tomeloos
tot de tijd
mij laat ademen
snelt het leven
langs me heen
zal het
tomeloos vertellen
hoe kwetsbaar mooi
het vroeger leek
tomeloostot de tijd
mij laat ademen
snelt het leven
langs me heen
zal het
tomeloos vertellen
hoe kwetsbaar mooi
het vroeger leek
als liefde
wachtten zij
midden eenzaamheid
geremd
elkaars komen af
vandaag
verlaten zij zich
op onstuimigheid
trillend en ontvlamd
samen vereend
die wederkerige waarheid strelen
want wat wordt aangeraakt
door warmte
licht en leven
verandert
zo ook zij
nachtlied
ik haal de stilte neer
met ritselingen van bestaan
die het nachtelijke optilt
tot een passioneel
trillend ritme
zonder einde
waarbij liefde zich
in alle toonaarden uit
verbloemd
de zachtheid
van warm verlangen
zit zo diep
verbloemd
in haar hart
dat het nooit
de dag zal vinden
in een tijdloos voortbestaanal schildert de zon
hen nog even als stilleven
dra zullen ze hun vrijheid nemen
rood gekleurd
wervelend spelen
op de stroom van leven
tot ze bij windstil
zich warm gaan koesteren
in een tijdloos voortbestaan
van hunker bevrijdhoe heerlijk
mee te deinen
in je ademhaling
voorbij het omheinde
van hunker bevrijd
toe te geven aan verleiding
laatste wilals mijn herinneringen
zich doodzwijgen
gedragen wordt door leven
naar een open einde
waar ik
geen weet van heb
leg me dan neer
midden stilte
waar rust overheerst
op weg
van kracht
tot kracht
langs rechte wegen
voorbij donkere dalen
met armen
om me heen
en gedragen
door wat leeft
bemin ik
wat liefde heet
met bezielde rust
luister hoe zacht
de regen
onze voel drupt
helpt loslaten
wat wij ooit
als frustrerend zagen
het kloppen van het hart
met littekens
zodanig had bezwaard
dat het ophield
de nerveuze koorts
van ’t leven te slaan
met bezielde rust
de uitdagingen
wisten te overwinnen
één en al
vrijheid
leven beleven
een ademhalingin ’t groeien
bloeien en vergaan
blijven wij dromen delen
geboren eens
gestorven samen
één ademhaling
dankbaarDankbaar
met de vleugels
die jij mij hebt gegeven
bloemen in mijn hart
vlieg ik de laatste
vlinders achterna die
door mijn leven waaien
om daar waar de lente
altijd is onze tijd samen
eeuwig speels te beroeren
herinneringen
hield ik jouw hand
stevig vast
of jij de mijne
toen wij langs
vele gebeurtenissen
die herinneringen werden
op zoek gingen naar
die ene wereldse glimlach
waaruit vervulling sprak
liefde werd geboren
gestrand
ik dacht je
eindeloos
tot ik gestrand
die droom
naast mij
heb neergelegd
eigen requiemmidden spelingen van licht
roeren zich
schimmige gedachten
houden rouw levend
bedenken hoe doden
met stille storm
hun grafrede omvormen
tot eigen requiem
nooit gaan de bloemen doodSteeds weer bloeit schoonheid zich open
als een vlaag frisse wind
een golf van jubelend tederheid
zoet sidderende uitzwermende verlangens
zelfs wanneer verloedering zich over de aard
van mijn werkelijkheid tracht uit te spreiden
nooit gaan de bloemen dood
die ik als zomer heb geplant
afscheidals schoonheid
bestaan ademt
en zekerheid tekent
tot ze wordt uitgekleed
sindsdien wordt gezien
lijk een levende herinnering
die in dromend schemer leeft
en nooit meer weerkeert
neem me meesluit me de ogen
neem me
in je zacht golvende beweging
doorheen de stilte mee
tot voorbij
golvende nevelsluiers
naar goudomrande wolken
omdat ik in het licht wil zijn
een keerpuntdaar waar de oude eik
een lange schaduw
over de grond werpt
zetten zij zich neer
luisteren stil
eenzaam bij elkaar
naar wie zijn vleugels
uitslaat
een keerpunt in hun leven
zonder afstandZonder afstand
het is mijn gevoel
van vrij zijn
dat me laat stilstaan
kijken
naar wat ik graag zie
zonder het te willen bezitten
als tijdloze herinnering
midden toekomstverwachtingen
meeneem
zonder afstand
liefdewil door jou
gevonden worden
meevliegen
niet langer
met mijn ogen dicht
om de wereld buiten te houden
maar met een glimlach
en geschitter in mijn blik
genieten van een verhaal
waarin heel veel dromerij
onafgebroken licht over
mijn werkelijkheid verspreidt