stilte
in de zachtheid
van ’t vergulde
breekt weemoed mij
glijdt de dag
naar een nacht
vol kilte en eenzaamheid
vertaalt duisternis
de winter in mijn
beklemmend hart
stilte
in de zachtheid
van ’t vergulde
breekt weemoed mij
glijdt de dag
naar een nacht
vol kilte en eenzaamheid
vertaalt duisternis
de winter in mijn
beklemmend hart
alleen maar dromen
als dromen alleen maar
blijven ronddwalen
in gedachten
omdat ze niet
jouw wil belichamen
zullen ze
een stille dood sterven
nooit werkelijkheid kennen
een winterlangheb ik het landschap
een winter lang
in zijn vermoeidheid gelezen
eindelijk heeft zij
het zwart afgelegd
zich in bruin verheven
om in vol uitgevouwen zon
me te verhalen dat zij
bereid is tot geven
lentebloesems
ze schildert vandaag
voor de laatste maal
een wit rode dageraad
weldra bloost ze niet meer
maar liefkoost zo zachtjes
met teer geel dat de bomen
zich met lentebloesems aankleden
wil dromen
in een wirwar van gedachten
die naar rust verlangen
dek ik de dag toe
ben zo moe
wil dromen daar waar stilte
de grenzen van tijd overschrijdt
gevoel van liefde
ruimte en vrijheid zacht deint
het verlangenuit beelden
heb ik het opgebouwd
een gedaante die haar omtrek
nooit behoudt
ze krimpt en groeit
omwentelt ondeelbaar zijn
met zoveel kracht dat immens gescharrel
en inwendig gebrabbel
de kamer beklijft
vastgeaderd
mijn leven heeft zich vastgeaderd
daar waar knotwilgen reeds met zicht
naar ’t oosten gekeerd
in morgenlicht even spookje spelen
maar nooit hebben nagelaten
in scherp herkennen van elkaar
mij van kind
te laten dwalen naar later
laat ze dan maar
wat betekent bloeien
naar het licht toe openen
als niemand haar
langs de weg ziet staan
laat ze dan
maar in beschutting
van schaduwen
eigen dromen bewaren
herontdekwanneer hard kerven
verstorven wit
terug blootlegt
in het gehavende
mijn eerste leegte
herontdek
besef ik
dat het nooit meer
warm in te kleuren is
liefdesnacht
woel me wakker
in je schaduw
laat me weerloos zweven
een bed vol passie weten
tot vallend licht
zielsverbindend kijkt
hoe liefde
vaste vorm krijgt
tot de dood
bij gebrek aan woorden
streelt ze aarzelend leven
in de haar nog gegunde tijd
tot de dood
haar moede hoofd
rusten laat
tussen de bloemen
die haar immer
zullen vernoemen
de eerste bloem
nadat ze
gebruik makend
van eigen kracht
nu zacht
met licht wordt omkleed
streeft ze verrijkend
haar weg verder over aarde
groeiend in haar waarde
open bloeiend als een wonder
als bron van kracht
dat wat uit de chaos
van vroeger leven
door de tijd
wordt blootgegeven
zal in mijn huidige zon
tot as vergaan
als bron van kracht en creativiteit
tussen schoonheid heropstaan
in eigen sporen
weet dat zij mij
in haar aards zuchten
verder dan ooit
laat gaan
zoveel wereldrijker
in eigen sporen
naar mezelf
terugleidt
volle maan
toen ik dreigde te verdwalen
wanneer volle maan
mij in elfenkring raakte
heeft jouw vaste hand
me naar de aarzelende dageraad gehaald
zodat ik niet in eigen sprookje verdwaal
in voorbestemde tijd
het was op een dag
waarop de zon haar stralen
in duister
dicht beboste streek scheen
dat haar licht
mij in uw ogen
een spiegeling
van innig omvangen toonde
welke mij meetroonde
naar hartje zomer
waar wij ons
in voorbestemde tijd verloren
dissociatie
zolang uitzichtloos
je koud
vanuit de spiegel aankijkt
de ziel misleidt
zodat ze blijft huiveren
in voorbije tijd
zal een hart nooit weten
wat liefde heet
weten we weelde
wanneer we vertoeven
in warme wind
horen hoe zijn lach
passie vindt
weten wij weelde
kennen wij ’t graaien
in zuchten verdwalen
met zicht gericht
naar betovering
tot de gloed
onze open harten toedekt
en wij dagdromend
de nacht verder waaien
hellediepwanneer de onrust
hellediep broedt
kolkend en laaiend
zich een weg
naar bovenaards zoekt
een reeds zichzelf
verwondde wereld
zieltogend afmaakt
weet dan dat niemand meer
de ledigheid na chaos zal verhalen
de één zijn brood is de ander zijn dood
zie ze bekvechten
zij die eens samen nestend
zo intens zomer deelden
wendend om elkaar heen
het eten uit de mond
trachten te stelen
tot de sterkste het wint
in al haar eenzaamheid
de nieuwe lente toezingt