate groei
vage vormen
die nog net
geen duister zijn
wazige momenten
met de weifelende gloed
van een ondergaande zon
omdat ik houd
van bruisende intensiteit
die levendig
door bomen stoeit
de hemel op de schoudersIn woeste wentelingen
van herfstig weder
begraaft ze zichzelf
midden een door flarden mist
verdichte weg
als teer verzinsel
om op een ochtend
in het donker nog
de hemel op de schouders
schuchter
te gaan ritselen
midden cirkelshoe jansalieachtig voort gaan ze
door een bos waar bomen
zich anders inkleuren
dan tijdens zomer
langs okergeel
wegritselend struikgewas
waartussen kastanjes
en noten liggen te pronken
tot ze helemaal één
met herfstgedachten
blijven stilstaan
op zoek naar lichtvoetigheid
zweemzoete heugenislaatste najaarsbloemen
heb ik als zweemzoete heugenis
in mijn armen
mee naar huis genomen
om hen als een weldadig
geurig overkomen
in mijn mooiste vaas
neer te zetten
soulbreathingop open zee heb ik
schoon schip gemaakt
obstakels over boord gegooid
om in verschoonde werkelijkheid
verder te gaan zeilen
projectie van angst
eerder dan
de stem van hun hart
te volgen
staan ze ver van elkaar
zonder handen
elkaar nodig te hebben
in wonderen van geloofme laven aan de bron
bracht met de ervaring
dat helder opwelt
uit troebel water
met haar loop mee
glinsteringen even oud
als de zon
in stille wateren vond
aan de monding
door eigen verwording
een open zee rustig
wordt ingedreven

met zeer zware laarzen
vegen van de regen
in zijn besmeurd gezicht
en een stervende zomer op de rug
struint hij in ’t onpeilbaar slijk
van geëffende velden rond
laatste greintjes
bittere oogst zoekend
waarmee hij zichzelf
tracht te overtuigen
dat hij de winter
door zal komen
de schoonheidde schoonheid
in het doodgewone ontdekken
maakt leven
zo onweerstaanbaar
bruisend
wonderlijk oprecht
naar meer omwentelingenzelfs als de morgen kil gloort
velden schemerig oplichten
akkers onder vallende bladeren
worden bedolven
getroost moet worden
door dauw glinsterend beleven
dat ooit als bloei ontstond
blijf ik hongerig zoeken
naar meer omwentelingen
tot ik ver voorbij de horizon
lentefrisse groei herontdek
het lommerrijkewaag het niet
om met drieste ophef
die scherp schrijnt
het lommerrijke
neer te halen
welke hij
met voortstuwende kracht
boven ons uit
heeft laten groeien
opdat wij
de lichtprikkels van zomer
als bijzonder
hebben kunnen neerschrijven
in het stromen van mijn bloedsoms ben je
een vergezicht
zonder herkenning
dan zo dichtbij
dat jij jezelf
in mij verdicht
in het stromen
van men bloed
de woorden weer voel
dat uit leed
kracht zal groeien
met lichtgefluisterwanneer je me diep
in de ogen kijkt
weerspiegel ik
mijn dromerig dwalen
opgaan
in zicht van beleven
met licht gefluister