gebogen
schervend
licht gebogen
bij elkaar
in zichzelf verzonken
zwaartillend bezig
een heel leven
bij elkaar te zoeken
langzaam
omdat ze hebben vergeten
zo kijk ik ernaar
terwijl een nazomerwind
over ons
heen waait
gebogenschervend
licht gebogen
bij elkaar
in zichzelf verzonken
zwaartillend bezig
een heel leven
bij elkaar te zoeken
langzaam
omdat ze hebben vergeten
zo kijk ik ernaar
terwijl een nazomerwind
over ons
heen waait
overduidelijkontbolsteringen
tussen het nazomers groen
helpen herfst tot zicht
een kruimel hartigheidgeen zin meer te zoeken
naar hun waarheid
te dik omkleed met bluf
maar ik weet
wanneer ze me ooit
uit bittere nood toe neigen
dan geef ik hen
een kruimel hartigheid
ter mijner nagedachtenis
moeder natuurbouw bruggen
dicht kloven
verleg grenzen
zwervend
langs meren en velden
midden bossen
tussen feeën en elfen
heksen en trollen
beseffend dat ze
me geeft
blijft geven
steeds meer beleven
wijaanlokkelijk
noemen wij
de speels witte
dromerij warrelingen
die onze passionele
wezenlijkheid laat zien
somssoms lijkt mijn dag
één lange zoektocht
naar verloren woorden
die mijn schrijven
met inhoudelijke warmte
dienen te beklijven
om even later
ze in een rijkelijk bewegen
te zien fladderen
enkel hoef te grabbelen
om ze zielenbindend
te laten neerdwarrelen
het grijzepas wanneer je
het grijze
niet als leegte
maar vol leven ziet
zal je weten
dat het menselijke
in het tijdloze
vervat ligt

groen
langstelig
schoot zij op
knopte het bijzondere
aan mij gegeven
tot een licht roze lelie
waar vanuit de kern
spikkeltjes rood
stuifmeeldraden lang
de kracht
van onze vriendschap
explodeert
“voor Cor en Nel”
een nieuwe windeen nieuwe wind
met lange uithalen
en onstuimige klanken
verhaalt hij
zijn gevoel van heerlijkheid
een zweven met de geur
van schoonheid mee
in een wervelende stroom
van leven
op zoek
naar diepe innerlijkheid
ik rimpel haarals ik neig
naar eenzaamheid
rimpel ik haar waterzacht
in mijn hart
schenk haar
mijn verlangen
die ze weerspiegelt
in zilveren schijn
om mij
het middelpunt
van verbeeldingskracht
te laten zijn
schone bij nachteenkel midden
nachtelijke oneindigheid
zal ze moeite doen om
haar schoonheid heel even
te laten opbloeien
net omdat velen
het dagdagelijkse
’s anderendaags
reeds zijn vergeten
twee dartele vlindershun fladderende dweeppartij
die glans van vleugels vrijlaat
weerlicht welig de verleiding
om midden wolken naarstig
op zoek te gaan naar dat wat
als hemels wordt omgeschreven
als kern van gewin
waarom met eenzaamheid
als enig gezelschap
het zichtbaar mooie overzien
in plaats van met klaarblijkelijke
gedachtegangen het geurende
als kern van gewin mee te nemen
behoefte aanbehoefte aan een verademing
vol verhoopte rust
die heerlijk kil aanvoelt
wanneer dat
wat hoogzomer
wordt genoemd
met dorre tussenkomst
de golving van cirkelgang
ontkracht
opstaanmorgen zoent
na donker wroeten
minnestreelt
in warme ochtendgloed
zacht en teder
langs haar naakte beeld
waait de tijd lieflijk
naar werkelijkheid
geloofwanneer ik jou
zie opgaan
als schakel
tussen hemel en aarde
blijf ik bidden dat ik
mag blijven ervaren
tussen hoop en vrees
vechten tegen tranen

na hoogtepunten en piekmomenten
feiten die je hebben gemaakt
tot wie je bent
een strever
die geen tot daar
meer kent
dwingt ’t uitgeputte je
naar waar vermoeden
zich uitzaait
om als
doodgewone ziel
niet meer te doen
dan wachten op bloei
die uiterste
voldoening schenkt
breekt fragmenteneen onvolmaaktheid
in de tijd
laat zich niet verstoren
zelfs niet door dromen
strekt zich uit
tot blinde vlek
breekt fragmenten
vertekent en overdrijft
verloochent in verwarring
het leven
om duistere plannen
verder in te weven
ging jij groeienGing jij groeien
desondanks dorre bossen
stille velden
schemerdonker
die zelfs vlinders misleidt
ging jij groeien
om mij te laten overkomen
een schoonheid
die bloeiend onze waarheid droeg
chaoslaten dagen mij verdwalen
na de nacht zal de morgen
mijn zo eigen inzicht gloren