hoe tracht ze
met tranen
’t hiernamaals
uit te klaren
storm te bedaren
wegen des hemels
als benaderbaar
te zien
voor ze
met de ogen toe
in de koelte
van een graf
wordt neergelegd

hoe tracht ze
met tranen
’t hiernamaals
uit te klaren
storm te bedaren
wegen des hemels
als benaderbaar
te zien
voor ze
met de ogen toe
in de koelte
van een graf
wordt neergelegd
samen
weet je nog hoe we de tijd
lieten voorbijgaan
met een licht aanraken
toen bliksemschichten flitsten
bij felle regen
eindelijk durfden
schuil te gaan
in elkaars warmte
hoe wakker
dicht bijeen
vol overgave
ons donderslagen brachten
immermeer samen
wij ons droog baadden
in de zon
met je adem in mijn hals
midden in de zonin plaats van
in een donkere kerker
te worden opgebaard
waar tijd haar beeld versteend
hoort ze op een heuvel thuis
midden in de zon
als brandpunt
van wat is geweest
zielsveel van hen houtevergeefs trachtten wij
met woorden
het bloemstukje
bij jullie neer te zetten
goddank hebben tranen
het van ons overgenomen
als levende stiltegeef me je licht
om mezelf
terug te vinden
nog voor ik tussen
donkere samenhang
als levende stilte
klem kom te zitten
helemaal verwinterd
nauwelijks
nog ademhaal
magie
jouw handen uiten
in dwalend verlangen
onuitgesproken woorden
bewegen vleugellicht
tot koesterend beminnen
merken extase
met strelend begeren
zelfs stilliggend
schaduwen zij lijfzacht
mijn verhitte bast
snellend zonlicht
wanneer in de schaduw
van winterse nood
snellend zonlicht
het bergstroompje
tot op de bodem
doorzichtig maakt
zal ik de stenen
van een oud verleden
vol aarde en modder
weer naar boven halen
om ze dicht bij oorsprong
als vondeling neer te leggen
diepe ware liefde
zelfs wanneer een
adembenemende rode hemel
passie als hoofdtoon uitspeelt
is het zinneprikkelend geel
dat zich warm en teder
binnenin mijn stilte glipt
om als diepe ware liefde
geboren te worden
dauwglinsteringen
als een verstrekkende mist
je op de achtergrond dwingt
blind moet gaan zoeken
naar verband tussen de dagen
ontdek dan hoe waardevol
dauwglinsteringen
op het gras zijn
zonsopgangreisde je
langs restheuvels
jarenlang donker
dicht bij zee
wist het rijk der gave
je te verrassen
met zoveel meer
dan duister licht en
troebel water
even eeuwig

als midden een harde wind
donker grote bomen
in meedeinende gebaren mij hun
innerlijke onverzettelijkheid tonen
om sterven te voorkomen
ontkom ik aan eigen verstilling
en grote zeer
door met een pril lentelied
in mijn achterhoofd
volop met hen mee te zingen
even eeuwig
voorbij de dood
volkomen levend weer
midden lichtde moeite moe
ogen toe
onontkoombaar
aan de dood
zo hebben mijn vingers
na jaren zonder herinnering
haar vormelijkheid
uit een klomp klei weer
afbeeldbaar gemaakt
om midden licht
zozeer gezicht
zozeer ziel
nabij mij neer te zetten
wakkere dromerals de zon opgaat
glinstert het water
met vele kleuren
haar tot wakkere dromer
die niet meer nodig heeft
om alles mooier te zien
wat dagdagelijkse
werkelijkheid biedt
midden licht en luchtmee met zichzelf
is ze dieper
de tunnel ingelopen
om hem eigenhandig
te slopen
midden licht en lucht
geschiedenis te herschrijven
zonder het koud te krijgen
een kleurrijk verhaal met open einde
waar zij haarzelf
midden bloemen en vlinders
heeft verwoord
klaar voor verre reizen
in vonkjes eigen waarheidniet langer torst ze
haar schaduw
als zware last
maar neemt hem
in continue stroming
licht mee
om vol passie
in vonkjes eigen waarheid
op te branden
ontwakenals de dag
mijn ogen wrijft
het morgenlicht
zacht trilt
verhul ik mij
in zuiver ijl
geniet nog even
van mijn droom
tot jouw schaduw
me verder leidt
ik smacht
naar onze werkelijkheid
wees mijn ogen
help me
het dieper kleuren
van de herfst
te verdichten
voor bladeren
als één grote verwarring
naar beneden vallen
laat je gaan
zelfs al is het doodstil
in jou van binnen
wees mijn ogen
breng het licht
weer over mij
laat de nacht
aan ons voorbijgaan
kleur de tijd
immer bij
zielsvol
als stilte boven ons uitstijgt
jouw omarming mijn lichaam
rust laat kennen
zielsvol ben
van jouw
koesterende aanwezigheid
sluimer ik na jaren droomvrees
in beschermend weten
zacht in

kijk me diep
in d’ogen
leer me je dromen
licht als de zon
waar schaduwen
de aarde zacht raken
te doorgronden
zodat verborgen tranen
gaan stromen
met open blik
je tegemoet kan komen
omdat ik houd
enige ene
eenzame ziel
met gave
van vergetelheid
jou geef ik
de open vlakte
met desolate groei
vage vormen
die nog net
geen duister zijn
wazige momenten
met de weifelende gloed
van een ondergaande zon
omdat ik houd
van bruisende intensiteit
die levendig
door bomen stoeit