sneeuwblind
sneeuwblind
in beweging van de wind mee
zoek ik
met vermoeid gevoel
naar broos winterlicht
dat me zal helpen
om in het holst
van mijn denken
heldere bestemming
te vinden
sneeuwblindsneeuwblind
in beweging van de wind mee
zoek ik
met vermoeid gevoel
naar broos winterlicht
dat me zal helpen
om in het holst
van mijn denken
heldere bestemming
te vinden
tot leven zich voltrekt
wanneer achter me
de deur in slot valt
vlucht ik in de mogelijkheid
van een vergezicht weg
tot leven zich voltrekt
en ik met grote ogen
verder trek tussen
bloeiende liefkozingen

wijl bij een gelaten wind
en gestadig miezerige regen
kraaien in de hoogste takken
van de bomen de wereld
zwart zitten te overkijken
monotoon klokgelui dood
over oneindig wijd verspreidt
mens en dier
klem raken in de wirwar
van diepe voren slijk
verjaag ik onze somberheid
door je hand te nemen
licht te gaan bewegen
bijna als vervoering je naar
‘t onvermoede mee te nemen
die je de opening naar
nieuw leven toont
doordrongen van toekomsthoe voedt hij zijn ziel licht
door met zijn laatste
bevende blaadjes
de zon te vangen
om midden winter
doordrongen van toekomst
zichzelf gedecideerd
bloot te geven
eigeneigen
is ze gebleven
tot jij in benadering
haar liet worden
overtuigend
beminnelijk mooi
inspiratieals wind stormenderhand
uit de hemel valt
stramme takken tot rigoureus
zwiepende verstrooiing recreëert
ontdekt menig
meegaand dichtershart
hoe uit zwalpende klanken
wild nonchalante
inspiratie groeit
tussen verleden en toekomst
gebaar van takken vooruitlopend
zie ik hun naakt
als sprakeloze rust
tussen verleden en heden
geel uitgestrooid vertrouwen
over de bodem
die me in vergroeiing
het heden gul toefluistert
tot ik me één weetmidden een zachte
rood ver gaande wereld
die een wederkerend
voortbestaan vertelt
voel ik me gegrepen
volg het verdergaan omdat
het jouw hartstocht spreekt
met zuchtend
ademverwachtend beleven
tot ik me één weet
rank liedlaten we ons verschansen
veilig voelend onderkomen zoeken
tussen de bomen
net als de vogels
met heldere klanken
de kracht van onze harten
tot boven de kruinen als rank lied
dat nimmer sterft uit dragen
het Duivenbos
ondanks zijn modderige
holle wegen
die stappen dempten
trager deden gaan
schilderde het duivenbos
ons vandaag
een stilleven
met gouden opsmuk
een zachtzijn
waar ware vriendschap
zo warm gedijt
dank je Cor en Nelleke voor jullie vriendschap

als Sol
met geprangde
vleugjes romantiek
licht werpt
in het duister
is het omdat zij
ons ruimte wil geven
om dicht bijeen te komen
diep in d’ogen elkaars
bezieling op te sporen
vrijelijkin een voortdurend
veranderende omgeving
hernieuwt zij haar loop
met welluidendere kracht
zodat zand
de kans niet krijgt
zich op te hopen
zij onbelemmerd
van bruisend bergstroompje
tot intense vervoering
naar open zee kan stromen
de knotwilgroerend hoe hij
in aloude aangenomen
openbarstende wendingen
laat zien hoe rijk zijn verwijlen
aan de rand van de weide
al die jaren is geweest
als woekering van verlangenhoe laten wij ons hart
bij hen achter
wanneer ze openbloeien
als woekering van verlangen
tot ze in nevels gevangen
met zilveren prikkels
van een prille morgen
op hun bloembladen verblinken
stilaan helemaal verzwinden
geduldig gaan wachten
naar warmer worden
opdat zij met tere kracht
zozeer begeerd nieuw leven
weten te scheppen
moedeloos moein een wereld
waar geen twijfel heerst
hard spel wordt gespeeld
staat een stervenschoon
groot kind zich uit te kleden
moedeloos moe
niet langer zoekend
naar een zacht gebaar
dat vertrouwen zaait
in haar gemoed
lieflijkste beroeringmenselijk om te hopen
plannen te maken
te dromen
met stiltefluisteringen
wachten
op een warme wind
die in jou tot mij
gaat ruisen
als lieflijkste beroering
evenzeer eeuwig
meer en meer
ooit
onwaarschijnlijk lichtzonder handgewuif
gezicht gericht
naar de hemel
op een zucht wind
onwaarschijnlijk licht
zo wil zij
naar hem
toe zweven

nog kreunt ze zacht
de taal van ’t kind
die tracht haar wereld
te ontgroeien
waar dagen
werden omschreven
als een zichzelf vergeten
haar jaren zo tijdrovend leken
wist ze maar het ogenblik
zij eindelijk zichzelf bemint
niet langer troost vindt
in ’t beademen van de spiegel

hoe tracht ze
met tranen
’t hiernamaals
uit te klaren
storm te bedaren
wegen des hemels
als benaderbaar
te zien
voor ze
met de ogen toe
in de koelte
van een graf
wordt neergelegd
samen
weet je nog hoe we de tijd
lieten voorbijgaan
met een licht aanraken
toen bliksemschichten flitsten
bij felle regen
eindelijk durfden
schuil te gaan
in elkaars warmte
hoe wakker
dicht bijeen
vol overgave
ons donderslagen brachten
immermeer samen
wij ons droog baadden
in de zon
met je adem in mijn hals