kommer
soms is een gebaar
zo verschrikkelijk
dat je niet wilt
het je raakt
liever eigen lichaam
buitentijds begraven
dan beroering van vroeger
te ervaren
kommersoms is een gebaar
zo verschrikkelijk
dat je niet wilt
het je raakt
liever eigen lichaam
buitentijds begraven
dan beroering van vroeger
te ervaren
samen
nadat ze
wendend om elkaar heen
vol vrijheid
welbehagen spelen
volg ik hen
in hun ademtocht naar rust
waar het hart van hun liefde
wacht om ontdekt te worden
hebben elkaar haastig lief
hevige windstoten omzeilend
gebroken beelden negerend
hebben wij elkaar haastig lief
langs de modderige karrensporen
die duidelijk omzoomd
door het landschap lopen
naar waar de einder
zich in blauw rood
wakker rekt
lente de dag draagt
wanneer zon er voor zorgt
weiden in zachte nevel ontwaken
weet dan dat winter
zwak op zijn benen staat
vanaf nu
lente de dag draagt
terwijl vlijtige handen
zomer zwaaien
een droomzachte slaapik onderga
voel me hemels aangedaan
wanneer hij de geur
van een droomzachte slaap
door het open raam
naar binnen waait
ziel diep
bedwongen de angst
bij het ziel diep
naar binnen gaan
vrij ontdekkend in de stilte
het in zonnevlagend
welgemaakt gaaf
de Herzeelse burchzelfs al heeft zij de omgeving
met haar geschiedenis doordrenkt
toont ze nog dagelijks
haar robuust ridderlijk zijn
de oude geluiden houdt ze
in haar schoot verborgen
om ongehoord de ellende
van uitgemergelde levens te kramen
in een nieuwe dag
wolkenvrij
schemering voorbij
het leek toverij
hoe spiegelingen
de diepere zin
van gerezen zon
deden blinken
mij warm lieten leven
in het kuiltje dat wij
samen deelden
eigen reikt me de hand
wanneer ik me
naast zoveel anderen
in het uitstalraam van leven
spiegelend tegenkom
eigen reikt me de hand
vertelt wie ik ben
laat ik me niet langer
wegduwen door gespuis
rek me breed uit
tot lente haar volkomenheid biedt
ze aarzelt
in haar opengaan
terwijl anderen
in late winter
reeds volop staan te pronken
bang haar kleur en warmte
te verliezen laat ze zich
door mijn verlangen omvangen
tot lente haar volkomenheid biedt
ik volop van haar waarheid geniet
dubbel minnendal stopte
het halverwege
sluimert
het nu even
weet
dat het ongekend vervolg
dubbel minnend
zal zijn
na nevel
hebzuchtigheid van nevel
dreigt alle beelden
traag glijdend mee te nemen
naar vage betekenissen
tot van overal klaarte
vol zelfvertrouwen stroomt
met vast overtuiging
werkelijkheid zichzelf terug toont
tuur ik beschaduwd
wanneer slaap
heel donker ligt verspreid
raak ik in zijn stil ademen
gedachteloos verloren
tuur ik beschaduwd
naar waar de dag
groot en weergaloos
in warme woorden op gaat staan
de diepte van wortels
wanneer ik de harde nerven
van je bast streel
weet ik welke weg
je reeds hebt afgelegd
doorgrond ik
de diepte van wortels
maar terzelvertijd
tonen de nieuwe loten
en het prille groen
dat jij je hebt bevrijd
uit eentonigheid
en reikt naar frisse lucht
bovengronds
wanneer even wit
tussen grijze waarheid
haar wil wakker krijgen
blijft ze liever verstoken
zal pas bovengronds
standvastig vertakken
wanneer warme wind
haar zacht optilt
hun groei
zie ze dansen
om elkander
nog pril en schuchter
in hun groei
maar zich reeds zo bewust
dat zij tijdens midzomer
het hoogtepunt van leven
samen zullen beleven
trillend smachten
nog in volle naaktheid
sprokkelt hij
reeds nieuwe takken
die trillend trachten
naar knisperend groene blaadjes
welke lente vertalen
geniet mijn waarheid
weef draden
met gouden spikkeling
hoog oplichtend aankledend
met sentimenten ertussen
zeg dat jij het mooi vindt
neem me in de schijn
en geniet teder strelend
mijn waarheid
laat kleuren zien
blijf niet in mijn vleugels zitten
daar waar ik ook gisteren was
wacht niet langer
op steeds een nieuwe dag
maar laat kleuren zien
durf genieten op de wind
die stilaan haar eigen
lentepaadje vindt
een te vroege slaap
wanneer zij
steeds maar verder
grijze dagen stapelt
de tijd kwelt
door dode ogenblikken
op te tellen
kiest zij
voor een te vroege slaap
die de wereld verbijsterd achterlaat