als ’t zonlicht zich weerkaatst
op de bast van de bomen
in meeste wezenlijke manier
van zijn op vlinderjacht gaat
vervliet voor mij de horizon

als ’t zonlicht zich weerkaatst
op de bast van de bomen
in meeste wezenlijke manier
van zijn op vlinderjacht gaat
vervliet voor mij de horizon
in cirkels om me heenmidden een mistig verzwijgen
donker kijken van de bomen
diepe tonen van stilte
zweeft er iets vredigs, als één adem
in cirkels om me heen
doen me anders dan andere dagen
naar binnen kijken
verlangen naar eigen
helder zachte kleuren
met veel sprankjes hoop
een nieuw beginwanneer de zee mijn woorden
met eentonigheid breekt
baren vol schuimende verbetenheid
een gedicht dat daagt
met doffe rimpelingen wegvaagt
duik ik als schattenjager
de diepte in op zoek
naar een nieuw begin
hoop groeiend meedraagthet zijn de jonge scheuten
die zich boven de bladresten
van vorig bloei jaar
een weg zoeken naar het licht
welke me de reden geven
om in mijn leven
nog meer te willen ontdekken
omdat het hoop groeiend meedraagt
voldrongen van levenals voorbode van iets moois
rijker dan ik ooit
heb durven dromen
murmelt het zich omhoog
zo doordrongen van leven dat
het mijn hartslag naar bovenhaalt
als bevlogen uitbreekt
wanneer ze kleur toont
Uberhauptstilte overtrof elke gedachte
tot ze ging afdwalen
naar wat vroeger was
als een lichtstraal
midden zwart
met een innemend lachje
even haar ziel blootgaf
in de hemelomdat ik haar
in de hemel wil terugzien
ben ik gaan geloven in
verlossing van de menselijke ziel
schemering voorbijwolkenvrij
schemering voorbij
het lijkt toverij
hoe spiegelingen
de diepere zin
van de gerezen zon
doen blinken
mij warm laat leven
in het kuiltje dat we
samen delen
bloesemende gelukzaligheid
toen ik door tijd
aangedane sfeer
werd gegrepen
heb ik ze
vorm gegeven
een aards bloeiende
weelde die
de hemel raakt
in Godsnaammisdreven met ons
in de diepste dalen
nacht der schaduwen
hoopt hij jou en mij
te doen inzien
dat dit dwalende niks
met de dood heeft te maken
maar een overreden
om midden leven
in Godsnaam rust te vinden
de exodus
wanneer in leven
winter zich laat voelen
zal men halverwege
op weg moeten gaan
omdat achterblijvers
nu éénmaal gedoemd zijn
nooit in zomers rood
uitgebloeid te raken
verwarring
bij verandering
het houvaste beethouden
veroorzaakt afstand
midden oneindigheid
geef me het nachtelijk beeld
van een hemelschittering
dat leidt tot opbloei
van sensualiteit
een broedplaats vol liefde
midden oneindigheid
standvastigheidlangs oude paden
vol modder
blijf ik zoeken
naar een bedding
waar ik kan aarden
tussen bloei
één en al
standvastigheid
uitgroeien
boos schoon mens
op rotsen geboren verzuurde bekrompenheid
waar geen honing meer uit te halen is
gaat hij willens nillens een voorhamer gebruiken
van lieverlede mooi leven weer opwekken
hartverscheurend tenietgaanomdat de ziel
ons reeds nieuwe
verwachtingen toebedeeld
wenen we niet om
hartverscheurend tenietgaan
maar harken het
met handen herleid tot plicht
onder prille opbloei
midden schemerdonker
een niet te overbruggen nacht
peinzend uitvlakken
brengt haar midden schemerdonker
waar ze één en al schaduw
aan eindigheid friemelend
in slaap valt
dromen droomt waaraan
ze nog nooit heeft gedacht
ondoenlijk
ik ben je kwijtgeraakt
wijl ik je zat te bedenken
een schijnbeweging
midden een verzonnen verhaal
ondoenlijk
als wonderlijke wordingtussen het groen striemende
ver van werkelijkheidsrand
glanzen ze belust om
passie op te werpen
als wonderlijke wording
hun kelken open
belevenhet teder wegijlende
laat de nacht spreken
als een koestering
waarin ik mijzelf
met de ogen gesloten
bewust te ruste leg
tegen een warm lijf
me zo eigen
om te herbeleven
wat eerder is geweest
morgen nog steeds zal zijn