klatert het vandaag duizend tinten groen
morgen neemt dorstig geel de boventoon
tot oh Here God bontgekleurde dwarrelingen
me laten zien hoe dicht in ‘t verschiet
naakte waarheid spiedt

klatert het vandaag duizend tinten groen
morgen neemt dorstig geel de boventoon
tot oh Here God bontgekleurde dwarrelingen
me laten zien hoe dicht in ‘t verschiet
naakte waarheid spiedt
met gedachten bij Jan, Cor en Nels vriendvindt me stervend
midden een vlucht
onvatbare bloesems
de geur van vroege bloemen
een blauwe stille lucht
waarin vogels een blijvend duren tsilpen
als louter honing
wanneer hun fluweel
zacht uitzicht
me gedag zegt
als louter honing
waarom zou ik hen
dan plukken
los van omgeving
laten verwelken
verdord en dood
lijk een vluchtige droom
in de hand houden
kantbloemen
over hen valt schittering
wanneer ze
als licht uit licht
onze bewogenheid
helpen mee uitdragen
waar is de bloem
ochtendlicht
waar is de bloem
die gisteren nog bloeide
plukte de nacht
haar schoonheid
geheel onverwacht
terwijl de maan
zilver keek
hoe haar levenskracht week
in weerschijn toonde
zij niet meer is
wie eerder was
uitbrekenlangs talrijke windingen
hun pril uitwaaieren van
knop naar bloeisels
te mogen ontwaren
maakt mijn uitbreken
met fladderende vleugels waar
zo zoet
in de roes van hartstocht
die verlangen voedt
zo zoet
blijft het hart opvlammen
ogen gensters spatten
boven nachten
raken wij
het naakt vertrouwen
nimmer kwijt
als adembenemende innemingwanneer verwachting
zich openbaart
van bescheiden knop
tot een glimp volmaaktheid
zal hij haar decennia later
nog steeds als adembenemende
uiting van inneming vanuit
zijn geest terug naar bovenhalen
een buitenlandersoms is het beter
om een vreemde te blijven
waar men zich thuis voelt
doorgrond ik de dieptewanneer ik de harde nerven
van je bast streel
weet ik welke weg
je reeds hebt afgelegd
doorgrond ik
de diepte van wortels
maar terzelfdertijd
tonen de nieuwe loten
en het prille groen
dat jij je hebt bevrijd
uit eentonigheid
en reikt naar frisse lucht

als ’t zonlicht zich weerkaatst
op de bast van de bomen
in meeste wezenlijke manier
van zijn op vlinderjacht gaat
vervliet voor mij de horizon
in cirkels om me heenmidden een mistig verzwijgen
donker kijken van de bomen
diepe tonen van stilte
zweeft er iets vredigs, als één adem
in cirkels om me heen
doen me anders dan andere dagen
naar binnen kijken
verlangen naar eigen
helder zachte kleuren
met veel sprankjes hoop
een nieuw beginwanneer de zee mijn woorden
met eentonigheid breekt
baren vol schuimende verbetenheid
een gedicht dat daagt
met doffe rimpelingen wegvaagt
duik ik als schattenjager
de diepte in op zoek
naar een nieuw begin
hoop groeiend meedraagthet zijn de jonge scheuten
die zich boven de bladresten
van vorig bloei jaar
een weg zoeken naar het licht
welke me de reden geven
om in mijn leven
nog meer te willen ontdekken
omdat het hoop groeiend meedraagt
voldrongen van levenals voorbode van iets moois
rijker dan ik ooit
heb durven dromen
murmelt het zich omhoog
zo doordrongen van leven dat
het mijn hartslag naar bovenhaalt
als bevlogen uitbreekt
wanneer ze kleur toont
Uberhauptstilte overtrof elke gedachte
tot ze ging afdwalen
naar wat vroeger was
als een lichtstraal
midden zwart
met een innemend lachje
even haar ziel blootgaf
in de hemelomdat ik haar
in de hemel wil terugzien
ben ik gaan geloven in
verlossing van de menselijke ziel
schemering voorbijwolkenvrij
schemering voorbij
het lijkt toverij
hoe spiegelingen
de diepere zin
van de gerezen zon
doen blinken
mij warm laat leven
in het kuiltje dat we
samen delen
bloesemende gelukzaligheid
toen ik door tijd
aangedane sfeer
werd gegrepen
heb ik ze
vorm gegeven
een aards bloeiende
weelde die
de hemel raakt
in Godsnaammisdreven met ons
in de diepste dalen
nacht der schaduwen
hoopt hij jou en mij
te doen inzien
dat dit dwalende niks
met de dood heeft te maken
maar een overreden
om midden leven
in Godsnaam rust te vinden